Nummer 3: Maart 2008 - Reuring rondom de Oude Kerk



Pagina 5 van 6
Reuring rondom de Oude Kerk
Oudekerksplein: Veelzijdig buurtje of 'bakermat der ontucht'?
Tekst: Maarten Hell
Horden toeristen drentelen dagelijks langs de 'ramen' aan het Oudekerksplein. Het stadsbestuur maakt het gebied rond de Oude Kerk het liefst geheel prostitutievrij om zo recht te doen aan “de culturele historie van de Wallen". Inderdaad is er heel wat hoogstaande cultuur te zien, om te beginnen de Oude Kerk zelf. Maar onmiskenbaar heeft ook ‘het oudste beroep’ zijn stempel op het plein gedrukt.
Het plein rond de Oude Kerk behoort tot de oudste gedeelten van Amsterdam. Tijdens de langdurige restauratie van de kerk (1955-1979) bleek dat er rond 1250 al een kerkhof was, waarnaast waarschijnlijk eerst een houten kapel stond. De eerste stenen kerk is in 1306 ingewijd door de bisschop van Utrecht en bereikte in de daaropvolgende twee eeuwen zijn huidige omvang. Het buitengelegen Oudezijdskerkhof (in de kerk zelf is nog tot 1865 begraven!) was in 1578 al vol, maar dit gebied rond de kerk is pas in de tweede helft van de 17de eeuw bestraat. Sindsdien is er dus pas echt sprake van een ‘plein’ – dat overigens steeds kleiner werd, naarmate de kerk groeide.
Bij opgravingen in 1983 zijn de restanten blootgelegd van de oudste woningen op het Oudekerksplein: kleine houten huisjes uit de periode van het vroegste kerkhof. In de 14de eeuw zijn deze vervangen door grotere, stenen huizen. Over de vroegste bewoners is weinig bekend; vermoedelijk waren het vissers en ambachtslieden. Eén enorm pand stond dwars op het plein: het liep van Warmoesstraat (nummer 77) tot de Oudezijds Voorburgwal. Tegenwoordig zijn hier een kinderdagverblijf en enkele peeskamers gevestigd, maar rond 1380 was het gehele complex in het bezit van Jacop Dier, kapelaan van de Oude Kerk. In de 15de eeuw is het perceel van Dier in stukken verdeeld en zijn er kleinere huizen gebouwd met de korte kant aan het plein.
Muurhuisjes
In de groeiperiode van de stad aan het eind van de 16de eeuw trok het Oudekerksplein een bonte stoet Amsterdammers aan. Kooplieden, ambachtslieden en middenstanders waren elkaars buren. In 1585 woonden er behalve een bakker, kleermaker en een 'kousenbreyer' ook een notaris, makelaar en zelfs een schatrijke regent-koopman. Beroemde bewoners waren de kunstschilder Cornelis Ketel en de componist Jan Pietersz. Sweelinck, de organist van de Oude Kerk. Sweelinck woonde met zijn broer en zuster aan het plein totdat hij in 1590 naar een ruimere woning in de Kalverstraat verhuisde. En rond 1650 eeuw werkten boekverkoper en uitgever Jan Jansz van Santen en diens zoon Dirck op het huidige nummer 54. Niet alleen tegenover de Oude Kerk, ook tegen de kerkmuren werden steeds meer huisjes gebouwd. Daar waren behalve de pastoor en de doodgraver rond 1550 ook een schoenlapper en een houtzager gevestigd.
Ook nieuw kerkpersoneel als de hondenslager en de orgeltrapper kregen een dienstwoning langs de muren. Aan de zuidkant van de toren werd een groter huis gebouwd waar de uit Antwerpen gevluchte notaris David Mostart introk. In de 17de eeuw werd dit pand verhuurd aan de organist. Tegen de toren aan kwamen na 1660 de klokkenist en orgelmaker te wonen. Ten slotte waren er een paardenstal en een grote loods langs de kerkmuren. Die laatste diende als werkplaats voor de kerk, maar ook voor buurtbewoners en stalhouders. De resten hiervan zijn pas rond 1914 verdwenen. Enkele muurhuisjes worden ook nu nog bewoond of als bedrijfsruimte gebruikt.
‘Baronnes in Emaus’
Of er in de 17de en 18de eeuw al hoeren woonden op het Oudekerksplein is niet bekend. Het seksdistrict was traditioneel geconcentreerd in de Halsteeg (Damstraat) en de Pijlsteeg en later in de beruchte Jonker- en Ridderstraten bij de Geldersekade. Toch is het niet uitgesloten dat ook het Oudekerksplein al vroeg in trek was. Een aanwijzing hiervoor is het rond 1680 gemaakte overzicht van 'camernumphies' (zelfstandig werkende prostituees) en hoerwaardinnen. Hierop staan twee dames die hun werkgebied 'achter de oude kerk' hadden: Jannetje Smockels en een hoerwaardin (bordeelhoudster) met de fraaie naam 'De Baronnes in Emaus'.
In de stegen rond de kerk was in ieder geval al tamelijk vroeg betaalde liefde te vinden. In de Enge Kerksteeg, waar tegenwoordig het Prostitutie Informatie Centrum (PIC) kantoor houdt, werkte in de 18de eeuw Rachel de Wilde, bijgenaamd 'Smouse Rachel'. Haar pogingen om ook het winkelmeisje van de nabijgelegen tabakszaak 'in het vak' te krijgen, faalden omdat buurtbewoners zich daartegen verzetten.
Het Oudekerksplein was in de loop der tijd misschien iets minder deftig geworden, maar het was zeker geen achterbuurt. Vanaf 1701 werd tweemaal per week tussen twaalf en één uur een groentemarkt gehouden, aan de zuidkant van de kerk. De 'Meerboeren' uit de Bijlmer- en Watergraafsmeer mochten hier de oogst van hun warmoestuinen verkopen. Als bewoners vinden we in deze tijd nog steeds veel ambachtslieden, zoals een schoenmaker, keurslijvenmaker en een metselaar, maar ook rijke renteniers, zo leert ons een belastingkohier uit 1742. Enigszins uit de toon viel een stal waarboven op kamers 'geringe personen' leefden. Het kerkpersoneel was beter af. Zo had de doodgraver een geschat inkomen van zo’n ƒ 2000 gulden, terwijl de bankensluiter het met de helft moest doen. De rijkste buurtgenoot was de koster en koopman Jan Arent Abeleven. Hij bezat een overdekte wagen met twee paarden en toucheerde jaarlijks tenminste ƒ 3500.
Lokale beroemdheden
Een eeuw later was de sociale samenstelling van het Oudekerksplein nog altijd gevarieerd. Zelfs kleine industrieën, zoals een bierbrouwerij, tabaksverwerkerij, patentoliemakerij en drukkerij vonden hun weg naar het voormalige kerkhofterrein. Tot de lokale 19de-eeuwse beroemdheden kunnen we de jonge Jan Pieter Heije rekenen. Deze arts, musicus en dichter werd op 1 maart 1809 aan het Oudekerksplein geboren, als zoon van een Duitse chirurgijn die tevens capaciteiten als baardscheerder had. Wellicht was J.P. in zijn jongensjaren beïnvloed door Antony Cornelis Bourse, de blinde organist van de Oude Kerk.
Halverwege de 19de eeuw stonden in het bevolkingsregister twee ‘publieke vrouwen’ op het plein ingeschreven: twintigers uit Groningen en Rotterdam. Er zullen er nog wel meer geweest zijn, want rond deze tijd klaagden de kerkmeesters over hun aanwezigheid. De politieagenten zouden niet waakzaam genoeg zijn "met het oog op eenige slechte huizen in de buurt".
Was het aantal bordelen en prostituees werkelijk zo toegenomen? In de Franse Tijd (1811-1813) was prostitutie publiekelijk erkend: sekswerkers werden geregistreerd en gecontroleerd op geslachtsziekten. Officieel waren er ongeveer 800, maar vermoedelijk waren het er veel meer. Na het vertrek van de Fransen durfde het nieuwe stadsbestuur geen officiële regulering in te voeren, omdat dat een erkenning van het zondige beroep zou inhouden. In de praktijk hield de politie wel toezicht en was een vergunning verplicht. In 1817 kreeg de prostituee Naatje Scherf bijvoorbeeld toestemming om tijdelijk in te wonen bij Alida Verine, "achter de oude kerk".
Later in de 19de eeuw laaide een maatschappelijk debat op tussen afschaffers van prostitutie en voorstanders van gereglementeerde erkenning. De argumenten komen ons bekend voor. Prostitutie is onzedelijk en mensonterend, zeiden de afschaffers. De seksuele behoefte is niet te onderdrukken, meenden hun opponenten: die kan je dus maar het best in goede banen leiden.
Intussen waren er rond 1882 68 erkende bordelen, waarvan één op het adres Oudekerksplein 34. De ranzige publicatie Ervaringen en onthullingen van een middernachtzendeling uit 1890, een verwijzing naar de prostitutiebestrijders van de christelijke Middernachtzending, bevat een veel hogere schatting. Alleen al rond de Oude Kerk waren "een tiental publieke huizen, waarin gemiddeld een dertigtal even publieke vrouwen woonachtig zijn". Daarnaast zwierven 's avonds "in het geheimzinnig duister van het zwijgend kerkgebouw een twintigtal ongelukkigen rond": tippelaarsters dus.
Vriendelijke dames
Eind 19de eeuw wonnen de tegenstanders van prostitutie het pleit. Vanaf 1897 werd in Amsterdam het bordeelverbod ingevoerd, vanwege de wantoestanden en ‘tegennatuurlijke geslachtsbevrediging’. Hierna verdween prostitutie uit de openbaarheid, maar sigarenwinkels of massagesalons bleken goede dekmantels. Daarnaast poseerden de prostituees als eerzaam breiende huisvrouwen achter het raam. Ook in de buurt rond het Oudekerksplein waren een paar van die gemaskeerde raambordelen. Nel Hoenderdos woonde zo rond 1910 als kind in de hoerenbuurt. In haar jeugdherinneringen heeft zij het over “vriendelijke dames achter de ramen”. Voor Carmen, een “nog mooie, zwartharige hoer” op het plein, deed zij wel eens boodschappen. Totdat Nels moeder dit verbood omdat Carmen een ‘slechte vrouw’ was.
Het Oudekerksplein was begin 20ste eeuw dikwijls negatief in het nieuws. Dat er flink werd gezopen, blijkt bijvoorbeeld uit de 800 processen-verbaal wegens openbare dronkenschap die in 1921 rond het plein werden opgemaakt: het hoogste percentage van de stad. Op nummer 2 was in het begin van de eeuw bierhuis Riche, waar onder het genot van een drankje van harmonicamuziek en 'damesgezelschap' kon worden genoten. Soms liep het drinkgelag uit de hand. Op een hete nazomernacht in 1932 was het plein het toneel van een grote rel met bloedige afloop. Enkele buurtgenoten probeerden de arrestatie van een dronken zeeman te verhinderen, waarbij de politie met stenen werd bekogeld. Met hard optreden kon deze de orde herstellen, wat een toevallig aanwezige Duitse zanger bijna het leven kostte.
Als een oase van rust was in een van de muurhuisjes langs de kerk de biljartmakerij van de firma Rijken gevestigd. Na twee generaties Rijken had in 1947 B.J. Elswijk deze zaak op nummer 17 overgenomen, maar 25 jaar later verplaatste hij zijn werkplaats naar de Jordaan. Naast de biljartfabriek woonde genoemde schoenmaker Heubers met zeven kinderen in een piepklein huisje. Lange tijd zat glasbrander J. Jansen & Co op nummer 23, terwijl ook nog een smid, pruikenmaker en een bloemiste vertegenwoordigd waren.
Het Oudekerksplein hield in de naoorlogse periode een slechte naam. In 1959 is de buurt weliswaar ‘schoongeveegd’, maar in de jaren daarna trad de politie steeds minder hard op en kreeg de prostitutie een steeds openlijker karakter. De huisarts Jan Groothuyse, bekend als 'lijfarts' van schrijver Gerard Reve, hield praktijk en woonde op nummer 50. Hij was gefascineerd door de prostitutie in de buurt en schreef er zelfs een proefschrift over, waarvoor Reve de wervende flaptekst leverde. In zijn praktijk constateerde Groothuyse dat de branche in de jaren zeventig verhardde.
Ook Heymen Westerveld, tussen 1958 en 1985 koster van de Oude Kerk, maakte die verandering mee. Aanvankelijk was de prostitutie veel kleinschaliger en had het kostersgezin goede contacten met de dames. Zo ging Dikke Mien, gade van de legendarische onderwereldfiguur Haring Arie, niet voor het raam zitten als er activiteiten in de kerk waren. Volgens de koster is die gemoedelijke sfeer later verdwenen, omdat de meisjes geen Nederlands meer spreken en het verloop groter is.
Sinds de jaren zeventig is het aantal buitenlandse vrouwen inderdaad sterk toegenomen, terwijl ook de criminaliteit stevig toenam. Talloze middenstanders en kleine bedrijfjes verlieten het plein. De monumentale panden van kolenhandelaar Arends & Co (6-8) gingen in vlammen op, waarna de braakliggende grond tijdelijk als parkeerterrein dienst deed. Na veel protest van erfgoedorganisaties verscheen hier in 1996 een gloednieuw pand van architect Sjoerd Soeters. Sindsdien zit hier het in 1911 in de Warmoesstraat begonnen Kinderdagverblijf Prinses Juliana, als braaf bastion tussen massagehuizen en sekswinkels.
Typische Wallensfeer
Sinds de opheffing van het bordeelverbod in 2000 moeten de bordelen en kamerverhuurders aan wettelijke eisen voldoen. Toch kwamen steeds meer misstanden aan het licht. Het witwassen van drugsgelden, geweld en vrouwenhandel bleken nog steeds verweven te zijn met de seksindustrie. Daarom presenteerde het stadsbestuur onlangs het ambitieuze beleidsplan Grenzen aan de handhaving. Een onderdeel hiervan is de opschoning van het Oudekerksplein, die vooral een strijd zal worden tegen twee vastgoedhandelaren. Voormalig slager Jan Venekamp uit de Lange Niezel exploiteert 23 ramen en zijn collega Dirk Holtman bezit vier hoerenpanden op het plein. Mogelijkerwijs kan de gemeente hen overhalen om de prostitutiepanden te verkopen, zoals eerder seksondernemer Charles Geerts heeft gedaan.
Na het vertrek van de prostituees hoopt de gemeente dat de hoerenpanden dienst doen als kunst- en antiekzaken, wat het aanzien van de buurt ten goede zou moeten komen. Of het ooit zover zal komen? Eerdere schoonmaakacties boekten slechts tijdelijk resultaat, terwijl inmiddels ook verzet tegen de beleidsplannen is gerezen. Seksexploitanten, coffeeshophouders, kroegeigenaren en andere ondernemers op de Wallen hebben zich verenigd in Stichting 1012, genoemd naar het postcodegebied. Zij vrezen voor omzetverlies en zijn bang dat de ‘typische Wallensfeer’ verdwijnt.
Tijdens een wandeling op een druilerige dinsdagmorgen ligt het plein er enigszins verloren bij. De prachtige kerk staat opnieuw in de steigers, het huisvuil is nog niet opgehaald, een Ierse kroeg is dichtgetimmerd en een tragisch ogende temeier staat eenzaam achter haar raam. Toch is er leven: de medewerkers van een ontwerpbureau in een muurhuisje klikken achter hun pc’s, een bewoner leest zijn krant en in een café bekijkt de waardin de schade van de vorige nacht. Zolang er wordt geleefd en gewerkt, komt het wel goed met dit plein.