Nummer 10: Oktober 2013 - 'Als ik bij mijn opa eet voel ik me Italiaans'

Drie generaties Giannattasio in Noord10 2013 drie generaties italianen

Big brother is watching you is opnieuw actueel dankzij de onthullingen van klokkenluider Edward Snowden. Hoe ver reikt de overheidscontrole? In Amsterdam was het thema al in de 17de eeuw aan de orde. Bijna iedereen stond toen wel ergens ingeschreven. Verstoken van moderne communicatiemiddelen en biometrische paspoorten, maar met behulp van kerk, klerk en corporaties, liet de overheid ijverig bijhouden wie er binnen de veste waren.

Het pontje bij het Centraal Station over, een minuut fietsen en daar ligt het paradijsje van Antonio Giannattasio. Een grote woonboot met een vorstelijk terras vol bakken met uitbundig bloeiende planten. Ernaast ligt een moestuintje. Vijftig jaar geleden was het volgens de 71-jarige Italiaan de meest akelige plek die je je kon voorstellen. Hij werkte bij de scheepswerf ADM, en huurde met zijn broers, zuster en schoonzuster een huis op de Buiksloterdijk. “En dan liep ik hier wel eens langs als ik naar de stad moest. Het was altijd donker, het was moerassig. Zó griezelig!” Zijn 64-jarige vrouw Rietje roept hartgrondig: “Het was een pisgat!!”
Als iemand Antonio Giannattasio in 1966 had verteld dat hij juist op die plek het grootste deel van zijn leven zou doorbrengen, had hij het niet geloofd. Toch liep het zo. De woningnood in de jaren zestig was gigantisch. Niets kon hij vinden en hij zat flink in de rats. De bruiloft met Rietje was al aangekondigd. Zijn ouders uit Taranto zouden komen.  “Ze verwachtten dat ik in dat rijke land wel een huis voor mijn vrouw zou vinden. Ik zou me dood schamen tegenover hun als ik niets had.” De Nederlandse schoonmoeder van één van zijn broers kwam met een oplossing. Ze wist een woonboot te koop bij het Olympisch Stadion. “Een plek kreeg je toegewezen. Dat was dus hier. Ik weigerde. ‘Nooit!’ riep ik uit. ‘Maar jongen, waarom niet’, vroeg die man van de havenpolitie. ‘Je werkt toch bij het dok? Ik weet zeker dat jij er iets heel moois van kan maken.’ Uiteindelijk heeft hij me overgehaald. Ik moest wel, ik had geen keus. ”

Buiten eten
Elke avond na het werk, samen met broers en neven, stortte hij cement in de moerassige grond. Een titanenkarwei, maar hij heeft er tot op de dag van vandaag plezier van. Ook nu zit zijn terras vol vrolijk lachende mensen. Antonio en Rietje hebben altijd kinderen, kleinkinderen, aanhang en vrienden te eten. Bijna altijd kookt hij. Vanavond staat hij te roeren in een pan met een stevige beige substantie gemaakt van gedroogde tuinbonen.  “Ik had er gisteren opeens zo’n zin in. Het komt uit Puglia, de streek waar ik vandaan kom in de hak van de laars. Mijn moeder maakte het altijd, het is een gerecht voor de armen.”
Dochter Diana, die aan de keukentafel zit: “Niet iedereen vindt het lekker. Je houdt er van of niet. Het smaakt goed met geroosterde aubergine en paprika.” Ze heeft lange donkere krullen en haar groene ogen hebben dezelfde felle blik als vader Antonio. Ze praat snel. “Laatst moest mijn dochter Valentina voor school in een boekje schrijven hoe het huis van haar opa er vroeger uitzag. Met vijf broers en een zus sliep hij op een kamer met een gordijn waarachter op planken bonen lagen te drogen. Zo anders vergeleken met mijn of haar leven. Als zesjarig jongetje liep hij al achter een groentekar aan. Hij heeft van alles gedaan om geld te verdienen. Hij is visserman geweest, groenteboer, lasser. Hij kán het ook allemaal.”
De bewonderende woorden van zijn dochter kan Antonio, druk bezig het eten buiten op het terras te zetten, niet horen. Op tafel verschijnen behalve het tuinbonengerecht nog twee soorten pasta’s (een met door hem zelf gezouten ansjovis en broccoli en een ander met geroosterde groenten) een salade en voor de liefhebbers van de Hollandse pot karbonaadjes. Passerende fietsers kijken nieuwsgierig naar die grote familie aan een tafel vol gerechten.

Allerjongste lasser
Padre Antonio vertelt door al het vrolijke gekwetter van vrouw, kind en kleinkinderen heen hoe hij in Amsterdam terecht kwam. Hij weet het nog als de dag van gisteren. In zijn ouderlijk huis in Taranto kreeg hij bezoek van twee mannen. Een tolk en de personeelschef van ADM. “Ze kenden mijn broers, die al bij de ADM werkten. ‘Als jullie weer naar Taranto gaan om te werven, dan moet je ook langs mijn huis. Ik heb nog een jonger broertje’, had er een gezegd.” Mijn ouders ontvingen de twee mannen feestelijk. Ik werd direct aangenomen. Zaterdag kreeg ik een treinkaartje naar Amsterdam, dinsdag werd ik gekeurd en donderdag kon ik al beginnen als allerjongste lasser van het bedrijf. Ik was achttien.”
Hij ging wonen in het huis waar al enkele broers, één zus en schoonzus woonden. “Als we thuis kwamen was het eten klaar en onze kleren waren gestreken. Eigenlijk hadden we niet het gevoel dat we in het buitenland waren, alleen mijn vader en moeder miste ik heel erg.”
De ADM raakte ook steeds meer in Italiaanse sferen. Er arriveerden steeds meer mannen uit zijn geboortestreek. “Ik begon in augustus 1960, toen waren er bij mij tien Italianen op de afdeling. In oktober werkten er 500 mannen uit Taranto. De meesten woonden in pensions. Ze spraken geen Nederlands en hadden veel toestanden met kostvrouwen over dingen die kapot waren gegaan en over geluidsoverlast. Ze kwamen op gekke tijden thuis door de ploegendiensten. Er was ook altijd gedoe met meisjes. Nederland was toch 50 jaar verder met de emancipatie. Veel Italianen wreven hun ogen uit als ze vrouwen met blote benen op de fiets zagen. ’s Morgens aan het begin van de ploegendienst was het net een toneelstuk. Iedereen moest zijn verhaal kwijt.”

Dameskapsalon
Hij had het naar zijn zin bij de ADM. “Ik was als lasser erg gezien. En de Amsterdammers met wie ik werkte, waren echt heel vriendelijk. Ik kan niet anders zeggen.” De oudere Italianen gingen naar discotheek Extase op de Nieuwendijk. Hij ging als jonkie naar de Kuil, een dansgelegenheid waar hij de toen net veertienjarige Rietje van de Jordanese familie Kat uit de Willemstraat ontmoette. Ze zat op de kapperschool, had pikzwart haar en prachtige lichtblauwe ogen. “Ik had eerst haar vriendin naar huis gebracht, maar toen ik Rietje weer zag, dacht ik: zij is eigenlijk veel leuker. Ik ben nog steeds dol op haar. We hebben het altijd fijn gehad.” Ze hebben wel eens overwogen om in Italië te gaan wonen. “Maar het zou voor haar toch niet je dat zijn geweest. Ik zou daar het leven van de mannen in het dorp zijn gaan leiden en zij had altijd in de keuken moeten staan.”
Toen de scheepswerf failliet dreigde te gaan, namen ze samen een dameskapsalon op de Leeuwarderweg over. “Mijn vader stond bekend als de beste verver van heel Amsterdam-Noord”, zegt Diana, die met haar ouders in de zaak heeft gestaan en hem tegenwoordig alleen runt. Antonio: “Ik had er plezier in er net iets mooiers van te maken. Dan legde ik er bijvoorbeeld een kleuraccent in.” Als ze geen kapsalon waren begonnen, was het een eigen restaurant geworden, vermoedt hij. “Ik denk dat je elk vak kan leren als je het leuk vindt.”
De liefde voor de Italiaanse keuken heeft Diana van haar vader overgenomen. Ze kookt dagelijks Italiaans en voelt zich thuis in Italië. “Ik vond het elke vakantie verschrikkelijk om afscheid te nemen als we weer teruggingen naar Nederland. En altijd weer was ik ontgoocheld als mensen hier wachtten totdat je wegging voordat ze aan de maaltijd begonnen. Bij ons blijft iedereen die langskomt vanzelfsprekend eten. Jullie ook toch, hoop ik?”

Gebakken courgettebloemen
Elke dag mailt Diana met naar nichtjes en Italiaanse vrienden. “Ik ben op mijn twaalfde een cursus Italiaans gaan volgen omdat ik het zo verschrikkelijk vond eerst een paar dagen in de auto te moeten zitten en dan helemaal niet te kunnen praten met mijn opa en mijn oma. Wat bleek, toen ik die cursus had gedaan? Ze spraken alleen dialect! Maar inmiddels praten ze in het dorpje van mijn vader ook algemeen beschaafd Italiaans.”
De tienjarige Valentina – ook zij heeft die felle Giannattasio-blik – is net gestart met een cursus Italiaans via het consulaat. Ze is dit jaar met haar grootouders een paar weken mee naar Italië geweest. “We eten heel vaak bij opa. Hij maakt allerlei lekkere dingen. Gebakken courgettebloemen, tortellini, van alles. Als ik bij hem eet, voel ik me altijd Italiaans.” Opa verleende haar een zeer speciale gunst. “Ik heb het geheime recept van de familiepastasaus gekregen. Normaal krijg je dat in de familie als je twaalf bent, maar ik heb er zo om gezeurd dat ik het al heb gekregen toen ik acht was. Wat het is? Dat ga ik je niet verklappen.”
Lachend kijkt Antonio kijkt naar zijn boot, de bloemen, kinderen en kleinkinderen. “We kregen het niet cadeau, maar we hebben hier een prachtig leven. Altijd gehad ook.” Hij ziet zijn neven nog af en toe, die wonen in Zaandam, maar heeft verder geen Italiaanse vrienden. Twee broers zijn teruggegaan en de Italianen met wie hij hier soms een kaartje legde, waren bevriend met zijn inmiddels overleden broer. “Ik kijk wel elke avond naar de Italiaanse televisie. Als iemand iets onaardigs zegt over Italië, kan ik dat niet hebben.”
Een paar keer per jaar gaat hij naar Taranto. “Ik word er met open armen ontvangen door mijn zus, maar ken er bijna niemand meer. Het is anders dan toen ik mijn ouders ging bezoeken en ik me er echt helemaal thuis voelde. Ik hoor toch het meeste thuis in Amsterdam. Ook als iemand iets onaardigs zegt over Amsterdam, krijgt hij de wind van voren.”

Emilie Escher