Nummer 11-12: November-December 2011 - Provo's


HOE PROVO'S AMSTERDAMS 'IMAAZJE' VERANDERDEN

De wereld hebben ze niet verbeterd, maar in de twee jaar van hun bestaan speelden de112011_Provo provo’s wel iets anders klaar: ze maakten van het ingedutte
Amsterdam de hipste plek op aarde. Voor de VVV-medewerkers was het even
wennen, al die toeristen die wilden weten hoe laat de relletjes begonnen.

In de jaren zestig haalde Amsterdam weer het wereldnieuws. En dat was niet te danken aan de ijverige VVV-campagnes. Nee, het waren de snotapen van provo die verslaggevers van heinde en verre naar Nederlands hoofdstad lokten (en internationaal navolgers vonden). Het hek was van de dam: Amsterdam werd de stad van ‘love, peace & happiness’. Hoe zag Amsterdams nieuwe ‘imaazje’ eruit? Trok het meer toeristen? En veranderde provo de wereld?

De provobeweging bestond officieel maar twee jaar, van 1965 tot 1967. Toch heeft in de vorige eeuw geen beweging méér impact gehad op het internationaal imago van Amsterdam.
De stad sudderde op een laag pitje. Een internationale machtsfactor, zoals in de VOC-tijd, was Amsterdam allang niet meer. Aanzienlijk minder kosmopolitisch ook dan vroeger, met na de oorlog vooral een hang naar vastigheid. Dat riep irritatie op bij de ‘babyboomers’. Van die protestgeneratie was provo het convergentiepunt, maar niet het begin. Dat lag eerder in de Amerikaanse jeugdcultuur. (De film Rock Around The Clock met Bill Haley werd in 1956 verboden in Apeldoorn.)
Een paar persoonlijke ervaringen vanaf de zijlijn. Tijdens een bezoek bij een arbeidersgezin in Parijs, 1966, zag ik op tv beelden van de rellen in Amsterdam. “Durf je nog wel terug?”, vroeg de bezorgde vader. Twee jaar later zat ik op de Dam argeloos met mijn buitenlandse leeftijdgenootjes in het zonnetje. Plotseling werd de Dam leeg geveegd. Ik vluchtte maar mee, en riep “Amsterdam moordstad!”. De yell werd overgenomen. Eventjes voelde ik mij aanvoerder van de wereldwijde jeugdrevolutie.
In het begin trok provo alleen aandacht in de stad zelf. Het waren jongeren met heel verschillende achtergronden, die vooral een anarchistische inslag deelden. Zij deden graag mee aan de fantasierijke rituelen (‘happenings’) die antirookmagiër Robert Jasper Grootveld vanaf begin 1965 op het Spui uitvoerde. Hij bestempelde Amsterdam tot ‘magies sentrum’. De net wat politieker ingestelde provo’s speelden een steeds grotere rol in de happenings. Met hun speelse provocaties (verkleedpartijen, het uitdelen van krenten, demonstreren met lege spandoeken) brachten ze de politie zo in verwarring, dat die maar één antwoord wist: meppen. Daardoor bleek het failliet van het ouderwets gezag.
Sinds juli 1965 waren de ‘happenings’ landelijk nieuws. De provo’s profiteerden graag van de onvrede over de keus van kroonprinses Beatrix voor een ‘mof’ als echtgenoot. Oud republikeins sentiment laaide op en provo gaf daar creatief uiting aan. De roemruchte rookbommen bij het prinselijk huwelijk maakten ineens wereldnieuws van het rebelse Amsterdam.

Provomania
Die 10de maart 1966 werd een hoogtijdag voor havenarbeider/persfotograaf Cor Jaring. Hij was kind aan huis bij de provo’s. Vanwege zijn subversieve reputatie mocht hij niet de Nieuwe Kerk in. Maar dat nadeel bleek een voordeel: Jaring sleet die avond in café Scheltema zijn rookbom- en rellenfoto’s voor goudgeld aan Paris Match. De toon van de reportages was aanvankelijk overigens vaak afkeurend of in ieder geval verbijsterd. Maar daarna raakte menig verslaggever gecharmeerd. In de buitenlandse reportages maakte verbijstering geleidelijk plaats voor geamuseerdheid.
Ook in eigen land groeide de sympathie voor provo’s ‘witte plannen’: wereldverbetering met een knipoog. Zoals het Witte Schoorstenenplan tegen de luchtvervuiling, het feministische Witte Wijvenplan en het Witte Kippenplan, dat inhield dat ‘kippen’ (Amsterdams voor agenten) vooral maatschappelijk werker moesten zijn. Het populairst werd het Witte Fietsenplan van Luud Schimmelpennink: witgeschilderde fietsen die iedereen vrijelijk kon gebruiken.
Hoe meer hun ouders op ze afgaven, hoe spannender jongeren in het hele land de provo’s gingen vinden. Ria Bes uit Den Haag schreef in oktober 1968 aan provo-ideoloog Roel van Duijn: “Lieve Roel, hier is een klein briefje van een voor jou onbekend meisje, dat je wil vragen zo vriendelijk te zijn een foto van jou te sturen, het liefst met handtekening.” Daar lusten de jongens wel pap van. De ‘Firma Provo’ bood tienermeisjes graag een stoomcursus Hoe word ik provo in veertien dagen?, waarin met name het belang van de ‘vrije liefde’ werd beklemtoond. En tegen betaling reisden provo’s graag af naar jongerencentra en bejaardensozen in Rotterdam, Roermond of Almelo.
Ook vanuit het buitenland werden de provo’s vaak uitgenodigd voor lezingen en congressen. Internationaal waren er snel navolgers. In Parijs verscheen het appeltje met de stip (provosymbool) op de muren. In Londen herdoopten de Notting Hill Libertarians zich in Notting Hill Provos. En vanuit Californië schreef een student naar Amsterdam: “The interest in the Provos reaches a mania here.” Maar iets wat echt leek op het Amsterdamse fenomeen, met z’n merkwaardige mengeling van ernst en ironie, schoot nergens wortel. Een Londense rebel wist waarom: “The town is hugely different from Amsterdam.” Als bevorderlijke aspecten van Amsterdam noemden analytici de losse sfeer, de kleinschaligheid, maar ook (toen) de verkramptheid van de Amsterdamse agenten, vergeleken met de Londense ‘bobby’s’.

Meet the provos!
Intussen kwamen er ’s zomers wel opvallend veel meer jeugdige toeristen naar Amsterdam om de sfeer op te snuiven. De toeristenindustrie rook nieuwe kansen. Nog niet de brave VVV, maar al wel het Amsterdamse PR-bureau Frits van Praag. Die wilde een excursie langs oude Zuiderzeestadjes koppelen aan kennismaking met dit moderne fenomeen. Van Praag betaalde enkele provo’s een mooi bedrag om zich te laten bekijken in de Drommedaris te Enkhuizen. Er was zelfs een folder: Meet the provos. De combinatie werkte kennelijk niet: er kwamen maar vier toeristen op af. Maar de baldadige provo’s vermaakten zich uitstekend.
Naarmate provo beroemder werd, werd ze ook meer gezien als een machtige organisatie, compleet met postbus en telefoonnummers. Maar dat was de bedoeling niet. Toen provo een commercieel ‘merk’ dreigde te worden, werd in mei 1967 de beweging opgeheven. Eigenlijk was het nooit als organisatie bedoeld, beklemtoonde medeoprichter Rob Stolk: het was een mentaliteit, een idee, een ‘imaazje’. Nog één keer probeerden oud-provo’s in 1970 een even brede beweging op te zetten: de Kabouterbeweging, alias de Oranje-Vrijstaat, maar die ging al binnen een jaar aan ruzies ten onder.
Traditioneler georganiseerde actiegroepen gingen verder met thema’s die provo had aangekaart: woningnood, milieu, strijd tegen de atoombom en de oorlog in Vietnam, democratisering van het onderwijs, vrouwenemancipatie, vrijheid van seksuele beleving, legalisering van softdrugs. Per saldo waren het vooral de seks en drugs die buitenlandse jongeren aantrokken in Amsterdam. (En sinds 1968 poptempel Paradiso.) De rest van het repertoire kenden ze wel uit hun eigen land.
De gemeente deelde hun enthousiasme bepaald niet, herinnert zich Jan Mastenbroek, van 1966 tot 1980 hoofd Voorlichting van de gemeente. Maar geschrokken van het tumultueuze effect dat de eigen verkramptheid opriep, was de overheid toch begonnen heel wat te ‘gedogen’. “We hebben de rugzaktoeristen niet gestimuleerd, wel gefaciliteerd.” Stickies roken en het openlijk tonen van bloot waren intussen symbolen van bevrijding geworden. Het Vondelpark lag begin jaren zeventig vol hippies uit de hele wereld.

Waar kan ik marihuana kopen?
De Vereniging voor Vreemdelingenverkeer (VVV) keek lang de kat uit de boom. In het jaarverslag over 1966 wordt kribbig opgemerkt: “Als oorzaken voor de teruggang van het Duitse toeristenbezoek worden onder andere aangenomen de ongunstige publiciteit rond de huwelijksvoltrekking van prinses Beatrix en de provorelletjes.” Maar de VVV signaleerde toch wel “het stijgend bezoek van de kamperende toeristen, een groep die weleens over het hoofd wordt gezien.” In het jaarverslag 1967 ontbreekt elk woord over rebels en hip Amsterdam, al prijkt op het omslag ineens Het Lieverdje, samen met de standbeelden van Rembrandt en Wibaut. In het verslag van 1970 wordt verklapt dat VVV-personeel vragen krijgt als: “Waar kan ik marihuana kopen?” en “Hoe laat beginnen de relletjes?” En in de jaren daarna is de vrije sfeer van Amsterdam ook voor de VVV een ‘verkoopargument’.
Dat provo heel wat heeft losgemaakt en het beeld van Amsterdam heeft veranderd staat vast. Maar wat is er na ruim 45 jaar nog van merkbaar? Er hangen in ieder geval minder uitlaatgassen. Het toerisme van homo’s en drugszoekers blijft groeien. Vrijheid en tolerantie zijn sleutelwoorden. Toeristen reageren soms stomverbaasd als ze een vrouw in het café haar kind de borst zien geven.
Maar het tij keert. Coffeeshops en paddoshops moeten dicht. Homo’s worden gemolesteerd. En in het nieuwe Canadese blad Dutch, the Magazine verbaasde hoofdredacteur Tom Bijvoet zich over de talloze camera’s langs de openbare weg, die de burgers overal in de gaten houden. Big Brother is watching you! Hij waarschuwt zijn lezers: “Zorg er goed voor dat je de volgende keer in Nederland met een brede glimlach door de binnenstad van Amsterdam loopt, want je komt op candid camera!”

Tekst: MAURITS SCHMIDT