Nummer 1: Januari 2012

01_2012-cover-145x212

Prijs € 6,- Bestel

Op de omslag:
Gijsbrecht, vertolkt door Albert van Dalsum in 1917, neemt afscheid van zijn stad: "Vaer wel, mijn Aemsterland: verwacht een andren heer."

En verder:
-Gijsbrecht is terug
-Tante Leen 100 jaar
-'Ja meneer, graag meneer'
-Het pension: een verdwenen wereld
-Amsterdam in de Steentijd
-Architect Herman Hertzberger


01_2012_Gijsbrecht
In januari 1968 viel het doek voor een meer dan 300 jaar oude tradiet. Guus Oster, directeur van de Nederlandse Comedie, gaf aan dat niet de Gijsbrecht, maar Brederode's De Spaanse Brabander zou worden opgevoerd tijdens de eerstvolgende jaarwisseling. Maar dit jaar staat de geplaagde edelman weer op het toneel van de Stadsschouwburg.
De tekening is van Albert Hahn jr. (jaren dertig)

In 1969 kwam een eind aan een nieuwjaarstraditie van 331 jaar: de opvoering van Vondels Gijsbrecht van Amstel in de Stadsschouwburg. Daarna is het stuk alleen incidenteel opgevoerd. Dezer dagen pakte Het Toneel Speelt de draad weer op. Mark Rietman en CARINE CRUTZEN vertolken de hoofdrollen, Jaap Spijkers is regisseur. Als het aanslaat, gaat het stuk weer iedere Nieuwjaarsdag (en de weken daarna) hier vertoond worden. Hoe kwam dit gebruik tot stand? En hoe liep het ooit stuk?

Eigenlijk klopte er niets van. Eeuwenlang schreef de traditie voor dat Gijsbrecht van Amstel* jaarlijks in première zou gaan op Nieuwjaarsdag. Maar in werkelijkheid schreef Joost van den Vondel zijn treurspel voor een opvoering met Kerstmis. “O Kerstnacht, schooner dan de daghen”, liet hij de Rey van Klaerissen niet voor niets declameren. De kerkenraad tekende echter protest aan. En die had destijds een belangrijke stem in de programmering van de door Jacob van Campen gebouwde stenen schouwburg aan de Keizersgracht. De leden hadden gehoord dat er een klooster in het stuk voorkwam – en dat soort “superstitiën van de paperije”, zoals het geloof der roomsen werd genoemd, leek deze calvinistische hoogwaardigheidsbekleders een ontheiliging van de Kerstnacht. De vroede vaderen van de stad kwamen daarop met een compromis: Gijsbrecht werd niet verboden, maar wel uitgesteld. Zo vond de eerste voorstelling uiteindelijk plaats op een heel wat minder beladen datum: zondag 3 januari 1638. Waarna de premières in de loop der eeuwen nog wel twee dagen naar voren schoven, maar nooit meer aan Kerstmis werden gekoppeld.
De gerenommeerde acteur en toneelleider Albert van Dalsum had zodoende groot gelijk toen hij er in 1949 de spot mee dreef: “Het is wel kenmerkend voor ons land, dat zijn enige grote toneeltraditie berust op een misverstand en dat men dat rustig van jaar tot jaar zo gelaten heeft, tot de dag van vandaag.” Maar Van Dalsum, die zelf menigmaal de Gijsbrechtrol speelde, heeft er niets aan kunnen veranderen. Nog twee decennia lang bleef het stuk onverbrekelijk verbonden aan Nieuwjaarsdag. En toen de fameuze finaletekst “Vaerwel mijn Aemstelstad, verwacht een and’ren Heer” op 1 januari 1969 voor het eerst niet meer opklonk, kon het Nederlandse toneel terugkijken op een traditie die niet minder dan 331 jaar lang had stand gehouden.

Boertige bijverschijnselen
Wél was er in de tussenliggende eeuwen veel veranderd. Om te beginnen werd de oerpremière ’s middags gespeeld, opdat de handeling door daglicht kon worden beschenen. Een nog groter verschil vormde wellicht het gedrag van het publiek. Recensies bestonden er in 1638 nog niet, maar in zijn studie Drie eeuwen ‘Gijsbreght van Aemstel’** schreef toneelhistoricus Ben Albach dat de schouwburgbezoekers in die tijd onbekommerd zaten te eten, te drinken, te roken, te schreeuwen en te vrijen, “het laatste zelfs zo openlijk dat al spoedig de gordijnen voor de loges zedelijkheidshalve moesten worden weggenomen!” En de acteurs waren volgens Albach niet veel beter: “Het zullen ongetwijfeld ruwe kerels zijn geweest, die Vondels drama ten doop hielden. Zij traden niet zelden dronken op en maakten ook wel eens scabreuze grappen.” Kerels, inderdaad, want ook de vrouwenrollen – inclusief die van Badeloch, de door het lot zo zwaar getroffen vrouw van Gijsbrecht – werden toen nog door mannen gespeeld. De eerste vrouwelijke Badeloch was Ariana Nozeman in 1656.
Dat de voorstelling ondanks al die boertige bijverschijnselen een diepe indruk maakte, laat zich lastig indenken. Toch is het zo. Het stuk werd tot half februari dertien keer voor stampvolle zalen vertoond. Ook het voltallige gemeentebestuur kwam kijken. Daarna vonden er echter drie jaar lang geen heropvoeringen plaats, mede onder druk van de kerkenraad die van mening bleef dat Vondel te veel roomse elementen in zijn tekst had verwerkt. Pas in 1642 keerde de Gijsbrecht terug in de schouwburg, opnieuw met groot succes. Iedereen die iets in de stad wilde betekenen, verklaarde zich aan de Gijsbrechtfiguur verwant. Albach wijst op de inscriptie “Gijsb.” waarmee Rembrandt in datzelfde jaar op zijn Nachtwacht de ringkraag van de ijdele koopman-luitenant Willem van Ruytenburch sierde: “De schutters beschouwden zich immers als Gijsbreghts afstammelingen!” Rembrandt tekende trouwens ook allerlei scènes voor en achter de schermen tijdens een opvoering. Het schouwspel moet ook op hem een grote aantrekkingskracht hebben gehad.

De traditie ontstaat
Niettemin was de opvoeringsgeschiedenis in de 17de en de 18de eeuw nog tamelijk grillig. Voor scherpslijpers zou er zodoende alle reden zijn de start van de traditie minstens een eeuw later te dateren. Soms werd het stuk enkele jaren achtereen gespeeld, dan weer een poosje niet. Dat had onder meer te maken met verbouwingswerkzaamheden aan de schouwburg, die al spoedig te klein en te krap werd om ruimte te bieden aan de nieuwste theatertechnieken van dat moment. Uiteindelijk brandde het gebouw in 1772 geheel af. Pas toen er twee jaar later een gloednieuwe schouwburg openging aan het Leidseplein, was de Gijsbrechttraditie eindelijk een feit.
Voortaan ging er geen jaar meer voorbij of de tragedie werd opgevoerd. Het stuk groeide mee met alle toneelstijlen. Het begon “ruw en levendig”, aldus Albach, waarna de speelstijl in de 18de eeuw “statig en retorisch” werd. Daarna bleek het even bruikbaar te zijn voor de romantische bewieroking van de grote helden uit de vaderlandse geschiedenis, die in de 19de eeuw hevig in de mode was, als voor de bombast van het Frans getinte melodrama van enkele decennia later. En vervolgens verdroeg het ook de veel strakkere opvattingen van moderne regisseurs als Willem Royaards, Eduard Verkade en Albert van Dalsum in de 20ste eeuw.
Nooit was er sindsdien meer een Nieuwjaarsdag zonder Gijsbrecht van Amstel. Zelfs niet op de vrieskoude middag van 1 januari 1945. Hoewel de Stadsschouwburg aan het Leidseplein al twee maanden niet meer werd bespeeld wegens het gebrek aan verlichting en verwarming, moest er toch een voorstelling komen – onder druk van de toenmalige burgemeester Voûte, die de traditie niet verbroken wilde zien. De acteurs van het Gemeentelijk Theaterbedrijf moesten aantreden bij een temperatuur van vier graden, want zo’n dringend verzoek van een pro-Duitse burgemeester stond gelijk aan een bevel. Alle kaartjes waren binnen enkele uren verkocht. En er klonk een demonstratief applausje bij de woorden: “De liefde tot zijn land is ieder aangeboren.” Ook de recensent van De Telegraaf wees op de actualiteit van Vondels woorden, “nu zo veel zekerheden van weleer zijn weggevallen rondom ons, nu ook wij niet weten wat de nabije toekomst ons en onze stad zal brengen.” Dat moet in die laatste bezettingsdagen, toen er in de kranten alleen eufemistisch mocht worden verwezen naar “de tijdsomstandigheden”, een gewaagde opmerking zijn geweest.

Sinaasappelschillen
Zo leek het stuk alle woelingen van alle tijden te overleven. Even leek het er zelfs op dat de Gijsbrechttraditie ook zou overslaan naar de televisie. Twee keer (in 1954 en 1955) vertoonde de VPRO een rechtstreekse registratie van de opvoering in de Stadsschouwburg. “Zij heeft voor aandachtige tv-kijkers in de huiskamer en andere particuliere ruimten stellig diepe indruk gemaakt en hen opnieuw in de ban van het wonder der tv gevoerd”, oordeelde de als radioredacteur aangeduide criticus van het Algemeen Handelsblad.
Maar in de jaren zestig van de 20ste eeuw ging het toch nog mis. De eerste onheilsberichten dateren uit januari 1967, toen de Nederlandse Comedie – die als vaste schouwburgbespeler de Gijsbrechttraditie op zich had genomen – een matineevoorstelling in Rotterdam voortijdig beëindigde. Het doek viel tijdens het vijfde bedrijf, toen er luid werd gelachen om de sterfscène van Gijsbrechts broer Arent en de wijze waarop enkele onervaren figuranten daarna het lijk met enig gestruikel van het toneel droegen. Voorts werd er gefloten en met sinaasappelschillen geworpen, aldus het verslag van een leraar Nederlands die met zijn leerlingen aanwezig was in de Rotterdamse Schouwburg.
Jongeren zijn nu eenmaal “directer, eerlijker” dan volwassenen, meldde deze docent in een brief aan de Nederlandse Comedie, waarin hij de toneelspelers de schuld gaf: “De acteurs en actrices, een enkeling uitgezonderd, raffelden hun alexandrijnen af alsof ze voor de avondvoorstelling nog in Amsterdam wilden zijn.” In een commentaar tekende het Algemeen Handelsblad daarbij aan dat het gezelschap blijkbaar weinig vreugde meer beleefde aan Vondels treurspel: “De ware liefde tot dit stuk is onze tonelisten kennelijk niet algemeen aangeboren. In elk geval is er de laatste jaren niet gestreefd naar een modeluitvoering.”
Felle discussies volgden. Maar in januari 1968 kwam er toch nog een Gijsbrecht, die achteraf de laatste in de lange reeks bleek te zijn geweest. In het voorjaar kondigde Guus Oster, directeur van de Nederlandse Comedie, aan dat zijn gezelschap bij de eerstvolgende jaarwisseling iets anders wilde. Ter herdenking van de 350ste sterfdag van de schrijver Brederode zou diens De Spaanse Brabander worden gespeeld.

Zwarte Gijsbrecht
En dat was dat. De aanleiding leek ietwat vergezocht, maar verder lagen er maar weinigen van wakker. De reguliere toneelsector stond in die tijd dermate onder druk (de Aktie Tomaat volgde eind 1969) dat het beëindigen van de Gijsbrechttraditie er ook nog wel bij kon. De gemeente liet weten akkoord te gaan, hoewel het gezelschap formeel helemaal geen gemeentelijke toestemming nodig had voor deze programmawijziging. Het stadhuis had nu eenmaal niets te zeggen over de keus van het repertoire.
Het enige protest kwam van Carel Briels, vooral bekend als regisseur van massaspektakels op vaderlandslievende grondslag en in de tv-geschiedenis berucht als de man die Willem Duys ertoe verleidde in zijn programma Voor de vuist weg in het Wilhelmus uit te barsten. Met particulier geld en een groep van amateur- en beroepsacteurs ensceneerde Briels in 1974 in de Westerkerk zijn eigen Gijsbrecht van Amstel in traditionele trant. Na afloop verzamelden de genodigden zich in de Wintertuin van hotel Krasnapolsky, waar eerder op de avond ook al een Gijsbrechtsouper was opgediend voor hen die de voorstelling moesten missen.
Zo is het stuk nog wel vaker opgevoerd, ook in de Stadsschouwburg. Het Publiekstheater, de opvolger van de Nederlandse Comedie, kwam al in 1975 met een nieuwe versie. Dertien jaar later volgde een productie van het Nationale Toneel uit Den Haag, in een veelgeprezen regie van de Vondelfanaat Hans Croiset. Opvallend was ook de versie die regisseur Margrith Vrenegoor in 1995 maakte, bij het honderdjarig bestaan van de Stadsschouwburg. Met een zwarte Gijsbrecht (Theo Fransz) en een Surinaams meisje dat het verhaal van de bode over de ondergang van de stad zong in het Servo-Kroatisch. “Huidskleur vormt voor mij geen enkel motief”, zei Vrenegoor destijds in NRC Handelsblad. “Ik ben meer geïnteresseerd in de strategie die iemand volgt om te overleven.”

Klassieke passages
Hoewel menigeen intussen heeft beweerd dat Joost van den Vondel wel een groot dichter was, maar geen groot toneelschrijver, kunnen de toneelmakers zijn Gijsbrecht toch niet loslaten. Al was het maar vanwege de talloze klassiek geworden passages. Niet alleen de eerder genoemde ode aan de Kerstnacht en het vaarwel aan de Amstelstad zijn diep verankerd in het Nederlands taalgebruik, maar ook allerlei andere teksten. “Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange leste / erbarremt over my en myn benauwde veste”, bijvoorbeeld. Of: “Nu stelt het puik van soete keelen / om daar gezangen op te speelen.” En het onvergetelijke: “Waer werd oprechter trouw / dan tusschen man en vrouw / ter wereld oit gevonden?” Ben Albach schreef het al, ietwat verheven, maar niet minder waar: “Ongetwijfeld zal nog vele eeuwen lang Gijsbreght van Aemstel als een der schoonste uitingen van de Nederlandse Taal over de planken blijven klinken.”

Henk van Gelder is journalist



01_2012_Tante_LeenHet levensverhaal van tante Leen verteld door haar zoon Freddie, Midas Dekkers, Vic van de Reijt en Marijke Winnubst, repertoiresamensteller van het Zeedijkkoor en ooit vaste klant van tante Leens thuisbasis Café Concert Royal.

Helena Polder kwam 28 januari 1912 ter wereld op de Lindengracht, 5 augustus 1992 overleed zij als de Peetmoeder van Amsterdam in het Andreas Ziekenhuis. In 2012 gedenken wij dus de honderdste geboortedag en de twintigste sterfdag van Tante Leen: de Nachtegaal van de Willemsstraat, de Keizerin van het levenslied, de Parel van de Nieuwendijk, de Nederlandse Edith Piaf. Ze leeft voort in brons op het Johnny Jordaanplein, kop Elandsgracht. Eeuwige roem en een gouden plaat verwierf de Jordanese met Hand in hand. Onsterfelijk werd ze met Oh Johnny (zing een liedje voor mij alleen).

Van garnalenpelster ‘op de Willemsstraat’* in een gezin van zestien kinderen, van wie er zeven in het kraambed stierven, tot rolstoelpatiënt op een achtpersoonskamer in verzorgingshuis De Poort aan de Hugo de Grootkade. Daartussen voltrekt zich het leven van Neêrlands grootste zangeres in haar tijd en genre. Haar plek is Café Concert Royal, Nieuwendijk 103. Haar ultieme triomf viert ze in het Palladium in Hollywood, al zal ze dat zelf niet zo hebben ervaren. Ze staat op foto’s met Danny Kaye, Gilbert Bécaud, Vera Lynn, Leo Fuld, Rudolf Schock, Ray Charles, Judy Garland en zelfs Seth Gaaikema. Maar naast haar man ‘Ome Bram’ en zoon Freddie is er voor Leentje maar eentje: Johnny Jordaan.
Op haar 43ste wordt de poetsvrouw van de Effectenbeurs na een voorronde in het Roothaanhuis bij een talentenjacht in Krasnapolsky tweede achter kelner Johnny Jordaan met, zeggen de archieven ten onrechte, Hand in Hand, waarvan er daarna 250.000 over de toonbank gaan. Vanaf die tijd treedt ze veelvuldig op met Johnny Jordaan, die om de hoek in de Oudebrugsteeg zingt in Café De Kuil. Rotterdammer Jaap Valkhoff, Harry de Groot en Pi Vèriss componeren en schrijven veel van hun liedjes. Noten lezen kan Tante niet: ze zingt alles “in de spontane terts”, puur op haar intuïtie. En voor goede doelen belangeloos.
In 1975 stopt ze met haar zangcarrière, op nog een sporadisch optreden na. Jongere coryfeeën als Corry Brokken, de Zangeres zonder Naam, later Willeke Alberti en anno nu Marianne Weber nemen het vaandel over. Maar als vertolkster van het Amsterdamse, Jordaanse lied blijft ze onverslagen.
Buurtgenoot Midas Dekkers, opgegroeid onder de Munttoren, niet wetend dat hij een broodjeaapverhaal verkoopt: “Ik vond haar in het post-neuspolieptijdperk mooier zingen dan voordat ze die poliep opliep.” Zingt met dichtgeknepen neus herkenbaar voor: “Want jij bent heus niet slecht.”
Marijke Winnubst (70), repertoiresamensteller van het Zeedijkkoor, destijds bezoekster van ‘Royal’: “Ze zong altijd bij de bar, in de ene hand de microfoon, in de andere de kassahandel. Als je geluk had, want als er niet genoeg klanten waren, zong ze niet. Of ze begon: ‘Oh Johnny’ die-meneer-daar-moet-nog zeven-gulden-afrekenen ‘zing een liedje voor mij alleen’.”

Eeuwige tweede?
Mohamed el-Fers maakte over de ‘Oum Kalsoum der Lage Landen’ voor Mokum TV de documentaire Steeds ben jij in mijn gedachten’(2002), volgens hem kwijtgemaakt door Omroep Salto. Hij noteerde uit de mond van zanger Leo Fuld dat Edith Piaf “zwaar gefascineerd” was door Tante Leen. “Mon Dieu! Qui chante?”, had ze gevraagd toen hij een plaatje van haar draaide bij hem thuis in New York. “Op die oude Nieuwendijk voel ik me Piaf gelijk”, zingt Tante zelf.
Uit archieven en andere bronnen komt Tante Leen naar voren als eeuwige tweede achter Johnny Jordaan of op z’n best naast hem. Zo zong Johnny wel, Tante niet op Paleis Soestdijk. Een Tante Leenplein is er niet. Over haar geen biografie, zoals over Johnny (Bert Hiddema, 2000). In 1968 laat ze het Eurovisiesongfestival schieten. Verzorgingshuis De Poort geeft na aanvankelijke spontane toezegging geen inlichtingen omdat het over “een privépersoon” gaat –Tante Leen verschrompeld tot privépersoon! Op Facebook noemt haar kelner Frits Tang als geliefde musici wel Johnny, maar Tante Leen niet. In de top-20 van de Paroolwedstrijd ‘Amsterdams Lijflied’ eind vorig jaar komt ze niet voor. Haar uitstraling dankt ze dan ook meer aan haar persoon dan aan haar oeuvre.
Zelfs Vic van de Reijts Top 100 van Nederlandstalige Singles haalt ze niet. Maar de uitgever/verzamelaar buigt, hiermee geconfronteerd, diep in het stof: “Pas de laatste tijd ben ik Tante Leen aan het ontdekken en kopen. Heb jaren om haar heengelopen, associeerde haar eerder met Rita Corita dan met een serieuze zangeres. Misschien ook wel vanwege haar al te familiaire artiestennaam. Ten onrechte. Behalve Jordaanrepertoire met een snik heeft ze ook mooie oude liedjes van Eduard Jacobs vertolkt.”
Al met al moet de conclusie van deze rondgang toch luiden: geen Tante Leen zonder Johnny Jordaan. Maar omgekeerd telt het nog sterker: geen Johnny zonder Tante Leen. Kenmerkend is dat de mannelijke helft van deze ‘twee-eiige tweeling’ z’n levenlang ‘U’ en ‘Tante’ is blijven zeggen. Belangrijker is dat Johnny door Tante voor de poorten van de hel is weggesleept toen hij berooid lag te verkommeren in Antwerpen. Dankzij haar kordate optreden, vooral bij ‘meneer Oord’, hun platenbaas van Bovema, kon hij schuldenvrij terugkomen naar Nederland. Johnny zei toen: “Ze verdient een gouden stoel in de hemel.”

Trots op oma
Als Tante Leen op 5 augustus 1992 sterft, dicht haar zoon Freddie Jansen: “De Westertoren zal zachter slaan, zij is niet meer, de koningin van de Jordaan.” We weten dat uit de plakboeken van Peter Pols, chauffeur en ultiem bewonderaar van Tante Leen en Johnny Jordaan, gekoesterd in het Stadsarchief Amsterdam. Zoals een paar jurken en andere voorwerpen van haar bewaard worden in het Amsterdam Museum.
Voor deze gelegenheid haalt Fred Jansen (64) met zijn vrouw Joke, geboren op de Zeedijk, op een zonnige zondagmorgen in hun doorzonwoning herinneringen op aan zijn moeder, met wie hij zoveel jaren boven het café op de Nieuwendijk woonde. Om te beginnen ontzenuwt hij graag een paar misverstanden die de ronde doen: Nee, ze is niet op de Willemsstraat geboren; nee, ze heeft geen neuspoliep gehad; en nee, ze heeft geen spraak- of zangles gehad. Nee, ze heeft in Krasnapolsy niet gewonnen met Hand in hand. Dat was de toegift. Ze won met Steeds ben je in mijn gedachten. En nee, er is niet een verkeerd been afgezet; nee, ze is niet meegereisd op de Australiëtoer van Johnny; en nee, ze is niet met zijn vader, kraanmachinist Ome Bram getrouwd geweest. Voor de burgerlijke stand blijft het dus Helena Kok-Polder, naar haar eerste overleden man Andries. En, verontwaardigd: “Johnny en moeder droegen Ger Oord van Bovema op handen. ‘Afgescheept met een jodenfooi’, wordt dat gezegd? Hij heeft ze wel degelijk in de watten gelegd.”
Zichtbaar ontroerd is Fred Jansen als het gaat om de Ajaxconnectie van de familie. Zijn moeder (“haar vaste passie”) kwam op elke thuiswedstrijd. Fred (50ste seizoenkaart) zit er met zijn zonen Gaby en Donny ook. “Sinds een jaar of twee klinkt voor elke thuiswedstrijd moeders stem door de Arena: Oh Johnny. Gaby zit tien rijen boven mij, Donny aan de overkant. Steken we de duim naar elkaar op, sturen een sms’je: ‘Hé, oma!’ Trots hoor, als je vreemden dat uit volle borst hoort meezingen. Moeder heeft trouwens het liedje Kleine kinderen worden groot aan ze opgedragen.”

Veel bijnamen
Freddie was op z’n achtste aanwezig bij de finale in Krasnapolsky: “Dat wilde ik toch wel meemaken. Op cd’s kan ik nog steeds horen welke liedjes ze zelf graag zong. Dat waren niet de gedoodverfde hits.” Heeft Freddie nooit last gehad van een beroemde moeder? “Nee. Ze stond gewoon om zeven uur op om een ontbijtje voor me te maken. Wat ik wel grappig, ook wat genant vond, is dat zij op haar naam moeiteloos bioscoopkaartjes voor me kreeg nadat ik net te horen had gekregen dat het uitverkocht was.”
Met Johnny en anderen is Tante Leen twee keer in Amerika geweest; behalve Hollywood bezocht ze Las Vegas en de Nederlandse mormonen in Salt Lake City. Fred: “Ze hadden daar aangrenzende hotelkamers. Deed Johnny een stoel tegen de deur, zogenaamd voor de veiligheid. Maar zo kon hij de hort op als moeder sliep.”
Tante Leen heeft veel bijnamen gehad. Welke vindt Fred de mooiste? Resoluut: “De Koningin van de Jordaan. Ze was vooral gecharmeerd van Harry de Groot, haar grote muzikale liefde. Hij liet op zo’n ouderwetse bandrecorder horen wat hij gemaakt had: ‘Nou Leentje – altijd Leentje – vertel maar wat je ervan vindt.’ Vroeg ze mijn oordeel, en dan maakten ze in twee dagen een lp. Later zong moeder in het café met geluidsband. In het begin altijd livebegeleiding: drummer en accordeonist. Eerst Jan Schallig, later Jan Meijer – niet te verwarren met Johnny Meijer – en Joop Goos. Op het Rembrandtplein wel met Eddie Hoorneman. Eddie speelt ook nu nog op het Jordaanfestival, waar ze nog steeds een half uur lang liedjes van moeder spelen. Daar word ik uitgenodigd. Zo organiseert moeders kelner Frits Tang echte Jordaanavonden. Er worden trouwens nog steeds cd’s uitgebracht met moeders liedjes.”
Tante Leen is wel omschreven als erg op de penning. “Vind ik niet het juiste woord”, reageert Fred. “Ze sloeg wel zelf alles op de kassa aan. Mijn ouders waren bedachtzaam, omdat ze wisten: straks komt de belasting. Na een optreden zette vader het benodigde geld meteen weg. Johnny had dat helaas niet, maar die gaf ook veel weg. Een mooie dure jas voor wie het koud had. Moeder zelf zorgde goed voor haar acht overgebleven broers en zusters. Als ze iets niet konden betalen, deed m’n moeder dat. Ze woonden allemaal in de omgeving. Samen op de Haarlemmerstraat klaverjassen. Dus op de penning? Nee.”

Moeders beeld
Tante Leen verkocht de zaak op haar 65ste, in 1977. “Het mocht geen café blijven, want dan had zij de herrie ervan en we bleven er nog een tijdje boven wonen. Er kwam een gokhal, daarna een snoepwinkel, nu is het een tassenzaak. Later verhuisden m’n ouders naar de Heemstedestraat, waar vader is overleden.”
Heeft Fred nog te maken gehad met het standbeeld op de Elandsgracht? “Van de eerste tot de laatste minuut. Johnny (stond er al door een actie van De Telegraaf, die ook een beeld van mijn moeder wilde. Er kwam een benefietavond in Carré. Kees Verkade, die ook Johnny had gebeeldhouwd, zou het maken. Op basis van foto’s kwam hij niet verder. Wij naar hem in Monaco. Ik zeg: ‘Een parelketting. En tieten.’ Mijn moeder had nu eenmaal een flinke buste. In ene zei ik: ‘Dat is d’r.’ Kwam de champagne op tafel. Nu staan ze er met z’n zessen: Johnny, moeder, Johnny Meijer met Manke Nelis, en Bolle Jan met Mien Froger. Ik ben vereerd van hier tot ginder. Welke Amsterdammer kan nou zeggen: ‘Ik ga effe bij het beeld van m’n moeder kijken?’ Een tijdje terug veegde ik duivenpoep van haar buste. Draait een passant z’n raampje open, roept: ‘Afblijven van die tieten!’ Ik roep terug: ‘Ik mag dat, het is mijn moeder.’ Hij: ‘Dan is het goed’. Typisch Jordaans toch?”
Nog even over dat hardnekkige gerucht van ‘het verkeerde been’. Fred: “Onzin. Door de suiker ontstak een teen. Die moest eraf. Daarna is het been onder de knie geamputeerd. Zo kwam ze in een rolstoel. In een prothese had ze, 78 jaar, geen zin.” In die tijd ‘verfrommelde’ het altijd blozende gezicht. Joke vult aan: “Ze was klaar. Moest naar het verpleeghuis. Dat is een periode geweest die ze niet als prettig heeft ervaren.” Fred: “Met alle respect voor de mensen daar: als patiënt heb je niet meer dan een bed, een nacht- en een klerenkastje op een achtpersoons slaapzaal. We kwamen er veel. In het voorjaar moesten we de zomergarderobe in dat kastje proppen.”

Geen cafébezoekster
Had ze nog wel aanloop in De Poort? Fred: “Ja hoor, genoeg.” Joke: “Nou…” Fred: “Peter Pols kwam vaak langs. Joke: “Je moeder hoefde ook niet meer zo op het laatst.” Fred: “Al was ze in de bovenkamer nog fantastisch. Bleek ze midden in de nacht televisie te kijken: ‘Ach jongen, ik heb toch niks te doen’, zei ze dan.”
Was er geen geld over om wat luxer te zitten? “Nee. Miljonair werden de sterren in die tijd niet. Ze hadden ook gewoon een huurhuis. Ik heb ook nooit gezegd: “Mam, denk aan mij.” Zo ben ik niet. Ze gingen lekker twee keer per jaar op vakantie. Frisse lucht inademen in Garmisch-Partenkirchen, zomers naar de Italiaanse bloemenrivièra. De laatste jaren hadden ze – hun luxe – een caravan in Vinkeveen. Vader vissen, moeder gewoon genieten van zon en rust. Maar niet tijdens de bouwvak, want dan kwamen de mensen massaal naar het café om haar te horen zingen.” Joke: “Je moeder was geen cafébezoekster.” Fred: “Wel op het Rembrandtplein met vader, om te kaarten. Mochten wij mee uit eten. In de Oesterbar, Schiller, L’Europe.”
Fred over het levenseinde van Tante Leen: “In de Poort gebeurde een ongelukje. Moeder viel van een mindervalide autolift en brak haar heup. Toen begon het andere been dezelfde symptomen te vertonen. Moest er ook af. In het ziekenhuis kreeg ze na die operatie koorts, longontsteking, raakte in coma en overleed drie dagen later. Precies in dat uurtje dat we er even niet bij waren. Daarna had ze een heel ander gezicht. Was het m’n moeder weer.” Joke: “Toen was ze weer net zo mooi als altijd.” Fred: “Ze wilden nog een autopsie doen, maar dat heb ik geweigerd.”

M. Schmidt is journalist.


Van kosterij tot ‘barberia’. Dat is kort gezegd de geschiedenis van Begijnensteeg 10. Het hoekhuis naast het Begijnenhof waar sinds een eeuw heren worden geknipt en geschoren. De barbiersstaak met roodwitte windingen aan de gevel getuigt daarvan. Hoe is dat zo gekomen?

In het laatmiddeleeuwse Amsterdam lag het vermaarde Begijnhof samen met het Sint-Luciënklooster op een eiland, alleen toegankelijk via een bruggetje in het verlengde van de Begijnensteeg. Dat bruggetje was van groot belang, want wie er eenmaal over was, mocht aanspraak maken op het asielrecht dat middeleeuwse begijnhoven bezaten. Op Cornelis Anthoniszns beroemde stadsplattegrond uit 1544 is goed te zien dat Amsterdam in die tijd veel meer waterwegen had dan nu en met recht een verzameling eilanden in de Amsteldelta mag heten.
De Begijnensteeg telde een handvol huizen, aan de even zijde (het noordwesten) zelfs niet meer dan vier. Het merendeel had de ingang aan de Kalverstraat, de overige in de steeg. Van deze laatste drie lag het hoekhuis het dichtst bij het bruggetje over de Begijnensloot. Voor kosters of conciërges een goede plek om in de gaten te houden wie er allemaal de brug overstaken en onder de Heilige Ursula boven de toegangspoort door het Begijnhof betraden.
Beschermvrouwe Sint-Ursula was van huis uit een Bretonse prinses. Zij werd heilig verklaard (vierde eeuw) omdat zij 11.000 maagden tot een pelgrimstocht naar Rome had weten te bewegen. Voor de Amsterdamse begijnen was dat voldoende reden om haar tot patrones te kiezen, ook al had Ursula niet kunnen voorkomen dat al die maagden door woeste Hunnen in Keulen omgebracht werden. Met de kosterij in het hoekhuis zou de veiligheid dubbel gewaarborgd zijn. Pas in de 19de eeuw verdween het bruggetje, toen de Begijnensloot gedempt werd.
Kosters wonen er niet meer op Begijnensteeg 10. Sinds een kleine eeuw zit hier een kapperszaak, dankzij een goed boerende Amsterdamse reder die een kappersbediende de kans van zijn leven bood.
Dat zit zo. Na de Eerste Wereldoorlog herstelde de internationale handel zich en trokken de activiteiten in de Amsterdamse haven weer aan. Reder Jan Goedkoop jr. was een geziene figuur in de stad en enthousiast lid van de Industrieele Club, in 1913 opgericht ten huize van zijn oom Daniël Goedkoop Dzn. Vaak was hij te vinden in het nieuwgebouwde pand Industria op de Dam, waar de club vanaf 1916 domicilie hield om te ‘netwerken’, te borrelen en te dineren. Én om zich te laten scheren in een kleine salon.
Daar was Jan Brachaard bediende. Jan Goedkoop jr. vond zijn naamgenoot een vlijtig persoon die het verdiende om vooruit geholpen te worden. Hij had hem al eens gepolst of hij geen eigen zaak wenste. “Ja meneer, graag meneer”, was het antwoord geweest, maar het ontbrak de kappersbediende aan financiële middelen.
Dat begreep de reder maar al te goed. Een volgende keer nodigde hij Jan uit voor een zondagse wandeling door de binnenstad. Toen beide mannen – toevallig – door de Begijnensteeg liepen, waar het hoekhuis – even toevallig – leeg stond, deed Goedkoop zijn aanbod: op zeer aantrekkelijke voorwaarden kon Jan, als hij dat nog steeds wilde, op nummer 10 een scheersalon beginnen. Met beide handen greep de jonge kapper deze kans. Reder Goedkoop was borg en vaste klant.
De rest is geschiedenis. Via zoon en schoonzoon bleef de salon 45 jaar in de familie, tot er een nieuwe eigenaar kwam in de persoon van Pasquale Capone. Met Italiaanse flair slaagde deze ‘Figaro’ erin zijn ‘barberia’ uit te laten groeien tot spraakmakend trefpunt der ‘Pasqualisten’. De zaak deed tevens dienst als ‘Galeria’ voor exposities en deze zelfbenoemd ‘ambassadeur van het Begijnhof’ serveerde jaarlijks een lunch aan de bewoonsters. Pasquale was ook sleutelbewaarder van de Engelse Kerk. Hij wil stoppen. De toekomstige bestemming van het pandje is ongewis (lees Ons Amsterdam, april 2010).

L. Lammen was leraar geschiedenis en presentator van radioprogramma’s.

 

 

 

 

 

 



01_2012_PensionTot ver na de jaren vijftig konden alleen gehuwden een appartemnt huren. Alleenstaanden woonden in een pension.
Paula Bakker (1929, rechts) groeide op in het pension van haar moeder (midden) op Singel 182.
Ze gunt ons een inkijkje in een verdwenen wereld.

Beide meisjes werden in hetzelfde jaar geboren. Beide meisjes waren vertrouwd met het klokgelui van de Westertoren. Want tijdens de oorlog woonden ze een steenworpafstand van elkaar. Anne Frank en Paula Bakker. De een hield zich schuil in het Achterhuis op Prinsengracht 263, de ander woonde in het pension van haar moeder op Singel 182. Paula Bakker is een van de mensen die vertellen over het Amsterdam van de jaren dertig en tijdens de Duitse bezetting op de nieuwe website Het Amsterdam van Anne Frank (www.annefrank.org/amsterdam). Speciaal over het pensionleven van toen praatten we met haar door.

Een “eigenaardig pension”. Zo noemde Anne Frank de schuilplaats op Prinsengracht 263 in een van haar eerste dagboekaantekeningen (zie kader). Het is dan 11 juli 1942. Terwijl Anne Frank een pension met vakantie associeerde, wist haar leeftijdgenootje Paula Bakker wel beter. Pensions waren een groot deel van de 20ste eeuw voor ongehuwden, gescheiden mensen en migranten vaak de enige mogelijkheid om onderdak te vinden. In Amsterdamse adresboeken uit de jaren dertig staan steevast ruim 350 pensions met vaak poëtische namen als Amstelzicht, de Instuif, Home Sweet Home, Sunny Home, Zonnetij of Avondgloren. In 1935 werd zelfs een organisatie voor het pensionbedrijf in Amsterdam opgericht.
Er was een groot tekort aan huisvesting voor ongehuwden. Het Amsterdams Tehuis voor Arbeiders (gebouwd in 1916-1918) bood één van de weinige voorzieningen voor mannen. Het duurde tot 1927 aleer een kleine groep ongehuwde vrouwen zelfstandig in Huize Lydia kon gaan wonen. Het huren van een flat of etage was tot ver na de jaren vijftig voorbehouden aan gehuwden. Repatrianten uit Nederlands-Indië kwamen in de jaren vijftig meestal in contractpensions te wonen. De zogenoemde HAT-eenheden voor alleenstaanden en tweepersoonshuishoudens zijn er pas sinds eind jaren zeventig. Daarna wordt het wonen bij een hospita of in een pension minder gebruikelijk. Paula Bakker woonde in het pension van haar moeder en kan veel vertellen over hoe het eraan toeging: de dagelijkse gang van zaken, de bewoners en de onderlinge verhoudingen.

Goed met de gasten
Paula Bakker werd op 3 december 1929 geboren in het Wilhelmina gasthuis. Ze was een ‘ongewenst’ kind, want haar moeder Paulina Catharina Bakker (1904) was ongehuwd. Op haar persoonskaart in de bevolkingsadministratie staan de beroepen strijkster en dagdienstbode genoteerd. De eerste jaren woonde Paula in een kindertehuis bij het Vondelpark waar haar moeder aanvankelijk werkte.
“Toen ik ongeveer twee jaar oud was kwam er een man in mijn moeders leven, Pieter Blokker. Ze heeft met hem samen een pension overgenomen, eerst aan de Prinsengracht en later aan het Singel. Ik had als kind erge bronchitis, daarom heb ik eerst tot 1936 in Zandvoort gewoond in een soort kindertehuis op de boulevard. Toen ik naar school moest, aanvankelijk op het Singel, later naar de Burghtschool op de Herengracht, kwam ik bij mijn moeder en vader in het pension op Singel 182. Op mijn achtste hoorde ik dat hij mijn stiefvader was.
“Er hebben zoveel mensen bij ons op het Singel gewoond. Het was een naamloos pension. Volgens hedendaagse maatstaven was het niet zo groot. Op een-, twee- en driehoog waren in totaal zeven kamers. Meestal woonden er tien mensen. Mijn moeder had pensiongasten en huurders. De pensiongasten waren min of meer huisgenoten. Mijn moeder kookte iedere dag voor hen, drie gangen, altijd soep vooraf. Ze was heel goed met de gasten, absoluut geen bemoeizuchtige hospita.
“Op de eerste verdieping van het huis waren twee kamers en een keuken. De voorkamer was de huiskamer, waar mijn ouders een opklapbed hadden. Sommige pensiongasten maakten gebruik van de huiskamer, zoals Amie Greve. Daarnaast was een kleinere kamer met een raam dat op de Oude Leliestraat uitkeek. Daar woonde Hartog Frank. Daarachter had je de keuken, ook aan de Oude Leliestraat. In de keuken was mijn moeder altijd druk bezig. Daar aten wij met ons gezin. Er was een gangetje met een provisiekast. Mijn moeder had altijd waanzinnige voorraden, zelfs na de oorlog had ze nog bonen. In die gang was ook de wc. Alle bewoners deelden samen één wc. Er was geen douche. De mensen hadden wel wasbakken op de kamer.”

Meneer Harry
De meeste herinneringen heeft Paula aan ‘meneer Harry’, Hartog Frank, een Joodse man. “Hij woonde al vanaf mijn achtste bij ons. Hij was echt een huisgenoot. Zelf had hij een dochter en een zoon, bij een niet-Joodse vrouw van wie hij gescheiden was. Tot 1942 of 1943 heeft hij bij ons gewoond, daarna moest hij onderduiken. Ik kreeg Franse les van meneer Harry. Hij bracht iets kunstzinnigs in huis. Hij ging in de oorlog naar de kunstnijverheidsschool in de Metsustraat. Ik ben later modetekenares geworden, dat heeft misschien wel met de invloed van Harry Frank te maken.
“Frank maakte ook grapjes met mijn moeder. ‘Directrice, wilt u de bijkeuken even ontruimen.’ De kamer van Frank was naast de keuken en mijn moeder gebruikte vaak zijn wastafel om de soep koel te houden. Dat de soep nogal eens zuur was, hoeft niet te verbazen. In de zogenoemde bijkeuken werd ook het diner geserveerd voor Frank, soms samen met andere pensiongasten.
“In de oorlog waren er veel spanningen om Frank. Hij had goede contacten met een hooggeplaatst persoon uit de Euterpestraat, die hem waarschuwde als er een razzia kwam. Dan zorgde meneer Harry ervoor dat hij niet thuis was. Ik herinner me dat er op een gegeven moment ’s nachts Duitsers aan de deur kwamen. Mijn moeder had zwart lang haar, een witte nachtpon aan en zag er Joods uit. Ze zeiden: ‘Pas maar op, als die Jood er niet is, nemen we jou mee.’ Dat is gelukkig niet gebeurd.
“Toen ik twaalf was, is Frank ondergedoken. Hij had in het café tegenover ons, waar nu een bonbonzaak is, van een Duitse soldaat gehoord over de vreselijke uitroeiing van de Joden. Hij kwam thuis en sprak erover. Dat had natuurlijk een enorme impact. Hij heeft de oorlog overleefd. Maar zijn dochter niet, ondanks het feit dat ze half-Joods was. Ze is op transport gesteld vanuit Westerbork en heeft de oorlog niet overleefd.” Na de oorlog ging Harry Frank elders in Amsterdam wonen. De vriendschap tussen Paula, haar ouders en hem bleef bestaan.

Onverwacht driemanschap
Een andere langdurige pensiongast was de Duitser Steenfatt. Hij woonde op de tweede verdieping, aan de voorkant. “Steenfatt speelde dikwijls met mij op zondag, allerlei gymnastiektoeren en gaf mij beschuiten met roomboter. Steenfatt was een niet-genaturaliseerde Duitser. Toen de oorlog kwam, zei iedereen: ‘Zie je wel, had je nou maar laten naturaliseren.’ Maar dat kostte f 500,- en dat had hij er niet voor over. Achteraf bleek dat het niets uit had gemaakt, wel of niet genaturaliseerd.
“Op een gegeven moment kreeg hij een oproep. Hij had al in de Eerste Wereldoorlog in de loopgraven gevochten en dacht er niet over om opnieuw een oorlog in te gaan. Toen is hij ondergedoken bij de familie Lonis in de Haarlemmerstraat. Dat waren de eigenaren van de elektriciteitswinkel bij ons op Singel 182, begane grond. Intussen kwamen de Duitsers in uniform meerdere keren aan de deur: ‘Waar is Steenfatt?’ Mijn moeder moest dan zeggen: ‘Hij is in uniform weggegaan en meer weet ik niet.’” Steenfatt is na de oorlog niet meer in het pension teruggekeerd.
“Op de tweede verdieping waren drie kamers. De voorkamer, waar Steenfatt zo lang woonde; het kamertje daarnaast was zo’n klein gleufje – eentje met alleen een dakraampje. Daar sliep ik. Dan een kamer met een raam aan de Oude Leliestraat. Daar woonde Yvonne, een Belgische gast, met wie mijn moeder goed bevriend was. Yvonne maakte jurkjes voor mij. Op een gegeven moment kreeg ze open tbc en moest ze naar een sanatorium. Ze had een vriend, Stass, die een speelgoedwinkel in de PC Hooftstraat had. Achteraf bleek hij een SS’er te zijn.”
Zo zat dus voor de oorlog op de kamer van Frank soms een onverwacht driemanschap samen te eten: een Nederlandse Jood, een Duitser en een SS’er – Frank, Steenfatt en Stass.

Lawaaierige wastobbe
Helaas ontbreekt er in het digitale stadsarchief een woningkaart van Singel 182. Dat is waarschijnlijk de reden dat tussen de meer dan 35 inwoners die van 1940 tot 1955 in het pand gewoond hebben, de namen van Steenfatt en Frank wordeen gemist. Amie Greve staat er wel op. Hij heeft maar liefst twintig jaar in het pension van Paula’s moeder gewoond en ook aan hem heeft zij levendige herinneringen.
“Op de derde verdieping waren nog twee kamers. In een piepklein kamertje woonde Amie, een man met maar één been. Hij had in de oorlog in een trein gezeten die door de Duitsers was beschoten, met alle gevolgen van dien. Zijn kleine kamertje met bedstee had wel iets van een scheepskooi. Heel handig vond hij: alles onder handbereik van zijn lange armen. Maar hij moest wel al die trappetjes op. Ik bracht vaak koffie en thee naar Amie, omdat hij zo slecht ter been was. Amie werkte in de Kalverstraat bij Rutecks, een cafetaria waar ze kroketten verkochten.
“Meisjes die bij Rutecks of de HEMA werkten, huurden vaak voor een tijdje een kamer in het pension. Ook de vriendin van Steenfatt, die meestal op zaterdag bij hem bleef logeren, werkte bij Rutecks. Eén van de weinige ruzies in het pension die ik mij herinner, was tussen deze vriendin en mijn moeder de pensionhoudster, de baas in huis. Die vriendin klaagde over het geluid van de wastobbe op de tweede verdieping, waarin moeder de lakens en handdoeken waste.
“Verder was er niet zoveel ruzie. Behalve nog een keer toen een student de achterkamer op tweehoog had gehuurd. Er was een enorm tumult gaande en mijn vader ging kijken. De kamer zat helemaal vol studenten, allemaal jongens, één meisje. Mijn vader zei: ‘Iedereen eruit!’ En ik weet nog dat die student zijn spullen zo naar beneden gooide, de kleren vlogen uit het raam. Beneden in de de Oude Leliestraat vingen de andere studenten ze op in een koffer .”

Dronken Canadees
Affaires waren er soms ook in huis. Zoals tussen Amie en degene die na het vertrek van Steenfatt op de kamer op tweehoog-voor woonde. “Wij noemden haar Bolletje. Zij had meerdere kinderen die allemaal in tehuizen woonden. Ze was oversekst en simpel van geest. In de tijd dat ze bij ons woonde kreeg ze nog een kindje. Ze is in de taxi bevallen. Ik weet nog hoe het kind helemaal ingepakt in pakpapier uit het ziekenhuis terugkwam – het stikte haast.” Helena Boll, gehuwd met Terhorst, woonde volgens de woningkaart vanaf 6 september 1944 op het Singel. Haar dochter Hendrina stond vanaf 22 oktober 1945 ingeschreven. Ze vertrokken samen op 19 december 1946 naar een ander adres.
Paula heeft zelf een keer een angstig moment beleefd met een dronken huurder. Het was na de oorlog. “Een Canadese bevrijder van een hoge rang woonde bij ons. Hij was een heer, altijd vriendelijk. Regelmatig kwamen er twee dames bij hem op bezoek. Die kwamen de heer verwennen, tenminste dat neem ik aan. Achteraf denk ik dat het twee lesbische dames waren. Ze hadden heel veel aandacht voor mij. Ja, ik was een mooi meisje van vijftien. Mijn kamer was naast die van de Canadese heer. Op een nacht begon hij ’s nachts dronken aan mijn deur te rommelen. Gelukkig was die was op slot. Hij riep: ‘Paula, Paula’. Maar hij was ook niet iemand die met geweld de deur open deed, dus daar bleef het bij.”
Paula verliet in 1956 het ouderlijk huis om met haar toenmalige geliefde Yvonne te gaan samenwonen. Op 2 januari 1957 – toen net de wet op de handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen was afgeschaft – trouwde haar moeder met Pieter Blokker. Zij bleef een zelfstandige vrouw, die haar eigen geld verdiende en in huis de baas was. Tussen 1955 en 1981 had zij nog minstens 25 huurders en pensiongasten. Na de dood van haar moeder in 1986 kon Paula in hetzelfde huis terugkeren. Als zelfstandige en enige bewoner.

D. Stam is historica en tentoonstellingsmaker. Ze werkt als zelfstandige aan interculturele museum- en erfgoedprojecten.




01_2012_Amsterdam_in_de_steentijd
Een 4500 jaar oude strijdbijl, een aardewerken scherf, een priem, botten van dieren leveren het bewijs: het Amsterdamse gebied werd al in de Steentijd bewoond.
Stadsarcheoloog Jerzy Gawronski vertelt over de spectaculaire vondsten, die bij Damrak en Rokin zijn gedaan. Dankzij de aanleg van de metro kon de bodem tot wel dertig meter diep onder straatniveau worden onderzocht.

Een paar jaar leefde stadsarcheoloog Jerzy Gawronski met een groot en mooi geheim. Voor hij daarmee naar buiten trad wilde hij het eerst zeker weten, althans zo zeker mogelijk. Nú mag iedereen het weten: de eerste bewoning van het Amsterdams grondgebied dateert niet van omstreeks het jaar 1200 (zoals in de meeste boeken staat), maar al van … ongeveer 2600 voor Christus, dus zo’n 4600 jaar geleden!
Maar hoe continu de bewoning van deze streken is geweest, blijft vooralsnog duister.

“Dankzij deze unieke onderzoekskansen kunnen millennia aan onze geschiedenis worden toegevoegd”, zegt Jerzy Gawronski glunderend. Met hulp van Peter Kranendonk, projectleider archeologie Noord/Zuidlijn, die veel data en cijfers paraat heeft, blikt hij terug op het archeologische onderzoek dat sinds 2005 plaatsvond onder (vooral) de ‘startschacht’ van de nieuwe metrolijn in het Damrak bij de Nieuwebrug en het toekomstige station Rokin.
Het gebied tussen die twee plekken in was niet opgenomen in het archeologisch programma. Maar voor de gretige tunnelboor zich vorig jaar (horizontaal) een weg baande, werden wel enkele (verticale) diepteboringen op het traject uitgevoerd om een beter begrip te krijgen van de bodemlagen eronder. Het omstreden megaproject bood de kans om voor het eerst onderzoek te doen door de bodem van de Amstel heen, tot op liefst 25 tot 30 meter onder het ‘maaiveld’ (straatniveau). Een gemiddelde bouwput waarin archeologen hun werk doen in de stad, gaat niet dieper dan zo’n drie, vier meter.
Op het diepste niveau waar de archeologen nu onderzoek konden doen (30 meter) liggen bodemlagen die zijn gevormd in de laatste IJstijd - het Weichselien - zo’n 100.000 jaar geleden. Vast staat dat hier toen (qua menselijke activiteit) weinig was te beleven. Weliswaar was het minder koud dan in de Grote IJstijd alias het Saalien (200.000-140.000 jaar geleden), toen de ijsmassa’s vanuit het noorden doordrongen tot net voorbij Amsterdam. In het latere Weichselien bereikte het ijs onze streken niet. Het landschap was een grote toendra, die doorliep tot Engeland. Op die vlakte graasden waarschijnlijk mammoeten.
Sinds 10.000 jaar geleden won de Noordzee weer terrein. Waar wij nu wonen werd het terrein moerassig. Westelijker vormden zich door de getijden de oudste duinen. Uit rottende moerasplanten ontstond steeds meer veen, waardoor het terrein weer min of meer begaanbaar werd. Op den duur werd al dan niet tijdelijke bewoning in principe mogelijk. Concrete overblijfselen daarvan waren sinds 1955 bij Assendelt in de Zaanstreek gevonden, dicht onder het maaiveld van tot dan toe onaangetaste weidegebieden. Vooral stenen bijlen, speerpunten, wat aardewerk.

Honderden vuilniszakken vol
Bewoning op het latere Amsterdams grondgebied werd door experts nooit uitgesloten. Alleen waren er geen bewijzen. Raar is dat niet: systematisch archeologisch onderzoek begon ook hier pas in de jaren vijftig, maar toen was het grondgebied al grotendeels bebouwd. Het bouwzand en de zware huizen drukten de prehistorische veen- en kleilagen ver omlaag.
Die vondsten zijn nu wél gedaan – en ze maken de bewoonde geschiedenis van het Amsterdamse gebied veel en veel ouder dan tot nu bekend was. De voorwerpen werden verzameld tussen 2005 en 2009, tussen het graven van de startschacht en het moment dat de tunnelboor ging draaien. Wat troffen de onderzoekers zoal aan? En waar precies? Gawronski: “Sommige dingen peuterden we zelf ter plekken uit de bodemlagen; dat is het mooiste natuurlijk. Maar het meeste kwam uit mechanisch opgezogen bagger, die over grote zeven werd uitgestort. Wat we aantroffen ging in honderden vuilniszakken naar onze werkplaats. In totaal gaat het om 450.000 vondsten. Sinds een paar jaar zijn we dat allemaal aan het inventariseren.”
De stadsarcheoloog somt de bijzonderste oeroude objecten op. “Het alleroudst is een stenen strijdhamer uit de laatste fase van het Neolithicum oftewel de nieuwe Steentijd. Die kwam al in 2005 te voorschijn uit de gezeefde modder van het Damrak. We schatten die op 2600 tot 2400 voor Christus.” Bijna even oud, van ongeveer 2200 voor Christus, is een scherf van een Veluwse klokbeker. (“Dat is een typeaanduiding, het zegt niks over de herkomst.”) Die werd gevonden in 2008 onder het Rokin. In dezelfde bodemlaag lagen een benen priem en botten van rund, schaap of geit en varken, maar ook van bever en beer. Ongeveer even oud als de klokbeker, dus. Uit het Damrak kwamen voorts nog wat jongere vondsten boven water – maar toch van ruim vóór de 13de eeuw, toen Amsterdam ontstond. Zoals een fibula (mantelspeld) uit de Romeinse tijd en diverse types aardewerk uit de vroege Middeleeuwen (ca. 500-1000).

Amsterdams oerlandschap
Hoe zag het Amsterdamse gebied er in de prehistorie uit, volgens Gawronski? “Die strijdhamer kwam van zo’n achttien meter onder NAP, uit een oudere watergeul, een voorloper van het IJ. In de periode waar we het nu over hebben, zo’n 2600 jaar voor Christus, lag ‘Amsterdam’ aan de rand van een groot getijdengebied, met veel beekjes, kreekruggen en kwelders. Bij hoogwater konden de bewoners zich terugtrekken op de hoger gelegen zandruggen. Bij laagwater waren ook de kwelders bruikbaar als weidegrond. Het Oer-IJ was zo’n veenstroom die bij Amsterdam naar het westen liep en zorgde voor de afwatering van het achterland.
Rond het begin van onze jaartelling kwam deze waterloop nog ergens bij Castricum uit in de Noordzee. Maar door de duimvorming slibde die westelijke IJmond dicht. De afwatering van het huidige Amstelland werd steeds moeilijker en de grond dus weer natter. In heel West-Nederland groeide een dik veenpakket aan. Ook dat werd doorsneden door vele kleine stroompjes waarvan de loop snel kon veranderen. Het was een landschap van bulten en kuilen. Op de hogere delen kon nog steeds gewoond worden en was kleinschalige akkerbouw mogelijk. En de veenstromen leverden vis en drinkwater.”
De vondsten vertellen allerlei verschillende verhalen over de bewoners. Neem de strijdhamer. “Die kwam gebroken uit de zeefcontainer”, zegt Gawronski. “Maar die breuk kwam door het ophoogpompen. De hamer was juist duizenden jaren intact gebleven. En omdat hij relatief zwaar is, zal hij niet van ver komen. Tot nu toe werden strijdhamers vooral in graven aangetroffen of in beekdalen en rivieren, waar ze – mogelijk met enig ceremonieel – opzettelijk in waren geworpen. Als ritueel voorwerp, niet als dagelijks gebruiksvoorwerp. Deze strijdhamer hoort dus waarschijnlijk bij het graf van een man hier dichtbij.”

Afval van nederzetting
De prehistorische vondsten onder het Rokin vertellen weer een ander verhaal. De vijftien scherven uit het laat-Neolithicum, de priem en de botjes kwamen te voorschijn op ongeveer tien meter onder NAP. Ze lagen bij elkaar in dezelfde grondlaag, die waarschijnlijk later door insnijding van de Amstel als een groot blok grond in de rivier is gezakt. Door de combinatie en gezien het feit dat de botten snij- en knaagsporen vertonen, is dit vrijwel zeker afval van een nederzetting, meent de stadsarcheoloog. En omdat het kwetsbare aardewerk weinig was aangetast, moet die hier of dichtbij zijn geweest. Zo’n 4000 tot 4200 jaar geleden, want dat was de periode waarin dit type aardewerk werd gemaakt.
Hoe moeten we ons zo’n nederzetting voorstellen? “Door vondsten elders in het land hebben we daarvan wel een idee. Het waren kleine familiale gemeenschappen (grootouders, ouders en kinderen). Soms woonden een paar van die ‘grootfamilies’ bij elkaar in de buurt. Ze leefden vooral van de akkerbouw (emmertarwe, naakte gerst, bonen), aangevuld met jacht (op onder meer herten, wilde zwijnen en gevogelte) en visserij. Het voedsel zal zijn aangevuld met bessen en noten. Op de lager gelegen kwelders weidden ze vee, denk ik. Varkens en koeien leverden vlees, de koeien, schapen en geiten melk, de schapen bovendien wol. En de runderen konden ook een ploeg trekken.”
Ten tijde van die nederzetting stroomde hier nog niet de rivier die later de Amstel zou heten. Maar het is wel waarschijnlijk dat de nederzetting toen aan een stroom met vers water stond. Dat was een gebruikelijke vestigingsplek. De Amstel is pas daarna ontstaan, eerst als klein veenstroompje, dat later in de 12de eeuw breder werd. “Onder het Rokin bespeurden we stukken van een geul die waarschijnlijk ouder is. Daar durf ik nu nog weinig over te zeggen.”

Ontginning in tiende eeuw
Over de vondsten uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen houden we het kort, ditmaal. “Daar hadden we het begin vorig jaar al over.1 Zo’n fibula is al in 1972 onder de Weesperstraat gevonden, bij de aanleg van de oostlijn van de metro. Er zijn ook heel wat Romeinse munten gevonden. Maar die kunnen hier op allerlei manieren zijn beland. Het bewijst niet dat de Romeinen zelf op ‘Amsterdamse’ grond rondliepen, al was er wel een tijdlang een legerkamp bij Velsen. Maar dit hier was een uithoek zonder enig verkeer. Natuurlijk kan er wel een kleine nederzetting zijn geweest, waarvan de bewoners direct of indirect contact hadden met Romeinen.”
Met zevenmijlslaarzen leidt Gawronski ons naar de 13de eeuw, de geboorte van het huidige Amsterdam. “De vervening ging nog lang door. En ergens in de 10de eeuw zal de ontginning van dit gebied zijn begonnen, zoals fysisch geograaf Chris de Bont in zijn proefschrift beschreef.2 Die was bedoeld om het land droger te maken, maar ten dele gebeurde op den duur juist het tegendeel. De bodem van het eerst ontgonnen gebied - het dichtst bij de rivier - waarop de nieuwe sloten afwaterden, ging dalen door inklinking en oxydatie. Dus trokken de kolonisten steeds verder het achterland in richting veenruggen, om daar nieuwe akkers aan te leggen. Waar eerst akkertjes waren, kwam weidegrond, die geregeld overstroomde. Zoals De Bont denkt, kunnen boeren korte tijd bij de Amstelmonding hebben gewoond toen ze met ontginnen begonnen. Maar na twee, drie generaties woonden die gezinnen al kilometers van de rivier, zeg maar ter hoogte van de huidige Jordaan en Kinkerbuurt.”

Geen boeren meer
Aan het eind van de 12de eeuw veranderde het landschap radicaal, vertelt Gawronski. “Er is een reeks van geweldige stormvloeden, in 1164, 1170, 1173, 1176 en 1214 bijvoorbeeld. Daardoor ontstaat de Zuiderzee, in open verbinding met de Noordzee. En het allang met veen vol gegroeide IJ wordt een brede stroom. Ik denk dat de Amstel ook pas dan de omvang krijgt van een volwaardige rivier. Maar of ze toen uit twee delen bestond, zoals De Bont en anderen suggereren, weet ik niet. Archeologisch is het nog niet aan te tonen. Andere stroompjes werden meren, zoals het Haarlemmermeer en Watergraafmeer. Al dat water gaf natuurlijk problemen, maar bood ook nieuwe kansen. Aan de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van de boeren die een kleine twee eeuwen eerder bij de Amstel met ontginnen waren begonnen. Waar Amstel en IJ samenvloeiden kon een haven ontstaan die oostwaarts in verbinding stond met de zee. Toen kon op samengroeiende terpen op beide oevers van de riviermond een nieuwe snel uitdijende nederzetting ontstaan. Geen “dorp van boeren en vissers”, zoals tot vervelens toe wordt herhaald, nu weer in die nieuwe stadsgeschiedenis van Knegtmans.3 Die boeren waren hier allang niet meer; stallen uit de 13de eeuw hebben we niet gevonden. Wel een gemeenschapje van ambachtslieden, vissers en handelaren. Pas dan begint echt de geschiedenis van de huidige stad Amsterdam.”

Groot verschil tussen Damrak en Rokin
“Dit was een fantastische kans”, zegt Jerzy Gawronski over het onderzoek als geheel.4 “Het Damrak en het Rokin zijn natuurlijk eigenlijk het uiteinde en de monding van de Amstel. En die rivier diende eeuwenlang als stedelijke afvalstortplaats. Beerputten van de naastliggende huizen werden in de rivier geleegd, mensen gooiden spullen weg in het water en vaak ook kwamen voorwerpen er per ongeluk in terecht. We vonden dus van alles: actiebuttons uit de 20ste eeuw, 18de-eeuwse bierpullen, speelgoed uit de Gouden Eeuw, middeleeuwse dolken en runderbotten.
De archeologen zagen daarbij een “kolossaal verschil” tussen Damrak en Rokin. “In het Damrak bleef de invloed van eb en vloed lang merkbaar. Door stormvloeden werden daar hele bodemlagen weggeslagen. Dat maakt het vaak lastig om de ouderdom en herkomst van vondsten te bepalen, Het is een ratjetoe. In het Rokin is de situatie heel anders. Dat gebied werd sinds ongeveer 1250 afgeschermd door de Dam. Daarachter was het water rustig. De meeste vondsten hier blijken rechtstreeks te herleiden tot een huis pal ernaast. Daar zijn we nu druk mee bezig; daar komen we later nog mee. Je ziet een dwarsdoorsnede van het stedelijk leven!”
Maar het gaat de archeologen niet alleen om de cultuurhistorie. “We willen de Amstel ook plaatsen in de landschappelijke geschiedenis. Hoe oud is de rivier? Zijn er nog oudere stroomgeulen herkenbaar? Wat was de natuurlijke begroeiing van de oevers? Wat voor gewassen werden hier verbouwd? Om er meer over te ontdekken namen we op verschillende diepten talloze bodemmonsters. Pollen en zaden vertellen veel over de oorspronkelijke vegetatie, botresten over het dierenleven. Zo komen we ook veel over het eetpatroon van de mensen te weten. Dat is het terrein van de ‘archeobiologie’, een specialisme apart. We wachten nog op de uitkomsten. Spannend!”

Peter-Paul de Baar is hoofdredacteur van Ons Amsterdam



01_2012_HertzbergerOp 9 februari mag Herman Hertzberger een van de belangrijkste internationale architectuurprijzen in ontvangst nemen: de Gold Medal van het Royal Institute of British Architects. Zijn invloed is groot.
Hij is de nestor van de Nederlandse architectuur en zijn gebouwen dragen onmiskenbaar zijn signatuur.
Hertzberger, in 1932 in Amsterdam-Zuid geboren, heeft uitgesproken opvattingen: gebouwen moeten vooral gewóón zijn, toegankelijk en alle ruimte bieden aan de gebruikers.

De Amsterdamse architect Herman Hertzberger is de nestor van de Nederlandse architectuur. In de wereld van de bouwkunde kent iedereen hem, al was het maar vanwege de inspirerende colleges die hij bijna 30 jaar aan generaties studenten in Delft gaf. Ook daarbuiten lieten velen zich meeslepen door zijn formidabele lezingen waarvan hij er honderden heeft gegeven. Hij sprak dan over hoe de mens in alle uithoeken van de aardbol en in alle perioden van de beschaving op zoek is geweest naar een gebouwde omgeving waarin hij zich behaaglijk voelt.

Wie nu op een regenachtige dag, terwijl het verkeer voorbijraast, langs de studentenflat aan de Weesperstraat komt – het jeugdwerk waarmee Hertzberger doorbrak – zal zich misschien niet kunnen voorstellen dat het juist het streven naar behaaglijkheid is dat hier in beton is gestold. Al jaren functioneert het gebouw nauwelijks meer zoals de architect het bedoeld heeft; het is door de tijd ingehaald. Je zou kunnen zeggen dat Amsterdam de Weesperstraatflat niet goed meer begrijpt.
Hertzberger is een kind van Amsterdam-Zuid. Hij werd er op 6 juli 1932 geboren als zoon van een Joodse huisarts en een niet-Joodse moeder. Zijn vader werkte vooral onder vluchtelingen uit Duitsland, die zich aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog massaal in de wijk vestigden. Het milieu waarin hij opgroeide was progressief-liberaal, intellectueel, cultureel onderlegd en zonder noemenswaardige problemen van materiële aard. Herman bezocht het Montessori Lyceum – later zou hij veel gebouwen voor dit schooltype ontwerpen.
In een uitvoerig interview met Arcam-directeur Maarten Kloos vertelde Hertzberger, toen 75, dat zijn belangstelling voor de gebouwde omgeving is ontwaakt toen hij als kind buiten moest blijven wachten terwijl zijn vader bij patiënten op visite was. Dan kon hij de rijke architectuur van Berlages Plan Zuid op zich laten inwerken. Met het werk van Le Corbusier, die hem zeer zou beïnvloeden, kwam hij als tiener in aanraking.
Zijn ouders hadden aanvankelijk wat reserves tegen een loopbaan als architect en zagen hun zoon liever een commerciële weg inslaan, maar gingen overstag onder voorwaarde dat hij de beste studie zou volgen die er in Nederland bestond: Delft, dus. Hij hikte hij daar aan tegen de traditionele opvattingen die nog de boventoon voerden, maar genoot van de diepte die de discussies konden bereiken. In 1958 studeerde hij af bij Marius Duintjer (van de Nederlandsche Bank op het Frederiksplein).

Op menselijke schaal
Meteen zetten Hertzberger een eigen bureau in Amsterdam op, aanvankelijk in de zolderwoning die hij en zijn vrouw betrokken aan de Stadhouderskade, maar spoedig aan het Jonas Daniël Meijerplein. Vrijwel onmiddellijk na zijn afstuderen vroeg zijn belangrijkste leermeester Aldo van Eyck (van het Burgerweeshuis aan het IJsbaanpad) hem voor de redactie van het belangrijke architectuurtijdschrift Forum (niet te verwarren met het gelijknamige literaire tijdschrift) – vooral vanaf dát moment de belangrijkste spreekbuis van de nog jonge structuralistische beweging in de architectuur.
Deze vooral in Nederland invloedrijke richting staat haaks op het functionalisme: het moderne bouwen dat de toon aangaf bij de aanpak van de woningnood in het van de oorlog herstellende Nederland. Functionalisten hielden de doelmatigheid hoog in het vaandel, terwijl structuralisten begrippen als herbergzaamheid, historische betekenis, menselijke schaal en gebruikersparticipatie voor het voetlicht brachten. Zij deelden gebouwen op in kleinere, voor het individu te behappen fragmenten die bijna als in een labyrint samenhingen: een soort microstad. Voor structuralisten is een gebouw een skelet waar de gebruikers hun eigen ‘programma’ aan moesten hangen.
Goede architectuur moest begrijpelijk, benaderbaar en laagdrempelig zijn. Ze moest bijdragen aan de sense of place: recht doen aan de plek waar een gebouw staat. Het gaat vooral om wat erin gebeurt – wonen, werken of studeren – niet om het gebouw zelf. “Het leven moet het gebouw stempelen”, was het credo van de ook in taal vindingrijke Hertzberger. Hij droomde zelfs van “nieuwe slums”, een naam met voor hem een gunstige klank omdat gewone mensen daar bouwkundig hun eigen gang kunnen gaan.
“Een gebouw moet een atmosfeer uitstralen die niet afschrikt doordat het te mooi is”, zei de zelfverzekerde, toen 35-jarige Hertzberger in 1967 tegen de Volkskrant toen hij de architectuurprijs van de gemeente Amsterdam kreeg voor zijn studentenhuis aan de Weesperstraat. Laagdrempeligheid was het belangrijkste uitgangspunt bij deze flat voor 250 studenten: de stad liep er als het ware in door. “De straat, het voor ieder toegankelijke, alles verbindende element, moet in het gebouw doordringen.”

Een straat in de lucht
Op de vierde verdieping, waar appartementen voor gehuwde studenten waren, had hij dat principe letterlijk genomen: er is een ‘straat in de lucht’ van bijna vier meter breed, een in principe openbare ruimte die uitnodigt tot burencontact. Daarmee werd het bouwvolume verdeeld in geledingen, een centraal begrip in het werk van Hertzberger: compartimenten, fragmenten, onderdelen die in hun samenhang het gebouw vormen. Onderling verbonden, maar tot op zekere hoogte ook los van elkaar. De al jaren geleden verdwenen mensa op de begane grond was er niet alleen voor studenten, maar ook voor andere Amsterdammers, net als de academische boekwinkel en het café. Als geboren optimist had Hertzberger ook alvast een schetsontwerp gemaakt voor een veel groter complex, dat ook een flink deel van de Nieuwe Keizersgracht (om de hoek) in beslag nam.
De uitgangspunten voor de Weesperstraatflat wortelen in de jaren zestig en zeventig. Dat ze in het grimmige heden naïef of zelfs ‘decadent’ (aldus Rem Koolhaas) worden gevonden, hoeft geen betoog. Het oorspronkelijke ontwerp is in de loop van de tijd dan ook op vele plaatsen aangetast, niet bepaald tot enthousiasme van Hertzberger. Kort na deze flat ontwierp hij overigens een soortgelijk complex bij de RAI, dat nooit werd uitgevoerd.
Eigenlijk hetzelfde principe paste Hertzberger toe bij De Drie Hoven in Slotermeer, een in 1975 opgeleverd wooncentrum voor mensen op leeftijd (die toen nog ‘bejaarden’ werden genoemd). Hij brak met de opzet van traditionele bejaardenhuizen, waar ouderen zoveel mogelijk werden afgezonderd en in categorieën onderverdeeld omdat zoiets voor de verzorging het efficiëntst zou zijn. Hertzberger probeerde juist de vele barrières in zulke instellingen te slechten. In De Drie Hoven woonden zelfstandige en hulpbehoevende ouderen door elkaar en er was een gemeenschappelijk plein in het midden. Begin dit jaar is het grotendeels afgebroken. Alleen het verzorgingshuis van Hertzberger staat er nog; het wordt in de loop van de komende maanden opgeknapt.

Internationale doorbraak
De gebouwen van Hertzberger willen vooral gewóón zijn. Mooie gebouwen werden in vroeger tijden gebouwd voor koningen en goden, gewone mensen rommelden maar wat aan en bleven hun omgeving voortdurend aanpassen. Zijn gebouwen borduren daarop voort. Daarom hebben ze ook iets ruigs en onvoltooids. En zijn ze van grijs beton, niet perfect afgewerkt met dure materialen, zoals moderne kantoorgebouwen, want dat sluit alleen maar af. Gevraagd naar zijn ideaal zei Hertzberger eens ooit iets te willen bouwen “dat zo simpel en zo vanzelfsprekend en zo doeltreffend is als een gewone mus.” Soms wordt voor deze manier van bouwen de term ‘brutalisme’ gebezigd.
Die aanpak wordt geïllustreerd door het revolutionaire kantoor voor Centraal Beheer in Apeldoorn uit 1972, opgebouwd uit aan elkaar geschakelde vierkanten van negen vierkante meter. Een veel bewonderd gebouw, toonbeeld van het structuralisme. Het betekende de internationale doorbraak van Hertzberger, die veel in het buitenland bouwde en doceerde. Het ‘antimonumentale’ ontwerp waarmee Hertzberger in 1967 meedeed aan de roemruchte prijsvraag voor een nieuw Amsterdams stadhuis, ademt dezelfde sfeer en is te beschouwen als voorstudie van het Centraal Beheergebouw.
De utiliteitsbouw vormt het leeuwendeel van Hertzbergers werk. Vaak met een cultureel aspect. Hij is de man van Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht (1979), dat hij als een van zijn geslaagdste ontwerpen beschouwt en dat twee jaar geleden tot zijn spijt vrijwel geheel is gesloopt. Uiteraard werd hij ingeschakeld voor het Amsterdamse Muziekgebouw, nog voordat bekend was dat het aan de IJ-oever zou komen. Maar het project ontaardde in vervelende ruzies met de opdrachtgever. Ook was hij gegadigde voor de nieuwbouw van het Stedelijk Museum.
Maar woningen bouwde Hertzberger ook wel: in 1982 bijvoorbeeld aan de Haarlemmer Houttuinen. Over dat project is hij wat minder tevreden, bekende hij eens, omdat het “misschien een vlaag van truttigheid bezit.” Daarin speelt het gebruik van baksteen een rol, want dat ontaardt immers vaak in een “vorm van verraad aan de moderne tijd.” Een bijzondere plaats in zijn oeuvre heeft het monument ter nagedachtenis van de ramp met de Boeing in de Bijlmermeer, dat hij samen met zijn dochter ontwierp, de kunstenares Akelei Hertzberger, en de Zwitserse landschapsarchitect Georges Descombes.

Scholen voor de leerlingen
Hertzberger is goed in scholen. Handelsmerk is het ontbreken van gangen en de hoogstens rudimentaire aanwezigheid van lokalen. Hertzbergers scholen zijn microstadjes voor de leerlingen, waar de juf van haar voetstuk is gestoten. Het hele land staat er vol mee en er komen er nog steeds bij. Amsterdam heeft er ook een paar. In de eerste plaats de twee Apolloscholen (Montessori- en Willemsparkschool) uit 1983, waarvoor hij in 1985 de Merkelbachprijs kreeg. Basisschool De Evenaar in de Indische Buurt (1986) leverde hem ook de volgende editie van de Merkelbachprijs op. Verder zijn er nog het Montessori College Oost (1999) en basisschool De Eilanden (Bickershoek, 2002).
Hertzbergers jongste Amsterdamse project is niet mis: het hoofdkantoor van Waternet uit 2005, in samenwerking met partner Laurens Jan ten Kate, op een van de mooiste plekken aan de Amstel. In de twee torens, die met elkaar zijn verbonden zijn door vier bruggen, werken meer dan 1000 mensen. Bijzonder is dat de belangrijkste verdieping niet zoals gebruikelijk bovenin zit, maar halverwege.
Hertzberger is inmiddels 79 en in het bezit van een niet te tellen aantal prijzen en onderscheidingen. Maar afscheid genomen van zijn werkzame leven, heeft hij nog steeds niet. Wel wordt Architectuurstudio Herman Hertzberger door anderen geleid en heet het sinds 2007 anders: Architectuurstudio HH architects and urban designers. Een hele mond vol. Nog geregeld staat hij voor een ongetwijfeld geboeide collegezaal. En volgens een peiling van een vakblad wil 65% van de Nederlandse architecten Hertzberger heel graag eens aan bod zien komen in het tv-programma Zomergasten.

Sjaak Priester