Nummer 11-12: November-December 2011 - Trotse Ghanezen


112011_GhanezenTrotse Ghanezen

De Bijlmerramp op zondag 4 oktober 1992 staat in het collectieve geheugen van Amsterdam gegrift. De verwoesting was enorm, er vielen 43 doden. Zwaar getroffen werd ook de Ghanese gemeenschap. Ineens werden de Ghanezen een zichtbare groep binnen de Amsterdamse bevolking. Tot dat verschrikkelijke moment was hun bestaan onbekend bij de meeste Amsterdammers. Hoe waren zij in Zuidoost terechtgekomen? Wat voor leven leidden zij? Vragen, vragen, vragen.

Goud, peper en ivoor liggen in zijn schip wanneer de Enkhuizenaar Barent Ericszoon als eerste van de Goudkust terugvaart naar Nederland. Het is eind 16de eeuw en de Goudkust – de huidige Ghanese kust – is voor het grootste deel in handen van de Portugezen die er onder andere fort Sao Jorge da Mina bezitten. Zo’n 40 jaar later weet Johan Maurits van Nassau-Siegen in 1637 dit fort te veroveren op de Portugezen, waarna het zal worden uitgebouwd tot een van de grootste slavendepots van de trans-Atlantische slavenhandel. Van hieruit vervoerde de West-Indische Compagnie (WIC) in bijna tweeënhalve eeuw enkele honderdduizenden Afrikanen naar plantages overzee.
Slechts een enkele Ghanees kwam als slaaf naar Nederland. De meest geboekstaafde is waarschijnlijk Jacobus Capitein, die in 1725 op achtjarige leeftijd cadeau werd gedaan aan WIC-koopman Jacobus van Goch. Omdat Capitein goed kon leren, kreeg hij onderwijs en studeerde zelfs theologie. Opvallend is dat Capitein meeging in de heersende mentaliteit dat de slavenhandel niet in strijd was met de christelijke moraal. Het zal eraan hebben bijgedragen dat hij uiteindelijk als predikant vanuit de classis Amsterdam van de Nederduits Hervormde kerk werd aangesteld als fortpredikant in Elmina, zoals Sao Jorge da Mina inmiddels heette. Hier overleed hij een paar jaar later.
Een andere opvallende gebeurtenis was het ronselen van in totaal 3100 slaven uit onder andere het huidige Ghana voor het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, dat in 1831 aanving en 40 jaar lang duurde. Velen van deze slaven bleven na afloop van hun diensttijd aanvankelijk op Java, waar ze als Indo-afrikanen een herkenbare gemeenschap vormden die zich sterk identificeerde met Nederland. Zij pasten zich zo goed aan dat hun maatschappelijke positie in een paar jaar sterk steeg. Veel van deze Belanda Hitam (zwarte soldaten) kwamen uiteindelijk in Europees Nederland terecht. Aan het ronselen van deze mannen kwam een einde toen fort Elmina bij het Verdrag van Sumatra in 1871 werd verkocht aan de Engelsen.

Generaal pardon
Op de kop af een eeuw nadat de Nederlanders Ghana verlieten, zette Samuel Asante voor het eerst voet op Amsterdamse bodem. Als zeeman werkte hij voor een Nederlands-Amerikaanse scheepvaartmaatschappij die samenwerkte met een Ghanese scheepvaartmaatschappij. Asante herinnert zich dat hij goed overweg kon met zijn Nederlandse scheepsmaten en kapitein. Ze nodigden hem thuis uit als hij in Nederland afmeerde, zodat hij kennis kon maken met hun vrouwen en kinderen. In Amsterdam leerde hij ook een paar Ghanezen kennen die op het eten afkwamen dat het schip aan boord had. Met name de Ghanese mijnheer Agyeman werd een goede vriend. Vrijwel meteen nadat hij in 1974 was afgemonsterd in Ghana, kocht hij een vliegtuigticket en een visum. Met behulp van zijn Nederlandse scheepsmaten kwam hij weer naar Amsterdam om vanuit hier zijn zeemanbestaan voort te zetten.
Maar toen hij zijn vrienden terugzag, veranderde hij zijn plan. Hij nam zijn intrek in een pension voor immigranten op de Keizersgracht en ging op zoek naar werk in de stad. Asante: “Ik wilde snel geld verdienen om na enkele jaren daarmee een bestaan in Ghana op te kunnen bouwen. Mijnheer Agyeman vroeg mij te komen naar een koffietent in het oude Sloterdijk waar een chemisch bedrijf werkzoekenden oppikte. Later heb ik zelf nog veel Ghanezen daar aan werk geholpen.”
In het chemische bedrijf deed Asante allerlei klussen. Hij maakte er schoon, was operator, vulde en laadde zakken, werkte in het magazijn, verzorgde de koffieautomaten en deelde overalls uit aan de medewerkers. Na 22 jaar stond hij bij een reorganisatie op straat, maar vond daarna werk bij PTT-Post, het tegenwoordige PostNl, waar hij nog steeds werkt als chauffeur. Twee jaar nadat Asante bij het chemische bedrijf was begonnen, kreeg hij via zijn baas een verblijfsvergunning. Dat was mogelijk door een maatregel van het kabinet-Den Uyl, dat alle werkende illegalen die aantoonbaar sinds 1974 in Nederland verbleven een generaal pardon gaf. Asante is de toenmalige minister-president er nog dankbaar voor. Het bood hem meer perspectief, want via diezelfde baas kreeg hij als eerste van de 30 hier aanwezige Ghanezen een eigen woning in de flat Koningshoef in de Bijlmer. Asante zorgde ervoor dat ook zijn vrouw en zesjarige dochter Amma konden overkomen uit Ghana.

Sikaman Youth Wing
Zijn verhaal speelde zich af vóór er een grote stroom Ghanezen naar Amsterdam kwam. Rond 1970 was na de val van de eerste president Kwame Nkrumah (1966) de Ghanese economie in het slop geraakt. Aanvankelijk zochten veel geschoolde Ghanezen hun heil in West-Afrikaanse buurlanden, met name in Nigeria. Maar daar brak in 1980 een oliecrisis uit en de circa één miljoen Ghanezen moesten dit land weer verlaten. Velen van hen trokken naar Europese steden in vooral Duitsland, Engeland en Nederland. Hier was de kans op laaggeschoold en illegaal werk het grootst.
De moeder van Ama Carr was in Amsterdam terecht gekomen. Zij liet haar drie dochters overkomen nadat ze vanuit de flat van een nicht schoonmaakwerk en een eigen woning in de flat Daalwijk had gevonden. Dat was eind jaren tachtig. Carr was toen vijf en herinnert zich niet zoveel meer van het Ghana dat ze verliet. “Op een dag zat ik in het vliegtuig en kwam ik hier terecht tussen vreemde mensen die een vreemde taal spraken.” Binnen drie maanden sprak ze zelf vloeiend Nederlands. Ze bezocht basisscholen in de Bijlmer en Duivendrecht en later een middelbare school in Zuid. Tot haar veertiende had ze weinig contact met andere Ghanese jongeren. Dat veranderde toen ze lid werd van de jongerenafdeling ‘Sikaman Youth Wing’ van de Ghanese koepelorganisatie Sikaman in Amsterdam Zuidoost.
Carr: “We woonden als Ghanezen allemaal in Zuidoost, maar de jongeren die goed konden leren, zaten vaak buiten dit stadsdeel op school of kenden elkaar niet. Om hen bijeen te brengen zette Sikaman een jongerenorganisatie op.” Carr die in Nederland de Ghanese taal Twi had geleerd en thuis brieven vertaalde voor de vrienden van haar ouders, ging dat nu samen met andere Ghanese jongeren via Sikaman ook voor andere ouderen doen. Ook zetten ze activiteiten op om zowel jongeren als ouderen wegwijs te maken in de Nederlandse samenleving.

Tientallen stamorganisaties
Sikaman is niet de enige Ghanese vereniging in Amsterdam. Ghanezen organiseren zich bij uitstek, beamen Asante en Carr. Zo kent Asante 38 verschillende stamorganisaties van Ghanezen in Amsterdam. De leden geven elkaar informatie door en organiseren uitstapjes om Nederland beter te leren kennen. Elke organisatie denkt ook na over hoe ze hun streek van herkomst kunnen helpen ontwikkelen. Er wordt geld ingezameld door ondermeer benefietfeesten te organiseren voor bijvoorbeeld de bouw van een school of een ziekenhuis.
Verschillende organisaties zijn verenigd in Recogin, zegt Asante, die vanaf het eerste uur betrokken was bij deze koepel. Recogin werd opgericht na de Bijlmerramp. Aanleiding waren de vele negatieve verhalen die in de media verschenen over de Ghanezen, zegt hij. “We zouden crimineel zijn en konden die beschuldigingen niet over onze kant laten gaan. Drie van onze mannen vormden daarom een comité, maakten een plan en kwamen twee maanden later met een rapport waarin stond wat we moesten doen. Integratie in de Nederlandse samenleving stond voorop. We wilden Nederland gaan vertellen wie wij zijn en vertelden de Ghanezen hier dat ze Nederland moesten leren kennen als ze wilden blijven.”
Recogin wil de Ghanese gemeenschap vertegenwoordigen bij stadsdeel Zuidoost en de gemeente. Ze geeft Ghanezen advies hoe ze kunnen integreren en houdt bijeenkomsten met onder meer deskundigen die de Nederlandse wetgeving uitleggen of adviseren bij opvoedproblemen met migrantenkinderen. Ook kunnen Ghanezen bij Recogin internetten en de Nederlandse taal leren.
Belangrijker nog dan de stamorganisaties zijn de vele Afrikaanse migrantenkerken, die vooral in de Bijlmer te vinden zijn. Deze kerken hebben meer gezag binnen de Ghanese gemeenschap. De meesten van de 11.000 Ghanezen komen in een van deze kerken samen en vinden er hun netwerk. Ze brengen hier hun kinderen naar de kinderopvang, leren er de Nederlandse taal en vinden er altijd wel iemand die hen ergens mee kan helpen.

Betekenis migrantenkerken
De pastor zien zij als de gemeenschapsleider die advies geeft en hen weer op het rechte pad helpt als zij er vanaf gedwaald zijn. Bijvoorbeeld bij gebruik van drugs of veel drank, bij vreemdgaan of als ze iets hebben gestolen. Ook organiseren sommige kerken, zoals de internationaal georiënteerde Pinkstergemeenschap, workshops en bijeenkomsten om economisch en sociaal vooruit te komen.
Asante: “Onze ouders brachten ons al van jongs af aan naar de kerk. Sowieso zaten we op missiescholen en moesten we bidden in de kerk voor de les begon. Het geloof zit in ons bloed. Vóór je ochtends de deur uitgaat, bid je eerst een paar minuten en dank je God dat je op kan staan, naar je werk kan en vraag je of je veilig thuis kan komen.” Pastors hebben veel invloed op het doen en laten van Ghanezen, beaamt Carr, die internationale betrekkingen studeert aan de Universiteit van Amsterdam en raadslid is in stadsdeel Zuidoost. “Dat is ook het lastige in Nederland, waar kerk en staat gescheiden zijn. Want je hebt de migrantenkerken nodig om hen te bereiken. Daarom organiseren we in Zuidoost nu voor Ghanezen bijeenkomsten in samenwerking met deze kerken. Daar komen veel mensen op af.”
Veel Ghanese kerken en organisaties zijn op maatschappelijke en economische vooruitgang gericht. Die houding hebben veel Ghanese ouders ook: zij houden hun kinderen voor dat ze hier iedere kans en mogelijkheid moeten grijpen. Asante: “Ik vertelde mijn vier kinderen altijd dat ze hard moeten studeren. Als eerste generatie Ghanezen verlieten wij onze ouders, broers en zussen, ons huis en een arm land. We hadden vrijwel geen kans op een carrière en werkten hard. Niet alleen om onze familie thuis te helpen, maar ook om onze kinderen een goede toekomst te geven.”

Respect voor ouderen
Ook Carr werd door haar moeder gestimuleerd het beste ervan te maken in Nederland. “Voor mijn moeder die zich hier had opgewerkt van schoonmaakster tot gediplomeerd crècheleidster, was naar school gaan het belangrijkste in het leven. We moesten van haar een diploma halen en hier ons leven opbouwen.” Zij is niet de enige van de tweede generatie met een hogere opleiding: de oudste dochter van Asante studeerde politieke wetenschappen en werd zelfs gemeenteraadslid in Amsterdam. Carr: “Ik zie steeds meer jonge Ghanezen die hier een opleiding volgen op havo-, vwo-, hbo- of universitair niveau.”
Veel Ghanezen zijn erg trots op hun eigen cultuur met haar uitgebreide rituelen, feesten, eigen kleding en muziek. Ouders willen hun kinderen hiervan dan ook veel meegeven. Maar zeker de tweede generatie neemt steeds meer over van de Nederlandse cultuur. Carr ging voor het eerst mee naar Ghana toen haar oma daar werd begraven. “Het was een shock. Alles daar was trager en mensen gingen heel relaxed om met hun tijd. De begrafenis duurde drie dagen en er waren enorm veel mensen. Iedereen kreeg speciale kleren. In een soort park waarin allemaal tenten stonden, werd gekookt, gegeten en na de begrafenis speelde daar een band. Het was een soort Kwakoe. Ik vroeg me af of het niet wat soberder kon.”
Toch is Carr blij dat ze Ghanese normen en waarden meekreeg. Zoals respect voor ouderen en trouwen voor je kinderen krijgt. “Als ouderen praten, moet je er niet tussen komen, je mag ze niet in de ogen kijken, veel vragen aan ze stellen en veel terug zeggen. Maar ik ben redelijk vrij opgevoed en kon over veel onderwerpen met mijn moeder praten.” Naar eigen zeggen krijgt ze dan ook vaak te horen dat ze te verwesterd is in haar manier van denken en doen. “Ik vind dat je moet doen wat het best is voor jezelf. Dat je vrij bent om te kiezen. Ook welke studie je doet. Maar veel Ghanese ouders willen nog steeds dat hun kinderen arts, advocaat of ingenieur moeten worden als ze gaan studeren. Dat zijn respectabele beroepen in Ghana.”

Eigen bejaardentehuis
Door haar opvoeding kon Carr zich hier ook makkelijker aanpassen in vergelijking met Ghanese kinderen die een strengere opvoeding kregen, zegt ze. “Die kinderen waren vaak heel ingetogen en kregen daardoor problemen op school. Maar langzamerhand begrijpen Ghanezen meer en meer hoe het in er Nederland aan toegaat. Dat je hier juist wel een stevige hand moet geven en elkaar in de ogen moet kijken.”
Dat steeds meer Ghanezen zich op Nederland richten, blijkt ook uit het aantal dat de laatste jaren een huis koopt in Zuidoost. Vooral jongeren die net zijn afgestudeerd, zegt Carr. “Maar ook ouderen stappen over van huur naar koop.” Ze merkte die gerichtheid op Nederland ook aan de vragen die ze kreeg tijdens de afgelopen verkiezingscampagnes. “In 2006 vroegen veel Ghanezen hoe ze hun pensioengelden straks in Ghana konden ontvangen. Terwijl zij tijdens de campagne in 2010 er erg mee bezig waren hoe ze hier, net als de Chinezen, een verzorgingshuis voor hun ouderen konden laten bouwen.”
Steeds meer oudere Ghanezen denken er niet meer over om na hun 65ste voorgoed af te reizen naar Ghana. Dat geldt ook voor Carrs moeder en Samuel Asante. Een aantal ouderen was gegaan, nadat ze hier alles hadden opgegeven, maar keerde uiteindelijk toch weer naar Amsterdam terug. Asante: “Een bejaardenhuis voor Ghanezen is nu echt een optie. Daar had je eens over moeten beginnen in de jaren zeventig. Dan werd je echt voor gek verklaard.”

Tekst: KARIN VAN LIER is journaliste EN DICK BEUMER is publicist