Nummer 6: Juni 2010 - Feestbouwsels voor het volk

Feestbouwsels voor het volk
Moderne volkse nostalgie had haar voorgangers in de 19de eeuw
Tekst: Carolus van Doornen

inhoud_4Als decor voor een feestje valt er op de binnenstad weinig af te dingen. Grachtengevels, bruggen en bomen vormen een uitgelezen entourage voor elk evenement. De Gay Pride op de Bosbaan? Het laat zich moeilijk voorstellen. Toch zijn er door de eeuwen heen bij feestelijke gebeurtenissen in de stad vaak genoeg tijdelijke bouwsels opgetrokken. Van erepoorten tot rijen geveltjes in bordkarton, triplex of zeildoek.

In 1975 vierde de stad het 700-jarig bestaan. Het hele jaar vonden overal in de stad buurtgerichte activiteiten plaats, dikwijls met een blijvend karakter. De fietsersbrug over de Schinkel in het verlengde van het Vondelpark bijvoorbeeld. Maar hoogtepunt van het jubileumjaar zou – naast Sail Amsterdam – het zes dagen lange feest Mokum 700 in de RAI worden. De centrale figuur achter het feestdecor was reclame- en decorschilder Jan Luhlf (1909-1988). Deze zoon van een huisschilder had net de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, maar peinsde er niet over om te stoppen na een halve eeuw werkzaamheid. “Ik ben 66 en wil op die leeftijd nog wel eens lekker knallen.” Zijn atelier was vermaard om de aankleding van jubileumfeesten van bedrijven en huisdecorateur van beurzen in de RAI.
Destijds kenden dergelijke beurzen voor (buitenlandse) bedrijven aan het slot vaak een feestje, aangekleed als een zogenoemde Hollandse Avond: een tot bruine kroeg omgebouwde bar, een trapgeveltje met haringkar. Die recepties waren er alleen voor de selecte groep beursgangers. Maar met het aanstaande feestjaar meende de toenmalige RAI-directeur Thomas Vermeer: “Dit moeten we ook eens aan de gewone mensen laten zien, aan het volk van Amsterdam.” Het idee van Mokum 700 was geboren.
En zo geschiedde. PR-man Frits Paulen van de RAI ging met Otto Schutte (1933) van de firma Luhlf de boer op langs Amsterdamse bedrijven als Zwartjes, Perry van der Kar, Broodje van Kootje en Heineken. Schutte had zijn ontwerpschetsen bij zich van oude geveltjes waarachter de winkels een plek op Mokum 700 in de RAI konden krijgen. Schutte: “Ik tekende ze zo uit mijn kop. Voorbeelden had je aan de overkant van de straat. Je woonde ertussen. Hoe Amsterdam vroeger was, dat wist je gewoon.” Aan de replica van het poortje van het Amsterdams Historisch Museum en van het Rembrandthuis is echter af te zien dat ook het gemeentearchief werd aangedaan. Zo werkte ‘de grootste versierder van Nederland’, zoals de firma Luhlf werd genoemd, aan een nagebouwd Amsterdam en trok het in de RAI een ministad op.

Veilig pseudo-Mokum
Het festivalterrein besloeg grotendeels de Europahal en telde ruim 80 deelnemende bedrijven, naast instellingen als het jubilerende GVB en de brandweer. De haven werd uitgebeeld door een fors formaat ketting en een bord met tuigagevoorbeelden van de ADM tegen een metersgroot doek waarop schepen en hijskranen afgebeeld stonden. Geen historische verbeelding. Wel één die, navrant genoeg, door de sluiting van de werven in Noord niet lang nadien als het ware zélf historisch zou worden. Een gracht bestond uit een door bielzen en bloemstukken omzoomde reep water waarin een enkele platbodemschuit met heesters aangemeerd lag.
Er liepen besnorde gangmakers uit televisieland rond, onder wie Ted de Braak, die een moppie zong in Café Chantant, en Peter Knegjens, die aan het rad van fortuin draaide. En in de concertzaal speelde het Concertgebouworkest voor zijn doen uiterst populaire wijsjes, met als uitsmijter Geef mij maar Amsterdam. Straatnamen hadden quasi-oude spellingswijzen als Naetjenstraetjen, Drooghstoppelslop en Kattemepperssteegh. Geheel van oubolligheid was het festijn niet gespeend. Het was een mengelmoes van niet een, twee, drie te duiden tijdperken. Grootmoederstijd? Die goede oude tijd? Maar dat mocht de pret niet drukken.
Bezoekers waren vooral de recentelijk naar overloopgebieden als Purmerend verhuisde oud-Amsterdammers uit de saneringsbuurten. Vervuld van het sentiment ‘Amsterdam is Amsterdam niet meer’, vonden ze in de overdekte hallen een veilig pseudo-Mokum. Enkele maanden eerder nog had Amsterdam haar naam als ‘lastige’ stad weer eens eer aan gedaan met de metrorellen in de Nieuwmarktbuurt.
Het Parool had er een redactielokaal en bracht dagelijks een gratis Poorterseditie uit op het toen nog onbekende tabloidformaat. Bij de festivalredactie meldde zich een Amsterdammer met oude ansichtkaarten waarop nagebouwde huisjes aan een namaakgracht stonden. Het bleek te gaan om het in 1895 tijdelijk op het toenmalige IJsclubterrein (Museumplein) neergezette stadje Oud-Holland. Commentaar van de RAI: “Dit is een verrassing voor ons. We hebben er echt niets van geweten.”

Ceremonieel timmerwerk
De 20ste eeuwse volkse nostalgie van Mokum 700 heeft dus haar voorgangers gehad in de 19de eeuw. De eeuw waarin de burgerij en de middenklasse opkwamen (en de politieke macht van de vorsten werd ingeperkt). Tezelfdertijd verdwenen toen door de ontmanteling van de stadswallen ook de stadspoorten en ontstond er als het ware een heimwee naar deze aloude toegangen tot de stad. Er groeide een verlangen naar feestbouwsels voor het volk, dat nog werd gevoed door de afschaffing in 1875 van de jaarlijkse kermis, het volksfeest bij uitstek.
Het 25-jarig regeringsjubileum van koning Willem III bood een jaar eerder al een goede gelegenheid. De ontwerpers konden zich uitleven met de neostijlen die inmiddels in de architectuur zo populair waren. Her en der verrezen fantasievol uitgedoste bouwsels in de stad, ontworpen door J.L. Springer, de latere architect van de nieuwe Stadsschouwburg. Geen plein of brug werd overgeslagen.
Maar wat verraden de oude foto’s? De erepoort op het Jonas Daniël Meijerplein, een Kremlinachtig gevaarte, had twee schaduwen: de gesuggereerde naar rechts en de echte naar links. Van de erepoort op de Dam wrong het gesuggereerde perspectief en lubberde het zeildoeken basement. De door adelaars gedragen kronen werden (in tegenstelling tot die van het nabije Koninklijk Paleis!) met trekstangen overeind gehouden. De schaal was imposant, maar verder het waren niets anders dan decorstukken, even groots als plat. De uit 1840 daterende sobere, classicistische Haarlemmerpoort werd opgedirkt met een gedenknaald met wapenschild, schilddragers en een Fama (godin van de roem). Deze bekroning stond er  bovenop en was bijna even hoog als de poort zelf – nota bene de allerlaatste échte stadspoort, na de intocht van koning Willem II 1849 Willemspoort genoemd.
Ook bij de inhuldiging van Wilhelmina in 1898 pakte men stevig uit. De poorten oogden inmiddels eleganter en hadden soms zelfs het voorkomen van een pergola. Ook dit waren louter fantasiebouwsels, hoewel op de Armbrug over de Oudezijds Voorburgwal een heus slot Loevestein was opgetrokken. Op verkleinde schaal uiteraard, maar in fraaie harmonie met de torens van de Sint Nicolaaskerk op de achtergrond. De volksbuurten werden goed bedacht. Op het Bickersplein verrees een erepoort naar ontwerp van de architect J.C. van Epen. Een metershoog gevaarte met kantelen en stadswapens en versierd met bloemstukken. Bovenop de erepoort aan de Wittenburgergracht prijkte een ruiterstandbeeld van Willem de Zwijger, tweedimensionaal als een wajangpop. Met dergelijk ceremonieel timmerwerk bracht het volk de band met haar vorst tot uitdrukking.

Geromantiseerd Oud-Holland
Aan het einde van de 19de eeuw ontstond nog een andere variant. De braakliggende grond achter het Rijksmuseum (aanvankelijk nog in aanbouw) werd het terrein van grootschalige, internationale (wereld)tentoonstellingen. De hoofdstad werd zo het schouwtoneel voor een mondain internationaal publiek en presenteerde hier velerlei uit de koloniën en de laatste verworvenheden op het gebied van landbouw, nijverheid en industrie. De eerste was de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling in de zomer van 1883, waar 28  landen vertegenwoordigd waren. Ook kon men er een sober gebouwtje aantreffen van de verenigde Amsterdamse diamantslijpers en een (‘bewoonde’) kampong uit Nederlands-Indië. Maar nagebouwde oude architectuur van eigen bodem ontbrak nog.
Vier jaar later was het dan zover: tijdens de Voedingsmiddelen Tentoonstelling regen de trapgevels met winkelluifels zich aaneen op het marktplein met pomp. Ontwerper was de  kunstschilder Cornelis Springer, bekend om zijn geromantiseerde stadsgezichten met geveltjes van omstreeks 1600. De hoofdzakelijk Nederlandse bezoekers werden onthaald in een restauratiegelegenheid gehuisvest in een replica van het 16de-eeuwse Waaggebouw, dat in het echt tot 1806 op de Dam had gestaan. Er stond van alles: een bierhuis en een bakker, sigarenhandel Petit uit de Utrechtsestraat en ook een paviljoen van Blookers chocolade, genaamd “Socolate molen”. Figuranten in historische kostuums verhoogden de authentieke sfeer. De trend was gezet, de romantisering van het eigen verleden was cliché geworden.
Bij de Tentoonstelling van het Hotel- en Reiswezen in 1895, werd de hoofdattractie als “de vermaerde Marckt ende Graft Oudt-Hollandt” in gotische letters op het affiche gespeld. In ruim vijf maanden trok het een miljoen bezoekers. Pronkstuk vormde een getrouwe nabootsing van het middeleeuwse Amsterdamse stadhuis, dat in het echt in 1652 afbrandde. Opdrachtgever van het circa 80 panden grote stadje was de Nederlandse Hotelhouders Bond. Hoofdarchitect Evert Breman, een bouwkundige, had eerder een markant hoekpand met torentjes en erkers in neorenaissance stijl op het Muntplein (Reguliersbreestraat 1) ontworpen. Bouwen in neostijlen was toen algemeen in zwang. Het waren ansichtkaarten van dit Oud-Holland die 80 jaar later onverwacht opdoken tijdens Mokum 700.

Amerikaanse confettiregen
Ruim een halve eeuw later, toen in de echte architectuur de rechte, tierelantijnloze lijnen van het Nieuwe Bouwen inmiddels de toon aangaven, zou men zich nogmaals verpozen tussen de replica’s. In 1950 werd het (verzonnen?) jubileum van 500 jaar Kalverstraat aangegrepen om op de Dam vier weken lang de manifestatie Damstad te houden. In de Kalverstraat liet de winkeliersvereniging de winkels achter decorstukken van oude gevels verdwijnen. Otto Schutte, die 25 jaar later betrokken zou zijn bij het ontwerpen van Mokum 700, werkte er “als jong broekie” aan mee.
Pal voor het Paleis betrad men door een stadspoort een 15de-eeuws stadje. De opening werd verricht door een in een calèche gezeten burgemeester Arnold d’Ailly, “temidden van een stoet van herauten, stadswachten, narren, poorters en poorteressen”, aldus het Polygoonjournaal. “Een sfeervolle cortège, waarbij behalve de kleding van de burgervader eigenlijk alleen de Amerikaanse confettiregen wat uit de toon valt.”
De vele figuranten werden gekostumeerd en geschminkt door het atelier van Herman Michels. Ook de achttien jaar jonge Hans van Manen was er in dienst en draaide mee in de schminkploeg. Hij herinnert zich Damstad als een Anton Pieckachtig geheel: “Het was hol als je erop sloeg.” Het maakte op hem een amateuristische indruk. Toch was er was degelijk ook cultuur met een grote C te vinden. Zoals het dansoptreden van Sonia Gaskell. Dat was verre van amateuristisch. Amper klaar met schminken of Van Manen was al bij het podium met de dansers van Ballet Recital (een voorloper van het Nationale Ballet) te vinden. Hij beschouwt dit zelf als het begin van zijn balletcarrière.
Er was meer echte cultuur. Hella Haasse, destijds juist begonnen te publiceren, schreef toneelstukjes voor Damstad met titels als Hoe de Schout zichzelf aan de schandpaal bracht en Het treurig spel van Jan Klaassen en Katrijn of Ongeschikt voor de Houwelijcke Staat. Ietwat anachronistisch op dit festijn in middeleeuwse sfeer was Een Amsterdamse jongen redt de beurs: de verijdelde Spaanse aanslag (schuit met buskruit wordt door balspelende jongen ontdekt) had eerst in 1621 plaats.

Strobalen op de Oudezijds
Inmiddels laten de laatste decennia een wildgroei aan publieksmanifestaties zien en beleeft Sail Amsterdam deze zomer de achtste editie. Maar de geveltjes van Mokum 700, dat 250.000 bezoekers trok, kregen geen navolging. In 1985 bleef het tijdens het Bredero-herdenkingsweekend (georganiseerd door het Comité 400 jaar Bredero) bij gekostumeerde toneelspelers tussen strobalen op de Oudezijds Voorburgwal. En de replica van een stukje middeleeuwse stadsmuur die Stichting Sciltraminghe in 1999 een weekend lang had opgetrokken tijdens het Festival aan de Muur op de Nieuwmarkt, had een educatief doel. Het bouwsel bestond uit steigerpalen bespannen met zeildoek. Ook nostalgie is nostalgie niet meer… Maar toenmalig initiatiefnemer Raoul Serrée is als stadsgids nog dikwijls in historisch kostuum als schutter met hellebaard aan te treffen. Tegen het decor van echte gevels.