Nummer 11-12: November-December 2011 - Die brutale Joden


112011_JodenJoden uit de lagere klassen stonden eeuwenlang bekend als onbeschaafd en
luidruchtig, bovendien waren het zakkenrollers en vielen ze brave burgers
lastig. De geschiedenis van een uiterst moeizame integratie.

De moeizame integratie van de Amsterdamse joden rond 1800

Vaak wordt er trots gewezen op dat joodse immigranten vanouds nergens zo welkom waren als in Amsterdam. Dat is maar heel betrekkelijk waar. Ja, welgestelde joden vonden redelijk hun weg. Maar de integratie van de talloze joodse armen verliep heel moeizaam, onder meer als gevolg van hun isolement. Hun formele gelijkberechtiging in 1796 veranderde voorlopig weinig aan hun positie.

Lang floreerde in Nederland de mythe dat in de 17de en 18de eeuw in Amsterdam, in tegenstelling tot de rest van de wereld, de joden zo’n beetje in de watten werden gelegd. Helemáál onzin was dat niet. Elders waren ze doorgaans veel slechter af. In deze periode legden Amsterdams magistraten de immigratie van joden, arm en rijk, immers geen enkele beperking op. Bovendien mochten toen de Amsterdamse joden zo veel godshuizen als ze maar wilden aan de openbare weg neerzetten: een voorrecht dat de katholieken niet kregen tot 1795. Maar die betrekkelijke tolerantie had haar keerzijden. In de eerste plaats kwam in Amsterdam de zorg voor de arme joden – en dat waren er heel veel – geheel ten laste van de eigen kerkbestuurders. Dat waren de ‘parnassim’ van de zogeheten Portugees Joodse Natie en de Hoogduits Joodse natie. Bovendien werden in Amsterdam joden niet toegelaten tot verreweg de meeste ambachtsgilden. Amsterdam werd door de vrije vestiging van joden uit binnen- en buitenland niet alleen de West-Europese stad met de meeste joodse inwoners, maar kende ook verreweg het hoogste percentage van eigen kerkelijke liefdadigheid afhankelijke bedeelden. De stad droeg niks bij. Mozes Asser, voorzitter van de in februari 1795 gestichte joodse Patriottenclub Felix Libertate, verzuchtte dan ook terecht: “Men heeft ons in het openbaar psalmen laten zingen en van honger laten sterven.”
Het ongeveer 200 leden tellende Felix Libertate ijverde ervoor dat in de wet werd vastgesteld dat in de Bataafse Republiek (zoals ons land van 1795 tot 1806 heette) iedere jood als individu dezelfde rechten had als zijn niet-joodse medeburgers. Daarbij beriepen zij zich op van de Verklaring van de Rechten van de Mens en Burger uit 1789. Uiteindelijk lukte dat: op 2 september 1796 stemde een behoorlijke meerderheid in de Nationale Vergadering voor het bedoelde decreet. Er was veel verzet, maar pressie van de Franse gezant François Noël gaf de doorslag. Negen dagen lang was er gedebatteerd.. Zowel tegenstanders als voorstanders waren het erover eens dat het beschavingspeil van de arme joden buitengewoon laag was, maar daaruit trokken ze tegengestelde conclusies. De tegenstanders gingen ervan uit dat die onbeschaafdheid inherent was aan hun jood-zijn. Een enkeling wees bovendien op het gevaar dat gelijke rechten zouden leiden tot massa-immigratie van arme joden uit Oost-Europa. Voorstanders van emancipatie vertrouwden erop dat door gelijkberechtiging het beschavingspeil zou stijgen.
De ‘eigen identiteit’ van de joden werd als een belangrijk argument tegen hun gelijkberechtiging ingebracht: de joden vormen een apart volk en zo beschouwen ze ook zichzelf ook, nietwaar? Hun ware vaderland is Palestina en ze verwachten nog steeds de komst van de Messias, die hen naar het Beloofde Land zal brengen. Hiertegenover stelden de emancipatie-voorstanders dat de godsdienst niet relevant was, omdat al op 15 augustus 1796 de Nationale Vergadering de volledige scheiding van Kerk en Staat had uitgesproken. Daardoor was de godsdienst, ook bij joden, een zuiver particuliere aangelegenheid, geheel losstaand van hun rechten als burger.
De gelijkstelling betekende ook dat de leiders de parnassim veel macht (zoals het recht op interne rechtspraak) verloren. Daar legden zij zich niet zomaar bij neer. Ze maakten geen aanstalten hun reglementen te moderniseren en democratiseren. Uit protest scheidden aantal Felix Libertate-prominenten zich af van de bestaande joodse gemeente (‘die Alte Kille’ ofwel de Oude Gemeente’ en richten een nieuw kerkgenootschapje op: Adath Jeschurun alias de ‘Naye Kille’ (Nieuwe Gemeente).
Tussen 1799 en juni 1806, toen Lodewijk Napoleon hier door zijn grote broer als koning van het Koninkrijk Holland werd neergezet, bleven de Amsterdamse parnassim met steun van conservatieve stedelijke bestuurders een minnelijke schikking met Adath Jeschurun dwarsbomen. Ondertussen werd door de bevoordeling van de Franse handel de Amsterdamse economie genekt, waardoor de nood onder het Amsterdamse joodse lompenproletariaat steeds groter werd. En terwijl door de recessie het totale inwonerstal aanzienlijk terugliep, bleef de joodse bevolking van Amsterdam ( ruim 10% van het totaal ) groeien, vooral door immigratie van nog armere joden uit Oost-Europa.
Ere wie ere toekomt: onder koning Lodewijk Napoleon ondernam de overheid voor het eerst een serieuze poging om ook arme joden als mensen te bejegenen. Het was de hoogste tijd. In april 1806 stuurden zes verlichte Amsterdamse joden een brandbrief aan de regering, Zij klaagden dat in weerwil van het emancipatiedecreet van 1796 juist in Amsterdam de discriminatie doorging. De joden droegen wel hun deel bij aan stedelijke belastingen, maar werden niet toegelaten tot de gilden, die weliswaar officieel waren afgeschaft maar als een soort ‘kartels’ nog stilletjes voortbestonden. Ook kregen joodse kinderen geen toegang tot de volksscholen van de vereniging Tot Nut van het Algemeen, die zich nota bene als ‘verlicht’ afficheerde. De briefschrijvers constateerden verder dat op dat moment in geen enkel gemeentebestuur ook maar één jood is toegelaten. Dat in Amsterdamse stedelijke publicaties joden nog altijd werden aangeduid als ‘Joodsche Natie” vonden ze onacceptabel. De joden waren immers gewoon individuele leden van de Bataafsche Natie.
Via via kwam de brief bij de Raad van Amsterdam terecht. Prompt stuurden burgemeester Hermannus Drost en stadssecretaris F.J. Pelletier een boos antwoord naar het Departementaal Bestuur. Wat verbeeldden die brutale joden zich wel? Het stadsbestuur vond het “ongerijmd dit volk als een en hetzelfde, en in niets onderscheiden van het andere Bataafsche volk te beschouwen”. Niet de Ansterdamse joden waren te beklagen, maar juist de christelijke inwoners, want door de “toevloeiing van Joden uit andere plaatsen” leden anderen schade. Natuurlijk voelden de leden van de Amsterdamse Raad er niets voor om joden in overheidsposten te benoemen. Op enige uitzonderingen na vormden de joden immers nog een ‘Natie’ die “verre beneden de andere Ingezetenen in beschaafdheid en verlichting staat.” Als joden bestuursposten kregen, zouden “achtingswaardige persoonen” ontslag nemen! Tot stond beklemtoonden de bestuurders dat christelijke inwoners van Amsterdam “in meer beschaafdheid, en gehechtheid aan dit Land de Jooden verre overtreffen”. Onder die christenen vindt men er verscheidene “welkers voorouderen reeds dezen nederlandsche grond bewoonden, toen die der Jooden in anderen gewesten omzworven of in dit Land uit medelijden de inwooning geschonken werd.”
Niettemin legde Lodewijk Napoleon zijn oor te luisteren bij verlichte joodse onderdanen. Op zijn verzoek stelden de juristen mr. Jonas Daniel Meyer, mr. Carel Asser (zoon van Mozes Asser) en de Amsterdamse arts Hartog de Hartog Lémon rapporten samen, waarin ze belangrijke voorstellen deden tot het verbeteren van de economische positie van joden in het hele land, het wegwerken van hun culturele achterstand en zo het beter integreren van joden in de Nederlandse samenleving. Op basis hiervan vaardigde de koning in september 1898 een decreet uit met drie belangrijke hervormingen: de fusie van Oude en Nieuwe Gemeente in Amsterdam, het aanpassen de reglementen van de herenigde joodse gemeente aan het nieuwe staatsbestel en de vorming van een Opperconsistorie als overkoepelend bestuursorgaan voor alle joodse gemeentes in het Koninkrijk Holland.
Het Opperconsistorie trad in werking per 1 januari 1809 en vergaderde wekelijks in Amsterdam, in de voormalige synagoge van Adath Jeschurun in de Rapenburgerstraat. Het stelde commissie in om plannen te maken voor het opheffen van de de economische en culturele achterstand van de Nederlandse joden, waarvan het merendeel in Amsterdam woonde. Die plannen werden weer uitgewerkt tot nieuwe koninklijke decreten.
Allereerst moest de schrijnende armoede worden bestreden. Gedacht werd aan een werkhuis, waar enige duizenden arme joden zouden werken en wonen met hun gezinnen en waar ook hun kinderen onderwijs kregen. Ook zouden er joodse legercorpsen worden gevormd, waarin de beroepssoldaten een redelijke soldij zouden krijgen en waar naleving van de joodse leefregels praktisch mogelijk was. En ook wilde Lodewijk Napoleon, op nadrukkelijk verzoek van het Opperconsistorie, de immigratie van arme joden uit Oost-Europa tien jaar lang stopzetten.
Voor een betere integratie achtte de koning ‘culturele verheffing’ onontbeerlijk. Daartoe dienden de stichting van joodse armenscholen met verplicht onderwijs in de Nederlandse taal, de benoeming van onderwijzers die het Nederlands beheersten, het bestrijden van het Jiddisch als omgangstaal, de verplichting in synagoges officiële mededelingen te doen in het Nederlands, het vertalen van de Tenach (het Oude Testament) in het Nederlands en de bevordering van beschaafde omgangsvormen.
De verlichte leden van het Opperconsistorie hadden zeker het beste voor met hun arme joodse broeders en zusters, maar sommigen toonden duidelijk ook enige gêne voor hun onbeschaafde gedrag. Het duidelijkst verwoordde Opperconsistorie-lid Hartog de Hartog Lémon dit gevoel in een brief van 14 maart 1809 aan zijn mede-leden. Daarin maakt hij onderscheid tussen echte jodenhaat omwille van hun godsdienst of etnische achtergrond, en minachting vanwege onbeschaafd gedrag van joden. Daarvan noemt hij een aantal voorbeelden:
“1. Het oude kleerkoop, niet als zodanig, maar de caricaturen van zommigen, die zig met deeze broodwinning onderhouden; als het baard draagen, de afzigtelijke kleederdragt enz. waardoor de kinderen in het christelijk quartier in schrik en angst gejaagd worden zo dat men dikwijls hoort: toe toe na bed of ik roep de oude kleere smous. 2. Het vloeken, schelden en overluid joodsch (Jiddisj) spreeken van Joden in het Christen quartier, waardoor de jongens geleerd worden de jooden na te roepen krieg de koorts enz. 3.Het zak rollen, meest in de buurt (namelijk de jodenbuurt) 4. Het spreken eindelijk of het zamenschoolen van afzigtelijke volwasssenen of kinderen in zulke straaten of op zulke gragten, als welke het meest door de christenen worden gefrequenteerd om naar de Plantagie te wandelen, en alwaar zij dikwijls op een baldadige wijze worden aangerand, waarvan de spreeker gisteren ooggetuige is geweest.”
We zien het voor ons: op weg naar de lommerrijke Plantage met zijn vele uitspanningen flaneren deftige christenen op zondagmiddag over de Nieuwe Keizersgracht (waar Lémon een fraai pand bewoont) en voelen zich geïntimideerd door groepen pesterige joodse jongeren (een soort ‘kutmarokkanen’ avant la lettre). De sympathieke arts Lémon was er kennelijk van overtuigd dat deze jonge joodse allochtonen zo snel mogelijk opgevoed moesten worden tot zich netjes gedragende arbeidzame Nederlandse burgers, zodat hij zich voor hen niet hoefde te schamen.
Maar van al die hervormingen kwam voorlopig niets terecht. In 1810 ontsloeg keizer Napoleon zijn broer en voegde het Koninkrijk Holland bij zijn keizerrijk. Hij zag het vooral als wingewest, en voelde niets voor geldverslindende volksverheffing. Na 1815 verliep het economisch herstel heel traag. Daardoor bleef voor de meeste arme Amsterdamse joden de spoeling uiterst dun. Dat veranderde pas ingrijpend na 1870 door de opbloei van de economie in het algemeen en die van de Amsterdamse diamantindustrie in het bijzonder.
Van groot belang was het feit dat joodse en niet-joodse diamantbewerkers zich in 1894 verenigden in één vakbond, de ANDB. Onder leiding van Henri Polak en Jan van Zutphen, leverde die bond een unieke bijdrage aan de emancipatie en de maatschappelijke integratie van haar in meerderheid joodse leden. Tot 1940 bleef echter dat deel van het joodse proletariaat, dat zich op de traditionele kleinhandel toelegde, in armoede en isolement leven.

Tekst: Salvador Bloemgarten