Nummer 11-12: November-December 2011 - De lotgevallen van 17de-eeuwse immigrantes


112011_17de_eeuwse_immigrantes
De lotgevallen van de 17de-eeuwse immigrantes

In de 17de eeuw kwam een ongekend aantal vreemdelingen naar Amsterdam. Zowel mannen als vrouwen zochten hier hun heil. Harde cijfers over het aantal vrouwelijke immigranten zijn er niet, maar wel kennen we van een aantal het levensverhaal. De meesten kwamen bepaald niet in een gespreid bedje. Toch veroverden velen een plaats in de Amsterdamse samenleving, als dienstmeisje, naaister, koopvrouw of huisvrouw.

Het Amsterdams stadsarchief bezit een kinderprent van rond 1760 met de intrigerende titel Siet hier o Jonge Jeugt, en merkt met behagen, hoe 't Westfaals Geesje haar in Amsterdam heeft gedragen. In 24 prentjes wordt het verhaal verteld van Geesje uit Westfalen, die op reis gaat om in Amsterdam werk te vinden. Ze zegt haar ouders gedag (“Geluk op reis, mijn waarde kint”, zeggen de ouders), reist met een boot naar Amsterdam, vindt er werk als dienstmeisje, moet vegen, poetsen en op het kind passen, krijgt van haar werkgeefster een pak slaag nadat ze snoep uit de trommel heeft gepikt, wordt ontslagen en vindt een nieuwe betrekking, loopt man tegen het lijf, trouwt en wordt uiteindelijk zelf huisvrouw en moeder (“Geesje sit hier by haar man, En sy geeft het kind een pram”). Eind goed al goed.
Er moeten in het Amsterdam van de 17de eeuw heel wat Westfaalse Geesjes hebben rondgelopen. Ze werkten als dienstmeid, trokken met handelswaar langs de huizen, vonden werk als huisnaaister, kwamen terecht in de prostitutie… Mogelijkheden te over. Als ze pech hadden, raakten ze ongehuwd zwanger of kwamen ze in aanraking met de justitie. Want één ding is zeker: Amsterdam was niet alleen rijk, maar ook gevaarlijk.
Met Geesje liep het goed af: door te trouwen werd ze ‘huisvrouw’ en bereikte zo dezelfde status als de werkgeefster die haar zo slecht had behandeld. De cirkel was rond. Het is alsof de kinderprent wil zeggen: dat kan dus in het rijke Amsterdam!
Het verhaal van Geesje van Wesphalen lijkt uit het leven gegrepen. Toch is zij een fictieve figuur. Graag zouden we willen weten hoe het leven van al die immigrantenvrouwen eruit heeft gezien, maar over het algemeen geven de bronnen maar weinig details vrij. Het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland*, dat biografische informatie verzamelt van opmerkelijke vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis, licht een tipje van de sluier op. Dit naslagwerk bevat onder andere portretten van immigrantes die hun heil in Amsterdam zochten. Hun levensverhalen laten zien dat er ook andere redenen waren om naar Amsterdam te gaan. Sommigen kwamen inderdaad omdat ze arm waren en werk zochten, maar anderen ging het om de godsdiensttolerantie, de vrijheid van drukpers en andere vrijheden die de stad bood.

Grote verschillen

Vanaf het midden van de 16de eeuw kwamen heel verschillende groepen immigranten naar Amsterdam. Bijvoorbeeld Portugese ‘converso’s’ (joden die zich hadden laten dopen om hun land niet te hoeven verlaten) die in Portugal toch nog door de Inquisitie werden vervolgd. In Amsterdam mochten ze wel vrij hun geloof uitoefenen en zo bouwden ze in korte tijd een joodse gemeenschap op. De meesten waren welgesteld. Onder hen bevonden zich enkele beroemde vrouwen.
Een van hen was Maria Nunes (1575-na 1612?) uit Lissabon. Het verhaal is dat de beeldschone Maria in 1593 samen met een aantal familieleden vluchtte voor de Inquisitie. Op weg naar de Nederlanden werd hun schip gekaapt door de Engelsen en naar Londen gebracht. Een Engelse hertog werd zo geraakt door Maria’s schoonheid dat hij haar wilde trouwen. Zij wees zijn aanzoek echter af en zelfs koningin Elisabeth kon haar niet vermurwen. Maria koos ervoor naar Amsterdam te vertrekken om zich daar openlijk joods te kunnen worden. Ze geldt daarmee als een symbool van joodse standvastigheid.
Een andere beroemdheid is Isabella Correa (ca. 1655-ca. 1700), ook uit Lissabon. Haar man, een adellijke militair, was rond 1662 naar Amsterdam gevlucht, waar hij meewerkte aan het deel van de Atlas van Blaeu dat is gewijd aan het Iberisch schiereiland. Onduidelijk is wanneer Correa naar Amsterdam kwam. Zij stond er bekend om haar eruditie en talenkennis: las Latijn en Grieks, evenals Portugees, Spaans, Italiaans en Frans. Ook zou zij een bundel gedichten hebben geschreven en was de eerste vrouw die naar het Spaans vertaalde. In een van haar werken stelt ze dat zij was gaan vertalen om zich niet bezig te hoeven houden met naaldwerk.
Na de inname van Antwerpen door de Spaanse troepen (1585) kwamen talloze vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden naar Amsterdam. Het waren vooral ambachtslieden en kleine zakenlieden die vluchtten voor het oorlogsgeweld en/of de geloofsvervolging. Aangrijpend is het verhaal van Christina Bitter uit Antwerpen, de grootmoeder van Christina van Erp, en daarmee de schoongrootmoeder van Pieter Cornelisz. Hooft. In zijn Nederlandsche historien vertelt Hooft haar belevenissen tijdens de Spaanse Furie in Antwerpen (1576).

Vrouwen in zaken
Voor haar ogen zag zij hoe haar moeder werd opgeblazen door Spaanse soldaten die binnenvielen en Christina’s man en geld opeisten. Toen ze weigerde iets los te laten, knoopten de krijgslieden een stuk lont om haar hals, bonden haar op een ladder en lieten haar tot driemaal toe bijna stikken, maar zij bleef zwijgen. Uiteindelijk gingen de soldaten weg met alles wat ze mee konden nemen. Christina lieten ze met een koord om haar hals vastgebonden op de ladder achter. Zo werd ze gevonden. Ze “bekwam van de zwijming”, maar nooit kreeg zij haar oude blijgeestigheid terug, aldus Hooft. Hierna vluchtte het gezin naar het noorden. Naar het schijnt is Christina Bitter niet lang hierna overleden.
Een andere vluchtelinge is Sara Cranen (ca. 1565-1637). Ze werd geboren in Antwerpen, als oudste dochter van een knopenmaker. Als zesjarig meisje werd ze door haar vader meegenomen naar Keulen omdat hij als ‘wederdoper’ uit de stad was verbannen. In 1585 trouwde Sara in Keulen met een Antwerpse weduwnaar. Hij was hoedenmaker en ook doopsgezind. Het stel woonde in bij Sara’s moeder. Na verloop van tijd werd het klimaat grimmiger. In 1595 werden de doopsgezinden gesommeerd Keulen te verlaten. Na een lange tocht via Frankfurt, Bremen, Emden, Delfzijl en Utrecht kwamen Sara, haar man en hun drie kleine kinderen in de winter van 1596-1597 in Amsterdam aan. In de Warmoesstraat begonnen ze een zaak in hoeden en zijden stoffen. Sara Cranen was de moeder van de bekendste dichter van Nederland: Joost van den Vondel.
Over haar verdere leven is niet veel meer bekend dan dat zij na de dood van haar man de zaak voortzette. In 1615 richtte zij een compagnie op met dochter Clementia, inmiddels ook weduwe. De zaken liepen goed, want op een gegeven moment bezaten moeder en dochter zelfs een zomerverblijf in de Purmer. Uit diverse notariële akten blijkt dat de verstandhouding met haar inmiddels beroemde zoon minder goed was. In haar testament liet ze opnemen dat hij bij haar in het krijt stond en dat hij deze schuld moest inlossen, wilde hij in aanmerking komen voor zijn aandeel in haar nalatenschap. Dat deed hij, een dag voor haar dood. In zijn werk refereert Vondel slechts eenmaal aan zijn moeder: ze had hem in zijn jeugd niet behoorlijk het Nederlands (‘nederdiets’) geleerd.

Diefstal en prostitutie
Verreweg de grootste groep immigranten kwam uit arme regio’s in Duitsland en Scandinavië, op zoek naar werk. Het ‘Westfaalse Geesje’ is daar een voorbeeld van. Dat het niet alle ‘Geesjes’ zo voor de wind ging, toont het verhaal van Elsje Christiaans (ca. 1646-1664), een dienstmeid van ongeveer achttien jaar uit Jutland. Tegenwoordig is zij zo’n beetje het beroemdste immigrantenmeisje uit de geschiedenis van Amsterdam, dankzij Rembrandt, die haar tekende toen zij levenloos tentoongesteld hing op het galgenveld in de Volewijck. Op 1 mei 1664 was zij ter dood veroordeeld omdat zij haar huisbazin met een bijl de kop had ingeslagen. Ze was pas twee weken in Amsterdam en op zoek naar een betrekking als dienstbode. Ze had een kamer gehuurd bij een ‘slaapvrouw’ aan de Nieuwendijk. Toen de hospita aan het eind van de maand eindelijk wel eens geld wilde zien bleek dat Elsje niet kon betalen. De hospita dreigde daarop haar kistje met bezittingen in beslag te nemen, ze kregen woorden en van het een kwam het ander: de slaapvrouw sloeg Elsje met een bezemstok, Elsje zag een bijl en sloeg daarmee terug, de slaapvrouw viel van de keldertrap en bleef voor dood liggen. De buren kwamen af op het tumult, Elsje vluchtte en sprong in het Damrak. Daar werd ze uitgevist en gearresteerd. Een dag erna werd het vonnis geveld.
Ook Trijn Pieters, alias Trijn van Hamburg (ca. 1590-1617) dankt haar roem aan het feit dat zij tot de strop werd veroordeeld, in haar geval wegens diefstal. Tijdens verhoor zei ze afkomstig te zijn uit ‘Bruinsbetel’ (Brunsbüttel) bij Hamburg. In 1606 werd ze vanwege diefstal voor drie jaar uit Amsterdam verbannen. Hierna werd ze nog twintigmaal gearresteerd in een lange reeks steden: Middelburg, Dordrecht, Rotterdam, Delft, Leiden, Weesp, Enkhuizen, Den Haag, Haarlem en Alkmaar. Vaak zei ze zwanger te zijn en ontliep daarmee de lijfstraffen waartoe ze was veroordeeld, maar toch werd ze herhaaldelijk gegeseld en vijfmaal gebrandmerkt. In 1612 sneed men haar in Amsterdam zelfs als bijkomende straf de beide oren af.
Haar laatste misdrijf beging Trijn Pieters in Amsterdam. Ze pleegde samen met enkele metgezellen een inbraak. De buit: waardevolle kleren en goederen. Hierop werd ze ‘anderen ten exempel’ op 30 december 1617 opgehangen. Na ter afschrikking tijdelijk op het galgenveld te hebben gehangen werd haar lichaam overgebracht naar het anatomisch theater op de Amsterdamse Nieuwmarkt; later was het lijk op de kermis te zien.

Grote aantallen
Duidelijke cijfers over het aantal immigrantes in het Amsterdam van de Gouden Eeuw ontbreken – er was nu eenmaal nog geen immigratiedienst of burgerlijke stand. Maar vast staat dat het in de stad wemelde van de nieuwkomers: mannen én vrouwen. Zo is bekend dat meer dan de helft (50,7%) van alle Amsterdamse bruiden die voor het eerst trouwden bij hun ondertrouw opgaven dat ze elders waren geboren. Een kleine kwart (24,1%) kwam uit de rest van de Republiek, een ruime kwart (26,6%) was geboren buiten de Republiek. Ter vergelijking: van de bruidegoms was 67,8% van elders afkomstig (24,1% uit de rest van de Republiek en 43,7% uit den vreemde).
De meeste nieuwkomers waren op zoek naar werk en kwamen terecht in de ongeschoolde beroepen. Als dat niet lukte, was het maar een kleine stap naar minder eervolle bronnen van inkomsten, zoals diefstal en prostitutie. Van de vrouwen die in de Gouden Eeuw in aanraking kwamen met de Amsterdamse rechtspraak, kwam driekwart niet uit Amsterdam. Onder de immigranten bevonden zich echter ook vluchtelingen die omwille van de godsdienstvrijheid naar Amsterdam waren gekomen. Zij waren over het algemeen minder arm en beschikten bovendien via hun geloof vaak over een netwerk van vrienden en verwanten die hen verder hielpen in hun nieuwe omgeving.
Tegenwoordig belanden heel wat argeloze meisjes uit Oost-Europa en Azië ‘achter de ramen’ op de Wallen. In de Gouden Eeuw, toen de stad juist dankzij de instroom van vreemdelingen tot ongekende bloei kwam, was dat niet anders. De gevaren van de stad waren groot. Meisjes van buiten belandden in een hoerhuis of kwamen in aanraking met justitie. Ze werden opgesloten in het spinhuis of de stad uitgezet. Voor hen moeten de verlokkingen van het rijke Amsterdam zuur geproefd hebben. Maar als ze geluk hadden, verging het ze als Geesje: ze trouwden, werden ‘gewoon’ huisvrouw en integreerden in de Amsterdamse volkscultuur. Voor dochters uit immigrantenkringen die om het geloof waren gevlucht, lagen de zaken waarschijnlijk iets gunstiger. Zij genoten meestal de bescherming van andere familieleden, trouwden met een jongen uit een andere Zuid-Nederlandse familie en konden zich geborgen voelen in hun eigen geloofsgemeenschap. Na een paar generaties waren deze families geïntegreerd in de Amsterdamse burgerij.

Tekst: ELS KLOEK is historica