Nummer 1: Januari 2006



Het decoreren van het leven
Familie Douwes 200 jaar in kunst
Tekst: Marius van Melle

012006_DouwesDe gerenommeerde Amsterdamse kunsthandel Gebroeders Douwes vierde onlangs haar 200-jarig bestaan. Op 5 september 1805 kreeg Hendrik Douwes door zich aan te sluiten bij het St. Lucasgilde het recht om zich als decoratieschilder - penseelschrijver zei men toen - zelfstandig te vestigen. Diens kleinzoons maakten de stap naar kunstrestauratie en kunsthandel en die traditie houden de huidige firmanten, twee broers van de zesde generatie, in ere.

Hendrik Douwes, wiens familie zich ooit vanuit Antwerpen in Amsterdam had gevestigd, was een zoon van scheepstimmerman Eevert en Magdalena Toussaint, die zeven kinderen kregen. Kort nadat hij zijn zaak was begonnen trad hij in het huwelijk met Maria de Ruijter. Hun twee kinderen werden vernoemd naar de grootouders Douwes, zodat de jongen in de Zuiderkerk Evert werd gedoopt. Hij leerde het vak van zijn vader en bekwaamde zich in het schilderen van uithangborden, het met bladgoud vergulden van letters – of als dat te duur was met klatergoud (brons). Tot de taken van een decoratieschilder behoorde ook het maken en restaureren van muurschilderingen, behang en theaterdoeken. Wellicht waren ook vader en zoon Douwes actief op dat vlak. Evert trouwde in 1835 met de katholieke Hendrina Sluyter, met als gevolg dat hun negen kinderen katholiek werden opgevoed. In het midden van de 19de eeuw woonde dat gezin boven de werkplaats op de Nieuwezijds Achterburgwal, nu Spuistraat 300.
De zaken liepen kennelijk niet naar wens, want in 1867 werd er verhuisd naar een onooglijk steegje in de Nieuwmarktbuurt, de Bruinistengang (een zijstraatje van de Barndesteeg). Albert Hahn heeft in 1902 dat troosteloze steegje nog getekend. Die was toevallig een zoon van een Groningse decoratieschilder, die de grootste moeite had om aan opdrachten te komen, zodat Hahn in ‘nette armoede’ opgegroeid was. Dat zal bij het gezin Douwes – drie jongens en zes meisjes – ook wel het geval zijn geweest. Tot overmaat van ramp overleed vader Evert in 1869 op 60-jarige leeftijd. Kostwinners werden toen de zoons Evert Johannes Petrus en Henricus Simeon Antonius, toen respectievelijk 25 en 19 jaar (hun broer Gerard had er intussen al voor gekozen onderwijzer te worden). Zij kregen de wind in de rug van de economische opleving van de stad en boerden niet slecht. In 1874 kon het gezin verhuizen naar Barndesteeg 15 en een jaar later stichtten Evert en Henri daar de firma Gebroeders Douwes. Kort erna werd een atelier betrokken op Grimburgwal 15 en toen de zaken zich verder uitbreidden kon een deel van een pakhuis erachter worden gehuurd, met een uitgang op het Gebed zonder End.
Evert bleef zich bewegen in het voetspoor van zijn vader en grootvader. Als penseelschrijver blonk hij overigens uit, en ontwierp zelfs een eigen letter die – later vervolmaakt door Johann S. Beekmann – als ‘Amsterdamse schrijfletter’ furore zou maken op schildersscholen. Henri echter zocht nieuwe wegen. De landschapsschilder en restaurator Wilhelm Joh. Walter zette hem op het spoor van de restauratie van schilderijen en leerde hem bedoeken, het plakken van een nieuw doek achter het door de tand des tijds aangetaste linnen van oude schilderijen. Henri had ook grote belangstelling voor het nieuwe medium van de fotografie en begon glasplaten te verzamelen van stadsgezichten die aan het verdwijnen waren door demping van grachten, of door afbraak van oude panden omdat de behoeften van het toenemend verkeer en de enorme vraag naar kantoorruimte hun tol eisten. De snelle veranderingen die de stad toen onderging werden ook vastgelegd, zoals de bouw van het Centraal Station. Van de snel uitdijende collectie glasplaten werden ansichten gedrukt, zodat deze hobby ook commercieel werd benut. De volgende stap was het verzamelen van topografische etsen en tekeningen. Die konden ook weer verkocht worden, zodat hij geleidelijk aan ook kunsthandelaar werd.
Henri’s broer Evert maakte deze ontwikkeling niet meer mee. Hij was in 1896 op 53-jarige leeftijd overleden. Hij was tot aan haar dood bij zijn moeder blijven wonen en was immer ongehuwd gebleven. Gedurende de laatste tien jaar van zijn leven had hij bijna elk jaar een andere huurkamer betrokken. Zijn broer Henri woonde inmiddels geruime tijd op Nieuwmarkt 28, vlak bij de steeg waar hij zijn jeugd had doorgebracht. Hij was getrouwd met Francina Mathilda Engelkamp, met wie hij vier dochters – van wie er een jong overleed - en twee zoons zou krijgen. De jongste, Johan, zou later de eerste hoofdredacteur van Libelle worden. De oudste, Everardus (Evert) Josephus Maria, zou de kunsthandel op de kaart zetten.
De eerste stap daartoe zette zijn vader Henri door in 1896 ‘de Kunsthandel en Ateliers voor het letter- en sieraadschilderen, alsmede voor het restaureren, verdoeken en encadreeren van schilderijen enz.’ te verplaatsen naar Warmoesstraat 73. Bij dit pand hoorde een achterhuis, waarin de ateliers kwamen, terwijl het gezin erboven ging wonen. In het stedelijk Adresboek werd de firmanaam ‘Gebrs. Douwes’ nu groot en vet gedrukt. In de jaargang 1901/1902 werd trots en vet gedrukt vermeld dat op Damrak 69 een filiaal betrokken was. Het ging duidelijk goed met de zaken.

Protest tegen de ‘weeldebelasting’
In de Amsterdamse kunsthandel floreerden begin 20ste eeuw een paar gerenommeerde zaken. De bekendere waren de in 1796 door Frans Buffa in de Kalverstraat gestichte kunsthandel en die van C.M. van Gogh, ‘Oom Cor’ voor schilder Vincent, op het Rokin. Daar zat ook de zaak van Wed. G. Dorens & Zn, waaraan net als bij Douwes een restauratieatelier verbonden was. Op het Spui zat Elbert Jan Wisselingh, die nog voor de Eerste Wereldoorlog zou verhuizen naar pretentieuze nieuwbouw op het Rokin. Naast deze zaken die vooral in oude meesters gespecialiseerd waren, schoten nieuwe kunsthandels die eigentijdse kunst brachten als paddestoelen uit de grond. Die tendens lag ook voor de hand, want de schilderkunst was volop in beweging. De landschapsschilders van de Haagse en Larense school hadden impressionistische opvolgers gekregen die ook het stadsleven gingen afbeelden. Kunsthandelaren gingen meer dan voorheen optreden als een soort managers annex sponsors van de jonge kunstenaars.
Bij Henri Douwes kwam de schilder van stadsgezichten J.C.K. Klinkenberg met de bakfiets langs om nieuwe werken te leveren. De wereld was door de ontwikkeling der techniek ook kleiner geworden. De Berlijnse kunsthandelaar Nierendorf werd door zijn collega’s Telefonierendorf genoemd: die handelde alles per telefoon af. In die uitbottende kunsthandel was de firma Gebrs. Douwes een van de vele kleinere zaken. Maar toen in 1911 de Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst werd opgericht, was zij erbij. Evenals die van Aäron Vecht, naast Douwes de enige Amsterdamse kunsthandel van toen die nu nog bestaat. Behalve gespecialiseerde kunsthandels verkochten de betere boekhandels in die tijd ook vaak kunst. Meestal reproducties, maar ook grafiek en soms ook schilderijen.
Tijdens de Wereldoorlog van 1914-1918 zakte de kunsthandel in en dat werd nog verergerd toen de regering in 1916 een ‘weeldebelasting’ meende te moeten instellen van 3% op kunstbezit. De verenigde kunsthandelaren protesteerden tevergeefs. Maar na 1918 keerde het tij, en Douwes dreef daarop mee. Op het Damrak werd een toonzaal geopend en twee jaar later werden de twee bedrijfsvestigingen verwisseld voor een groot pand op Rokin 46.
Inmiddels was zoon Evert in 1915 in de firma opgenomen, nadat hij een restauratieopleiding had gevolgd in Breslau (nu Wroclau) en Frankfurt en vijf jaar in Parijs en Londen bij kunsthandels had gewerkt om zich het vak eigen te maken. Hij was er verantwoordelijk voor dat de firma zich in de jaren twintig specialiseerde in Hollandse meesters uit de 16de en 17de eeuw. Het aanbod van die werken was in die tijd royaal, omdat menig van zijn troon gestoten vorst zijn voorvaderlijke kunstcollectie te gelde wilde maken. Hij was dan ook veel op pad in het buitenland, maar werd wat huiselijker na zijn huwelijk met Allegonda Vogt, met wie hij eind 1928 een zoon kreeg die vernoemd werd naar zijn vader. Ze gingen overigens in Bussum wonen, waarheen ook zijn ouders inmiddels waren verhuisd.
In de jaren dertig trok vader Henri zich geleidelijk uit de zaak terug. Zijn belangstelling bleef uitgaan naar topografische afbeeldingen van Amsterdam en hij was daarin inmiddels een expert geworden. Verbazingwekkend is zijn lidmaatschap van het Genootschap Amstelodamum dan ook niet, vanaf 1918 tot zijn overlijden op 88-jarige leeftijd in 1938. Maar dat ook zijn zoon dat werd en dat ook bleef – met uitzondering van de oorlogsjaren – geeft wel aan dat de liefde voor (de geschiedenis van) Amsterdam overgedragen is.

Gretige Duitse kopers
De crisis van de jaren dertig had de kunsthandel niet onberoerd gelaten. Sommige handelaren trachtten te overleven door zich te specialiseren in nog weinig ontgonnen takken van de kunst, zoals Carel van Lier met Afrikaanse kunst en magisch-realisten en Aäron Vecht met middeleeuws beeldhouwwerk en Aziatisch porselein. Bij Douwes werd de restauratiepoot van het bedrijf weer belangrijker. “De kunsthandel (kon) over het algemeen in het voorjaar van 1940 geen veer meer wegblazen,” schreef Evert in 1948 toen hij op verzoek van het ministerie van Justitie een rapport schreef over de kunsthandel tijdens de oorlog. Tijdens de depressie maakten de kunsthandelaren nauwelijks omzet en bleven met enorme voorraden zitten. Maar tijdens de eerste jaren van de oorlog was dat veranderd. De gretigheid van de Duitse kopers deed de prijzen omhoog schieten. Ook Nederlanders werden door de kooplust aangestoken, mede door de te verwachten geldontwaarding en de behoefte aan beleggingsobjecten. “Als paddestoelen verrezen de ‘kunsthandels’ uit de grond, mannen wier namen ons, oude rotten, totaal vreemd waren dienden zich aan als ‘kunsthandelaren’ of ‘houders van kunstveilingen’, ex-kellners hadden hun serveerblad opgeborgen en trachtten waardeloze rommel tegen exorbitante prijzen hun klanten in de maag te stoppen. Ons ‘mooie’ vak was kapot.”
Evert had een jaar eerder meegewerkt aan een rapport over het prijzenverloop van kunst tijdens de oorlogsjaren. Hij was namelijk direct na de bevrijding namens de kunsthandel benoemd in het bestuur van de Stichting Nederlands Kunstbezit, samen met de topmannen van het Rijksmuseum en het Stedelijk Museum (Röell en Sandberg), om van joodse landgenoten geroofde schatten uit Duitsland terug te halen. Voor werken van oude meesters werd in 1943 al gauw zes keer, voor romantische schilderijen zelfs acht keer zoveel neergeteld als in 1940. Het topjaar was 1944, waarna een sterke daling inzette. Vergeleken met 1943 waren in 1947 de prijzen van oude en romantische meesters gezakt met 70% en van modernen met 40%.
Moeizaam krabbelde de kunsthandel na de bevrijding weer op. Veel joodse kunsthandelaren waren in de kampen omgebracht, en de zaken die de draad weer probeerden op te nemen, kampten met bijzonder weinig klandizie. Van oudsher bekende zaken als Buffa moesten begin jaren vijftig de deuren sluiten. Toch durfde Douwes het in 1955 aan om een tentoonstelling te organiseren ter ere van het 150-jarig bestaan. (Dat een topstuk op die tentoonstelling, een Haarlems stadsgezicht van de 18de-eeuwse schilder Isaac Ouwater, er op een tentoonstelling van de firma in 1964 weer bij hing, geeft wel aan dat de handel in die jaren moeizaam verliep.) Die jubileumtentoonstelling markeerde ook de overdracht van de zaak in handen van Everts oudste zoon. Deze Evert had in Utrecht kunstgeschiedenis gestudeerd en het restauratievak geleerd van twee steunpilaren van het restauratieatelier, die beiden meer dan 50 dienstjaren zouden maken. Uit zijn huwelijk met Nelleke Huf, de nicht van fotograaf Paul Huf, was toen al een zoon geboren die traditiegetrouw ook de naam Evert had gekregen; later zou het in Amsterdam-Zuid gevestigde gezin nog uitgebreid worden met Erick, Peter en als laatste dochter Pia, nu een gevierd musicalvedette.

Franse landschappen en Russisch sociaal-realisme
De jonge Evert die nu de zaak bestierde had het geluk dat er economisch een kentering ten goede viel te bespeuren. De schaarse jaren van de wederopbouw waren voorbij, en dat was in de kunsthandel te merken. Douwes speelde daarop in door vanaf 1961 (bijna) jaarlijks thematische tentoonstellingen te organiseren. In 1969 werden er zelfs twee ingericht, een voorjaarstentoonstelling ter gelegenheid van het feit dat de zaak in een naamloze vennootschap was omgezet, en een wintertentoonstelling onder het motto ‘Kunst als geschenk’. Daarbij waren tekeningen van onder de ƒ 1000 te koop, van de 17de-eeuwer Cornelis Saftleven tot de tijdgenoot Matthieu Wiegman. Al eerder had Evert voor een accentverschuiving in het aanbod gezorgd door ruim baan te geven aan de Franse laat-19de-eeuwse landschapsschilders van de Barbizon-school. Een jeugdliefde, noemde hij dat in de catalogus. Een eigentijdse tekenaar als Arthur Goldsteen kreeg twee maal een tentoonstelling, een eer die ook Willem G. Hofker te beurt viel. De laatste werd in het zonnetje gezet bij zijn 70ste verjaardag in 1972 en tien jaar later nog eens. Hofker had veel Amsterdamse stadsgezichten getekend en geëtst, waardoor hij goed paste in de topografische specialisatie van de zaak, waarmee Everts grootvader Henri was begonnen. Diens fotocollectie was in 1975 trouwens het thema van de tentoonstelling rond het 700-jarig bestaan van Amsterdam. In dat jaar trad ook Evert junior toe tot de zaak. Na in Zwitserland expertise opgedaan te hebben in grafiek en moderne kunst, opende hij in 1980 een filiaal in Londen.
In de jaren tachtig werd er minder frequent geëxposeerd omdat de economische inzinking de kunsthandel niet voorbij ging. Wel werd acte de présence gegeven op The European Fine Art Fair en de Pan Fair, die mede door toedoen van Douwes van de grond waren gekomen. In 1990 pakt de zaak weer uit met een verrassende tentoonstelling van Russische kunst uit de tijd van de USSR: van sociaal-realisme tot impressionistische landschappen. “We hebben de laatste vijf jaar Russische kunst gekocht,” schreef Evert in de catalogus. “De prijzen zijn sinds de verkoop van Van Goghs Zonnebloemen in 1987 zo gestegen, dat we ons ook hebben gericht op goedkopere werken.” Japanse nouveau riches struinden de markt af om werken te kopen uit statusoverwegingen of als belegging en daardoor stegen de prijzen exorbitant.
Het restauratieatelier verhuisde in 1991 naar het Friese Sint Nicolaasga en kwam onder leiding te staan van Erick, de tweede zoon van het echtpaar Douwes-Huf. Vier jaar later nam zijn oudere broer Evert de verantwoordelijkheid van de zaak voor hen beiden over. Het woord ‘gebroeders’ in de firmanaam kreeg nu weer een reële betekenis. Terzelfder tijd werd het Rokin verlaten en Stadhouderskade 40 betrokken, naast het Rijksmuseum. Een voor Ons Amsterdam gedenkwaardig pand, omdat daar van 1949 tot 1953 de eerste redactie was gevestigd. Dit adres vormt nu het decor van waaruit de 200-jarige firma – Gebr. Douwes Fine Art bv heet die nu – opereert. De Hendriken en Everts begonnen als decoratieschilders en werden restauratieschilders en kunsthandelaren. Ze bleven het kunstvak én Amsterdam trouw.