Nummer 3: Maart 2015

 03-2015 Schaefer-bureau

' Jan Schaefer komt!'

Amsterdamse kleurrijkste naoorlogse wethouder werd 75 jaar geleden geboren

Een gewone jongen uit Bos en Lommer, maar bepaald niet eentje van dertien in een dozijn. Verre van. Jan Schaeder (1940-1994) was een van Amsterdams bijzonderste nauurlogse bestuurder. Hij haalde de stadsvernieuwing uit het slop. Op eigenzinnige wijze, wars van bureaucartie en met het hart op de tong. 

In de marge van dit artikel plaatsten we bovendien korte citaten van een paar mensen die Schaefer intensief meemaakten. Zoals onze huidige burgemeester Eberhard van der Laan, die over hem schreef: 

"Een onconventionele politicus, die alles gaf om de stad uit het slop te trekken. Ik was korte tijd zijn assistent. Zijn ambities waren groot, maar hij wilde die stap voor stap verwezenlijken. Zijn credo: “Wil je tien problemen tegelijk oplossen, heb je er elf.” Begin bij de eerste twee, los die op, en schep zo draagvlak om drie en vier aan te pakken. Daarom stopte hij al zijn energie in de stadsvernieuwing: Amsterdam vernieuwen door oude, vervallen huizen op te knappen. Hij had de regie, maar werkte in samenspraak met de bewoners. Bouwen voor de buurt, met zo laag mogelijke huren en zoveel mogelijk renovatie in plaats van sloop. Zo creëer je draagvlak. 'Begin de stadsvernieuwing op de hoek van de straat. Dan zien de mensen in twee straten dat de stadsvernieuwing op gang komt.' Van hem leerde ik vertrouwen te hebben in de kracht van de samenleving en de voortrekkersrol die de overheid soms kan hebben. Schaefer gaf Amsterdam zijn zelfvertrouwen terug."

Een gewone jongen uit Oud-West, maar bepaald niet eentje van dertien in een dozijn. Verre van. Jan Schaefer was een van Amsterdams bijzonderste na-oorlogse bestuurders. Hij haalde de stadsvernieuwing uit het slop. Op eigenzin-nige wijze, wars van bureaucratie en met het hart op de tong.


De fameuze stadsbestuurder Jan Schaefer begon zijn leven als enig kind in een rooms-katholiek gezin in Oud-West. Zijn vader dreef er een banketbakkerij, waar Jan vanaf zijn zesde hielp met schoonmaken. Verwacht werd dat hij de zaak zou overnemen. Het huwelijk van zijn ouders was niet harmonieus, gere-geld hadden zij slaande ruzie. Na de scheiding in 1951 (Jan was elf) vertrokken moeder en zoon naar Amstelveen en leefden daar in armoe. Na één jaar mulo ging Jan naar het internaat van de Bisschoppelijke Nijverheidsschool in Voor-hout om de banketbakkersopleiding te volgen. Met het middenstandsdiploma op zak ging hij aan de slag als banketbakker bij zijn vader – die twee winkels had – ook al had hij een afkeer van hem en maakten ze aanhoudend ruzie. Want Jan wilde in de nabijheid zijn van een bedrijfschef die hij vanuit zijn kindertijd ken-de. Deze Vlaming beschouwde hij als een vader. “‘Ga boeken lezen’, zei die. ‘Ga cursussen volgen. Je kan nooit genoeg geleerd hebben’”, vertelde hij later over hem.
Die adviezen heeft Jan opgevolgd. Hij behaalde in de avonduren het diploma algemene handelskennis en sloot zich aan bij de Algemene Bedrijfsbond Voe-dings- en Genotsmiddelen. In de vakbeweging viel hij op door zijn spraakzaam-heid en discussieertalent. Veel leerde hij op de kadercursussen van het Neder-lands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Een aantal jaren ‒ vanaf omstreeks 1960 tot circa 1965 ‒ was hij lid van de Communistische Partij van Nederland en van de communistische vakbond Eenheids Vakcentrale. Achteraf beschreef hij het daar beleden marxisme als een gesloten systeem met net zoveel symbolen als het rooms-katholicisme dat hij van zijn jeugd kende. Hij stapte op omdat hij zich niet kon verenigen met het rigoureuze optreden tegen dissidenten.

Luidkeels
’s Avonds stond hij achter de bar van een café in de Reguliersdwarsstraat om wat bij te verdienen. Zo leerde hij Diny Grootes kennen, modinette op een naai-atelier. Ze trouwden in 1964 en gingen wonen in het tuinhuisje van een pand in dezelfde straat. Zoon Remco werd daar geboren. In die eerste huwelijksjaren was Schaefer een tijdlang assistent-coach bij de Amsterdamse honkbalvereni-ging OVVO (Op Volharding Volgt Overwinning). Het gezin verhuisde in 1967 naar de Rustenburgerstraat in De Pijp en werd drie jaar later uitgebreid met dochter Mariska. Jan klom op tot chef van een banketbakkerij en ontpopte zich als een ijverige buurtactivist.
Tot aan zijn vertrek uit De Pijp in 1973 spande hij zich in om de wijk door aller-lei maatregelen ‒ zoals het inrichten van speelplaatsen en het weren van auto-verkeer  ‒ te behoeden voor afbraak ten behoeve van nieuwbouw en te laten re-noveren. Hij ijverde voor een grotere betrokkenheid van de vakbeweging bij het actiewezen in de stadswijken. Zo had hij namens het NVV zitting in het bestuur van het wijkcentrum.
Deze activiteiten brachten hem in contact met Amsterdamse leden van de Partij van de Arbeid (PvdA). De partij was naar zijn smaak te behoudend, maar de machtsovername door Nieuw Links in 1969 trok hem over de streep. Hij werd lid en het ging hem al snel voor de wind binnen de partij. Op politieke bijeen-komsten werd hij in Amsterdam een bekende persoonlijkheid, die luidkeels het woord voerde. Dat leidde tot zijn kandidatuur voor de Tweede Kamer, waarvan hij twee jaar lid was, van 11 mei 1971 tot 11 mei 1973.
In het parlement viel Schaefer op door zijn voorkomen. Volumineus van stem en postuur, ging hij nonchalant gekleed in houthakkershemden met een mouwloos vest en een spijkerbroek die strak om de buik spande, bij voorkeur lopend op slippers. Zijn ruwe imago werd versterkt doordat hij zich ontpopte als een fer-vent motorcrosser.

Paradepaardje
Van 11 mei 1973 tot 8 september 1977 was hij staatssecretaris van Volkshuis-vesting en Ruimtelijke Ordening, belast met stadsvernieuwing in het kabinet-Den Uyl. De pas 33-jarige Schaefer was de eerste bewindsman die principieel de voorkeur gaf aan renovatie van oude stadswijken boven afbraak en nieuwbouw. Door zijn toedoen ging het budget stadsvernieuwing fors omhoog en kwamen er allerlei financieringsregelingen voor gemeentelijke projecten op dit terrein. Vooral de grote steden spoorde hij aan tot renovatie. Aan bureaucratie en lang-durige overwegingen had hij een hekel. “Een politicus moet kloten hebben”, zei hij vaak. En: “In gelul kan niemand wonen.”
Tijdens de formatie van het tweede kabinet-Den Uyl in 1977 was Schaefer de beoogde minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Nadat die mis-lukt was, bleef hij in de Tweede Kamer. Inmiddels had de Amsterdamse PvdA-afdeling ‒ na jaren van interne conflicten ‒ behoefte aan een sterke man en het oog laten vallen op Schaefer, het paradepaardje uit Amsterdam in de Haagse po-litiek. Hij aarzelde eerst, stemde toe en bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1978 voerde de partij campagne met de leuze ‘Jan Schaefer komt!’. Zijn sponta-ne optreden, recht voor z’n raap, als man van het volk, bezorgde de PvdA een opvallende winst van zeventien naar negentien raadszetels. Schaefer werd wet-houder van Amsterdam en de leider van de Amsterdamse PvdA.
Onmiddellijk na zijn aantreden op 6 september trok hij in het college van B&W veel politieke macht naar zich toe, een positie die hij vakkundig zou consolide-ren. Tegelijkertijd maakte hij een einde aan het openlijke geruzie binnen het Pv-dA-gewest door een strikte fractiediscipline in de raad af te dwingen. En de ove-rige partijen bond hij aan zijn zegekar door het gemeentebeleid tot in detail vast te leggen in een programakkoord.

Klinkende resultaten
De kern van dit akkoord was de ingrijpende wijziging van de opvattingen over stadsvernieuwing. Niet meer de ‘uiteengelegde stad’: de overtollige Amster-dammers uitstrooien over de provincie, maar de ‘compacte stad’: de woningen die voor de Amsterdammers in de overloopgebieden waren gereserveerd, moes-ten weer in de stad zelf worden gebouwd. Wonen, werken, verkeer en voorzie-ningen werden niet langer gescheiden behandeld, maar in hun onderlinge sa-menhang.
Schaefer was de spin in het web bij de uitvoering van deze nieuwe aanpak. Hij kon het gehele bouwproces domineren doordat hij de portefeuilles Coördinatie Stadsvernieuwing, Grondzaken, Volkshuisvesting en Bouw- en Woningtoezicht onder zijn hoede had genomen. De resultaten volgden spoedig. Toen hij aan de slag ging, was de bouwproductie in de stad minimaal met 530 nieuwe woningen in 1978. Zes jaar later was de productie opgeschroefd naar ruim 10.000 nieuwe woningen. Sindsdien bedroeg het aantal tot 1992 gemiddeld rond 5000 per jaar.
Tijdens Schaefers wethouderschap waren er herhaaldelijk botsingen tussen het stadsbestuur en de kraakbeweging. De gemeente hanteerde een strategie van enerzijds hard optreden, anderzijds soepel onderhandelen. Veel krakers kregen de kans hun pand door de gemeente te laten opkopen of hun woonsituatie te la-ten legaliseren.
In deze aanpak paste het creëren van HAT-eenheden: kleine appartementen voor één of twee personen in de leeftijd van 18 tot 30 jaar, gebouwd met overheids-subsidie.De afkorting HAT stond voor Huisvesting van Alleenstaanden en Tweepersoonshuishoudens. In Amsterdam, de grootste jongerenstad van het land, zijn er dankzij Schaefer duizenden van zulke microappartementen geko-men. Maar wanneer krakers dit weigerden en zich bleven verzetten, volgde een hard optreden.
Schaefers beleid had succes: de speelruimte van de kraakbeweging werd aan-zienlijk kleiner. Tegelijkertijd wierp het beleid van stadsverdichting zijn vruch-ten af. Het aantal leegstaande panden nam sterk af, waardoor de gemeente haar reputatie inzake volkshuisvesting bij de bevolking verbeterde.

Rekening
Op 29 april 1986 nam Schaefer afscheid als wethouder. Hij wilde hij weer terug naar Den Haag, maar zijn politieke imago had inmiddels butsen opgelopen. Zo had het Grondbedrijf een kastekort opgelopen van f 60 miljoen, waarvoor hij verantwoordelijk werd gesteld. Ook haalde de plaatselijke pers hem geregeld onderuit vanwege zijn pronken met dure auto’s en motorfietsen en hang naar casino’s. De PvdA-fractie in de Tweede Kamer zat niet op hem te wachten. Toen hij onmiddellijk na zijn terugkeer in juni 1986 verkondigde partijleider Den Uyl te willen opvolgen, werd hem dat niet in dank afgenomen. Bij de porte-feuilleverdeling binnen de fractie kreeg hij volkshuisvesting en ruimtelijk orde-ning niet en moest hij genoegen nemen met het midden- en kleinbedrijf.
Schaefer raakte verbitterd en werd ziek. Vijf maanden lang, van mei tot septem-ber 1987, was hij geveld door een bloedprop in de hersenen. Vervolgens kreeg hij trombose aan een been en strompelde hij een tijdlang op krukken door het Kamergebouw. In een interview zei hij: “Ik heb de rekening gepresenteerd ge-kregen voor die acht drukke jaren in Amsterdam. Maar ik heb altijd gezegd: ik word liever op een woeste manier veertig dan op een lullige manier tachtig.”
Zijn ziekte verzachtte Schaefers temperament niet. Collega’s trakteerde hij op scheldpartijen, zoals “de Kamer is een kooi met grijze muizen”, terwijl hij zijn fractiegenoten afdeed als een club “geparfumeerde drollen”. Door de kritiek op zijn partij raakte hij uitgerangeerd. De strategie van de PvdA was inmiddels op consensus gericht, maar Schaefer bleef polariseren jegens de liberalen en de confessionelen. Hij werd de Don Quichot van de fractie. Als enige stemde hij in 1989 tegen de toetreding van de PvdA tot het kabinet Lubbers-III. Nadat hij op medische gronden was afgekeurd, verliet hij op 22 februari 1990 ‒ 49 jaar oud ‒ de Tweede Kamer.

Geen rust
Het lukte hem niet om rust te nemen. Zo was hij van mei 1990 tot eind decem-ber 1991 voorzitter van de Interdepartementale Projectgroep Sociale Vernieu-wing. Deze commissie ‒ in de wandeling de ‘Bende van Schaefer’ genoemd ‒ trok het land door om lokale projecten te stimuleren gericht op de verbetering van het arbeidsmarktbeleid voor kansarmen en van de ouderenzorg. In oktober 1991 verraste Schaefer vriend en vijand met de oprichting van een politieke be-weging buiten de partijen om ‒ zelf bleef hij overigens lid van de PvdA ‒ onder de naam Democratisch Offensief. Zijn plan om de burgers en de politiek bij el-kaar brengen door traditionele scheidslijnen te doorbreken, mislukte echter. Vanaf 1992 was hij ook betrokken bij de Gemeente-partij, een lokale Amster-damse partij die de instelling van een deelraad voor Amsterdam-Centrum be-streed.
Jan Schaefer overleed begin 1994 thuis op de dag dat hij uit het ziekenhuis werd ontslagen, waarin hij was opgenomen na een hartaanval. Tijdens zijn gehele car-rière bleef deze flamboyante politicus een vertolker van de polarisatiegedachte uit de jaren zeventig en behield hij zijn geloof in de maakbaarheid van de sa-menleving. Niet voor niets was hij een opzienbarende figuur in het kabinet-Den Uyl. Zijn glorietijd was het wethouderschap in Amsterdam. Hij toonde hij zich een bevlogen stadsvernieuwer, met gevoel voor wat leefde onder de bevolking. Maar eind jaren tachtig was het politieke klimaat zozeer gewijzigd dat hij met zijn maakbaarheidsidealen geen gehoor meer vond.


HERMAN DE LIAGRE BÖHL IS HISTORICUS.
DIT VERHAAL IS EEN BEWERKING VAN EEN ARTIKEL DAT HIJ SCHREEF IN HET BIOGRAFISCH WOORDENBOEK VAN NEDERLAND, DEEL 6 (DEN HAAG 2008).

Volgend jaar verschijnt er bij uitgeverij Atlas Contact een biografie van Jan Schaefer, geschreven door Louis Hoeks. Hoeks is in het dagelijks leven journalist bij Het Financieele Dagblad. Hij sprak voor zijn boek met ruim 60 mensen uit de omgeving van de PvdA-coryfee.