INSCHRIJVEN
NIEUWSBRIEF

By PDADCO payday loans


Nummer 3: Maart 2008

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

Inhoudsopgave
Nummer 3: Maart 2008
Geschenken voor de Oranjes
Paradiso houdt fier stand
Bruggen tussen IJ en Amstel
Oudekerksplein schoongeveegd
Surinamers onder elkaar
Alle pagina's

032008_Cover



Op het omslag: Het Oudekerksplein gezien vanuit de Enge Kerksteeg, in 1779 getekend door Hermanus Petrus Schouten. Collectie Van Eeghen / Stadsarchief.

- Geschenken voor de Oranjes
- Paradiso houdt fier stand
- Bruggen tussen IJ en Amstel (plaatje= brug 1)
- Oudekerksplein schoongeveegd
- Surinamers onder elkaar


Geschenken voor de Oranjes
Koningshuis krijgt eerder ballet dan 419-delig servies
Tekst: Anne-Mariken Raukema en Annemarie de Wildt
032008_OranjeVan een zilveren beker voor koning Willem III tot een wieg voor koningin Wilhelmina. Het stadsbestuur en de Amsterdamse burgers gaven de leden van het Huis Oranje-Nassau uiteenlopende geschenken. Diverse van deze cadeaus zijn de komende maanden te zien op de tentoonstelling Amsterdam & de Oranjes in het Amsterdams Historisch Museum.
De meeste geschenken die Amsterdam aan het koninklijk huis gaf, worden bewaard in Paleis Noordeinde en soms nog gebruikt. De geschenken, bij geboorten, huwelijken en regeringsjubilea, moesten de eerbied en genegenheid voor de Oranjes tonen. Deze eeuwenoude traditie is tegenwoordig in een andere vorm gegoten. De huidige Oranjes krijgen eerder een ballet dan een 419-delig zilveren tafelservies.
Een van de eerste eerbetonen van de stad waren de schaal en kan die prins Maurits, de held van de Slag bij Nieuwpoort, begin 17de eeuw kreeg of liever gezegd mocht gebruiken als hij in Amsterdam was. Schaal en kan zijn nog steeds in stadsbezit en horen tot het bruikleen van de stad aan het Rijksmuseum. Van de geschenken uit de Republiek is niet veel meer overgebleven. Toen prins Willem V in 1795 moest vluchten naar Engeland zijn verschillende edelmetalen voorwerpen omgesmolten en te gelde gemaakt. Dat gebeurde ook met de gouden dozen die steden als pillengiften bij koninklijke geboortes plachten te geven. Alleen de oorkonden met zegels bleven bewaard.
Stadhuis vol glazen
Een bijzonder 18de-eeuws voorwerp uit de collectie van het Koninklijk is het gebedenboek dat stadhouder Willem V en zijn vrouw Wilhelmina van Pruisen kregen bij hun bezoek aan Amsterdam in 1768. Het stadhuis was even omgebouwd tot paleis en schitterend verlicht met 6000 met olie gevulde bierglazen. Het versieren van de stad was ook een cadeautje aan de Oranjes. Dat werd deels door de stad zelf gedaan, en deels door particulieren. De jonge Willem en Wilhelmina werden rondgeleid door de stad, langs pakhuizen en werven van de Verenigde Oostindische en Westindische Compagnieën. Ze brachten ook een bezoek aan de Hoogduitse en Portugese synagogen. Daar werden lofzangen en zegeningen uitgesproken en de Portugees-joodse gemeente schonk het paar het boek. Dergelijk hoog bezoek was zeer belangrijk voor de Amsterdamse joden, die tot op heden de banden met het koningshuis koesteren.
Na de terugkeer naar Nederland van de zoon van Willem V in 1813, begon er weer een nieuwe traditie van geschenken. Als prinsen en prinsessen trouwden was het gebruikelijk een fraai servies te schenken. Van wederkerigheid is geen sprake bij geschenken aan de Oranjes. Wel kunnen de ridderordes en huisordes die Koning Willem I instelde, als een soort tegengeschenken beschouwd worden, net als de verheffingen in de adelstand. Ook die dienden, net als geschenken, om banden te smeden. Bij bezoeken aan de stad schonken de Oranjes giften aan de ‘armen der gemeente’.
In 1818 pakte Amsterdam uit met een enorm geschenk voor de oudste zoon van Willem I en zijn kersverse echtgenote, Anna Paulowna Romanowa, de zuster van tsaar Alexander I. De tsaar had meteen na de slag bij Waterloo aan Willem, de Held van Waterloo, zijn zusje aangeboden als bruid. Door het huwelijk werden er dynastieke banden gesmeed tussen de Oranjes en de machtige Romanovs. Na het glamoureuse huwelijk in Sint Petersburg bracht het pasgehuwde paar ook een bezoek aan Amsterdam. Het was acht dagen lang feest. Overal verrezen gedenktekens en was feestverlichting aangebracht. Amsterdam schonk het paar een 419-delig zilveren tafelservies. Of Anna Paulowna ermee ingenomen was, is niet bekend. Ze vond het in Nederland nogal gewoontjes na het Russische hof. Voor Nederlandse begrippen was het servies ongekend groot en schitterend en kwam het geheel tegemoet aan wat Anna gewend was,
Prinses Marianne, dochter van de koning, kreeg bij haar huwelijk in 1830 een 94-delig servies, gemaakt door de Amsterdamse zilversmeden Bennewitz en Bonebakker. Het kostte 18.837 gulden. Het was niet gebruikelijk tegengeschenken te sturen, maar Marianne stuurde een geschilderd portret van haarzelf naar de hoofdstad. Het schilderij werd naast dat van haar vader gehangen in de Raadzaal. Het servies heeft niet mogen baten voor het huwelijksgeluk. Vanwege zijn vele buitenechtelijke verhoudingen verliet Marianne haar man – en haar vijf kinderen - in 1849 en ging samenwonen met een man van lagere afkomst, die koetsier geweest was bij de koninklijke stallen.
Eenvoudige cadeaus
Misschien waren de Oranjes nog wel blijer met eenvoudige cadeaus. In april 1861 kreeg koning Willem III bij een bezoek aan de Willemsstraat een zilveren beker met deksel en inscriptie. De beker bleef in het paleis op de Dam en stond wanneer de koning Amsterdam bezocht bij de maaltijd op tafel. Voor het eerst sinds jaren komt de beker weer even terug naar Amsterdam en is te zien op het tentoonstellingsgedeelte over de speciale band van de Jordaan met de Oranjes.
In 1879 kregen koning Willem III en zijn jonge vrouw Emma van Waldeck-Pyrmont een nu protserig ogend zilveren tafelstuk, ook te zien op de tentoonstelling. Hun dochtertje Wilhelmina kreeg al jong herinneringen mee als ze in Amsterdam officiële handelingen verricht had, zoals de troffel waarmee de eerste steen voor het Wilhelmina Gasthuis gelegd werd en een model van een pantserschip dat ze in 1892 te water liet.
In 1897 ontstond het plan voor het meest imposante geschenk dat Amsterdam aan de Oranjes gegeven heeft: de gouden koets. Op de tentoonstelling in het Amsterdams Historisch Museum is een schilderij te zien van Otto Eerelman waarop Wilhelmina en Emma langs het Paleis voor Volksvlijt rijden. Daar stond op dat moment de Gouden Koets opgesteld die ze enkele dagen later zou bezichtigen. Niet iedereen was ingenomen met het initiatief van de Oranjevriendenkring uit de Jordaan. De socialist Louis Hermans riep de Amsterdammers op hun zuurverdiende centen beter te besteden dan aan een koets voor iemand die “ongeveer 150 van deze vervoermiddelen” bezit.
Soms gaf de gemeente cadeaus aan de Amsterdamse schoolkinderen, zoals de bordjes met een W, ontworpen door C.A. Lion Cachet die uitgedeeld werden als herinnering aan de inhuldiging. Lion Cachet ontwierp ook de gebatikte band van de catalogus van de Oranje Nassau tentoonstelling, die – ook een soort eerbetoon – in 1898 in het Rijksmuseum te zien was.
Koningin Wilhelmina wilde liever geen geschenken aanvaarden ter gelegenheid van de inhuldiging. Zij maakte een uitzondering voor de Indische vorsten die naar Nederland gekomen waren. Zo kreeg ze van de Sultan van Siak een olifantstand die bij de firma Van Kempen was voorzien van een zilveren versiering. De onlangs – wederom door Van Kempen (en Begeer) – gerestaureerde tand is te bewonderen op de tentoonstelling, naast een ontwerptekening voor het linkerpaneel van de gouden koets met als onderwerp ‘de Hulde der Koloniën’.
Bij het huwelijk van koningin Wilhelmina met prins Hendrik in 1901 schonk de gemeente Amsterdam het paar een 97-delig zilveren tafelgarnituur, bestaande uit bloemenschalen, kandelaars, fruitschalen met scheppen en bonbonschalen. Dit alles in Art Nouveau stijl naar ontwerp van Jan Eisenloeffel (1876-1957). Volgens de zilvermeester van het koninklijk huis wordt dit ensemble niet zo vaak gebruikt tijdens staatsbanketten omdat het slecht combineert met de serviezen in 19de-eeuwse neostijlen. De bonbonschalen vallen in de smaak bij prinses Maxima.
Borduurwerk
Een Amsterdams damescomité schonk bij het huwelijk meubels bestemd voor Paleis het Loo. Ze waren door honderden vrouwen zelf geborduurd, met ruim 12 miljoen steken. Het was gebruikelijk over geschenken van te voren te overleggen. De koningin had een voorkeur uitgesproken voor Louis XIV-stijl.
In 1909 kreeg koningin Wilhelmina weer een cadeau in de moderne stijl van een comité van Amsterdamse vrouwen en meisjes. Toen Wilhelmina, na enkele miskramen weer zwanger was, nam burgemeestersvrouw Van Leeuwen-Waller het initiatief tot het aanbieden van een wieg. De wieg, naar ontwerp van architect K.P.C. de Bazel vormt een hoogtepunt in de Nieuwe Kunst. Leerlingen van de Rijksschool voor kunstnijverheid en van de Industrieschool voor de vrouwelijke jeugd verzorgden borduurwerk, kant en de bekleding van de wieg. De dames van de verenigingen Tesselschade en Arbeid Adelt maakten het beddengoed.
Op verzoek van koningin Wilhelmina werden ook gelden ingezameld voor liefdadigheid. En zij ontving inderdaad wiegen en babyuitzetten bestemd voor behoeftige kraamvrouwen. Of er ook een wieg naar een arme Amsterdamse moeder ging is niet bekend.
Tijdens de 20ste eeuw veranderden de huldeblijken voor het vorstenhuis; het edelmetaal maakte plaats voor cadeaus met een meer cultureel karakter en goede doelen. Zo kreeg Wilhelmina bij haar zilveren regeringsjubileum in 1923 een galaconcert in het Concertgebouw kregen aangeboden. Een uitzondering was het huwelijkscadeau voor Juliana en Bernhard die in 1937 van de provincies en grote steden de verbouwing en inrichting van Paleis Soestdijk aangeboden.
Het versieren van de stad is tot begin 20ste eeuw doorgegaan. Hierbij werden kunstenaars als Kromhout, Berlage en Cuypers ingeschakeld. Maar ook buurten toonden door straatdecoraties hun Oranjeliefde. In 1948 bij het regeringsjubileum van Wilhelmina en inhuldiging van Juliana werden optochten door de stad gehouden en vond een volksbijeenkomst plaats in het Olympisch Stadion. Bij de zilveren bruiloft van Juliana en Bernhard in 1962, bood Amsterdam een grote receptie aan en bijeenkomsten in de RAI en het Rijksmuseum.
Bronzen uil
In 1956 had kroonprinses Beatrix voor haar 18de verjaardag van Amsterdam een mooi symbolisch cadeau gekregen: een bronzen uil, ontworpen door John Raedecker. In 1968 kreeg Juliana ook een vogel ter gelegenheid van de opening van de IJtunnel. Het geschenk – een zilveren duif – was niet symbolisch bedoeld. Het was een geschenk van Amsterdamse postduivenhouders. Beatrix was in 1980 bereid een inhuldigingsgeschenk te aanvaarden. Het werd de beeldengroep Drie vrouwen van de Amsterdamse kunstenaar P.P.A. Erftemeijer. De kosten, 46.000 gulden, werden opgenomen in de totale kosten voor de inhuldiging.
Een bijzonder geschenk voor de 65ste verjaardag van Beatrix in 2003 bedacht de hoofdetaleur van De Bijenkorf. De gemeente verzorgde de uitvoering: voor het paleis op de Dam kwamen zeer grote foto’s met gedenkwaardige momenten die Beatrix in Amsterdam beleefd heeft, zoals het bezoek met Majoor Bosshardt aan de Wallen en de ‘kus in de Jordaan’.
De start van het zilveren regeringsjubileum in 2005 was in Amsterdam. In de Nieuwe Kerk werd een glas-in-lood raam van Marc Mulders onthuld, ook een voortzetting van een oude traditie. Vervolgens bood de stad een concert aan en een ballet met choreografie van Hans van Manen, opgedragen aan koningin Beatrix.
Bij het huwelijk van Willem Alexander en Maxima werd de oude traditie van stadsversieringen door kunstenaars weer opgepakt. Ook de ludieke oranje rookbom was onderdeel van het huldeblijk. Amalia en haar zusjes kregen geen pillegiften meer van de stad of geschenken van comités. Wel werden ze bedolven onder kleertjes en speelgoed van particulieren. Pauline Kruseman, die door haar vroegere voorzitterschap van het 4/5 mei comité goede contacten heeft met het Koninklijk Huis gaf bij de geboorte van Alexia een kinderencyclopedie. De trotse ouders bedankten met een kaartje met de jongste Oranje in de Amsterdamse wieg.


Paradiso 40 jaar
Van ‘cosmisch ontspannningscentrum’ tot 24-uurs onderneming
Tekst: Karin Lakeman
032008_ParadisoHet was de ‘Summer of Love’, de zomer van 1967. Amsterdam was flower-power-hoofdstad van Europa. De hippies wilden ook binnenshuis een eigen plek om elkaar te ontmoeten: voor muziek, debat en ‘happenings’. Die plek kwam er, in maart 1968. Het gebouw van de Vrije Gemeente werd omgetoverd tot ‘cosmisch ontspanningcentrum’. Vele trends en crisissen later houdt Paradiso nog steeds fier stand.
Paradiso werd vorig jaar nog altijd verkozen tot het beste poppodium van Nederland. En ook wereldwijd heeft de organisatie een naam hoog te houden. Bijna dagelijks komen er buitenlandse toeristen die nog even willen zien waar ze ooit die onvergetelijke avond hebben beleefd. Willem de Ridder, 40 jaar geleden een van de initiatiefnemers: “Ik ben trots dat ik betrokken ben geweest bij de oprichting en dat Paradiso nog steeds loopt als een trein. Het is een historische club.”
De beroemdste rij van de stad kronkelt meerdere keren per week over de Weteringschans. Er is opgetreden door talloze popsterren, onder wie Prince en U2, en jazz-grootheden als Ben Webster en Dexter Gordon. Zelfs de Rolling Stones, die met gemak voetbalstadions kunnen vullen, gaven er in 1995 twee concerten. Maar ook de Zangeres zonder Naam en Lee Towers stonden er beiden voor een uitverkochte zaal. De eerste gaf er in 1987 haar afscheidsconcert en de tweede zong er in 2004 met de originele begeleidingsband van Elvis Presley. Lee vond het zo geweldig om in Paradiso te spelen dat hij zich aan iedereen - van schoonmaker tot receptionist - voorstelde: “Hallo, ik ben Leen.”
Paradiso is groots en intiem tegelijkertijd. Het publiek staat in het historische pand met de neus op het podium. De musici voelen zich via de balkons omringd door het publiek. Een uitverkocht Paradiso is een feest voor iedere muzikant. De service voor de bands en het technisch personeel zijn bovendien van wereldklasse. En ja, al die grote namen: die dragen natuurlijk bij aan de mythevorming, zodat elke artiest er graag wil optreden, ook al is het vaak met gierende zenuwen. Want dat kritische Amsterdamse Paradiso-publiek: dat kan je maken of breken.
Het is vooral de sfeer die ervoor zorgt dat muzikanten er graag willen spelen én er willen terugkomen, zegt Jan Willem Sligting, die ruim 25 jaar programmeur is bij Paradiso en er als bezoeker en muzikant al vanaf de begintijd komt. “Je kunt zeggen dat er in de loop der tijd veel veranderd is. Dat is ook zo, want de muziek is erg veranderd. Maar in feite is alles ook hetzelfde gebleven: er komt een band spelen en wij proberen de verbinding tussen muzikanten en publiek zo mooi mogelijk te maken.”
Meer dan poppodium
Paradiso is altijd méér geweest dan alleen een poppodium. Er vonden en vinden theater- en filmvoorstellingen plaats, politieke en culturele manifestaties, kinderactiviteiten en feesten. En er is ook altijd ruimte geweest voor klassieke muziek en jazz. Tegenwoordig is het bijna een 24-uurs onderneming met drie podia in de grote zaal, de kleine zaal en de kelder, 350 werknemers en meerdere programma’s per dag. Er wordt voortdurend ‘omgebouwd’: waar bijvoorbeeld ’s middags een lezing is gehouden, wordt ’s avonds een popconcert gegeven dat weer overloopt in een dansnacht. De activiteiten zijn in de afgelopen 40 jaar gigantisch toegenomen. Vorig jaar waren er ruim 500.000 bezoekers (een recordaantal voor Paradiso), ruim 900 programma’s en een omzet van zo’n 13 miljoen euro.
Maar terug in de tijd. De hippies willen in 1967 een eigen ‘klup’ en hebben hun oog laten vallen op het leegstaande gebouw van de Vrije Gemeente, dat inmiddels eigendom is van de gemeente Amsterdam. Flower-power-voormannen als Willem de Ridder, Koos Zwart, Matthijs van Heijningen en Peter Bronkhorst zijn met de gemeente in overleg over de vestiging van een jongerencentrum in het gebouw. Ze hebben zelfs al een naam bedacht: Paradiso. Maar het overleg met de gemeente schiet niet echt op en in oktober 1967 besluit men over te gaan tot kraak van het gebouw. Zo’n vijftig mensen zetten een in het Vondelpark begonnen ‘love-in’ voort in het gekraakte Paradiso, waar meteen de politie binnenvalt en een einde maakt aan de festiviteiten.
Willem de Ridder en Koos Zwart zijn in dezelfde oktobermaand in 1967 in Felix Meritis begonnen met de organisatie van wekelijkse Provadya-avonden: muziek- en theater-happenings voor een hippie-publiek, genoemd naar een Tibetaans klooster. De zaal in Felix Meritis is klein en het wordt er met de week voller. De druk op de gemeente voor een eigen onderkomen wordt flink opgevoerd, onder andere via het muziekblad Hitweek van De Ridder, waarin bijvoorbeeld een ‘Open brief aan ’n wethouder!!’ wordt gepubliceerd.
Begin 1968 komt er schot in de zaak en wordt de gemeentelijke Stichting Vrijetijdscentra Amsterdam opgericht, die voorlopig het gebouw van de Vrije Gemeente gaat runnen. In Hitweek van 9 februari verschijnt op de voorpagina een artikel dat de opening van Paradiso aankondigt, op 23 februari. Het wordt een maandje later.
Fantastiese lichtshow
Op de openingsavond treden onder andere de popgroep CCC Inc., een Surinaamse steelband en een damesdansclubje op. Willem de Ridder fungeert als dj en Koos Zwart presenteert psychedelische vloeistofdia’s. De avond is drukbezocht en volgens een verslag in Hitweek een succes: “Paradiso is op de 30ste maart geopend en 1300 bezoekers hebben een fantastiese lichtshow, een uniek, geestverruimend en adembenemend programma meegemaakt, uitstekende muziek gehoord en voor een fantastiese sfeer gezorgd.”
Ook de avonden erna - begonnen werd met twee keer per week, maar het werd al gauw meer - waren succesvol. “Paradiso sloeg in als een bom”, aldus Willem de Ridder. “Niet alleen bij het Nederlandse publiek; er kwamen bijvoorbeeld ook veel Amerikanen en Duitsers.” En al in de eerste maanden treden er internationaal bekende bands op als Pink Floyd, The Pretty Things en Captain Beefheart, zodat Paradiso al snel het stempel van ‘poptempel’ krijgt.
Maar De Ridder en de organisatoren rondom hem willen van Paradiso - die ze de ondertitel ‘cosmisch ontspanningscentrum’ meegeven - bewust meer maken dan alleen een muziekpodium. Voor hen zijn de happening-achtige avonden het belangrijkst, met acts als het Erooties Dansduo en het Slechtste Orkest Ter Wereld. Veel wierook- en hasjwalmen en voor die tijd nog ongebruikelijk lichtshows. De Ridder vond het allemaal geweldig, en als hij er nu op terugkijkt, vindt hij dat nog steeds. “Het was heel gezellig, gemoedelijk. Mensen zaten vaak op de vloer, iedereen was open en alles ging heel spontaan. Er was een soort huiskamersfeer.”
Paradiso in ‘t slop
De Ridder en de zijnen kunnen echter niet door één deur met de door de gemeente aangestelde bedrijfsleiding en bestuur en houden het na een half jaar voor gezien. Het is het eerste conflict in een lange rij tussen bestuur, directie, medewerkers en gemeente. Wellicht geheel volgens de tijdsgeest en in sommige gevallen breed uitgemeten in de pers, zoals het mislukte directeurschap van muzikant Hans Dulfer begin jaren negentig. Sinds het aantreden in 1992 van de huidige directeur Pierre Ballings lijkt Paradiso een goed geoliede machine. In ieder geval komt er weinig negatiefs meer naar buiten.
In de begintijd zijn er niet alleen interne problemen. Vanaf de opening in 1968 wordt er regelmatig gevochten: er zijn dan nog geen portiers om dronken en/of ruziezoekende jongeren te weren. En begin jaren zeventig, als harddrugs hun intrede doen in Amsterdam, is het in Paradiso vaak bepaald niet pluis. Maar de programmering gaat vrolijk door. Gert-Jan Dröge organiseert bijvoorbeeld feesten met rolschaatsacts, de verkiezing van Mr. & Miss Decadentie en een optreden van Olga Lowina.
Toch raakt Paradiso langzamerhand in ‘t slop: er wordt eindeloos gediscussieerd over welke kant het op moet, er zijn financiële problemen, het is moeilijk heroïnedealers buiten de deur te houden en het publiek is - wellicht door de drugs - enigszins apathisch geworden. De programmering is ook niet echt vernieuwend meer.
Dat verandert als in 1977 de punkmuziek en ook new wave hun intrede doen. Huib Schreurs (muzikant bij CCC Inc., jarenlang vaste bespeler van Paradiso) is in dat jaar directeur geworden en hij vindt het belangrijk dat Paradiso de nieuwe bands uit Engeland en de Verenigde Staten naar Nederland haalt. Voor de oudere jongeren onder ons: in 1977 treden er de Sex Pistols, Blondie, The Police, The Ramones en de Talking Heads op. Andere zalen de nieuwe muziektrends nog enige tijd liggen, maar Paradiso is er als de kippen bij. En met resultaat: de zaal zit geregeld barstensvol en er gebéúrt weer iets. Sindsdien is het bergopwaarts gegaan.
Onder leiding van Schreurs - dertien jaar directeur - is Paradiso niet alleen een muzikale ‘hotspot’, maar manifesteert het bedrijf zich ook meer en meer als cultureel centrum dat verbindingen legt tussen allerhande maatschappelijke ontwikkelingen. Schreurs organiseert er zelfs bijbellezingen en requiem-missen. Van 1982 tot 1986 siert een zachtjes heen en weer bewegend kruis het dak van Paradiso: een verwijzing naar het religieuze verleden van het gebouw.
Niet zomaar een tentje
Huub van der Lubbe is de muzikant die waarschijnlijk het meest in Paradiso heeft opgetreden: over de 100 keer, schat hij. De helft daarvan als zanger van popgroep De Dijk, de andere keren tijdens gastoptredens en op thema-avonden. Hij vindt het nog steeds bijzonder om er te spelen: “Voor bands en publiek is het een geweldige plek. Dat komt door de geschiedenis. Het is echt een poptempel, er wordt daar al zo lang muziek gemaakt. Die hele historie hangt er in de lucht. Dat dwingt respect af. Als je daar voor het eerst optreedt, dan denk je toch: ik speel niet in zomaar een tentje; ik treed in de voetsporen van de hele groten.”
Voordat hij er zelf ging optreden, kwam hij er regelmatig als bezoeker. Hij ging veel naar Herman Brood en naar soul-avonden. En hij dacht: “Daar wil ik ook eens komen te staan.”
Dat gebeurde voor de eerste keer met De Dijk in 1981, als voorprogramma van de Vlaamse zanger Raymond van ’t Groenewoud. De laatste jaren geeft De Dijk rond de Kerst steevast een aantal concerten in Paradiso. Dat is traditie geworden. Altijd uitverkocht en altijd een feest.
Er is volgens Van der Lubbe veel veranderd in Paradiso tussen 1981 en nu: “Het is veel zakelijker en efficiënter geworden. Dat vind ik alleen maar goed. Dat schimmige gedoe, daar koop je niks voor.” Een andere belangrijke verandering is volgens Van der Lubbe dat “het zelfingenomene” inmiddels weg is. Personeel en technici wisten dondersgoed voor welke belangrijke zaal zij werkten. “Het is een tijd zo geweest alsof het allemaal om hen draaide en dat sommige mensen uitstraalden: ‘Jullie mogen verdomd blij zijn dat jullie hier mogen spelen.’ Maar dat is inmiddels erg veranderd en het is dik in orde nu met Paradiso.”
In de tussentijd is er in Amsterdam wel concurrentie gekomen: de Melkweg blaast een aardig partijtje mee en grote acts gaan de laatste jaren vaak naar de Heineken Music Hall in Zuidoost. Daar kunnen zo’n 5000 mensen in. En toch: vóórdat de namen groot worden en daar terecht kunnen, doen ze vaak nog steeds de Weteringschans aan. De concurrentie is voor programmeur Jan Willem Sligting een onomkeerbaar feit: “De popmuziek is een steeds centralere plek in het culturele landschap gaan innemen.”
En hoewel Paradiso commerciëler is geworden, telt niet alleen het geld. Men wil nog altijd vernieuwend zijn. Er wordt gewerkt met een systeem dat Paradiso ‘interne subsidiëring’ noemt. Aan uitverkochte programma’s wordt goed verdiend en daarvan kunnen dan concerten met vooralsnog onbekend talent worden bekostigd. Paradiso wil nog steeds niet louter een poppodium zijn, maar een cultureel centrum dat zich voornamelijk richt op ‘jonge cultuur’. Toch komen de oudjes ook regelmatig aan hun trekken. Willem de Ridder was bijvoorbeeld onlangs bij het programma waarin de nummers van Bob Dylan in het Nederlands werden gezongen.
Volgens Huub van der Lubbe is Paradiso “nog steeds dé tent in Nederland”, in ieder geval voor Nederlandse bands. Maar ook als hij met buitenlandse muzikanten praat, gaat er altijd een belletje rinkelen als hij het over Paradiso heeft. “Ahoy of het Gelredome, dat zegt ze niet zoveel. Maar als je de naam Paradiso laat vallen, is het altijd: ‘Ja, Paradiso!’. Paradiso is toch specialer. Als je als band afscheid neemt van Paradiso, als je voor grotere zalen gaat spelen, laat je wel iets achter je. Ahoy is geen rock-‘n-roll meer. Paradiso is meer het echte werk. Als je Paradiso verlaat, is het bijna alsof je afscheid neemt van je jeugd.”


Het gebouw
Vaak wordt gezegd dat Paradiso gehuisvest is in een voormalige kerk. Dit is niet helemaal waar. Het pand aan de Weteringschans is het voormalige ‘verenigingsgebouw’ van de Vrije Gemeente, een progressieve geloofsgemeenschap die werd opgericht in 1877 en een afsplitsing is van de Hervormde Kerk. Wijsheid, vond de Vrije Gemeente, was te vinden in alle religies en levensbeschouwingen, niet alleen in het christendom. En iedereen was mans of vrouws genoeg om zelf de zoektocht naar die wijsheid te ondernemen. Met die gedachte richtte men een vereniging op. De vereniging gaf aan G.B. Salm - ook bekend van het ontwerp voor de Wintertuin van Krasnapolsky en jarenlang vaste architect van Artis - opdracht om een onderkomen te ontwerpen. Het gebouw mocht niet te kerkachtig worden, al kwamen er wel een katheder en een orgel. Het werd in 1880 in gebruik genomen.
Toen men 80 jaar later voor de keus kwam te staan om het gebouw grondig te restaureren of elders nieuwbouw te plegen, werd voor het laatste gekozen. De Vrije Gemeente verhuisde naar Buitenveldert en later nog een keer naar de Johannes Vermeerstraat. In 1965 vond de laatste zondagsdienst van de Vrije Gemeente aan de Weteringschans plaats. Het gebouw werd een speculatieobject, waar onder andere een semi-illegale tapijtopslag en leegstand tot een snelle aftakeling leidden. Maar toen kwam Paradiso.


Bruggen over de Nieuwe Herengracht
Schepen varen via gracht naar de Amstel
Tekst: Peter van der Pouw Kraan

032008_BrugWaar stroomt de Amstel in het IJ? Voor vrachtschippers is het duidelijk. In de delta van grachten en duikers telt voor hen sinds 1874 maar één route: via de Nieuwe Herengracht. De 19de-eeuwse bruggen over de gracht bestaan niet meer, maar een wandeling langs de gracht biedt nog steeds interessante techniekhistorie.
We hebben afgesproken in het brugwachtersgebouwtje aan de Prins Hendrikkade waar de Nieuwe Herengracht via de Schippersgracht uitkomt in het Oosterdok. Boven in het ronde gebouwtje biedt een behaaglijk warme kamer uitzicht over de Nieuwe Vaart, het Oosterdok en de Nieuwe Herengracht. Vanaf hier bedienen brugwachters de Kortjewantsbrug over de Prins Hendrikkade. Daarachter, bij het Kadijksplein, zie je een monumentale ijzeren ophaalbrug, de Scharrebiersluis. En voorbij drie moderne basculebruggen ligt in de verte aan de Amstel een ouderwetse houten ophaalbrug, de Walter Süskindbrug.
Roel Brevoord, hoofd van de brugwachters in het cluster Amstelsluis bij de dienst Binnenwaterbeheer, heet mij welkom. Hij gaat twee nieuwe collega's wegwijs maken in de brugbediening en ik mag mee. “Dit is de doorgaande scheepvaartroute van het IJ via de Amstel naar Uithoorn," legt hij uit. "Hier passeren de schepen met steenkoolteer voor de Cindu in Uithoorn, met zand voor een wegenproject in Diemen, et cetera. Wanneer schippers binnen Amsterdam een brug willen draaien, melden ze dat met de marifoon aan de posten van Nieuwe Meer, Westerkeer, Oosterdok of Amstelsluis. Via de portofoon wordt het doorgegeven aan de collega's op de route en dan zorgen wij dat ze door de stad heen komen."
Het Hollandse type
Ondertussen zijn we aangekomen bij de Walter Süskindbrug (Zie plaatje), genoemd naar de man die in de oorlog veel joden heeft gered en later zelf in een concentratiekamp is gestorven. Deze dubbele ophaalbrug is pas in 1972 gebouwd, maar is een replica van de houten ophaalbruggen zoals die al in de 16de eeuw in Nederland gebruikelijk waren. Kenmerkend voor dit ‘Hollandse type’ is een soort houten poort, de hameipoort, waar voetgangers, fietsers en automobilisten onderdoor gaan. Het brugdek hangt aan twee kettingen die zijn bevestigd aan de uiteinden van twee evenwijdige balken. Aan de andere uiteinden zijn de balken verbonden met een ballastkist met daarin een contragewicht. De oude Hollandse ophaalbruggen waren van hout en werden met de hand bediend, maar de Walter Süskindbrug verbergt onder zijn houten bekleding een stalen geraamte, en twee elektromotoren zorgen voor de aandrijving.
Hoofdbrugwachter Brevoord opent naast de brug een stalen kist met een bedieningspaneel met schakelaars. Met een druk op de knop zet hij de verkeerslichten op rood. Aan de hameipoort zit speciaal voor de bediening van de slagbomen een extra kastje met drie knoppen, met de bijschriften 'op', 'neer' en 'stop'. Daar heb je beter zicht, want "het is een gevaarlijk bruggetje om te draaien". Er wil wel eens een nietsvermoedende toerist in de weg staan. De rood-witte slagbomen zijn verborgen in rechtop staande grachtengroene kokers, zodat ze pas dalend zichtbaar worden.
Met twee schakelaars tegelijk bedient Brevoord vervolgens vanaf het paneel de beide elektromotoren, die zich in groene kastjes aan de zijkant van de brug bevinden. IJzeren kettingen trekken de klappen omhoog. Bij het sluiten van de brug moeten die weer precies tegelijk beneden aankomen. De ene klap gaat in het begin iets sneller, maar houdt later even in. Een elektronisch regelsysteem, een Programmable Logic Controller (PLC), zorgt dat het goed gaat, meestal. "Hiervoor had je grote relais, die hoorde je klikken en ze deden het altijd. Die waren niet warmtegevoelig en niet vochtgevoelig. Nu is het een chip." De PLC is een soort computer. Nieuwe bruggen krijgen er standaard een, vertelt Jacob Jan Kalverboer van de dienst Infrastructuur, Verkeer en Vervoer later telefonisch. De tendens is om de meeste bruggen van een PLC te voorzien, omdat ze dan op afstand te bedienen zijn.
Het Amsterdamse type
De verderop gelegen Scharrebiersluis is qua ontwerp een opvolger van het ‘Hollandse type’. Rond 1900 beantwoordde dit type steeds minder aan de veranderde eisen van het wegverkeer met zijn auto's, trams en voetgangers. Vooral in de steden ontstond behoefte aan bredere bruggen. Een verbrede hameipoort zou echter een lelijke, plompe indruk geven. In Amsterdam werd een nieuw model ontwikkeld, uitgevoerd in staal. Het kreeg in Nederland veel navolging en raakte bekend als het ‘Amsterdamse type’. Belangrijkste kenmerk is het verdwijnen van de hameipoort. In plaats daarvan zijn er twee los van elkaar staande hameistijlen waar de balans tussen scharniert. Koppelingen tussen de balansarmen geven de veel bredere balans zijn stevigheid. Het brugdek hangt niet met kettingen, maar met ijzeren stangen aan de balans.
De bruggen van het ‘Hollandse type’ werden destijds nog met de hand omhooggetrokken, aan een ketting die aan de balans hing, en neergelaten doordat de brugwachter over een soort trapje tegen het brugdek opliep. Het nieuwe type brug was daarvoor te zwaar. Voor de handbediening kwamen er windwerken en tandwielen en al gauw werd er met elektromotoren gewerkt. Aan het brugdek zit aan weerszijden, naast de hameistijlen, een groot stalen kwadrant: een kwart tandwiel. Aan de hameistijl zelf zit een klein tandwiel, een rondsel, dat daarop aangrijpt. Als het draait, dan beweegt de brug.
De eerste brug van dit type ligt halverwege de Hoogte Kadijk. Deze brug is gebouwd in 1903 en was toen waarschijnlijk de grootste enkelvoudige ophaalbrug ter wereld. Bovendien was het de eerste stalen ophaalbrug in Nederland. Vóór die tijd werden ijzeren bruggen gemaakt van gietijzer of welijzer. De huidige Scharrebiersluis, genoemd naar een slap soort bier voor werklui in vervlogen tijden, dateert van 1906. In een kelder onder de hameistijlen bevindt zich een elektromotor die beide rondsels aandrijft.
Aan beide kanten van de brug staan nog de ijzeren hekken die ooit het verkeer tegenhielden, maar hun functie is overgenomen door slagbomen, net als bij de Walter Süskindbrug weggewerkt in kokers met een groene schutkleur. "Twintig jaar geleden deed je de hekken met de hand dicht", vertelt Brevoord. "Je moest altijd met zijn tweeën zijn: een persoon voor de hekken aan deze kant en een voor die aan de andere kant. Het is nu eenmansbediening geworden." De bediening verschilt niet veel van die van de vorige brug. De verkeerslichten gaan aan, een bel rinkelt. Enkele fietsers haasten zich nog onder de dalende slagbomen door. De grendels schuiven van de brug. De draaiende kwadranten tillen het brugdek omhoog. Als hun uiteinden het wegdek naderen, gaan daar precies op tijd twee luikjes ver genoeg open om de punten in een putje te laten zakken. Brevoord: "Dat hebben ze wel mooi gemaakt, hè, begin 1900."
Moderne basculebrug
Tenslotte bekijken we een moderne brug voor brede wegen waarover auto’s kunnen razen. We wandelen over de kade naar de Kortjewantsbrug. Vroeger bevond zich hier een zogenoemde oorgatbrug: een vaste brug met in het midden over de volle breedte een luik, dat open ging voor schepen waarvan de mast boven de brug uitstak. “Kort je want”, riep de brugwachter dan.
De huidige brug is gebouwd in 1968. Het is een basculebrug. Daarbij hangt het contragewicht niet aan een balans boven de brug, maar is het met balken aan het brugdek zelf bevestigd, meestal onzichtbaar weggewerkt in een basculekelder. Basculebruggen zijn niet nieuw. Al in 1837 werd in Nederland de eerste ijzeren basculebrug gebouwd en daarvoor bestonden er houten basculebruggen. Vanwege de grote variatie in aandrijfmechanismen noemen de auteurs van het boek 2000 jaar Beweegbare Bruggen ze “de speeltuin van werktuigbouwkundigen”.
Door een grote, rode stalen deur aan het eind van de kade gaan we de kelder in. De auto’s op de brug veroorzaken een permanent geraas met keldergalm. Bovengronds merk je nauwelijks dat je over een brug rijdt, maar wat je ondergronds ziet is spectaculair. In een kelder die nog breder is dan de 24 meter van het brugdek hangt een enorme ballastkist roerloos aan het uiteinde van zeven lange stalen balken. In de ballastkist zitten luiken. "Als er nieuw asfalt op de brug komt, wordt het contragewicht bijgesteld door er ijzerbroodjes uit te halen of in te stoppen", vertelt Brevoord.
Hij belt zijn collega's in het brugwachtershuisje en vraagt hen de brug in beweging te zetten. Een waarschuwingsbel rinkelt oorverdovend. Boven ons gaan de slagbomen dicht en het autolawaai verstomt. Een elektromotor drijft lange, gele assen aan en de steunen onder de ballastkist schuiven terug. In de verte drijft een tweede motor de rondsels aan die aan weerskanten van de ballastkist zijn bevestigd. Ze draaien langs de binnenkant van twee reusachtige kwadranten met een straal van een meter of vier, vijf, die aan de muren van de kelder zijn bevestigd. Vanaf een balustrade zien we de ballastkist de diepte in draaien en buiten gaat onzichtbaar voor ons de brug omhoog.
Even later kan de brug weer dicht. De aandrijfmotor laat nu de rondsels de andere kant op draaien, langs de kwadranten weer omhoog. Een korte vertraging aan het eind en zachtjes landt het brugdek weer op zijn plaats. De beide steunen schuiven weer op hun plaats. De brug ligt vergrendeld, de slagbomen gaan omhoog en het autoverkeer boven ons komt op gang.


Reuring rondom de Oude Kerk
Oudekerksplein: Veelzijdig buurtje of 'bakermat der ontucht'?
Tekst: Maarten Hell
032008_KerkHorden toeristen drentelen dagelijks langs de 'ramen' aan het Oudekerksplein. Het stadsbestuur maakt het gebied rond de Oude Kerk het liefst geheel prostitutievrij om zo recht te doen aan “de culturele historie van de Wallen". Inderdaad is er heel wat hoogstaande cultuur te zien, om te beginnen de Oude Kerk zelf. Maar onmiskenbaar heeft ook ‘het oudste beroep’ zijn stempel op het plein gedrukt.
Het plein rond de Oude Kerk behoort tot de oudste gedeelten van Amsterdam. Tijdens de langdurige restauratie van de kerk (1955-1979) bleek dat er rond 1250 al een kerkhof was, waarnaast waarschijnlijk eerst een houten kapel stond. De eerste stenen kerk is in 1306 ingewijd door de bisschop van Utrecht en bereikte in de daaropvolgende twee eeuwen zijn huidige omvang. Het buitengelegen Oudezijdskerkhof (in de kerk zelf is nog tot 1865 begraven!) was in 1578 al vol, maar dit gebied rond de kerk is pas in de tweede helft van de 17de eeuw bestraat. Sindsdien is er dus pas echt sprake van een ‘plein’ – dat overigens steeds kleiner werd, naarmate de kerk groeide.
Bij opgravingen in 1983 zijn de restanten blootgelegd van de oudste woningen op het Oudekerksplein: kleine houten huisjes uit de periode van het vroegste kerkhof. In de 14de eeuw zijn deze vervangen door grotere, stenen huizen. Over de vroegste bewoners is weinig bekend; vermoedelijk waren het vissers en ambachtslieden. Eén enorm pand stond dwars op het plein: het liep van Warmoesstraat (nummer 77) tot de Oudezijds Voorburgwal. Tegenwoordig zijn hier een kinderdagverblijf en enkele peeskamers gevestigd, maar rond 1380 was het gehele complex in het bezit van Jacop Dier, kapelaan van de Oude Kerk. In de 15de eeuw is het perceel van Dier in stukken verdeeld en zijn er kleinere huizen gebouwd met de korte kant aan het plein.
Muurhuisjes
In de groeiperiode van de stad aan het eind van de 16de eeuw trok het Oudekerksplein een bonte stoet Amsterdammers aan. Kooplieden, ambachtslieden en middenstanders waren elkaars buren. In 1585 woonden er behalve een bakker, kleermaker en een 'kousenbreyer' ook een notaris, makelaar en zelfs een schatrijke regent-koopman. Beroemde bewoners waren de kunstschilder Cornelis Ketel en de componist Jan Pietersz. Sweelinck, de organist van de Oude Kerk. Sweelinck woonde met zijn broer en zuster aan het plein totdat hij in 1590 naar een ruimere woning in de Kalverstraat verhuisde. En rond 1650 eeuw werkten boekverkoper en uitgever Jan Jansz van Santen en diens zoon Dirck op het huidige nummer 54. Niet alleen tegenover de Oude Kerk, ook tegen de kerkmuren werden steeds meer huisjes gebouwd. Daar waren behalve de pastoor en de doodgraver rond 1550 ook een schoenlapper en een houtzager gevestigd.
Ook nieuw kerkpersoneel als de hondenslager en de orgeltrapper kregen een dienstwoning langs de muren. Aan de zuidkant van de toren werd een groter huis gebouwd waar de uit Antwerpen gevluchte notaris David Mostart introk. In de 17de eeuw werd dit pand verhuurd aan de organist. Tegen de toren aan kwamen na 1660 de klokkenist en orgelmaker te wonen. Ten slotte waren er een paardenstal en een grote loods langs de kerkmuren. Die laatste diende als werkplaats voor de kerk, maar ook voor buurtbewoners en stalhouders. De resten hiervan zijn pas rond 1914 verdwenen. Enkele muurhuisjes worden ook nu nog bewoond of als bedrijfsruimte gebruikt.
‘Baronnes in Emaus’
Of er in de 17de en 18de eeuw al hoeren woonden op het Oudekerksplein is niet bekend. Het seksdistrict was traditioneel geconcentreerd in de Halsteeg (Damstraat) en de Pijlsteeg en later in de beruchte Jonker- en Ridderstraten bij de Geldersekade. Toch is het niet uitgesloten dat ook het Oudekerksplein al vroeg in trek was. Een aanwijzing hiervoor is het rond 1680 gemaakte overzicht van 'camernumphies' (zelfstandig werkende prostituees) en hoerwaardinnen. Hierop staan twee dames die hun werkgebied 'achter de oude kerk' hadden: Jannetje Smockels en een hoerwaardin (bordeelhoudster) met de fraaie naam 'De Baronnes in Emaus'.
In de stegen rond de kerk was in ieder geval al tamelijk vroeg betaalde liefde te vinden. In de Enge Kerksteeg, waar tegenwoordig het Prostitutie Informatie Centrum (PIC) kantoor houdt, werkte in de 18de eeuw Rachel de Wilde, bijgenaamd 'Smouse Rachel'. Haar pogingen om ook het winkelmeisje van de nabijgelegen tabakszaak 'in het vak' te krijgen, faalden omdat buurtbewoners zich daartegen verzetten.
Het Oudekerksplein was in de loop der tijd misschien iets minder deftig geworden, maar het was zeker geen achterbuurt. Vanaf 1701 werd tweemaal per week tussen twaalf en één uur een groentemarkt gehouden, aan de zuidkant van de kerk. De 'Meerboeren' uit de Bijlmer- en Watergraafsmeer mochten hier de oogst van hun warmoestuinen verkopen. Als bewoners vinden we in deze tijd nog steeds veel ambachtslieden, zoals een schoenmaker, keurslijvenmaker en een metselaar, maar ook rijke renteniers, zo leert ons een belastingkohier uit 1742. Enigszins uit de toon viel een stal waarboven op kamers 'geringe personen' leefden. Het kerkpersoneel was beter af. Zo had de doodgraver een geschat inkomen van zo’n ƒ 2000 gulden, terwijl de bankensluiter het met de helft moest doen. De rijkste buurtgenoot was de koster en koopman Jan Arent Abeleven. Hij bezat een overdekte wagen met twee paarden en toucheerde jaarlijks tenminste ƒ 3500.
Lokale beroemdheden
Een eeuw later was de sociale samenstelling van het Oudekerksplein nog altijd gevarieerd. Zelfs kleine industrieën, zoals een bierbrouwerij, tabaksverwerkerij, patentoliemakerij en drukkerij vonden hun weg naar het voormalige kerkhofterrein. Tot de lokale 19de-eeuwse beroemdheden kunnen we de jonge Jan Pieter Heije rekenen. Deze arts, musicus en dichter werd op 1 maart 1809 aan het Oudekerksplein geboren, als zoon van een Duitse chirurgijn die tevens capaciteiten als baardscheerder had. Wellicht was J.P. in zijn jongensjaren beïnvloed door Antony Cornelis Bourse, de blinde organist van de Oude Kerk.
Halverwege de 19de eeuw stonden in het bevolkingsregister twee ‘publieke vrouwen’ op het plein ingeschreven: twintigers uit Groningen en Rotterdam. Er zullen er nog wel meer geweest zijn, want rond deze tijd klaagden de kerkmeesters over hun aanwezigheid. De politieagenten zouden niet waakzaam genoeg zijn "met het oog op eenige slechte huizen in de buurt".
Was het aantal bordelen en prostituees werkelijk zo toegenomen? In de Franse Tijd (1811-1813) was prostitutie publiekelijk erkend: sekswerkers werden geregistreerd en gecontroleerd op geslachtsziekten. Officieel waren er ongeveer 800, maar vermoedelijk waren het er veel meer. Na het vertrek van de Fransen durfde het nieuwe stadsbestuur geen officiële regulering in te voeren, omdat dat een erkenning van het zondige beroep zou inhouden. In de praktijk hield de politie wel toezicht en was een vergunning verplicht. In 1817 kreeg de prostituee Naatje Scherf bijvoorbeeld toestemming om tijdelijk in te wonen bij Alida Verine, "achter de oude kerk".
Later in de 19de eeuw laaide een maatschappelijk debat op tussen afschaffers van prostitutie en voorstanders van gereglementeerde erkenning. De argumenten komen ons bekend voor. Prostitutie is onzedelijk en mensonterend, zeiden de afschaffers. De seksuele behoefte is niet te onderdrukken, meenden hun opponenten: die kan je dus maar het best in goede banen leiden.
Intussen waren er rond 1882 68 erkende bordelen, waarvan één op het adres Oudekerksplein 34. De ranzige publicatie Ervaringen en onthullingen van een middernachtzendeling uit 1890, een verwijzing naar de prostitutiebestrijders van de christelijke Middernachtzending, bevat een veel hogere schatting. Alleen al rond de Oude Kerk waren "een tiental publieke huizen, waarin gemiddeld een dertigtal even publieke vrouwen woonachtig zijn". Daarnaast zwierven 's avonds "in het geheimzinnig duister van het zwijgend kerkgebouw een twintigtal ongelukkigen rond": tippelaarsters dus.
Vriendelijke dames
Eind 19de eeuw wonnen de tegenstanders van prostitutie het pleit. Vanaf 1897 werd in Amsterdam het bordeelverbod ingevoerd, vanwege de wantoestanden en ‘tegennatuurlijke geslachtsbevrediging’. Hierna verdween prostitutie uit de openbaarheid, maar sigarenwinkels of massagesalons bleken goede dekmantels. Daarnaast poseerden de prostituees als eerzaam breiende huisvrouwen achter het raam. Ook in de buurt rond het Oudekerksplein waren een paar van die gemaskeerde raambordelen. Nel Hoenderdos woonde zo rond 1910 als kind in de hoerenbuurt. In haar jeugdherinneringen heeft zij het over “vriendelijke dames achter de ramen”. Voor Carmen, een “nog mooie, zwartharige hoer” op het plein, deed zij wel eens boodschappen. Totdat Nels moeder dit verbood omdat Carmen een ‘slechte vrouw’ was.
Het Oudekerksplein was begin 20ste eeuw dikwijls negatief in het nieuws. Dat er flink werd gezopen, blijkt bijvoorbeeld uit de 800 processen-verbaal wegens openbare dronkenschap die in 1921 rond het plein werden opgemaakt: het hoogste percentage van de stad. Op nummer 2 was in het begin van de eeuw bierhuis Riche, waar onder het genot van een drankje van harmonicamuziek en 'damesgezelschap' kon worden genoten. Soms liep het drinkgelag uit de hand. Op een hete nazomernacht in 1932 was het plein het toneel van een grote rel met bloedige afloop. Enkele buurtgenoten probeerden de arrestatie van een dronken zeeman te verhinderen, waarbij de politie met stenen werd bekogeld. Met hard optreden kon deze de orde herstellen, wat een toevallig aanwezige Duitse zanger bijna het leven kostte.
Als een oase van rust was in een van de muurhuisjes langs de kerk de biljartmakerij van de firma Rijken gevestigd. Na twee generaties Rijken had in 1947 B.J. Elswijk deze zaak op nummer 17 overgenomen, maar 25 jaar later verplaatste hij zijn werkplaats naar de Jordaan. Naast de biljartfabriek woonde genoemde schoenmaker Heubers met zeven kinderen in een piepklein huisje. Lange tijd zat glasbrander J. Jansen & Co op nummer 23, terwijl ook nog een smid, pruikenmaker en een bloemiste vertegenwoordigd waren.
Het Oudekerksplein hield in de naoorlogse periode een slechte naam. In 1959 is de buurt weliswaar ‘schoongeveegd’, maar in de jaren daarna trad de politie steeds minder hard op en kreeg de prostitutie een steeds openlijker karakter. De huisarts Jan Groothuyse, bekend als 'lijfarts' van schrijver Gerard Reve, hield praktijk en woonde op nummer 50. Hij was gefascineerd door de prostitutie in de buurt en schreef er zelfs een proefschrift over, waarvoor Reve de wervende flaptekst leverde. In zijn praktijk constateerde Groothuyse dat de branche in de jaren zeventig verhardde.
Ook Heymen Westerveld, tussen 1958 en 1985 koster van de Oude Kerk, maakte die verandering mee. Aanvankelijk was de prostitutie veel kleinschaliger en had het kostersgezin goede contacten met de dames. Zo ging Dikke Mien, gade van de legendarische onderwereldfiguur Haring Arie, niet voor het raam zitten als er activiteiten in de kerk waren. Volgens de koster is die gemoedelijke sfeer later verdwenen, omdat de meisjes geen Nederlands meer spreken en het verloop groter is.
Sinds de jaren zeventig is het aantal buitenlandse vrouwen inderdaad sterk toegenomen, terwijl ook de criminaliteit stevig toenam. Talloze middenstanders en kleine bedrijfjes verlieten het plein. De monumentale panden van kolenhandelaar Arends & Co (6-8) gingen in vlammen op, waarna de braakliggende grond tijdelijk als parkeerterrein dienst deed. Na veel protest van erfgoedorganisaties verscheen hier in 1996 een gloednieuw pand van architect Sjoerd Soeters. Sindsdien zit hier het in 1911 in de Warmoesstraat begonnen Kinderdagverblijf Prinses Juliana, als braaf bastion tussen massagehuizen en sekswinkels.
Typische Wallensfeer
Sinds de opheffing van het bordeelverbod in 2000 moeten de bordelen en kamerverhuurders aan wettelijke eisen voldoen. Toch kwamen steeds meer misstanden aan het licht. Het witwassen van drugsgelden, geweld en vrouwenhandel bleken nog steeds verweven te zijn met de seksindustrie. Daarom presenteerde het stadsbestuur onlangs het ambitieuze beleidsplan Grenzen aan de handhaving. Een onderdeel hiervan is de opschoning van het Oudekerksplein, die vooral een strijd zal worden tegen twee vastgoedhandelaren. Voormalig slager Jan Venekamp uit de Lange Niezel exploiteert 23 ramen en zijn collega Dirk Holtman bezit vier hoerenpanden op het plein. Mogelijkerwijs kan de gemeente hen overhalen om de prostitutiepanden te verkopen, zoals eerder seksondernemer Charles Geerts heeft gedaan.
Na het vertrek van de prostituees hoopt de gemeente dat de hoerenpanden dienst doen als kunst- en antiekzaken, wat het aanzien van de buurt ten goede zou moeten komen. Of het ooit zover zal komen? Eerdere schoonmaakacties boekten slechts tijdelijk resultaat, terwijl inmiddels ook verzet tegen de beleidsplannen is gerezen. Seksexploitanten, coffeeshophouders, kroegeigenaren en andere ondernemers op de Wallen hebben zich verenigd in Stichting 1012, genoemd naar het postcodegebied. Zij vrezen voor omzetverlies en zijn bang dat de ‘typische Wallensfeer’ verdwijnt.
Tijdens een wandeling op een druilerige dinsdagmorgen ligt het plein er enigszins verloren bij. De prachtige kerk staat opnieuw in de steigers, het huisvuil is nog niet opgehaald, een Ierse kroeg is dichtgetimmerd en een tragisch ogende temeier staat eenzaam achter haar raam. Toch is er leven: de medewerkers van een ontwerpbureau in een muurhuisje klikken achter hun pc’s, een bewoner leest zijn krant en in een café bekijkt de waardin de schade van de vorige nacht. Zolang er wordt geleefd en gewerkt, komt het wel goed met dit plein.


Surinamers onder elkaar
Historische kroegentocht langs cafés Surinaamse migranten
Tekst: Iwan Brave
032008_SurinamersSurinaamse migranten ontmoetten elkaar in de jaren zestig in cafés als de Cotton Club, Casablanca en de Cycloop. Velen vonden er gezelligheid, sommigen liefde, anderen werk en een enkeling raakte aan lager wal. Een historische kroegentocht.
Het is zaterdagnamiddag. De Cotton Club op de Nieuwmarkt is afgeladen en rokerig. De bar draait als een tierelier. Een van de bartenders is Ropie Blokland (70), een kwieke Surinamer die ook in de jaren zestig achter de bar stond. Een jazzformatie met tenorsaxofonist swingt de pan uit. Oude tijden lijken te herleven. Met één belangrijk Verschil: de jazzformatie is blank, evenals het publiek, op drie personen na. Aan de wand hangen zwart-wit foto’s uit de jaren zestig en kleurenfoto’s met oudere Surinaamse gezichten uit latere tijden. Verder herinnert niets eraan dat de Cotton Club decennialang dé trekpleister was van migranten uit Suriname.
De Cotton Club was een muziek- en danstempel met de allerbeste jazz. Het was het enige café in Europa waar je voor een kwartje Charlie Parker, John Coltrane, Miles Davis en andere jazzgoden uit de jukebox kon halen, leert De kleurling, een roman van Herman Hennink Monkau over de eerste generatie Surinamers. De sfeer werd er mede bepaald door zwarte Amerikaanse soldaten die in Soesterberg en Duitsland gelegerd waren. De Cotton Club was ook de uitgaansplek van Amsterdamse schrijvers en kunstenaars, onder wie kleurrijke figuren als Simon Vinkenoog, Anton Heijboer en Aad Veldhoen. Kortom: the place to be in Amsterdam.
Een van die drie niet-blanke bezoekers heet Frank Valies (63). Zelfverzekerd en goed geconserveerd. Elke zaterdag- en woensdagmiddag is in de Cotton Club een “reünie van Surinaamse oudjes”. Valies over de graatmagere opkomst: “Velen zijn al dood.” Valies kwam als 19-jarige passagier van de Oranjestad aan in Amsterdam en was een vaste bezoeker van de Cotton Club. Direct na de lagere school ging Valies werken in de bouw in Paramaribo. Totdat hij voldoende had gespaard voor een passage naar Nederland – destijds zo’n 400 Surinaamse gulden. “Ik zag mijn toekomst niet in Suriname qua werk en ontplooiing. Het was hosselen en overleven”, vertelt Valies, die tevreden terugblikt: “Een beste tijd. Genoeg werk en je had je plekken om te stappen. Elke avond in full costume.” Hij noemt behalve de Cotton Club ook Casablanca op de Zeedijk, de Coroniebar in de Kerkstraat, Nieuw Amsterdam in de Amstelstraat en het Witte Paard in de Utrechtsestraat: allemaal ontmoetingsplekken waar je onder landgenoten was.
Met ijzeren discipline werkte Valies zich via avondstudies op van puntlasser bij de NDSM tot projectleider bij de Amrobank. “Ik ben geslaagd in mijn opzet.” De jongens die het niet hebben gehaald, hingen naar zijn oordeel te veel in eigen kring: “Je leeft in een blanke wereld en je moet het toch hebben van je sociale contacten.”Als lasinstructeur heeft Valies voor de NDSM diverse groepen landgenoten opgeleid, grotendeels geronseld op de Zeedijk. “Maar het manco van veel van die jongens was dat ze te laat kwamen of helemaal niet kwamen opdagen. Veel kwamen als stowaways (verstekelingen) die al in Paramaribo op de kaai liepen te stelen en te zakkenrollen.”
Vervlogen tijden
Een zoektocht naar Amsterdamse ontmoetingsplekken en trekpleisters van Surinaamse nieuwkomers in de jaren zestig en zeventig is per definitie een zoektocht langs vervlogen tijden. Met Carlo Zechiël (72) maak ik op een doordeweekse middag een historische kroegenloop. Het is vooral kijken naar verbouwde voorgevels en luisteren naar orale geschiedenis. In de bocht van de Nieuwendijk is de Cycloop nu onvindbaar. En de Para André Bar op de Martelaarsgracht moest wijken voor een Argentijns restaurant. Zechiël tuurt er naar binnen. “Als we op zondag hadden gevoetbald voor Real Sranan, die toen nog geen eigen clubhuis had, fungeerde een hoek van de bar als kantine waar bloedworst werd verkocht.”
Zechiël arriveerde in 1957 als verstekeling aan boord van de Willemstad: “Ik zag geen toekomst in Paramaribo. Het was moeilijk werk te vinden.” Hij behoorde tot de eerste stroom Surinamers in Amsterdam. Volgens de volkstelling van 1960 telde de stad in dat jaar circa 2500 Surinaamse migranten, van wie naar schatting 70 procent man en 30 procent vrouw. De vrouwen kozen vermoedelijk vooral voor huiselijke gezelligheid. De alleenstaande mannen zochten hun vertier deels in de cafés, opvallend vaak vergezeld door blanke, autochtone vrouwen.
Zechiël loopt stram. Op de brug richting Zeedijk vertelt hij: “Hier heb ik ooit gerend voor mijn leven.” Opgejaagd door een jaloerse landgenoot met een groot mes. Aanleiding: een blank meisje. De kleine Passagebar aan de kop van de Zeedijk was “zó intiem dat blikken onvermijdelijk waren”. Buiten ontsnapte hij nipt aan een dodelijke steek. “Toevallig keerde ik me net om en kon ik de eerste uithaal met mijn arm afwenden.” Hij rende zijn longen uit zijn lijf richting de Cycloop. Gelukkig wisten andere barbezoekers zijn belager te bedaren.
Zechiël stopt bij Zeedijk 10, hoek Sint Olofssteeg, waar Emile’s Place was en zware jongens kwamen. Emile was een notoire gokker. “Na het sluiten van al die andere tenten kwamen we hier een kaartje leggen.” Hier liep een steekpartij voor een Antilliaan wel dodelijk af. “Ze konden zo zijn ingewanden oprapen.” In Emile’s Place beleefde Zechiëls overigens zijn laatste uitgaansnacht. “Ik kwam in mijn trouwpak en zei: ‘Dit is mijn laatste avond.’ Niemand wou het geloven.” Hij trouwde de volgende ochtend met zijn Nederlandse Lenie. Inmiddels 43 jaar geleden. Ze zijn nog steeds gelukkig getrouwd.
Zechiël kan slechts gissen waar de Cocktail Club aan de Zeedijk stond. Alleen Casablanca, op nummer 26, is nog zichtbaar aanwezig. “Voor de deur stond een grote Surinaamse portier. Kram was zijn naam en hij was bokser.” Op de Zeedijk en omgeving kwamen twee elkaar wildvreemde werelden samen met clichématige verwachtingen over en weer. Amsterdam telde slechts een paar duizend Surinamers – voornamelijk creoolse mannen: voor blanke meisjes gewilde danspartners. Een neger stond nog steeds voor exotisch, krachtig en ritmisch. Ging het de blanke meisjes vooral om verandering van spijs, de Surinaamse jongemannen hadden nauwelijks een andere keus. Er waren veel meer Surinaamse mannen dan vrouwen. Bovendien gold de blondine als statussymbool.
‘Thuis’ was doorgaans een benauwend pensionkamertje waar het eenzaamheid troef was. De cafés werden een tweede huiskamer, waar veel werd gebiljart maar ook werd gegokt. De verleidingen waren groot. Vooral toen de Chinezen heroïne introduceerden. Zechiël zag enkele kroegvrienden verkeerd eindigen: “Je zag op den duur jongens in BMW’s en Porsches. Ze hadden veel geld maar deden niets. Het was een mentaliteit die in de breedte heerste.” Sommigen hadden als lijfsspreuk: ‘Wroko naf’asi’ – werken is voor paarden. “Soms werd in de Cycloop demonstratief een biertje met een biljetje van 100 betaald. Je moest dus als nieuwkomer sterk in je schoenen staan.” Zechiël werkte de laatste 21 jaar voor zijn pensioen bij de KPN: “Overal waar ik kwam probeerde ik er iets van te maken. Ik ben blij met wat ik heb bereikt.”
Hooggespannen verwachtingen
De beweegredenen om naar Nederland te trekken waren voor de meeste Surinamers in de jaren zestig en zeventig vrijwel dezelfde. “Gezien de onzekerheid of er ooit verbetering in de situatie zou komen, lag de conclusie voor de hand: wég uit dit land”, vertelt Isidoor aan een vriend in De Kleurling, de meeslepende en soms hilarische roman van Hennink Monkau. De verwachtingen waren altijd al hooggespannen: “Niet in de laatste plaats door de verleidelijke lokroep van de blonde Sirenen aan de boorden van de Amstel.” Maar dan die ontnuchterende aankomst op de Surinamekade. “En waar ik in mijn stoutste dromen natuurlijk geen rekening mee had gehouden was de ijzige wind die als een scheermes door mijn tropenoutfit sneed (…). Wát Beloofde Land? Dit was een koudwaterbad van de ergste soort.”
Wie nog volop orale geschiedenis wil optekenen over de laatste generatie kan terecht in café De Knoest op het Dapperplein in Amsterdam-Oost. Daar verzamelt zich elke vrijdagmiddag een twintigtal zeventigers en tachtigers. Op afspraak ontmoet ik daar bartender Ropie Blokland van de Cotton Club. Hij kwam in 1960 naar Amsterdam. Hij viel met zijn neus in de boter en kreeg een relatie met de dochter van “Ome Frits” Smit, de eigenaar van de Cotton Club.
Blokland is nog steeds de spin in het web. Om de haverklap maken anderen duidelijk: “Je bent bij de júiste man.” En anekdotes te over. Skala, een volksjongen die niet kon lezen, zat elke ochtend vroeg in een koffiehuis in de Wagenaarstraat, voordat hij naar de NDSM in Noord ging. Een keer las een Nederlandse arbeider verontwaardigd voor uit de Telegraaf over de ‘omhoog geschroefde’ suikerprijs. Ropie: “Bij de NDSM nam Skala toen de krant en zei boos in het Surinaams dat de suikerprijs omhoog ging, maar met de krant op zijn kop.” Schaterlachend wordt deze ‘joke’ door de anderen bevestigd.
Het is vertederend hoe al die grijze cellen – soms tevergeefs – graven naar namen en locaties van weleer en tegenstrijdige feiten ophalen. Het leidt tot Surinaams-luidruchtige discussies, waarbij ze elkaar tot op het bot plagen en jennen. Als Ruben Themen (80), die het maakte van scheepstimmerman tot architect, waagt te stellen dat “alle Themens” knapkoppen zijn, brult iemand: “Hij is de crimineelste Themen!”
Maar over één ding is iedereen het eens: Faith’s Corner, Lindengracht 90, van Eddy Faithfull, was in de jaren zeventig een topontmoetingsplek. Blokland: “Eddy was voor Surinamers een legende. Van alle markten thuis en een zeer brede vriendenkring. Het schoolvoorbeeld van: je hosselt maar je hoeft geen problemen te veroorzaken.” Ook als jongeman behoorde Eddy Faithfull, inmiddels overleden, tot het meubilair in de Cotton Club.
De mannen halen herinneringen op aan hun ontmoetingen met elkaar en met blanke, autochtone vrouwen. Het was een piektijd van rassenvermenging in Amsterdam. “De blanke vrouw was het symbool dat je gelijk was aan je onderdrukker”, zegt Orlando Samseer, die carrière maakte bij de Sociale Verzekeringsbank en de Sociale Dienst. De naam van café het Witte Paard was niet lukraak gekozen. “Hij bereed zijn witte vrouw als een paard”, doet hij voor met rijbewegingen die zich ophouden tussen Bonanza en erotiek. Schaterlachend wordt er weer volop nagenoten.
Maar het ging natuurlijk ook om sociale integratie. Blokland op serieuze toon: “Die oude Surinamers hebben heel wat verbeterd. En de meidenclub was groot.” Hij somt moeiteloos alle namen op. “Het was een tijd van leven om te leven. Je ging vanuit je werk rechtstreeks naar de dijk. Vooral als je verloor bleef je lang weg.” Het leverde ook veel gebroken relaties op. Ropie kwam eindelijk tot rust bij zijn derde vrouw. Zijn werk schoot er nooit bij in. In 23 jaar werkte hij zich op in de Fordfabriek aan de Hemweg: van puntlasser tot eindcontroleur.
Uitwisselen van berichten
Herman Hennink Monkau (72), auteur van De Kleurling en zoon van een Surinaamse vader en een blanke moeder, heeft goed zicht op de Surinaamse migranten tot 1975, het jaar waarin Suriname onafhankelijk werd. De meeste migranten in Amsterdam zijn volgens hem voornamelijk ‘stadscreolen’ uit Paramaribo. “Grosso modo gaat het om drie sociale lagen: hoogopgeleiden, vaklieden en avonturiers, waaronder de goudzoekers. De laatsten maakten in de Cotton Club de grootste groep uit”, vertelt Hennink Monkau, die het Instituut voor Kunstnijverheid doorliep.
Hennink Monkau beleefde zelf de hoogtijdagen van de Cotton Club: “De Cotton was een goede ontmoetingsplaats. Ome Frits ving de Surinaamse zeelieden op die na maanden op de grote vaart afmonsterden. Zij gaven hem zelfs voor de duur van hun verlof hun gage in bewaring. Wat de Surinamers bond waren het uitwisselen van berichten over het thuisfront, de jazz en Latijns-Amerikaanse muziek van Celia Cruz. Men was goed gekleed en had geld op zak. Je kon die clubs niet opdelen qua sociale status.”
Volgens hem kwam de ‘crackdown’ in 1963-64, toen “elke Surinamer als heroïnedealer werd bejegend” en er ettelijke invallen waren in De Cotton Club. “Een aantal van die jongens zijn wel overleden aan de gevolgen van de Chinese connection”, aldus Hennink Monkau. Hij denkt dat nauwelijks de helft hun dromen konden verwezenlijken: “Dan doe ik een voorzichtige schatting. De culturele achterstand was bepalend voor de mate van integratie. Nog steeds overigens. De verschillen in normen en waarden waren gewoon te groot veel velen. Je moest Suriname loslaten. Dat was een conflict tussen verstand en emotie.”
Verwijzend naar de ooit gevierde Surinaamse zanger Max Woiski sr, eigenaar van La Cubana in Leidsestraat: “Ook geslaagde mannen zijn soms op een onverklaarbare manier aan lager wal geraakt. Je hebt succes, een nachtclub met exotica en rijke clientèle, maar je komt uit een onderontwikkeld land met weinig culturele bagage. Je hebt status en blijft toch de nazaat van een slaaf. Het is een vorm van schizofrenie die sommigen op latere leeftijd opbreekt.” Succes vergt doorzettingsvermogen, stelt Hennink Monkau: “Er zijn eigenlijk weinig barrières behalve die in je hoofd. Overleven heeft te maken met individuele kracht en de onvoorspelbare voorzienigheid.”




 
 
Banner
Banner
Banner
© FIZZ reclame + communicatie