Nummer 6: Juni 2014

06 2014 Michiel de Ruyter

Ruwe zeebonk was weinig thuis

Michiel Adriaensz de Ruyter: 22 jaar Amsterdammer

Michiel de Ruyer (1607-1676) betrok begin 165 een huis op het Nieuwe Waalseiland. Hij was in Amsterdam tot vlootvoogd benoemd. De wereld leerde hem kennen als de fameuze zeeheld, maar voor de Amsterdammers was hij en weinig opvallende voorbijganger in een soort kapiteinstenue zonder enige opsmuk. Nou ja, wél beroemd natuurlijk. De voormalige Zeeuwe voelde zich thuis in Amsterdam.

De zeehelden van de 17de eeuw verwierven roem vergelijkbaar met die van voetballers in onze tijd. Michiel de Ruyters transfer van de Zeeuwse naar de Amsterdamse admiraliteit was wereldnieuws. De admiraal liet het niet breed hangen en ging onopvallend zijn gang.

Michiel de Ruyter (1607-1676) betrok begin 1655 een huis op het Nieuwe Waalseiland. Hij was in Amsterdam tot vlootvoogd benoemd. De wereld leerde hem kennen als de fameuze zeeheld, voor de Amsterdammers was hij een weinig opvallende voorbijganger in een soort kapiteinstenue zonder enige opsmuk. Nou ja, wél beroemd natuurlijk. De Amsterdamse jaren van een voormalige Zeeuw.

De grote zeehelden van de 17de eeuw verwierven roem vergelijkbaar met die van voetballers in onze tijd. De overgang van Michiel de Ruyterin 1654 van de Zeeuwse naar de Amsterdamse admiraliteit mag dan ook met recht de transfer van de eeuw heten: hij was de beroemdste admiraal van de Gouden Eeuw. Als De Ruyter in Zeeland was gebleven, zou hij nu op zijn best nog door een aantal belangstellenden in geschiedenis herinnerd worden als een bekwaam vlootvoogd. Het lot dat zijn collega’s bij de Zeeuwse admiraliteit is beschoren, de gebroeders Evertsen en vader en zoon Bancker. Bij de Hollandse admiraliteit kon hij uitgroeien tot opperbevelhebber van de vloot, verantwoordelijk voor een reeks legendarische overwinningen op de Engelsen. Hij verkreeg eeuwige roem, hem wachtte géén vergetelheid.

Holland bepaalt
De Nederlandse Republiek (de naam van Nederland tussen 1588 en 1795) had een gedecentraliseerd staatsbestel, waarin de gewesten (provincies) een uiterst belangrijke rol speelden. De marine was op soortgelijke wijze georganiseerd. De hoogste leiding lag vanaf 1650 bij de Staten-Generaal. Raadpensionaris van Holland – een soort premier – Johan de Witt had bijzondere belangstelling voor de marine en ging zich er daarom veel mee bemoeien. Het dagelijks bestuur van de oorlogsvloot werd gevormd door de vijf zeer zelfstandige admiraliteiten: van Amsterdam, de Maze (Rotterdam), het Noorderkwartier, Zeeland en Friesland. Het gewest Holland droeg met 61,5% van de totale inkomsten van de Republiek verreweg de grootste lasten.
Het was logisch dat Holland daarom in de praktijk het meest te zeggen had over het zeewezen. In Holland gold de Rotterdamse admiraliteit als de oudste en daarom belangrijkste. De Maze leverde volgens traditie de opperbevelhebber van de oorlogsvloot en ook het admiraalsschip werd op de Rotterdamse werf gebouwd. In de loop van de 17de eeuw groeide de rol van de admiraliteit van Amsterdam. De drie andere admiraliteiten visten achter het net bij het bepalen van het beleid. Zelfs de tweede plaats op de vloot – de vervanger van de opperbevelhebber – werd de Zeeuwse admiraliteit doorgaans niet gegund. Een zeeofficier die in het midden van de 17de eeuw echt iets wilde betekenen, moest dus in dienst treden bij de Amsterdamse of Rotterdamse admiraliteit.

Zeeuwse zeeman
Michiel de Ruyter werd op 24 maart 1607 geboren in Vlissingen. Al in 1618 ging zijn wens om naar zee te gaan in vervulling. Hij voer daarna achtereenvolgens als koopvaarder, walvisvaarder en kaper. In de jaren veertig en begin vijftig voer hij weer ter koopvaardij, nu met zijn eigen schip. In 1652 hertrouwde hij met Anna van Gelder, de weduwe van een collega uit Vlissingen, en was hij vastbesloten zijn zeemansloopbaan te beëindigen.
Het liep anders. De Zeeuwse admiraliteit deed aan de vooravond van de Eerste Engelse Oorlog (1652-1654) een beroep op De Ruyter om als officier in dienst te treden gezien de hachelijke omstandigheden waarin het land verkeerde. Met grote tegenzin en zorg aanvaardde hij een benoeming tot vicecommandeur op de oorlogsvloot, die op dat moment voor Texel was gelegen. De rest is geschiedenis: De Ruyter speelde een voorname rol in alle belangrijke zeeslagen tegen de Engelsen.
Nadat opperbevelhebber Maerten Harpertsz. Tromp op 10 augustus 1653 was gesneuveld, ging Johan de Witt meteen op zoek naar een bekwame opvolger. De admiraliteiten van Amsterdam en het Noorderkwartier wezen de raadpensionaris op De Ruyter. De Witt zag in dat de Vlissingse zeerot in de voorbije zeeoorlog capaciteiten had getoond als bevelhebber. Ook sprak de zeeofficier hem aan omdat hij niet uitgesproken prinsgezind was en dus niet bij voorbaat tot zijn tegenstanders behoorde. De Witt nodigde De Ruyter uit voor een diner thuis in Den Haag en diverse gesprekken volgden. Maar hij weigerde het opperbevel halsstarrig, omdat collega’s op grond van anciënniteit recht hadden op voorrang. De Witt moest noodgedwongen een ander zoeken. Opperbevelhebber werd de onervaren Jacob van Wassenaer van Obdam.

Naar Amsterdam
Korte tijd later werd De Ruyter via een omweg toch aan het opperbevel verbonden. Het zeeofficierenkorps werd uitgebreid om Van Wassenaer bij te staan. Die uitbreiding maakte het de admiraliteit van Amsterdam mogelijk om hem de aanstelling tot viceadmiraal aan te bieden. Na overleg met familie, vrienden en bekenden in Zeeland en de Staten van Holland ging De Ruyter  overstag. Op 2 maart 1654 legde hij in de vergadering van de Staten-Generaal de eed af als viceadmiraal van de Amsterdamse admiraliteit. Negen dagen later nam hij officieel afscheid van de Zeeuwse admiraliteit. Pas veel later zouden de Zeeuwen beseffen welke aderlating het vertrek van De Ruyter naar Amsterdam was geweest.
De Ruyter huurde begin 1655 voor zichzelf en zijn gezin in Amsterdam een huis op het Nieuwe Waalseiland (tegenwoordig Prins Hendrikkade 131), dat hij zes jaar later zou kopen. Het pand lag mooi centraal voor zijn nieuwe werkzaamheden. Op loopafstand was het Prinsenhof aan de Oudezijds Voorburgwal, waar de Amsterdamse admiraliteit was gevestigd. Geregeld moest hij daar in de raadkamer verschijnen om verslag uit te brengen en advies te geven. Slechts enkele minuten van huis kwam in 1655 op het eiland Kattenburg ’s Lands Zeemagazijn gereed. Dit gebouw diende als magazijn voor scheepsbehoeften van de oorlogsvloot en had een groot dok en werven voor scheepsbouw. Vaak ging De Ruyter daar langs om te assisteren bij de bouw en uitrusting van oorlogsschepen.

Eenvoudig rijtjeshuis
Veel thuis was hij niet. Met uitzondering van de jaren 1668-1672 bracht hij meer dan de helft van zijn tijd op zee door. Het grote familieportret dat hij in 1667 liet schilderen moet een compensatie zijn geweest voor het feit dat hij zijn kinderen niet had zien opgroeien. Twee jaar eerder was het dan zover geweest: De Ruyter werd in 1665 benoemd tot opperbevelhebber van de vloot. Officieel kwam hij in dienst van de Rotterdamse admiraliteit te varen, maar op zijn speciaal verzoek mocht hij Amsterdam blijven wonen. Wel moest hij volgens traditie met het eskader van de vloot voor Hellevoetsluis uitvaren. Daarom logeerde De Ruyter nogal eens bij zijn oudste dochter en haar man, die woonden aan de Leuvehaven in Rotterdam.
Wanneer hij in Amsterdam was, ging De Ruyter het liefst onopvallend zijn gang. Op straat werd hij door hooguit één knecht vergezeld en anders dan zijn voorganger Maerten Tromp reed hij nooit in een koets. Geregeld woonde hij in de Oude Kerk de kerkdienst bij en vaak zal hij langs het schepenrijke IJ hebben gewandeld. In de simpele huizen in zijn omgeving woonden veel andere zeeofficieren, van eenvoudige sociale herkomst. Hoewel hij het kon betalen, taalde hij niet naar een dure patriciërswoning in de grachtengordel, laat staan een buitenhuis in ’s-Graveland, zoals zijn collega Cornelis Tromp. Ook De Ruyters vrouw Anna bleef eenvoudig. Zij liep zelf met een mand in de hand over de markt en hing de was op zolder aan lijnen te drogen.
Buitenlanders die de internationaal befaamde admiraal thuis kwamen opzoeken, waren verbaasd dat hij een eenvoudig rijtjeshuis bewoonde in een tamelijk morsige zeemanshoek aan het IJ. Alsof de successen van de Vierdaagse Zeeslag in 1666 en de tocht naar Chatham in 1667 tijdens de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) aan hem voorbij waren gegaan. Zij troffen De Ruyter heel anders gekleed dan op zijn officiële portretten. Op een gewone dag thuis droeg hij een soort kapiteinstenue, zonder enige opsmuk. Zijn uiterlijk werd omschreven als dat van een ruwe zeebonk.

Belaagd
Honkvast als hij was, moet De Ruyter op het Nieuwe Waalseiland met genoegen hebben gewoond. Toch beleefden hij en zijn familie er ook enkele zeer benauwde momenten. Op een donderdag in november 1669 klopte een bootsgezel aan de deur. In zijn ene hand had hij een stuk kaas en brood, in de andere een scherp mes dat scheen te dienen om het brood te snijden. De dienstmeid van de admiraal deed open. De jongeman schreeuwde meermaals dat hij Michiel de Ruyter wilde spreken. Die kwam zelf vanwege het rumoer naar de deur en toen hij zijn identiteit had bevestigd, probeerde de bootsgezel hem met zijn mes te steken. De Ruyter weerde de man af met een stok die de meid toevallig bij de hand had. Een toegesneld gezinslid bood hulp en gezamenlijk wisten ze de aanvaller de deur uit te werken. Hij vluchtte en is spoorloos gebleven.
Een tweede incident gebeurde in de zomer van 1672. Terwijl De Ruyter op zee het land verdedigde tegen de Engelsen en Fransen, trachtte een razende menigte van vooral matrozen en zeemansvrouwen zijn huis te plunderen. Er werden woedende leuzen geroepen tegen de opperbevelhebber, die volgens geruchten de vloot had verraden en verkocht aan de vijand. De actie mislukte op het nippertje, dankzij kordaat optreden van een gewaarschuwd familielid. Hij liet de compagnie schutters waarvan hij kapitein was aanrukken om het huis te verdedigen.

Dodelijke beenwond
Zijn laatste maanden in Amsterdam bracht De Ruyter tot juli 1675 door na afloop van de Derde Engelse Oorlog (1672-1674). Tijdens de volgende expeditie naar de Middellandse Zee stierf hij op 29 april 1676 aan de verwondingen die hij een week eerder aan zijn been had opgelopen in de slag bij de Etna tegen de Fransen. Toen zijn stoffelijk overschot in februari 1676 in de Republiek terugkeerde, gingen er stemmen op hem in Rotterdam te begraven. Maar de Staten-Generaal besloten dat de begrafenis in Amsterdam moest plaatsvinden. De Ruyter had zelf de wens geuit in zijn woonplaats te worden bijgezet. De familie had bovendien al graven in het koor van de Nieuwe Kerk opgekocht, die nu als grafkelder werden ingericht en waarboven het grafmonument zou verrijzen.
De begrafenis vond plaats op 18 maart 1677. Een enorme mensenmassa was op de been om de geliefde zeeheld de laatste eer te bewijzen. Door de voornaamste straten van de stad trok de onafzienbare en indrukwekkende begrafenisstoet. Eigenaren van winkels langs de route verkochten staanplaatsen op houten stellages voor hun luifels en zitplaatsen achter hun ramen. Bomen, daken en scheepsmasten zaten vol met mensen die niets van het gebeuren wilden missen. In 1681 had Rombout Verhulst het prachtige marmeren grafmonument gereed. De belangrijkste zeeheld van de Republiek kreeg het grootste grafmonument, op de plaats waar in de kerk ooit het hoogaltaar had gestaan – en dat was meer dan passend.

Grafmonument
Boven de deur van De Ruyters huis is tot op de dag van vandaag een gevelsteen met zijn borstbeeld te zien uit omstreeks 1829. Verdwenen is zijn standbeeld op de binnenplaats van het Oudemannenhuis, de zetel van de universiteit, dat er tussen 1842 en 1881 heeft gestaan. Sindsdien kan Vlissingen zich beroemen op het enige standbeeld van De Ruyter, vervaardigd door de Vlaamse Amsterdammer Louis Royer in 1841. En zijn grafmonument, waar menige toerist in de Vlissingse Sint-Jacobskerk tevergeefs naar zoekt? Dát is nog altijd een grote publiekstrekker in Amsterdam!

RONALD PRUD’HOMME VAN REINE IS HISTORICUS. IN 1996 VERSCHEEN ZIJN BIOGRAFIE OVER MICHIEL DE RUYTER