Nummer 11-12: November-December 2011 - Bed: f. 100,- per maand



112011_Gormez




Het barakkenkamp, een gedeelde zolder bij particulieren of een beddenpension. De woonomstandigheden van de eerste Turkse gastarbeiders in Amsterdam waren bepaald niet gemakkelijk. In de pensions vaak zelfs gevaarlijk. Ibrahim Görmez was één van hen. Dit is zijn verhaal.

De eerste Turkse gastarbeiders kwamen naar Nederland in de vroege jaren zestig, alweer een halve eeuw geleden. Wat begon met een paar honderd jonge mannen die van plan waren maar enkele jaren te blijven, is uitgegroeid tot bijna een half miljoen Turkse Nederlanders – niet meer weg te denken uit de samenleving.
Een van de mannen van die eerste generatie is Ibrahim Görmez (geb. 1939). In maart 1964 kwam hij van Izmir naar Amsterdam als gastarbeider. Eén of twee jaar, was het plan. Nu 47 jaar later woont hij nog steeds in Amsterdam. “Voor een miljoen ga ik nog niet terug.” Want hoeveel hij ook van Turkije houdt, hier wonen zijn kinderen en kleinkinderen. Görmez was oprichter en bestuurslid van talloze Turks/islamitische organisaties en is nu voorzitter van de El Fath Moskee in de Joubertstraat (Transvaalbuurt). Ooit begon hij als een eenvoudige gastarbeider bij Ford, in de westelijke haven.
Zijn woongeschiedenis laat zien hoe de (Turkse) gastarbeiders in Amsterdam woonden: in woonoorden, inwonend en pensions. Eerst zat hij in Woonoord Tussenhaven, aan de IJdijk (het huidige IJburg). In dit barakkenkamp waren zo’n 200 fabrieksarbeiders ondergebracht, behalve Turken, ook Italianen en Spanjaarden. Görmez deelde een kamer met drie andere jonge mannen uit Izmir. Ieder had een bed voor zichzelf en de sfeer onderling was goed. “Nu zou ik niet in een hotelkamer met iemand anders willen slapen, maar toen was het normaal.” Hij was wel wat gewend: thuis in Izmir had hij met zijn broer in de hal geslapen. Er waren douches, een recreatieruimte en een kantine. Enkele jaren later kwam ook in Amsterdam-Noord een grootschalig wooncomplex, kamp Atatürk, waar enkele honderden Turkse arbeiders woonden.

Altijd maar haché
Natuurlijk misten ze hun familie. “Het toppunt was als de kampbeheerder ’s avonds langs kwam met een brief. Ik heb wel gehuild als ik een week geen post had.” Maar het was ook gezellig als jonge mannen onder elkaar. Ze deden spelletjes, er werd veel gekaart en gerookt, geregeld gingen ze samen de stad in. Alleen het eten was niet best. “Er waren maar twee of drie soorten eten. Altijd maar haché, met aardappel of met rijst.” Meer variaties zonder varkensvlees serveerde de Nederlandse kok niet.
Na het verstrijken van het jaarcontract moesten de gastarbeiders zelf een kamer vinden. Dat werd meestal een (zolder)kamer inwonend bij een gezin. Het lijkt erop dat de contacten tussen verhuurder en huurder doorgaans goed waren en de woonomstandigheden prettig. Maar niet altijd. Görmez had geen goede relatie met de verhuurster van zijn eerste kamer op de Tugelaweg in Noord. Voor f 100,- per maand huurde hij een bed, op een kamer met twee andere Turkse gastarbeiders. Het was inmiddels 1965 en hij had sinds enkele maanden een Nederlandse vriendin. Zij mocht niet mee naar boven zolang ze niet getrouwd waren. De eigenaresse ging zelf elke zaterdagavond naar het café. “Midden in de nacht kwam ze dan met veel lawaai thuis. Ik zei boos tegen haar dat ik niet kon slapen. ‘Ik ben de baas’, was haar reactie. Dat herinner ik me nog goed. En toen ik in mijn slechte Nederlands: ‘Nee, ík ben de baas!’” Hij lacht. “Ik betaalde, toch?!”

Niet lang daarna wees ze hem de deur. Görmez kwam terecht bij de heer en mevrouw Hartjes in de Wibautstraat, met wie hij het een stuk beter kon vinden. Ook hier had hij weinig meer dan een bed, maar als het koud was op zolder mocht hij tenminste naar beneden komen. Dan at hij in de warme huiskamer mee met de Hollandse pot. Görmez sliep er met andere Turkse gastarbeider in een kleine afgeschotte ruimte, meer een berging dan een kamer. In het midden van de zolder stond een tafel, met daarop een klein kookstelletje en wat pannen. Geen echte keuken, laat staan een ijskast. Als een van hen wat eten over had, liet hij dat noodgedwongen in een pannetje op de tafel staan. Görmez: “De volgende dag vond je dan een briefje: ‘Bedankt voor het eten’, en was het op.”

Pension in vlammen
Ideaal was het niet, maar toch had hij het beter dan veel collega’s die in pensions sliepen. Daar waren de omstandigheden het slechtst. In de volksmond werden ze dan ook ‘Turkenpakhuizen’ genoemd. Meestal sliepen veel mannen bij elkaar in kleine kamers vol stapelbedden en regelmatig moesten de matrassen worden gedeeld. De kamers waren vervallen met versleten vloerbedekking en verschoten gordijnen en behang. Er was geen privacy. Het enige persoonlijke bezit was een koffer met kleding en andere noodzakelijkheden, foto’s boven het bed van familieleden, het geboortedorp of Mustafa Kemal Atatürk. In de Amsterdamse pensions woonden vaak Turken uit dezelfde provincie bij elkaar.
Met de veiligheid in de pensions werd vrijelijk omgesprongen. De gevolgen waren desastreus. In 1970 vonden negen pensionbewoners de dood toen een pension in de Amstelstraat in vlammen opging. Er klonken protesten en een roep om preventieve maatregelen. Maar een jaar later toonde een onderzoek aan dat de veiligheid nauwelijks was verbeterd. En in 1975 liet Koen Wessing met een fotoreportage uit een Turks-Marokkaans pension aan de Egelantiersstraat zien dat de woonomstandigheden toen nog steeds bar en boos waren.
Görmez is zelf nog even eigenaar geweest van een pension aan de Keizersgracht in 1969-1970. Hij verhuurde hele kamers, geen bedden. Veel van zijn pensiongasten waren Turks, maar er waren ook Italianen en Nederlandse studenten. Na incidenten met drugsgebruikers stopte hij ermee en ging werken bij KLM, waar hij jarenlang is gebleven.
Het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem maakt aan de hand van persoonlijke verhalen een waarheidsgetrouwe reconstructie van een Turks pension in de Jordaan, die vanaf april 2012 te bezichtigen is. Vlak daarna in mei opent het Amsterdam Museum in samenwerking met de Tolhuistuin een tentoonstelling over de eerste Turken die begin jaren zestig naar Amsterdam kwamen in het voormalige tolhuis, vlakbij de plek waar ooit kamp Atatürk stond.
Voor Görmez is het allemaal lang geleden. Hij heeft inmiddels een eigen huis in de Watergraafsmeer met zeven kamers. Sinds de kinderen uit huis zijn, deelt hij al die ruimte met niemand anders dan zijn vrouw, het Nederlandse meisje dat in 1965 niet mee naar boven mocht van de verhuurster.

L. van Hasselt is conservator bij het Amsterdam Museum; V. van der Linde is cultuurhistoricus en deed onderzoek voor het Openlucht Museum Arnhem.