Nummer 11-12: November-December 2011

112011_cover-145x212

Prijs € 6,- Bestel


-OP HET OMSLAG: Enkele oosters geklede lieden en ook een Spaans uitziende heer: Johannes Lingelbach gaf de Dam op zijn schilderij uit 1856 de allure van een drukke wereldstad mee. Fragment van De Dam gezien naar het noorden, met het Stadhuis in aanbouw.

-Provo's
-De lotgevallen van 17de-eeuwse immigrantes
-Trotse Ghanezen
-Feiten en cijfers over immigratie
-Ibrahim Görmez, bed: f 100,- per maand
-'Die brutale Joden'

En verder:
-De Vaste Route met Ernst Veen
-Hier gebeurde het: de filosoof en het dienstmeisje
-Wereldplekken



HOE PROVO'S AMSTERDAMS 'IMAAZJE' VERANDERDEN

De wereld hebben ze niet verbeterd, maar in de twee jaar van hun bestaan speelden de112011_Provo provo’s wel iets anders klaar: ze maakten van het ingedutte
Amsterdam de hipste plek op aarde. Voor de VVV-medewerkers was het even
wennen, al die toeristen die wilden weten hoe laat de relletjes begonnen.

In de jaren zestig haalde Amsterdam weer het wereldnieuws. En dat was niet te danken aan de ijverige VVV-campagnes. Nee, het waren de snotapen van provo die verslaggevers van heinde en verre naar Nederlands hoofdstad lokten (en internationaal navolgers vonden). Het hek was van de dam: Amsterdam werd de stad van ‘love, peace & happiness’. Hoe zag Amsterdams nieuwe ‘imaazje’ eruit? Trok het meer toeristen? En veranderde provo de wereld?

De provobeweging bestond officieel maar twee jaar, van 1965 tot 1967. Toch heeft in de vorige eeuw geen beweging méér impact gehad op het internationaal imago van Amsterdam.
De stad sudderde op een laag pitje. Een internationale machtsfactor, zoals in de VOC-tijd, was Amsterdam allang niet meer. Aanzienlijk minder kosmopolitisch ook dan vroeger, met na de oorlog vooral een hang naar vastigheid. Dat riep irritatie op bij de ‘babyboomers’. Van die protestgeneratie was provo het convergentiepunt, maar niet het begin. Dat lag eerder in de Amerikaanse jeugdcultuur. (De film Rock Around The Clock met Bill Haley werd in 1956 verboden in Apeldoorn.)
Een paar persoonlijke ervaringen vanaf de zijlijn. Tijdens een bezoek bij een arbeidersgezin in Parijs, 1966, zag ik op tv beelden van de rellen in Amsterdam. “Durf je nog wel terug?”, vroeg de bezorgde vader. Twee jaar later zat ik op de Dam argeloos met mijn buitenlandse leeftijdgenootjes in het zonnetje. Plotseling werd de Dam leeg geveegd. Ik vluchtte maar mee, en riep “Amsterdam moordstad!”. De yell werd overgenomen. Eventjes voelde ik mij aanvoerder van de wereldwijde jeugdrevolutie.
In het begin trok provo alleen aandacht in de stad zelf. Het waren jongeren met heel verschillende achtergronden, die vooral een anarchistische inslag deelden. Zij deden graag mee aan de fantasierijke rituelen (‘happenings’) die antirookmagiër Robert Jasper Grootveld vanaf begin 1965 op het Spui uitvoerde. Hij bestempelde Amsterdam tot ‘magies sentrum’. De net wat politieker ingestelde provo’s speelden een steeds grotere rol in de happenings. Met hun speelse provocaties (verkleedpartijen, het uitdelen van krenten, demonstreren met lege spandoeken) brachten ze de politie zo in verwarring, dat die maar één antwoord wist: meppen. Daardoor bleek het failliet van het ouderwets gezag.
Sinds juli 1965 waren de ‘happenings’ landelijk nieuws. De provo’s profiteerden graag van de onvrede over de keus van kroonprinses Beatrix voor een ‘mof’ als echtgenoot. Oud republikeins sentiment laaide op en provo gaf daar creatief uiting aan. De roemruchte rookbommen bij het prinselijk huwelijk maakten ineens wereldnieuws van het rebelse Amsterdam.

Provomania
Die 10de maart 1966 werd een hoogtijdag voor havenarbeider/persfotograaf Cor Jaring. Hij was kind aan huis bij de provo’s. Vanwege zijn subversieve reputatie mocht hij niet de Nieuwe Kerk in. Maar dat nadeel bleek een voordeel: Jaring sleet die avond in café Scheltema zijn rookbom- en rellenfoto’s voor goudgeld aan Paris Match. De toon van de reportages was aanvankelijk overigens vaak afkeurend of in ieder geval verbijsterd. Maar daarna raakte menig verslaggever gecharmeerd. In de buitenlandse reportages maakte verbijstering geleidelijk plaats voor geamuseerdheid.
Ook in eigen land groeide de sympathie voor provo’s ‘witte plannen’: wereldverbetering met een knipoog. Zoals het Witte Schoorstenenplan tegen de luchtvervuiling, het feministische Witte Wijvenplan en het Witte Kippenplan, dat inhield dat ‘kippen’ (Amsterdams voor agenten) vooral maatschappelijk werker moesten zijn. Het populairst werd het Witte Fietsenplan van Luud Schimmelpennink: witgeschilderde fietsen die iedereen vrijelijk kon gebruiken.
Hoe meer hun ouders op ze afgaven, hoe spannender jongeren in het hele land de provo’s gingen vinden. Ria Bes uit Den Haag schreef in oktober 1968 aan provo-ideoloog Roel van Duijn: “Lieve Roel, hier is een klein briefje van een voor jou onbekend meisje, dat je wil vragen zo vriendelijk te zijn een foto van jou te sturen, het liefst met handtekening.” Daar lusten de jongens wel pap van. De ‘Firma Provo’ bood tienermeisjes graag een stoomcursus Hoe word ik provo in veertien dagen?, waarin met name het belang van de ‘vrije liefde’ werd beklemtoond. En tegen betaling reisden provo’s graag af naar jongerencentra en bejaardensozen in Rotterdam, Roermond of Almelo.
Ook vanuit het buitenland werden de provo’s vaak uitgenodigd voor lezingen en congressen. Internationaal waren er snel navolgers. In Parijs verscheen het appeltje met de stip (provosymbool) op de muren. In Londen herdoopten de Notting Hill Libertarians zich in Notting Hill Provos. En vanuit Californië schreef een student naar Amsterdam: “The interest in the Provos reaches a mania here.” Maar iets wat echt leek op het Amsterdamse fenomeen, met z’n merkwaardige mengeling van ernst en ironie, schoot nergens wortel. Een Londense rebel wist waarom: “The town is hugely different from Amsterdam.” Als bevorderlijke aspecten van Amsterdam noemden analytici de losse sfeer, de kleinschaligheid, maar ook (toen) de verkramptheid van de Amsterdamse agenten, vergeleken met de Londense ‘bobby’s’.

Meet the provos!
Intussen kwamen er ’s zomers wel opvallend veel meer jeugdige toeristen naar Amsterdam om de sfeer op te snuiven. De toeristenindustrie rook nieuwe kansen. Nog niet de brave VVV, maar al wel het Amsterdamse PR-bureau Frits van Praag. Die wilde een excursie langs oude Zuiderzeestadjes koppelen aan kennismaking met dit moderne fenomeen. Van Praag betaalde enkele provo’s een mooi bedrag om zich te laten bekijken in de Drommedaris te Enkhuizen. Er was zelfs een folder: Meet the provos. De combinatie werkte kennelijk niet: er kwamen maar vier toeristen op af. Maar de baldadige provo’s vermaakten zich uitstekend.
Naarmate provo beroemder werd, werd ze ook meer gezien als een machtige organisatie, compleet met postbus en telefoonnummers. Maar dat was de bedoeling niet. Toen provo een commercieel ‘merk’ dreigde te worden, werd in mei 1967 de beweging opgeheven. Eigenlijk was het nooit als organisatie bedoeld, beklemtoonde medeoprichter Rob Stolk: het was een mentaliteit, een idee, een ‘imaazje’. Nog één keer probeerden oud-provo’s in 1970 een even brede beweging op te zetten: de Kabouterbeweging, alias de Oranje-Vrijstaat, maar die ging al binnen een jaar aan ruzies ten onder.
Traditioneler georganiseerde actiegroepen gingen verder met thema’s die provo had aangekaart: woningnood, milieu, strijd tegen de atoombom en de oorlog in Vietnam, democratisering van het onderwijs, vrouwenemancipatie, vrijheid van seksuele beleving, legalisering van softdrugs. Per saldo waren het vooral de seks en drugs die buitenlandse jongeren aantrokken in Amsterdam. (En sinds 1968 poptempel Paradiso.) De rest van het repertoire kenden ze wel uit hun eigen land.
De gemeente deelde hun enthousiasme bepaald niet, herinnert zich Jan Mastenbroek, van 1966 tot 1980 hoofd Voorlichting van de gemeente. Maar geschrokken van het tumultueuze effect dat de eigen verkramptheid opriep, was de overheid toch begonnen heel wat te ‘gedogen’. “We hebben de rugzaktoeristen niet gestimuleerd, wel gefaciliteerd.” Stickies roken en het openlijk tonen van bloot waren intussen symbolen van bevrijding geworden. Het Vondelpark lag begin jaren zeventig vol hippies uit de hele wereld.

Waar kan ik marihuana kopen?
De Vereniging voor Vreemdelingenverkeer (VVV) keek lang de kat uit de boom. In het jaarverslag over 1966 wordt kribbig opgemerkt: “Als oorzaken voor de teruggang van het Duitse toeristenbezoek worden onder andere aangenomen de ongunstige publiciteit rond de huwelijksvoltrekking van prinses Beatrix en de provorelletjes.” Maar de VVV signaleerde toch wel “het stijgend bezoek van de kamperende toeristen, een groep die weleens over het hoofd wordt gezien.” In het jaarverslag 1967 ontbreekt elk woord over rebels en hip Amsterdam, al prijkt op het omslag ineens Het Lieverdje, samen met de standbeelden van Rembrandt en Wibaut. In het verslag van 1970 wordt verklapt dat VVV-personeel vragen krijgt als: “Waar kan ik marihuana kopen?” en “Hoe laat beginnen de relletjes?” En in de jaren daarna is de vrije sfeer van Amsterdam ook voor de VVV een ‘verkoopargument’.
Dat provo heel wat heeft losgemaakt en het beeld van Amsterdam heeft veranderd staat vast. Maar wat is er na ruim 45 jaar nog van merkbaar? Er hangen in ieder geval minder uitlaatgassen. Het toerisme van homo’s en drugszoekers blijft groeien. Vrijheid en tolerantie zijn sleutelwoorden. Toeristen reageren soms stomverbaasd als ze een vrouw in het café haar kind de borst zien geven.
Maar het tij keert. Coffeeshops en paddoshops moeten dicht. Homo’s worden gemolesteerd. En in het nieuwe Canadese blad Dutch, the Magazine verbaasde hoofdredacteur Tom Bijvoet zich over de talloze camera’s langs de openbare weg, die de burgers overal in de gaten houden. Big Brother is watching you! Hij waarschuwt zijn lezers: “Zorg er goed voor dat je de volgende keer in Nederland met een brede glimlach door de binnenstad van Amsterdam loopt, want je komt op candid camera!”

Tekst: MAURITS SCHMIDT



112011_17de_eeuwse_immigrantes
De lotgevallen van de 17de-eeuwse immigrantes

In de 17de eeuw kwam een ongekend aantal vreemdelingen naar Amsterdam. Zowel mannen als vrouwen zochten hier hun heil. Harde cijfers over het aantal vrouwelijke immigranten zijn er niet, maar wel kennen we van een aantal het levensverhaal. De meesten kwamen bepaald niet in een gespreid bedje. Toch veroverden velen een plaats in de Amsterdamse samenleving, als dienstmeisje, naaister, koopvrouw of huisvrouw.

Het Amsterdams stadsarchief bezit een kinderprent van rond 1760 met de intrigerende titel Siet hier o Jonge Jeugt, en merkt met behagen, hoe 't Westfaals Geesje haar in Amsterdam heeft gedragen. In 24 prentjes wordt het verhaal verteld van Geesje uit Westfalen, die op reis gaat om in Amsterdam werk te vinden. Ze zegt haar ouders gedag (“Geluk op reis, mijn waarde kint”, zeggen de ouders), reist met een boot naar Amsterdam, vindt er werk als dienstmeisje, moet vegen, poetsen en op het kind passen, krijgt van haar werkgeefster een pak slaag nadat ze snoep uit de trommel heeft gepikt, wordt ontslagen en vindt een nieuwe betrekking, loopt man tegen het lijf, trouwt en wordt uiteindelijk zelf huisvrouw en moeder (“Geesje sit hier by haar man, En sy geeft het kind een pram”). Eind goed al goed.
Er moeten in het Amsterdam van de 17de eeuw heel wat Westfaalse Geesjes hebben rondgelopen. Ze werkten als dienstmeid, trokken met handelswaar langs de huizen, vonden werk als huisnaaister, kwamen terecht in de prostitutie… Mogelijkheden te over. Als ze pech hadden, raakten ze ongehuwd zwanger of kwamen ze in aanraking met de justitie. Want één ding is zeker: Amsterdam was niet alleen rijk, maar ook gevaarlijk.
Met Geesje liep het goed af: door te trouwen werd ze ‘huisvrouw’ en bereikte zo dezelfde status als de werkgeefster die haar zo slecht had behandeld. De cirkel was rond. Het is alsof de kinderprent wil zeggen: dat kan dus in het rijke Amsterdam!
Het verhaal van Geesje van Wesphalen lijkt uit het leven gegrepen. Toch is zij een fictieve figuur. Graag zouden we willen weten hoe het leven van al die immigrantenvrouwen eruit heeft gezien, maar over het algemeen geven de bronnen maar weinig details vrij. Het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland*, dat biografische informatie verzamelt van opmerkelijke vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis, licht een tipje van de sluier op. Dit naslagwerk bevat onder andere portretten van immigrantes die hun heil in Amsterdam zochten. Hun levensverhalen laten zien dat er ook andere redenen waren om naar Amsterdam te gaan. Sommigen kwamen inderdaad omdat ze arm waren en werk zochten, maar anderen ging het om de godsdiensttolerantie, de vrijheid van drukpers en andere vrijheden die de stad bood.

Grote verschillen

Vanaf het midden van de 16de eeuw kwamen heel verschillende groepen immigranten naar Amsterdam. Bijvoorbeeld Portugese ‘converso’s’ (joden die zich hadden laten dopen om hun land niet te hoeven verlaten) die in Portugal toch nog door de Inquisitie werden vervolgd. In Amsterdam mochten ze wel vrij hun geloof uitoefenen en zo bouwden ze in korte tijd een joodse gemeenschap op. De meesten waren welgesteld. Onder hen bevonden zich enkele beroemde vrouwen.
Een van hen was Maria Nunes (1575-na 1612?) uit Lissabon. Het verhaal is dat de beeldschone Maria in 1593 samen met een aantal familieleden vluchtte voor de Inquisitie. Op weg naar de Nederlanden werd hun schip gekaapt door de Engelsen en naar Londen gebracht. Een Engelse hertog werd zo geraakt door Maria’s schoonheid dat hij haar wilde trouwen. Zij wees zijn aanzoek echter af en zelfs koningin Elisabeth kon haar niet vermurwen. Maria koos ervoor naar Amsterdam te vertrekken om zich daar openlijk joods te kunnen worden. Ze geldt daarmee als een symbool van joodse standvastigheid.
Een andere beroemdheid is Isabella Correa (ca. 1655-ca. 1700), ook uit Lissabon. Haar man, een adellijke militair, was rond 1662 naar Amsterdam gevlucht, waar hij meewerkte aan het deel van de Atlas van Blaeu dat is gewijd aan het Iberisch schiereiland. Onduidelijk is wanneer Correa naar Amsterdam kwam. Zij stond er bekend om haar eruditie en talenkennis: las Latijn en Grieks, evenals Portugees, Spaans, Italiaans en Frans. Ook zou zij een bundel gedichten hebben geschreven en was de eerste vrouw die naar het Spaans vertaalde. In een van haar werken stelt ze dat zij was gaan vertalen om zich niet bezig te hoeven houden met naaldwerk.
Na de inname van Antwerpen door de Spaanse troepen (1585) kwamen talloze vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden naar Amsterdam. Het waren vooral ambachtslieden en kleine zakenlieden die vluchtten voor het oorlogsgeweld en/of de geloofsvervolging. Aangrijpend is het verhaal van Christina Bitter uit Antwerpen, de grootmoeder van Christina van Erp, en daarmee de schoongrootmoeder van Pieter Cornelisz. Hooft. In zijn Nederlandsche historien vertelt Hooft haar belevenissen tijdens de Spaanse Furie in Antwerpen (1576).

Vrouwen in zaken
Voor haar ogen zag zij hoe haar moeder werd opgeblazen door Spaanse soldaten die binnenvielen en Christina’s man en geld opeisten. Toen ze weigerde iets los te laten, knoopten de krijgslieden een stuk lont om haar hals, bonden haar op een ladder en lieten haar tot driemaal toe bijna stikken, maar zij bleef zwijgen. Uiteindelijk gingen de soldaten weg met alles wat ze mee konden nemen. Christina lieten ze met een koord om haar hals vastgebonden op de ladder achter. Zo werd ze gevonden. Ze “bekwam van de zwijming”, maar nooit kreeg zij haar oude blijgeestigheid terug, aldus Hooft. Hierna vluchtte het gezin naar het noorden. Naar het schijnt is Christina Bitter niet lang hierna overleden.
Een andere vluchtelinge is Sara Cranen (ca. 1565-1637). Ze werd geboren in Antwerpen, als oudste dochter van een knopenmaker. Als zesjarig meisje werd ze door haar vader meegenomen naar Keulen omdat hij als ‘wederdoper’ uit de stad was verbannen. In 1585 trouwde Sara in Keulen met een Antwerpse weduwnaar. Hij was hoedenmaker en ook doopsgezind. Het stel woonde in bij Sara’s moeder. Na verloop van tijd werd het klimaat grimmiger. In 1595 werden de doopsgezinden gesommeerd Keulen te verlaten. Na een lange tocht via Frankfurt, Bremen, Emden, Delfzijl en Utrecht kwamen Sara, haar man en hun drie kleine kinderen in de winter van 1596-1597 in Amsterdam aan. In de Warmoesstraat begonnen ze een zaak in hoeden en zijden stoffen. Sara Cranen was de moeder van de bekendste dichter van Nederland: Joost van den Vondel.
Over haar verdere leven is niet veel meer bekend dan dat zij na de dood van haar man de zaak voortzette. In 1615 richtte zij een compagnie op met dochter Clementia, inmiddels ook weduwe. De zaken liepen goed, want op een gegeven moment bezaten moeder en dochter zelfs een zomerverblijf in de Purmer. Uit diverse notariële akten blijkt dat de verstandhouding met haar inmiddels beroemde zoon minder goed was. In haar testament liet ze opnemen dat hij bij haar in het krijt stond en dat hij deze schuld moest inlossen, wilde hij in aanmerking komen voor zijn aandeel in haar nalatenschap. Dat deed hij, een dag voor haar dood. In zijn werk refereert Vondel slechts eenmaal aan zijn moeder: ze had hem in zijn jeugd niet behoorlijk het Nederlands (‘nederdiets’) geleerd.

Diefstal en prostitutie
Verreweg de grootste groep immigranten kwam uit arme regio’s in Duitsland en Scandinavië, op zoek naar werk. Het ‘Westfaalse Geesje’ is daar een voorbeeld van. Dat het niet alle ‘Geesjes’ zo voor de wind ging, toont het verhaal van Elsje Christiaans (ca. 1646-1664), een dienstmeid van ongeveer achttien jaar uit Jutland. Tegenwoordig is zij zo’n beetje het beroemdste immigrantenmeisje uit de geschiedenis van Amsterdam, dankzij Rembrandt, die haar tekende toen zij levenloos tentoongesteld hing op het galgenveld in de Volewijck. Op 1 mei 1664 was zij ter dood veroordeeld omdat zij haar huisbazin met een bijl de kop had ingeslagen. Ze was pas twee weken in Amsterdam en op zoek naar een betrekking als dienstbode. Ze had een kamer gehuurd bij een ‘slaapvrouw’ aan de Nieuwendijk. Toen de hospita aan het eind van de maand eindelijk wel eens geld wilde zien bleek dat Elsje niet kon betalen. De hospita dreigde daarop haar kistje met bezittingen in beslag te nemen, ze kregen woorden en van het een kwam het ander: de slaapvrouw sloeg Elsje met een bezemstok, Elsje zag een bijl en sloeg daarmee terug, de slaapvrouw viel van de keldertrap en bleef voor dood liggen. De buren kwamen af op het tumult, Elsje vluchtte en sprong in het Damrak. Daar werd ze uitgevist en gearresteerd. Een dag erna werd het vonnis geveld.
Ook Trijn Pieters, alias Trijn van Hamburg (ca. 1590-1617) dankt haar roem aan het feit dat zij tot de strop werd veroordeeld, in haar geval wegens diefstal. Tijdens verhoor zei ze afkomstig te zijn uit ‘Bruinsbetel’ (Brunsbüttel) bij Hamburg. In 1606 werd ze vanwege diefstal voor drie jaar uit Amsterdam verbannen. Hierna werd ze nog twintigmaal gearresteerd in een lange reeks steden: Middelburg, Dordrecht, Rotterdam, Delft, Leiden, Weesp, Enkhuizen, Den Haag, Haarlem en Alkmaar. Vaak zei ze zwanger te zijn en ontliep daarmee de lijfstraffen waartoe ze was veroordeeld, maar toch werd ze herhaaldelijk gegeseld en vijfmaal gebrandmerkt. In 1612 sneed men haar in Amsterdam zelfs als bijkomende straf de beide oren af.
Haar laatste misdrijf beging Trijn Pieters in Amsterdam. Ze pleegde samen met enkele metgezellen een inbraak. De buit: waardevolle kleren en goederen. Hierop werd ze ‘anderen ten exempel’ op 30 december 1617 opgehangen. Na ter afschrikking tijdelijk op het galgenveld te hebben gehangen werd haar lichaam overgebracht naar het anatomisch theater op de Amsterdamse Nieuwmarkt; later was het lijk op de kermis te zien.

Grote aantallen
Duidelijke cijfers over het aantal immigrantes in het Amsterdam van de Gouden Eeuw ontbreken – er was nu eenmaal nog geen immigratiedienst of burgerlijke stand. Maar vast staat dat het in de stad wemelde van de nieuwkomers: mannen én vrouwen. Zo is bekend dat meer dan de helft (50,7%) van alle Amsterdamse bruiden die voor het eerst trouwden bij hun ondertrouw opgaven dat ze elders waren geboren. Een kleine kwart (24,1%) kwam uit de rest van de Republiek, een ruime kwart (26,6%) was geboren buiten de Republiek. Ter vergelijking: van de bruidegoms was 67,8% van elders afkomstig (24,1% uit de rest van de Republiek en 43,7% uit den vreemde).
De meeste nieuwkomers waren op zoek naar werk en kwamen terecht in de ongeschoolde beroepen. Als dat niet lukte, was het maar een kleine stap naar minder eervolle bronnen van inkomsten, zoals diefstal en prostitutie. Van de vrouwen die in de Gouden Eeuw in aanraking kwamen met de Amsterdamse rechtspraak, kwam driekwart niet uit Amsterdam. Onder de immigranten bevonden zich echter ook vluchtelingen die omwille van de godsdienstvrijheid naar Amsterdam waren gekomen. Zij waren over het algemeen minder arm en beschikten bovendien via hun geloof vaak over een netwerk van vrienden en verwanten die hen verder hielpen in hun nieuwe omgeving.
Tegenwoordig belanden heel wat argeloze meisjes uit Oost-Europa en Azië ‘achter de ramen’ op de Wallen. In de Gouden Eeuw, toen de stad juist dankzij de instroom van vreemdelingen tot ongekende bloei kwam, was dat niet anders. De gevaren van de stad waren groot. Meisjes van buiten belandden in een hoerhuis of kwamen in aanraking met justitie. Ze werden opgesloten in het spinhuis of de stad uitgezet. Voor hen moeten de verlokkingen van het rijke Amsterdam zuur geproefd hebben. Maar als ze geluk hadden, verging het ze als Geesje: ze trouwden, werden ‘gewoon’ huisvrouw en integreerden in de Amsterdamse volkscultuur. Voor dochters uit immigrantenkringen die om het geloof waren gevlucht, lagen de zaken waarschijnlijk iets gunstiger. Zij genoten meestal de bescherming van andere familieleden, trouwden met een jongen uit een andere Zuid-Nederlandse familie en konden zich geborgen voelen in hun eigen geloofsgemeenschap. Na een paar generaties waren deze families geïntegreerd in de Amsterdamse burgerij.

Tekst: ELS KLOEK is historica



112011_GhanezenTrotse Ghanezen

De Bijlmerramp op zondag 4 oktober 1992 staat in het collectieve geheugen van Amsterdam gegrift. De verwoesting was enorm, er vielen 43 doden. Zwaar getroffen werd ook de Ghanese gemeenschap. Ineens werden de Ghanezen een zichtbare groep binnen de Amsterdamse bevolking. Tot dat verschrikkelijke moment was hun bestaan onbekend bij de meeste Amsterdammers. Hoe waren zij in Zuidoost terechtgekomen? Wat voor leven leidden zij? Vragen, vragen, vragen.

Goud, peper en ivoor liggen in zijn schip wanneer de Enkhuizenaar Barent Ericszoon als eerste van de Goudkust terugvaart naar Nederland. Het is eind 16de eeuw en de Goudkust – de huidige Ghanese kust – is voor het grootste deel in handen van de Portugezen die er onder andere fort Sao Jorge da Mina bezitten. Zo’n 40 jaar later weet Johan Maurits van Nassau-Siegen in 1637 dit fort te veroveren op de Portugezen, waarna het zal worden uitgebouwd tot een van de grootste slavendepots van de trans-Atlantische slavenhandel. Van hieruit vervoerde de West-Indische Compagnie (WIC) in bijna tweeënhalve eeuw enkele honderdduizenden Afrikanen naar plantages overzee.
Slechts een enkele Ghanees kwam als slaaf naar Nederland. De meest geboekstaafde is waarschijnlijk Jacobus Capitein, die in 1725 op achtjarige leeftijd cadeau werd gedaan aan WIC-koopman Jacobus van Goch. Omdat Capitein goed kon leren, kreeg hij onderwijs en studeerde zelfs theologie. Opvallend is dat Capitein meeging in de heersende mentaliteit dat de slavenhandel niet in strijd was met de christelijke moraal. Het zal eraan hebben bijgedragen dat hij uiteindelijk als predikant vanuit de classis Amsterdam van de Nederduits Hervormde kerk werd aangesteld als fortpredikant in Elmina, zoals Sao Jorge da Mina inmiddels heette. Hier overleed hij een paar jaar later.
Een andere opvallende gebeurtenis was het ronselen van in totaal 3100 slaven uit onder andere het huidige Ghana voor het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, dat in 1831 aanving en 40 jaar lang duurde. Velen van deze slaven bleven na afloop van hun diensttijd aanvankelijk op Java, waar ze als Indo-afrikanen een herkenbare gemeenschap vormden die zich sterk identificeerde met Nederland. Zij pasten zich zo goed aan dat hun maatschappelijke positie in een paar jaar sterk steeg. Veel van deze Belanda Hitam (zwarte soldaten) kwamen uiteindelijk in Europees Nederland terecht. Aan het ronselen van deze mannen kwam een einde toen fort Elmina bij het Verdrag van Sumatra in 1871 werd verkocht aan de Engelsen.

Generaal pardon
Op de kop af een eeuw nadat de Nederlanders Ghana verlieten, zette Samuel Asante voor het eerst voet op Amsterdamse bodem. Als zeeman werkte hij voor een Nederlands-Amerikaanse scheepvaartmaatschappij die samenwerkte met een Ghanese scheepvaartmaatschappij. Asante herinnert zich dat hij goed overweg kon met zijn Nederlandse scheepsmaten en kapitein. Ze nodigden hem thuis uit als hij in Nederland afmeerde, zodat hij kennis kon maken met hun vrouwen en kinderen. In Amsterdam leerde hij ook een paar Ghanezen kennen die op het eten afkwamen dat het schip aan boord had. Met name de Ghanese mijnheer Agyeman werd een goede vriend. Vrijwel meteen nadat hij in 1974 was afgemonsterd in Ghana, kocht hij een vliegtuigticket en een visum. Met behulp van zijn Nederlandse scheepsmaten kwam hij weer naar Amsterdam om vanuit hier zijn zeemanbestaan voort te zetten.
Maar toen hij zijn vrienden terugzag, veranderde hij zijn plan. Hij nam zijn intrek in een pension voor immigranten op de Keizersgracht en ging op zoek naar werk in de stad. Asante: “Ik wilde snel geld verdienen om na enkele jaren daarmee een bestaan in Ghana op te kunnen bouwen. Mijnheer Agyeman vroeg mij te komen naar een koffietent in het oude Sloterdijk waar een chemisch bedrijf werkzoekenden oppikte. Later heb ik zelf nog veel Ghanezen daar aan werk geholpen.”
In het chemische bedrijf deed Asante allerlei klussen. Hij maakte er schoon, was operator, vulde en laadde zakken, werkte in het magazijn, verzorgde de koffieautomaten en deelde overalls uit aan de medewerkers. Na 22 jaar stond hij bij een reorganisatie op straat, maar vond daarna werk bij PTT-Post, het tegenwoordige PostNl, waar hij nog steeds werkt als chauffeur. Twee jaar nadat Asante bij het chemische bedrijf was begonnen, kreeg hij via zijn baas een verblijfsvergunning. Dat was mogelijk door een maatregel van het kabinet-Den Uyl, dat alle werkende illegalen die aantoonbaar sinds 1974 in Nederland verbleven een generaal pardon gaf. Asante is de toenmalige minister-president er nog dankbaar voor. Het bood hem meer perspectief, want via diezelfde baas kreeg hij als eerste van de 30 hier aanwezige Ghanezen een eigen woning in de flat Koningshoef in de Bijlmer. Asante zorgde ervoor dat ook zijn vrouw en zesjarige dochter Amma konden overkomen uit Ghana.

Sikaman Youth Wing
Zijn verhaal speelde zich af vóór er een grote stroom Ghanezen naar Amsterdam kwam. Rond 1970 was na de val van de eerste president Kwame Nkrumah (1966) de Ghanese economie in het slop geraakt. Aanvankelijk zochten veel geschoolde Ghanezen hun heil in West-Afrikaanse buurlanden, met name in Nigeria. Maar daar brak in 1980 een oliecrisis uit en de circa één miljoen Ghanezen moesten dit land weer verlaten. Velen van hen trokken naar Europese steden in vooral Duitsland, Engeland en Nederland. Hier was de kans op laaggeschoold en illegaal werk het grootst.
De moeder van Ama Carr was in Amsterdam terecht gekomen. Zij liet haar drie dochters overkomen nadat ze vanuit de flat van een nicht schoonmaakwerk en een eigen woning in de flat Daalwijk had gevonden. Dat was eind jaren tachtig. Carr was toen vijf en herinnert zich niet zoveel meer van het Ghana dat ze verliet. “Op een dag zat ik in het vliegtuig en kwam ik hier terecht tussen vreemde mensen die een vreemde taal spraken.” Binnen drie maanden sprak ze zelf vloeiend Nederlands. Ze bezocht basisscholen in de Bijlmer en Duivendrecht en later een middelbare school in Zuid. Tot haar veertiende had ze weinig contact met andere Ghanese jongeren. Dat veranderde toen ze lid werd van de jongerenafdeling ‘Sikaman Youth Wing’ van de Ghanese koepelorganisatie Sikaman in Amsterdam Zuidoost.
Carr: “We woonden als Ghanezen allemaal in Zuidoost, maar de jongeren die goed konden leren, zaten vaak buiten dit stadsdeel op school of kenden elkaar niet. Om hen bijeen te brengen zette Sikaman een jongerenorganisatie op.” Carr die in Nederland de Ghanese taal Twi had geleerd en thuis brieven vertaalde voor de vrienden van haar ouders, ging dat nu samen met andere Ghanese jongeren via Sikaman ook voor andere ouderen doen. Ook zetten ze activiteiten op om zowel jongeren als ouderen wegwijs te maken in de Nederlandse samenleving.

Tientallen stamorganisaties
Sikaman is niet de enige Ghanese vereniging in Amsterdam. Ghanezen organiseren zich bij uitstek, beamen Asante en Carr. Zo kent Asante 38 verschillende stamorganisaties van Ghanezen in Amsterdam. De leden geven elkaar informatie door en organiseren uitstapjes om Nederland beter te leren kennen. Elke organisatie denkt ook na over hoe ze hun streek van herkomst kunnen helpen ontwikkelen. Er wordt geld ingezameld door ondermeer benefietfeesten te organiseren voor bijvoorbeeld de bouw van een school of een ziekenhuis.
Verschillende organisaties zijn verenigd in Recogin, zegt Asante, die vanaf het eerste uur betrokken was bij deze koepel. Recogin werd opgericht na de Bijlmerramp. Aanleiding waren de vele negatieve verhalen die in de media verschenen over de Ghanezen, zegt hij. “We zouden crimineel zijn en konden die beschuldigingen niet over onze kant laten gaan. Drie van onze mannen vormden daarom een comité, maakten een plan en kwamen twee maanden later met een rapport waarin stond wat we moesten doen. Integratie in de Nederlandse samenleving stond voorop. We wilden Nederland gaan vertellen wie wij zijn en vertelden de Ghanezen hier dat ze Nederland moesten leren kennen als ze wilden blijven.”
Recogin wil de Ghanese gemeenschap vertegenwoordigen bij stadsdeel Zuidoost en de gemeente. Ze geeft Ghanezen advies hoe ze kunnen integreren en houdt bijeenkomsten met onder meer deskundigen die de Nederlandse wetgeving uitleggen of adviseren bij opvoedproblemen met migrantenkinderen. Ook kunnen Ghanezen bij Recogin internetten en de Nederlandse taal leren.
Belangrijker nog dan de stamorganisaties zijn de vele Afrikaanse migrantenkerken, die vooral in de Bijlmer te vinden zijn. Deze kerken hebben meer gezag binnen de Ghanese gemeenschap. De meesten van de 11.000 Ghanezen komen in een van deze kerken samen en vinden er hun netwerk. Ze brengen hier hun kinderen naar de kinderopvang, leren er de Nederlandse taal en vinden er altijd wel iemand die hen ergens mee kan helpen.

Betekenis migrantenkerken
De pastor zien zij als de gemeenschapsleider die advies geeft en hen weer op het rechte pad helpt als zij er vanaf gedwaald zijn. Bijvoorbeeld bij gebruik van drugs of veel drank, bij vreemdgaan of als ze iets hebben gestolen. Ook organiseren sommige kerken, zoals de internationaal georiënteerde Pinkstergemeenschap, workshops en bijeenkomsten om economisch en sociaal vooruit te komen.
Asante: “Onze ouders brachten ons al van jongs af aan naar de kerk. Sowieso zaten we op missiescholen en moesten we bidden in de kerk voor de les begon. Het geloof zit in ons bloed. Vóór je ochtends de deur uitgaat, bid je eerst een paar minuten en dank je God dat je op kan staan, naar je werk kan en vraag je of je veilig thuis kan komen.” Pastors hebben veel invloed op het doen en laten van Ghanezen, beaamt Carr, die internationale betrekkingen studeert aan de Universiteit van Amsterdam en raadslid is in stadsdeel Zuidoost. “Dat is ook het lastige in Nederland, waar kerk en staat gescheiden zijn. Want je hebt de migrantenkerken nodig om hen te bereiken. Daarom organiseren we in Zuidoost nu voor Ghanezen bijeenkomsten in samenwerking met deze kerken. Daar komen veel mensen op af.”
Veel Ghanese kerken en organisaties zijn op maatschappelijke en economische vooruitgang gericht. Die houding hebben veel Ghanese ouders ook: zij houden hun kinderen voor dat ze hier iedere kans en mogelijkheid moeten grijpen. Asante: “Ik vertelde mijn vier kinderen altijd dat ze hard moeten studeren. Als eerste generatie Ghanezen verlieten wij onze ouders, broers en zussen, ons huis en een arm land. We hadden vrijwel geen kans op een carrière en werkten hard. Niet alleen om onze familie thuis te helpen, maar ook om onze kinderen een goede toekomst te geven.”

Respect voor ouderen
Ook Carr werd door haar moeder gestimuleerd het beste ervan te maken in Nederland. “Voor mijn moeder die zich hier had opgewerkt van schoonmaakster tot gediplomeerd crècheleidster, was naar school gaan het belangrijkste in het leven. We moesten van haar een diploma halen en hier ons leven opbouwen.” Zij is niet de enige van de tweede generatie met een hogere opleiding: de oudste dochter van Asante studeerde politieke wetenschappen en werd zelfs gemeenteraadslid in Amsterdam. Carr: “Ik zie steeds meer jonge Ghanezen die hier een opleiding volgen op havo-, vwo-, hbo- of universitair niveau.”
Veel Ghanezen zijn erg trots op hun eigen cultuur met haar uitgebreide rituelen, feesten, eigen kleding en muziek. Ouders willen hun kinderen hiervan dan ook veel meegeven. Maar zeker de tweede generatie neemt steeds meer over van de Nederlandse cultuur. Carr ging voor het eerst mee naar Ghana toen haar oma daar werd begraven. “Het was een shock. Alles daar was trager en mensen gingen heel relaxed om met hun tijd. De begrafenis duurde drie dagen en er waren enorm veel mensen. Iedereen kreeg speciale kleren. In een soort park waarin allemaal tenten stonden, werd gekookt, gegeten en na de begrafenis speelde daar een band. Het was een soort Kwakoe. Ik vroeg me af of het niet wat soberder kon.”
Toch is Carr blij dat ze Ghanese normen en waarden meekreeg. Zoals respect voor ouderen en trouwen voor je kinderen krijgt. “Als ouderen praten, moet je er niet tussen komen, je mag ze niet in de ogen kijken, veel vragen aan ze stellen en veel terug zeggen. Maar ik ben redelijk vrij opgevoed en kon over veel onderwerpen met mijn moeder praten.” Naar eigen zeggen krijgt ze dan ook vaak te horen dat ze te verwesterd is in haar manier van denken en doen. “Ik vind dat je moet doen wat het best is voor jezelf. Dat je vrij bent om te kiezen. Ook welke studie je doet. Maar veel Ghanese ouders willen nog steeds dat hun kinderen arts, advocaat of ingenieur moeten worden als ze gaan studeren. Dat zijn respectabele beroepen in Ghana.”

Eigen bejaardentehuis
Door haar opvoeding kon Carr zich hier ook makkelijker aanpassen in vergelijking met Ghanese kinderen die een strengere opvoeding kregen, zegt ze. “Die kinderen waren vaak heel ingetogen en kregen daardoor problemen op school. Maar langzamerhand begrijpen Ghanezen meer en meer hoe het in er Nederland aan toegaat. Dat je hier juist wel een stevige hand moet geven en elkaar in de ogen moet kijken.”
Dat steeds meer Ghanezen zich op Nederland richten, blijkt ook uit het aantal dat de laatste jaren een huis koopt in Zuidoost. Vooral jongeren die net zijn afgestudeerd, zegt Carr. “Maar ook ouderen stappen over van huur naar koop.” Ze merkte die gerichtheid op Nederland ook aan de vragen die ze kreeg tijdens de afgelopen verkiezingscampagnes. “In 2006 vroegen veel Ghanezen hoe ze hun pensioengelden straks in Ghana konden ontvangen. Terwijl zij tijdens de campagne in 2010 er erg mee bezig waren hoe ze hier, net als de Chinezen, een verzorgingshuis voor hun ouderen konden laten bouwen.”
Steeds meer oudere Ghanezen denken er niet meer over om na hun 65ste voorgoed af te reizen naar Ghana. Dat geldt ook voor Carrs moeder en Samuel Asante. Een aantal ouderen was gegaan, nadat ze hier alles hadden opgegeven, maar keerde uiteindelijk toch weer naar Amsterdam terug. Asante: “Een bejaardenhuis voor Ghanezen is nu echt een optie. Daar had je eens over moeten beginnen in de jaren zeventig. Dan werd je echt voor gek verklaard.”

Tekst: KARIN VAN LIER is journaliste EN DICK BEUMER is publicist



De Amsterdamse bevolkingsdynamiek is enorm: elk jaar verlaten 50.000 mensen de stad112011_Immigratie en komen er evenveel voor terug. De reden: economische kansen. Dat is van oudsher al zo. Als geen andere stad heeft Amsterdam geprofiteerd van een forse van instroom van immigranten uit alle windstreken.

Amsterdam bestaat nog maar voor een kwart uit autochtonen die in de stad zelf geboren zijn. In 1992 was dat nog 38%. De bevolkingsdynamiek is enorm. Elk jaar verlaten 50.000 mensen de stad en komen er 50.000 voor terug. Die migratiestromen hangen samen met economische kansen. Vaak had de Amsterdamse economie meer arbeidskrachten nodig dan er in de stad woonden. Migranten kwamen van het Nederlandse platteland, maar Amsterdam werkte ook als een magneet op buitenlanders. Expats zijn ook nog altijd lovend over het open klimaat in de stad. Alleen die botheid – dat went nooit.

Tot verontrusting van De Telegraaf overschreed in 2010 het aantal allochtonen in Amsterdam voor het eerst de grens van 50%. Een paar dagen later moest de krant echter toegeven zich te hebben vergist in het begrip allochtoon: als zou dat gelijkstaan aan gekleurde vreemdelingen. Minder bekend is dat Amsterdam een aanzienlijk aantal westerse allochtonen herbergt, veelal hoogopgeleid, gehuisvest in de betere buurten en vaak slechts tijdelijk in de stad woonachtig. Één op de acht Amsterdammers behoort tot die groep – ruim 90.000 mensen.
Zo simpel zwart-wit is de aanwezigheid van nieuwkomers in de stad dus niet te duiden. Als geen andere stad in Nederland heeft Amsterdam in verschillende periodes van haar bestaan profijt getrokken van een forse instroom van immigranten. Zij introduceerden nieuwe ambachten, brachten kapitaal in, zorgden voor een impuls voor de boekdrukkunst, legden de grondslag voor Amsterdams faam als modestad.
In hun recente boek Winnaars en verliezers (2011) betogen de migratiedeskundigen Leo en Jan Lucassen dat de immigratie slechts in één periode van de Nederlandse (en Amsterdamse) geschiedenis geheel verkeerd is uitgepakt: de jaren 1975 tot 1990. Grote aantallen Turken en Marokkanen kwamen toen naar Nederland, grotendeels in het kader van de gezinshereniging, juist op het moment dat de economie in een dip zat.
Al vanaf 1955 kende Amsterdam een instroom van Italiaanse en Spaanse gastarbeiders. Zij moesten redding bieden aan industriële sectoren die toen al de eerste tekenen van verval begonnen te vertonen, zoals de scheepsbouw in Amsterdam-Noord. Deze migratiegolf van enkele decennialang, die nu zo’n zware hypotheek legt op het integratiedebat, heeft dus zijn oorsprong in een wanhoopsoffensief om traditionele industriële sectoren van de ondergang te redden. Een gevecht tegen de bierkaai met bovendien een hoge maatschappelijke prijs – maar dat is achteraf geredeneerd.

Unique selling points
Meestal wist Amsterdam dat beter te doen. Bijna altijd gaf immigratie een nuttige of zelfs broodnodige impuls aan de arbeidsmarkt. De eerste periode waarvoor dat opgaat is de Gouden Eeuw. De Republiek met haar grote leger en vloot – en een nog veel grotere mond tegenover allerlei naburige grootmachten – had helemaal niet kunnen bestaan zonder een toevloed van zo’n 600.000 buitenlandse soldaten, matrozen en arbeiders (in de periode 1600-1800). Velen van hen kwamen naar Amsterdam. Zij deden vooral het werk dat Amsterdammers niet wilden doen. Zo bestond de bemanning van de VOC-vloot, getooid met Balkenendes ‘VOC-mentaliteit’ maar ondertussen met een grote kans niet van de reis terug te keren, voor ruim de helft uit buitenlanders.
In de loop der eeuwen kwam het geregeld voor dat immigrantengroepen hun stempel gingen drukken op een bepaalde branche, al dan niet door henzelf geïntroduceerd. Al in de Gouden Eeuw werden sommige beroepen in Amsterdam geheel gedomineerd door migranten. Onder bijvoorbeeld schoenmakers, smeden, bakkers en kleermakers liep hun aandeel op tot 80 à 90%. Deze beroepen waren minder sterk in de greep van de gilden en dus makkelijker toegankelijk voor nieuwkomers.
Vanaf de 19de eeuw wordt het patroon zichtbaar dat nieuwkomers niches in de arbeidsmarkt aanboren en zich zo tot gewaardeerde arbeidskrachten ontwikkelen. Duitse bakkerspatroons introduceerden in de 19de eeuw het roggebrood. Werkloze Chinese zeelieden begonnen in de jaren dertig met de straatverkoop van pindakoekjes, maar openden al snel de eerste buitenlandse restaurants in de hoofdstad. Onder de jazzmuzikanten waren in het Amsterdam van voor en vlak na de Tweede Wereldoorlog zwarte Surinamers en Amerikanen zwaar oververtegenwoordigd. De handel in de rond 1900 zo populaire strohoeden werd gemonopoliseerd door Waalse ambachtslieden. Italianen beheersten eeuwenlang meerdere ambachten: het ‘terrazzowerk’ (granieten aanrechten en vloeren), de fabricage van heiligenbeelden, de productie en verkoop van vruchtenijs en het schoorsteenvegen. Duitse stucadoors tekenden voor de mooie gipsen plafonds met rozetten, die nog in zoveel Amsterdamse huizen te bewonderen zijn. En Duitse confectionairs legden de basis voor de bloei van de Amsterdamse kledingindustrie.
In alle gevallen hadden deze beroepsgroepen unique selling points, waarmee ze niet alleen een bestaansbasis in den vreemde veroverden, maar ook de Amsterdamse economie op een kleurrijke manier een impuls gaven.

Studenten en expats
Vandaag de dag heeft niet alleen de Amsterdamse economie, maar ook het hoger onderwijs een sterke aanzuigende werking. De grootste groep migranten komt niet uit het buitenland, maar bestaat uit in Nederland geboren personen – doorgaans autochtoon en wit. Voorheen vooral studenten, nu in toenemende mate ook afgestudeerden. Een verrassend cijfer is dat Amsterdam momenteel 68% meer studenten telt dan vijftien jaar geleden. Een enorme aanwas, deels veroorzaakt door de groei van het hoger onderwijs in Nederland. Amsterdam trekt bovengemiddeld veel van die nieuwe studenten aan. De vele containerwoningen en kraakwachtconstructies maken hun vestiging mogelijk.
En dan zijn er de honderdduizenden expats. Hun komst valt deels samen met de komst van buitenlandse bedrijven naar Amsterdam. Recent groeit vooral het aantal free movers, dat wil zeggen werknemers uit andere EU-landen die op eigen gelegenheid migreren. Onder hen zijn veel ongebonden types zoals kunstenaars, krakers en studenten. Ook vormen Oost-Europeanen – 12.000 personen, 1,6% van de Amsterdamse bevolking, iets hoger dan het Nederlandse gemiddelde – een belangrijk contingent. Zij komen hier in allerlei los-vaste neringen terecht. Voor de groep als geheel hanteert men daarom wel de term ‘internationals’; het begrip expat is gereserveerd voor tijdelijke employés van buitenlandse bedrijven. Amsterdam heeft 2100 buitenlandse bedrijven (vooral uit Azië en de Verenigde Staten) met ruim 150.000 werknemers – lang niet allemaal expats natuurlijk.

Samenklitten
Nieuwe groepen immigranten hebben aanvankelijk de neiging samen te klitten. De 17de-eeuwse Zuid-Nederlanders kozen domicilie in de Jordaan, de Joden eeuwenlang in de oostelijke binnenstad, Duitse aardewerkverkopers op het Roeterseiland, Italiaanse schoorsteenvegers in de Schoorsteenvegerssteeg, Chinezen in de Binnen Bantammerstraat en omgeving, Surinamers en Ghanezen in de Bijlmer, Turken in De Baarsjes en Marokkanen in Bos en Lommer en Nieuw-West.
Ook vandaag de dag zijn er zeker nog concentraties, zij het niet meer zo kleurrijk als in voorbije eeuwen. De ‘internationals’ wonen vooral in de grachtengordel (29% van de bevolking aldaar), de nieuwbouwwijk Houthavens (37%), andere delen van het Centrum (vaak ruim een kwart), Nieuw-Zuid (idem) en Buitenveldert (22%) plus buurgemeente Amstelveen. In die gebieden vormen zij samen met de niet in Amsterdam geboren autochtonen (zoals studenten en net afgestudeerden) de dominante groep. Een totaal ander beeld biedt Zuid-Oost. Hier wonen nog altijd veel Surinamers en Ghanezen, waarbij een nieuw gegeven is dat het met de Surinamers minder goed gaat. De sociaal-economisch sterkeren trekken weg naar een mooier huis in Almere of elders in de regio.
Dat patroon is vaker zichtbaar. Min of meer onvrijwillig blijven de mensen met een smallere beurs achter, bijvoorbeeld de Marokkanen in Overtoomse Veld (een wijk met 65% niet-westerse allochtonen, na de Bijlmer (75%) het hoogste percentage van de stad). Zij zouden hun kinderen ook liever naar een gemengde school sturen.
Als je kijkt naar de verblijfsduur per etnische groep in Amsterdam, blijken Marokkanen en Turken verreweg het meest honkvast te zijn – wat dus niet altijd een vrije keuze zal zijn –, op enige afstand gevolgd door Surinamers. De migratiedynamiek onder autochtonen en westerse allochtonen is veel groter.

Chinatown
Sommige clusteringen lijken inmiddels verdwenen of hebben in elk geval iets raadselachtigs gekregen. Zo telt Chinatown, het buurtje rondom de Nieuwmarkt met de straatnaambordjes in Chinese karakters, officieel maar ongeveer 75 Chinese inwoners: slechts 1% van hun totale aantal in Amsterdam. Veel meer wonen er in met name De Aker, Gein en op het Haveneiland van IJburg. Kennelijk is dit nu een groep met een sterke opwaartse dynamiek, die verhuist naar nieuwbouwwijken. Al valt niet uit te sluiten dat er in de Binnen Bantammerstraat en omgeving ook niet-geregistreerde Chinezen wonen, werkzaam bij de vele Chinese bedrijven alhier.
Hoe het ook zij, het concept ‘Chinatown’ zoals het stadsbestuur dat samen met Chinese ondernemers ijverig gestalte geeft, is vooral bedoeld om toeristen te trekken. Slim commercieel bedacht in het kielzog van de citymarketing. Zo weet Amsterdam de Chinese aanwezigheid ten eigen bate aan te wenden, op een manier die immigratie vaker in Amsterdam succesvol maakte: zodra het samenging met economische kansen. Immigratie en geld verdienen zijn een prima combinatie, zoals wereldstad Amsterdam al in de Gouden Eeuw ontdekte.

H. Galesloot is historicus en journalist. Met dank aan Jeroen Slot (O+S).




112011_Gormez




Het barakkenkamp, een gedeelde zolder bij particulieren of een beddenpension. De woonomstandigheden van de eerste Turkse gastarbeiders in Amsterdam waren bepaald niet gemakkelijk. In de pensions vaak zelfs gevaarlijk. Ibrahim Görmez was één van hen. Dit is zijn verhaal.

De eerste Turkse gastarbeiders kwamen naar Nederland in de vroege jaren zestig, alweer een halve eeuw geleden. Wat begon met een paar honderd jonge mannen die van plan waren maar enkele jaren te blijven, is uitgegroeid tot bijna een half miljoen Turkse Nederlanders – niet meer weg te denken uit de samenleving.
Een van de mannen van die eerste generatie is Ibrahim Görmez (geb. 1939). In maart 1964 kwam hij van Izmir naar Amsterdam als gastarbeider. Eén of twee jaar, was het plan. Nu 47 jaar later woont hij nog steeds in Amsterdam. “Voor een miljoen ga ik nog niet terug.” Want hoeveel hij ook van Turkije houdt, hier wonen zijn kinderen en kleinkinderen. Görmez was oprichter en bestuurslid van talloze Turks/islamitische organisaties en is nu voorzitter van de El Fath Moskee in de Joubertstraat (Transvaalbuurt). Ooit begon hij als een eenvoudige gastarbeider bij Ford, in de westelijke haven.
Zijn woongeschiedenis laat zien hoe de (Turkse) gastarbeiders in Amsterdam woonden: in woonoorden, inwonend en pensions. Eerst zat hij in Woonoord Tussenhaven, aan de IJdijk (het huidige IJburg). In dit barakkenkamp waren zo’n 200 fabrieksarbeiders ondergebracht, behalve Turken, ook Italianen en Spanjaarden. Görmez deelde een kamer met drie andere jonge mannen uit Izmir. Ieder had een bed voor zichzelf en de sfeer onderling was goed. “Nu zou ik niet in een hotelkamer met iemand anders willen slapen, maar toen was het normaal.” Hij was wel wat gewend: thuis in Izmir had hij met zijn broer in de hal geslapen. Er waren douches, een recreatieruimte en een kantine. Enkele jaren later kwam ook in Amsterdam-Noord een grootschalig wooncomplex, kamp Atatürk, waar enkele honderden Turkse arbeiders woonden.

Altijd maar haché
Natuurlijk misten ze hun familie. “Het toppunt was als de kampbeheerder ’s avonds langs kwam met een brief. Ik heb wel gehuild als ik een week geen post had.” Maar het was ook gezellig als jonge mannen onder elkaar. Ze deden spelletjes, er werd veel gekaart en gerookt, geregeld gingen ze samen de stad in. Alleen het eten was niet best. “Er waren maar twee of drie soorten eten. Altijd maar haché, met aardappel of met rijst.” Meer variaties zonder varkensvlees serveerde de Nederlandse kok niet.
Na het verstrijken van het jaarcontract moesten de gastarbeiders zelf een kamer vinden. Dat werd meestal een (zolder)kamer inwonend bij een gezin. Het lijkt erop dat de contacten tussen verhuurder en huurder doorgaans goed waren en de woonomstandigheden prettig. Maar niet altijd. Görmez had geen goede relatie met de verhuurster van zijn eerste kamer op de Tugelaweg in Noord. Voor f 100,- per maand huurde hij een bed, op een kamer met twee andere Turkse gastarbeiders. Het was inmiddels 1965 en hij had sinds enkele maanden een Nederlandse vriendin. Zij mocht niet mee naar boven zolang ze niet getrouwd waren. De eigenaresse ging zelf elke zaterdagavond naar het café. “Midden in de nacht kwam ze dan met veel lawaai thuis. Ik zei boos tegen haar dat ik niet kon slapen. ‘Ik ben de baas’, was haar reactie. Dat herinner ik me nog goed. En toen ik in mijn slechte Nederlands: ‘Nee, ík ben de baas!’” Hij lacht. “Ik betaalde, toch?!”

Niet lang daarna wees ze hem de deur. Görmez kwam terecht bij de heer en mevrouw Hartjes in de Wibautstraat, met wie hij het een stuk beter kon vinden. Ook hier had hij weinig meer dan een bed, maar als het koud was op zolder mocht hij tenminste naar beneden komen. Dan at hij in de warme huiskamer mee met de Hollandse pot. Görmez sliep er met andere Turkse gastarbeider in een kleine afgeschotte ruimte, meer een berging dan een kamer. In het midden van de zolder stond een tafel, met daarop een klein kookstelletje en wat pannen. Geen echte keuken, laat staan een ijskast. Als een van hen wat eten over had, liet hij dat noodgedwongen in een pannetje op de tafel staan. Görmez: “De volgende dag vond je dan een briefje: ‘Bedankt voor het eten’, en was het op.”

Pension in vlammen
Ideaal was het niet, maar toch had hij het beter dan veel collega’s die in pensions sliepen. Daar waren de omstandigheden het slechtst. In de volksmond werden ze dan ook ‘Turkenpakhuizen’ genoemd. Meestal sliepen veel mannen bij elkaar in kleine kamers vol stapelbedden en regelmatig moesten de matrassen worden gedeeld. De kamers waren vervallen met versleten vloerbedekking en verschoten gordijnen en behang. Er was geen privacy. Het enige persoonlijke bezit was een koffer met kleding en andere noodzakelijkheden, foto’s boven het bed van familieleden, het geboortedorp of Mustafa Kemal Atatürk. In de Amsterdamse pensions woonden vaak Turken uit dezelfde provincie bij elkaar.
Met de veiligheid in de pensions werd vrijelijk omgesprongen. De gevolgen waren desastreus. In 1970 vonden negen pensionbewoners de dood toen een pension in de Amstelstraat in vlammen opging. Er klonken protesten en een roep om preventieve maatregelen. Maar een jaar later toonde een onderzoek aan dat de veiligheid nauwelijks was verbeterd. En in 1975 liet Koen Wessing met een fotoreportage uit een Turks-Marokkaans pension aan de Egelantiersstraat zien dat de woonomstandigheden toen nog steeds bar en boos waren.
Görmez is zelf nog even eigenaar geweest van een pension aan de Keizersgracht in 1969-1970. Hij verhuurde hele kamers, geen bedden. Veel van zijn pensiongasten waren Turks, maar er waren ook Italianen en Nederlandse studenten. Na incidenten met drugsgebruikers stopte hij ermee en ging werken bij KLM, waar hij jarenlang is gebleven.
Het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem maakt aan de hand van persoonlijke verhalen een waarheidsgetrouwe reconstructie van een Turks pension in de Jordaan, die vanaf april 2012 te bezichtigen is. Vlak daarna in mei opent het Amsterdam Museum in samenwerking met de Tolhuistuin een tentoonstelling over de eerste Turken die begin jaren zestig naar Amsterdam kwamen in het voormalige tolhuis, vlakbij de plek waar ooit kamp Atatürk stond.
Voor Görmez is het allemaal lang geleden. Hij heeft inmiddels een eigen huis in de Watergraafsmeer met zeven kamers. Sinds de kinderen uit huis zijn, deelt hij al die ruimte met niemand anders dan zijn vrouw, het Nederlandse meisje dat in 1965 niet mee naar boven mocht van de verhuurster.

L. van Hasselt is conservator bij het Amsterdam Museum; V. van der Linde is cultuurhistoricus en deed onderzoek voor het Openlucht Museum Arnhem.



112011_JodenJoden uit de lagere klassen stonden eeuwenlang bekend als onbeschaafd en
luidruchtig, bovendien waren het zakkenrollers en vielen ze brave burgers
lastig. De geschiedenis van een uiterst moeizame integratie.

De moeizame integratie van de Amsterdamse joden rond 1800

Vaak wordt er trots gewezen op dat joodse immigranten vanouds nergens zo welkom waren als in Amsterdam. Dat is maar heel betrekkelijk waar. Ja, welgestelde joden vonden redelijk hun weg. Maar de integratie van de talloze joodse armen verliep heel moeizaam, onder meer als gevolg van hun isolement. Hun formele gelijkberechtiging in 1796 veranderde voorlopig weinig aan hun positie.

Lang floreerde in Nederland de mythe dat in de 17de en 18de eeuw in Amsterdam, in tegenstelling tot de rest van de wereld, de joden zo’n beetje in de watten werden gelegd. Helemáál onzin was dat niet. Elders waren ze doorgaans veel slechter af. In deze periode legden Amsterdams magistraten de immigratie van joden, arm en rijk, immers geen enkele beperking op. Bovendien mochten toen de Amsterdamse joden zo veel godshuizen als ze maar wilden aan de openbare weg neerzetten: een voorrecht dat de katholieken niet kregen tot 1795. Maar die betrekkelijke tolerantie had haar keerzijden. In de eerste plaats kwam in Amsterdam de zorg voor de arme joden – en dat waren er heel veel – geheel ten laste van de eigen kerkbestuurders. Dat waren de ‘parnassim’ van de zogeheten Portugees Joodse Natie en de Hoogduits Joodse natie. Bovendien werden in Amsterdam joden niet toegelaten tot verreweg de meeste ambachtsgilden. Amsterdam werd door de vrije vestiging van joden uit binnen- en buitenland niet alleen de West-Europese stad met de meeste joodse inwoners, maar kende ook verreweg het hoogste percentage van eigen kerkelijke liefdadigheid afhankelijke bedeelden. De stad droeg niks bij. Mozes Asser, voorzitter van de in februari 1795 gestichte joodse Patriottenclub Felix Libertate, verzuchtte dan ook terecht: “Men heeft ons in het openbaar psalmen laten zingen en van honger laten sterven.”
Het ongeveer 200 leden tellende Felix Libertate ijverde ervoor dat in de wet werd vastgesteld dat in de Bataafse Republiek (zoals ons land van 1795 tot 1806 heette) iedere jood als individu dezelfde rechten had als zijn niet-joodse medeburgers. Daarbij beriepen zij zich op van de Verklaring van de Rechten van de Mens en Burger uit 1789. Uiteindelijk lukte dat: op 2 september 1796 stemde een behoorlijke meerderheid in de Nationale Vergadering voor het bedoelde decreet. Er was veel verzet, maar pressie van de Franse gezant François Noël gaf de doorslag. Negen dagen lang was er gedebatteerd.. Zowel tegenstanders als voorstanders waren het erover eens dat het beschavingspeil van de arme joden buitengewoon laag was, maar daaruit trokken ze tegengestelde conclusies. De tegenstanders gingen ervan uit dat die onbeschaafdheid inherent was aan hun jood-zijn. Een enkeling wees bovendien op het gevaar dat gelijke rechten zouden leiden tot massa-immigratie van arme joden uit Oost-Europa. Voorstanders van emancipatie vertrouwden erop dat door gelijkberechtiging het beschavingspeil zou stijgen.
De ‘eigen identiteit’ van de joden werd als een belangrijk argument tegen hun gelijkberechtiging ingebracht: de joden vormen een apart volk en zo beschouwen ze ook zichzelf ook, nietwaar? Hun ware vaderland is Palestina en ze verwachten nog steeds de komst van de Messias, die hen naar het Beloofde Land zal brengen. Hiertegenover stelden de emancipatie-voorstanders dat de godsdienst niet relevant was, omdat al op 15 augustus 1796 de Nationale Vergadering de volledige scheiding van Kerk en Staat had uitgesproken. Daardoor was de godsdienst, ook bij joden, een zuiver particuliere aangelegenheid, geheel losstaand van hun rechten als burger.
De gelijkstelling betekende ook dat de leiders de parnassim veel macht (zoals het recht op interne rechtspraak) verloren. Daar legden zij zich niet zomaar bij neer. Ze maakten geen aanstalten hun reglementen te moderniseren en democratiseren. Uit protest scheidden aantal Felix Libertate-prominenten zich af van de bestaande joodse gemeente (‘die Alte Kille’ ofwel de Oude Gemeente’ en richten een nieuw kerkgenootschapje op: Adath Jeschurun alias de ‘Naye Kille’ (Nieuwe Gemeente).
Tussen 1799 en juni 1806, toen Lodewijk Napoleon hier door zijn grote broer als koning van het Koninkrijk Holland werd neergezet, bleven de Amsterdamse parnassim met steun van conservatieve stedelijke bestuurders een minnelijke schikking met Adath Jeschurun dwarsbomen. Ondertussen werd door de bevoordeling van de Franse handel de Amsterdamse economie genekt, waardoor de nood onder het Amsterdamse joodse lompenproletariaat steeds groter werd. En terwijl door de recessie het totale inwonerstal aanzienlijk terugliep, bleef de joodse bevolking van Amsterdam ( ruim 10% van het totaal ) groeien, vooral door immigratie van nog armere joden uit Oost-Europa.
Ere wie ere toekomt: onder koning Lodewijk Napoleon ondernam de overheid voor het eerst een serieuze poging om ook arme joden als mensen te bejegenen. Het was de hoogste tijd. In april 1806 stuurden zes verlichte Amsterdamse joden een brandbrief aan de regering, Zij klaagden dat in weerwil van het emancipatiedecreet van 1796 juist in Amsterdam de discriminatie doorging. De joden droegen wel hun deel bij aan stedelijke belastingen, maar werden niet toegelaten tot de gilden, die weliswaar officieel waren afgeschaft maar als een soort ‘kartels’ nog stilletjes voortbestonden. Ook kregen joodse kinderen geen toegang tot de volksscholen van de vereniging Tot Nut van het Algemeen, die zich nota bene als ‘verlicht’ afficheerde. De briefschrijvers constateerden verder dat op dat moment in geen enkel gemeentebestuur ook maar één jood is toegelaten. Dat in Amsterdamse stedelijke publicaties joden nog altijd werden aangeduid als ‘Joodsche Natie” vonden ze onacceptabel. De joden waren immers gewoon individuele leden van de Bataafsche Natie.
Via via kwam de brief bij de Raad van Amsterdam terecht. Prompt stuurden burgemeester Hermannus Drost en stadssecretaris F.J. Pelletier een boos antwoord naar het Departementaal Bestuur. Wat verbeeldden die brutale joden zich wel? Het stadsbestuur vond het “ongerijmd dit volk als een en hetzelfde, en in niets onderscheiden van het andere Bataafsche volk te beschouwen”. Niet de Ansterdamse joden waren te beklagen, maar juist de christelijke inwoners, want door de “toevloeiing van Joden uit andere plaatsen” leden anderen schade. Natuurlijk voelden de leden van de Amsterdamse Raad er niets voor om joden in overheidsposten te benoemen. Op enige uitzonderingen na vormden de joden immers nog een ‘Natie’ die “verre beneden de andere Ingezetenen in beschaafdheid en verlichting staat.” Als joden bestuursposten kregen, zouden “achtingswaardige persoonen” ontslag nemen! Tot stond beklemtoonden de bestuurders dat christelijke inwoners van Amsterdam “in meer beschaafdheid, en gehechtheid aan dit Land de Jooden verre overtreffen”. Onder die christenen vindt men er verscheidene “welkers voorouderen reeds dezen nederlandsche grond bewoonden, toen die der Jooden in anderen gewesten omzworven of in dit Land uit medelijden de inwooning geschonken werd.”
Niettemin legde Lodewijk Napoleon zijn oor te luisteren bij verlichte joodse onderdanen. Op zijn verzoek stelden de juristen mr. Jonas Daniel Meyer, mr. Carel Asser (zoon van Mozes Asser) en de Amsterdamse arts Hartog de Hartog Lémon rapporten samen, waarin ze belangrijke voorstellen deden tot het verbeteren van de economische positie van joden in het hele land, het wegwerken van hun culturele achterstand en zo het beter integreren van joden in de Nederlandse samenleving. Op basis hiervan vaardigde de koning in september 1898 een decreet uit met drie belangrijke hervormingen: de fusie van Oude en Nieuwe Gemeente in Amsterdam, het aanpassen de reglementen van de herenigde joodse gemeente aan het nieuwe staatsbestel en de vorming van een Opperconsistorie als overkoepelend bestuursorgaan voor alle joodse gemeentes in het Koninkrijk Holland.
Het Opperconsistorie trad in werking per 1 januari 1809 en vergaderde wekelijks in Amsterdam, in de voormalige synagoge van Adath Jeschurun in de Rapenburgerstraat. Het stelde commissie in om plannen te maken voor het opheffen van de de economische en culturele achterstand van de Nederlandse joden, waarvan het merendeel in Amsterdam woonde. Die plannen werden weer uitgewerkt tot nieuwe koninklijke decreten.
Allereerst moest de schrijnende armoede worden bestreden. Gedacht werd aan een werkhuis, waar enige duizenden arme joden zouden werken en wonen met hun gezinnen en waar ook hun kinderen onderwijs kregen. Ook zouden er joodse legercorpsen worden gevormd, waarin de beroepssoldaten een redelijke soldij zouden krijgen en waar naleving van de joodse leefregels praktisch mogelijk was. En ook wilde Lodewijk Napoleon, op nadrukkelijk verzoek van het Opperconsistorie, de immigratie van arme joden uit Oost-Europa tien jaar lang stopzetten.
Voor een betere integratie achtte de koning ‘culturele verheffing’ onontbeerlijk. Daartoe dienden de stichting van joodse armenscholen met verplicht onderwijs in de Nederlandse taal, de benoeming van onderwijzers die het Nederlands beheersten, het bestrijden van het Jiddisch als omgangstaal, de verplichting in synagoges officiële mededelingen te doen in het Nederlands, het vertalen van de Tenach (het Oude Testament) in het Nederlands en de bevordering van beschaafde omgangsvormen.
De verlichte leden van het Opperconsistorie hadden zeker het beste voor met hun arme joodse broeders en zusters, maar sommigen toonden duidelijk ook enige gêne voor hun onbeschaafde gedrag. Het duidelijkst verwoordde Opperconsistorie-lid Hartog de Hartog Lémon dit gevoel in een brief van 14 maart 1809 aan zijn mede-leden. Daarin maakt hij onderscheid tussen echte jodenhaat omwille van hun godsdienst of etnische achtergrond, en minachting vanwege onbeschaafd gedrag van joden. Daarvan noemt hij een aantal voorbeelden:
“1. Het oude kleerkoop, niet als zodanig, maar de caricaturen van zommigen, die zig met deeze broodwinning onderhouden; als het baard draagen, de afzigtelijke kleederdragt enz. waardoor de kinderen in het christelijk quartier in schrik en angst gejaagd worden zo dat men dikwijls hoort: toe toe na bed of ik roep de oude kleere smous. 2. Het vloeken, schelden en overluid joodsch (Jiddisj) spreeken van Joden in het Christen quartier, waardoor de jongens geleerd worden de jooden na te roepen krieg de koorts enz. 3.Het zak rollen, meest in de buurt (namelijk de jodenbuurt) 4. Het spreken eindelijk of het zamenschoolen van afzigtelijke volwasssenen of kinderen in zulke straaten of op zulke gragten, als welke het meest door de christenen worden gefrequenteerd om naar de Plantagie te wandelen, en alwaar zij dikwijls op een baldadige wijze worden aangerand, waarvan de spreeker gisteren ooggetuige is geweest.”
We zien het voor ons: op weg naar de lommerrijke Plantage met zijn vele uitspanningen flaneren deftige christenen op zondagmiddag over de Nieuwe Keizersgracht (waar Lémon een fraai pand bewoont) en voelen zich geïntimideerd door groepen pesterige joodse jongeren (een soort ‘kutmarokkanen’ avant la lettre). De sympathieke arts Lémon was er kennelijk van overtuigd dat deze jonge joodse allochtonen zo snel mogelijk opgevoed moesten worden tot zich netjes gedragende arbeidzame Nederlandse burgers, zodat hij zich voor hen niet hoefde te schamen.
Maar van al die hervormingen kwam voorlopig niets terecht. In 1810 ontsloeg keizer Napoleon zijn broer en voegde het Koninkrijk Holland bij zijn keizerrijk. Hij zag het vooral als wingewest, en voelde niets voor geldverslindende volksverheffing. Na 1815 verliep het economisch herstel heel traag. Daardoor bleef voor de meeste arme Amsterdamse joden de spoeling uiterst dun. Dat veranderde pas ingrijpend na 1870 door de opbloei van de economie in het algemeen en die van de Amsterdamse diamantindustrie in het bijzonder.
Van groot belang was het feit dat joodse en niet-joodse diamantbewerkers zich in 1894 verenigden in één vakbond, de ANDB. Onder leiding van Henri Polak en Jan van Zutphen, leverde die bond een unieke bijdrage aan de emancipatie en de maatschappelijke integratie van haar in meerderheid joodse leden. Tot 1940 bleef echter dat deel van het joodse proletariaat, dat zich op de traditionele kleinhandel toelegde, in armoede en isolement leven.

Tekst: Salvador Bloemgarten