Nummer 3: Maart 2011 - Politie-infiltratie bij Kabouters en revolutionairen



Pagina 3 van 11
De groep-IJzerman
Politie-infiltratie in linksradicale kring 1967-1971
TEKST: Guus Meershoek
De Amsterdamse politie faalde in de roerige jaren zestig. Zij was verstard en militair ingesteld. Reageerde verkrampt op het ludieke optreden van provo, liet het afweten tijdens de bouwvakkersrellen van 1966. Maar gaat dit beeld wel op voor de hele jaren zestig? In 1968 bleef het in Amsterdam opvallend rustig, terwijl overal in de wereld jongeren massaal de straat opgingen. Een informeel opgezette undercovereenheid van de Amsterdamse politie blijkt hier een onmiskenbare rol in te hebben gespeeld. Dit is het verhaal van de groep-IJzerman.
Het nalatige optreden van de Amsterdamse politie bij het begin van de rellen van juni 1966 neemt in vrijwel alle beschrijvingen van de jaren zestig een belangrijke plaats in. Terwijl woedende jongeren en bouwvakkers optrokken naar het hoofdkantoor van De Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal, wachtten politiechefs in het hoofdbureau aan de Elandsgracht vertwijfeld op telefonische toestemming van hun leiding om de Mobiele Eenheid erop af te sturen. Zoals bekend liep de situatie compleet uit de hand. Hoofdcommissaris Hendrik Jan van der Molen werd prompt ontslagen en voordat ruim een jaar later de onderzoekscommissie van strafrechtjurist prof. mr. Chr. Enschedé in drie dikke rapporten de interne verhoudingen bij de politie blootlegde, had ook burgemeester Gijs van Hall reeds zijn biezen moeten pakken.
Ondertussen waren de belangrijkste besluiten over de toekomst van de politie al genomen. Als nieuwe korpschef was niet een hervormingsgezinde buitenstaander aangewezen, maar de behoudzuchtige waarnemend hoofdcommissaris Piet de Jong. Hij kreeg opdracht om de leiding te centraliseren zodat lagere politiechefs niet meer uit de band konden springen. De politie moest kort worden gehouden, omdat haar optreden onbedoeld ook rellen uitlokte. Een herhaling van juni 1966 wilde het bestuur koste wat kost vermijden.
Tegelijkertijd werd in de gemeenteraad erop aangedrongen de plicht op te heffen om voor demonstraties tevoren een vergunning te vragen. Vooruitlopend op zo'n besluit zagen sommige groepen al van aanmelding af. Zo werd de politie in een onmogelijke situatie geplaatst: zij vernam vooraf niet meer wie waar ging demonstreren, maar was wel aansprakelijk voor een ordelijk verloop van de betogingen.
En gedemonstreerd werd er na de bouwvakkersrellen volop. Provo zou een klein jaar later feestelijk worden ontbonden, maar inmiddels hadden andere, door politieke ideologieën gedreven groepen zijn rol op straat al overgenomen. Vast ontmoetingspunt waren de maandelijkse demonstraties tegen de oorlog in Vietnam, steevast eindigend bij het Amerikaanse consulaat op het Museumplein. De hyperactieve Socialistische Jeugd – oorspronkelijk gelieerd aan de PvdA, maar in het voorafgaande jaar sterk geradicaliseerd – zette daar de toon. Voor de SJ waren de Verenigde Staten, de NATO en oude en nieuwe dictaturen in Portugal en Griekenland één pot nat. Daar moest stelling tegen worden genomen en wel door partij te kiezen voor Che Guevara en maarschalk Tito.
Heijink neemt initiatief
Opvallend aanwezig was meestal ook de Rode Jeugd, een kleine groep aanhangers van de Chinese dictator Mao, die juist de Culturele Revolutie had afgekondigd. Geleid door de boomlange Willem Oskam, met zijn rossige haar een opvallende verschijning bij iedere demonstratie, schroomden de leden niet om terug te slaan als de Mobiele Eenheid de wapenstok trok. Vaak sloten zich ook werkende jongeren aan die rondhingen bij het Centraal Station en in de muziekkelder in het Vondelpark, en altijd wel te vinden waren voor een potje matten met de politie.
De leiding in het politiekorps over het optreden bij ordeverstoringen was na de rellen in 1966 in handen gesteld van drie hoofdinspecteurs: Andries Koppejan, Jaap Valken en Karel Heijink. Op aandrang van de regering werden hun superieuren gepasseerd. Dat besluit had kwaad bloed gezet in de organisatie. Een half jaar later waren de hiërarchische verhoudingen alweer hersteld en werden de drie weggepromoveerd of in een ondersteunende rol teruggedrongen.
Heijink was tegen zijn zin afdelingschef in Amsterdam-Noord geworden, maar dat weerhield hem niet van een opvallend initiatief. Hij had zich verdiept in provo en buitenlandse vakliteratuur gelezen en was te rade gegaan bij het bedrijfsleven. Langs die weg had hij een plan opgevat om onder de nieuwe omstandigheden ordeverstoringen tegen te gaan.
Eerste voorwaarde was te weten wie het initiatief nam tot de gewelddadigheden. Die informatie kon en wilde de Politieke Inlichtingendienst niet verzamelen, volledig gefocust als zij was op de CPN. Heijink besloot daarom zelf een inlichtingeneenheid op te zetten. Nodig was ook een nieuwe mobiele eenheid die dankzij de inlichtingeneenheid wist wie moest worden opgepakt. Deze groep moest niet op de gebruikelijke militaire wijze optreden, maar een team vormen dat de demonstranten snel, beheerst en flexibel tegemoet trad.
In de nazomer van 1967 selecteerde Heijink – tot voor kort verantwoordelijk voor de eigen opleidingschool – twaalf agenten die pas in dienst waren getreden. Hij besefte, zei hij later tegen Het Parool: "Als je een of twee jaar bij de politie bent, dan ruiken burgers dat al." De leiding gaf hij aan de 23-jarige inspecteur Peter IJzerman, die net zijn kennismakingstijd in het korps had afgerond.
Samkalden geeft geld
Bij de eerste opdracht ging het mis. De twaalf moesten niet veel meer doen dan eens in burger meelopen in een demonstratie en te luisteren wie welke plannen maakte. Toch werden acht van hen door mededemonstranten ontmaskerd. Maar IJzerman en de vier resterende agenten hielden daarna stand en hun identiteit werd de volgende keren niet onthuld.
Heijink kreeg steun van de nieuwe burgemeester Ivo Samkalden. Toen Samkalden in november 1967 zijn advies vroeg over een herziening van de Algemene Politieverordening om tegemoet te komen aan de wens tot meer demonstratievrijheid, informeerde Heijink hem over zijn initiatief. De burgemeester vond het prima en verstrekte de hoofdinspecteur zelfs een eigen budget, zodat hij de op een nieuwe leest geschoeide mobiele eenheid kon opzetten.
Ook voor dit Parate Peloton werden agenten geselecteerd die net van de opleidingsschool kwamen. Zij kregen een zeer onorthodoxe bijscholing: teamvorming bij de Hoogovens, bezoeken aan het Rijksmuseum en het Concertgebouw en training in gespreksvaardigheden. Vervolgens werden ze in een politiebureau op de Stadionweg beschikbaar gehouden voor optreden in de stad. Elke vier maanden trad een nieuwe ploeg aan.
Ondertussen ging het de groep-IJzerman gemakkelijker af dan verwacht. De inspecteur en de vier agenten verzamelden pamfletten waarin betogingen werden aangekondigd, namen zelf deel aan demonstraties en bezochten actievergaderingen. Om zich te oriënteren in de actiewereld lazen zij revolutionaire literatuur en bezochten Atheneum Nieuwscentrum om daar alle actieblaadjes te lezen. Zij werden verrassend snel in het milieu opgenomen, maar zagen zich spoedig ook geconfronteerd met moeilijkheden en dilemma's waar zij niet op waren voorbereid.
Om de identiteit te achterhalen van de jongens die aan het slot van de Vietnamdemonstraties stenen begonnen te gooien naar het Amerikaanse consulaat, moesten ze aansluiting bij hen vinden en dus eigenlijk wel gaan meedoen. Maar mocht een politieman wel stenen gooien? Instructies waren er niet en het bevoegd gezag hield zich welbewust afzijdig.
Glijdende schaal
IJzerman vond aansluiten na enige discussie goed, maar drong er op aan niet raak te gooien. Hij besefte dat de groep zich op een glijdende schaal bevond. Een agent werd niet veel later assistent-secretaris van de Socialistische Jeugd en maakte van ieder aanmeldingsformulier een kopie voor de eigen administratie. Een ander vertimmerde tegen betaling de zaal van café De Pieter – onderkomen van de jongerenorganisatie van de PvdA – en regelde een tijdje de verhuur aan allerhande actiegroepen. Een derde schoolde leden van de Rode Jeugd in revolutionaire idealen als de Parijse Commune.
Aan het eind van de zomer van 1968 – de 'summer of love' – was het eerste Parate Peloton daadwerkelijk inzetbaar. Het kwam voor het eerst in actie toen in oktober leden van onder meer de SJ en de Rode Jeugd het Mexicaanse consulaat bezetten uit protest tegen de gewelddadige repressie van een demonstratie in Mexico-stad. Ze werden onopgemerkt vergezeld door twee agenten en prompt gearresteerd. Sommigen kwamen snel vrij, anderen bleven dagenlang vast, maar allemaal stonden ze al na enkele weken voor de politierechter.
De effectiviteit van Heijinks nieuwe aanpak is, zoals alle politieoptredens, lastig vast te stellen. Het werd gaandeweg rustiger in de stad, zoveel is duidelijk: de aantallen processen-verbaal wegens gewelddadige ordeverstoringen, opruien en weerspannigheid verminderden gestaag. Zelf verzuchtte Heijink begin mei 1969 in een interview in Het Parool: "Had ik in 1966 maar de wetenschap over ordeverstoringen gehad die ik nu heb." Vlak daarna vond de Maagdenhuisbezetting plaats. De plannen waren opgemerkt door de groep-IJzerman en de vier agenten bevonden zich tussen de bezetters. Vanuit het gebouw deden zij telefonisch verslag van hun indrukken. Voor Heijink bewees de groep daarmee opnieuw haar waarde.
Maar binnenskamers was de bestaansgrond van de groep-IJzerman inmiddels aangevochten. Eind 1968 had de Binnenlandse Veiligheidsdienst ontdekt dat een agent in de Rode Jeugd te koop liep met een wapen. Het BVD-diensthoofd protesteerde bij de korpsleiding. De groep werd daarop weliswaar versterkt met een brigadier en een administratrice, maar kwam niet onder toezicht van het bevoegd gezag. IJzerman kreeg bij die gelegenheid van korpschef Jong zelf nadrukkelijk te horen, dat hij zou ontkennen van het bestaan te weten als de groep in de publiciteit kwam.
Groep valt uiteen
De ingreep had niet het verhoopte effect, integendeel. Niet alleen gaf de toegevoegde brigadier helemaal geen leiding, hij ging zelf op onderzoek uit, wierf informanten aan en knoopte contacten aan met De Telegraaf, die hij van informatie voorzag. Eind 1969 stelde hij de Duitse binnenlandse veiligheidsdienst op de hoogte van een ontmoeting tussen leden van de Rode Jeugd en Duitse linksradicalen. Onvermijdelijk kwam die informatie ook de BVD ter ore. Op hoge poten ging het diensthoofd voor de tweede keer naar de Elandsgracht. Nu werd besloten de groep op te heffen, temeer daar Heijink op het punt stond te vertrekken naar Groningen, waar hij hoofdcommissaris kon worden.
Toch bleef de groep vooralsnog bestaan. Bij afwezigheid van Heijink en spoedig ook van Valken, die in Gouda korpschef werd, voelde niemand in de korpsleiding zich verantwoordelijk voor de afbouw. En toen de stad enkele weken later te maken kreeg met de Kabouterbeweging, was al snel een nieuwe taak bedacht: de groep moest infiltreren in die beweging.
Ondertussen stierf IJzermans innovatieve aanpak van de ordehandhaving een stille dood. Er kwam een nieuwe landelijke opzet van de Mobiele Eenheden, waarbij het eerstvolgende Parate Peloton een militaire opleiding in De Harskamp kreeg. De uitwerking was tegen het einde van de zomer merkbaar toen met grof geweld werd opgetreden tegen overtreders van het slaapverbod op de Dam. 1970 werd een van de meest onrustige jaren in de Amsterdamse geschiedenis.
De groep-IJzerman viel nu uiteen. Een koppel agenten was toen al op eigen herhaaldelijk aandringen teruggekeerd in het korps. Het andere duo bleef nog tot voorjaar 1971 actief, formeel onder regie van de Politieke Inlichtingendienst, maar feitelijk als loslopende informanten. Dat ging hen niet goed af. Zij gingen geheel op in de Kabouterbeweging, deden in volle overtuiging aan allerlei acties mee en genoten volop van de flowerpowercultuur, maar werden ook nog steeds als bron van informatie gebruikt door politie, inlichtingendiensten en De Telegraaf.
Toen ook zij in het korps terugkeerden, had het gemeentebestuur al een eigen aanpak van ordeverstoringen ontwikkeld voor festiviteiten als Koninginnedag en popconcerten op de Dam. Bij gebrek aan opvang hebben vooral deze laatste twee agenten in hun verdere loopbaan van hun uitzonderlijke inspanningen meer hinder ondervonden dan profijt getrokken. Al met al heeft de groep-IJzerman het politiekorps met vallen en opstaan door een roerige periode geloodst.
G. Meershoek is universitair docent aan de Universiteit Twente en binnenkort lector politiegeschiedenis aan de Politieacademie. In maart 2011 verschijnt bij uitgeverij Boom De groep IJzerman. Hoe de politie infiltreerde in de radicaal linkse beweging van de jaren zestig. Eerder publiceerde hij onder meer De Gemeentepolitie in een veranderende samenleving (2007).