INSCHRIJVEN
NIEUWSBRIEF


Nummer 5: Mei 2004 - Vroomheid en ketterij rond 1500

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

Inhoudsopgave
Nummer 5: Mei 2004
De Ooievaar anno 1782
Hoe verhuizen een vak werd
Tingeltangelmuziek uit de Jordaan
100 jaar schoolvoetbal
Bevrijd
Vroomheid en ketterij rond 1500
Architect Jan Boterenbrood
Alle pagina's

Vroomheid en ketterij in Amsterdam rond 1500

052004_Voorpublicatie_GvAIn het eerste deel van de nieuwe Geschiedenis van Amsterdam, waarvan wij vorige maand enige medewerkers interviewden, wordt veel aandacht gegeven aan de rol van de religie in het stadsleven. Deze maand een dubbele voorpublicatie uit dit (op 12 mei verschijnende) standaardwerk: een impressie van het volle roomse leven in 1495 en van de eerste sporen van ‘ ketterij’ zo’n 40 jaar later.


Amsterdams herfsttij der Middeleeuwen

Tekst: Bas de Melker

Dinsdag 23 juni 1495, een warme zomerdag in Amsterdam. De zon schijnt onbarmhartig op het dak van de Oude Kerk. De metselaars en timmerlieden die werken aan de fundamenten en het muurwerk van de nieuwe Hamburgerkapel prijzen zich gelukkig dat de Duitse kooplieden hun kapel aan de schaduwzijde van de kerk laten bouwen. Binnen lijkt het wel of niemand zich stoort aan het lawaai en de gore praatjes van het werkvolk in de nieuwe kapel. Aan de stank die dankzij het mooie weer van de laatste dagen opstijgt uit de latrines in de kerk lijkt al evenmin iemand zich te storen. Zo ruikt het ’s zomers elke dag in de kerk, net als thuis aan de grachten van de Amsterdamse burgwallen.

Gelukkig staat de hoofddeur van de kerk, in de toren aan de westkant, wijd open. Net als de zijdeuren, in de Sint-Joriskapel aan de noordzijde en in de Sint-Sebastiaanskapel aan de zuidzijde. Door de deur aan de zuidkant stroomt het daglicht naar binnen, samen met het geroezemoes van het Oudekerksplein en het geratel van de karren en de biertonnen op de Oudezijds Voorburgwal. Kinderen rennen door de kerk, lachend en schreeuwend, te snel voor de stramme koster om ze te kunnen pakken. Poorters, jong en oud, lopen in en uit, soms om zomaar even te kijken of er nog iets gebeurt of om een praatje te maken. Anderen komen om een dienst bij te wonen of om nu eindelijk eens een keer te biecht te gaan.

Vroeg in de middag, om een uur of twee, is het al een drukte van belang in de Oude Kerk. Meester Hendrik Mathijsz. is op weg naar zijn altaar. Hoewel, zijn altaar... Het is het hoogaltaar van de Oude Kerk waarop zijn oom, de machtige burgemeester Bartholomeus Jacobsz., zes jaar geleden twee imposante vicarieën stichtte en waarvan meester Hendrik er één heeft gekregen. In de verte ziet hij nog net hoe de vice-cureit van de Oude Kerk, in feite de pastoor, het gebouw via de westingang verlaat. “Dat is een tijd geleden dat ik die hier gezien heb,” denkt hij. “Ik zie de laatste tijd alleen nog maar de priesters die hij ingehuurd heeft om hem te vervangen.” Hij schrikt van zijn eigen hoogmoed. In gedachten verzonken struikelt hij bijna over Willem, de jonge uitganger of bode van het Kartuizerklooster. Die is op weg naar de priester van het Sint-Andries- of Heilig-Sacramentsaltaar, waarvan de Amsterdamse kartuizers de patroon zijn.

Een zee van flikkerende lichtjes

De collega-kapelaans en vicarissen van Hendrik Mathijsz., net als hij allemaal lid van het memorie-instituut van de Oude Kerk, hebben zich al verzameld in het koor voor de memoriemissen van vandaag. Het zijn weer veel poorters wier sterfdag vandaag gevierd wordt. Eerst Gerrit Meinsz. en zijn vrouw Oetgen, daarna Reinier Klaasz. en zijn Liesbeth en dan natuurlijk Boel Dirksz. Het is al weer twaalf jaar geleden dat de pater familias van Amsterdams machtigste familie overleden is. Vanochtend heeft de vervanger van de vice-cureit hun namen al van de kansel afgeroepen, nu zullen hun zielen één voor één herdacht worden. Al gauw vult het gemurmel van de gebeden de kerk. Langzaam wordt de kerk een zee van in de zachte zomerwind flikkerende lichtjes van de kaarsen die op graf na graf neergezet en aangestoken worden. Hier zien de priesters elk jaar dezelfde mensen, al valt het niet te ontkennen dat het er steeds minder worden. Niemand van hen zegt het, maar ze weten het allemaal. De priesters maken snel hun werk aan de zielmissen af, om terug te gaan naar hun eigen altaren. Nee, dan was het vanochtend drukker, in de Smidskapel, bij de dinsdagse dienst op het gildenaltaar. De Amsterdamse smeden blijven trouw aan hun gilde, hun schutspatroon Sint-Eligius én aan hun overleden gildenbroeders. Vandaag herdachten ze twee van hen. Ook in de kerk zijn leven en dood onafscheidelijk, want een stukje verderop, in de Doopkapel, wordt een kind ten doop gehouden.

Straks zal het vooral druk worden in het middenschip, rond het Sint-Jan-de-Dopersaltaar van het gilde van de fruitkopers en de bontwerkers. Dat is niet zo gek, want morgen is het Sint-Jansdag, de dag van de processie van het gilde. De altaarpriester is druk bezig voorbereidingen te treffen. Daar staat hij in zijn paarse lakense kazuifel. “Morgen is de enige dag dat ik de gouden kazuifel van het gilde draag,” realiseert hij zich. Tevreden beziet hij zijn altaar, het fluwelen kleed met de gouden rand, de grote altaarkelk en de vijf koperen kandelaren. De overlieden van het gilde werken op de markt of in hun werkplaats, maar vrienden en magen doen wat ze kunnen. Ze wrijven de trommel van het gilde en spannen hem opnieuw op. Ze maken de zijden vaandels van Sint-Jan schoon en strijken ze vlak. Vrouwen van bontwerkers poetsen de kandelaars en het zilveren beeld van Sint-Jan. Hun werk wordt begeleid door de melodieuze gezangen van de zevengetijden, die de hele dag klinken in dit imposante gebouw. De Heer en zijn heiligen zijn hier overal: in de gebrandschilderde ramen, in de fresco’s op de muren, in de beelden en op de drieluiken boven de altaren, in de relikwieën in de altaarkasten, in de gezangen en de gebeden van de geestelijken en in de hoofden van een ieder die de kerk betreedt.

Zo moet het ongeveer zijn toegegaan, die 23ste juni van het jaar 1495. Het geloof en de daarbij horende rituelen zijn niet weg te denken uit het bestaan van de middeleeuwse mens. Aan vrijwel al zijn handelen was een religieus element verbonden. Soms vloeide dat handelen daar direct uit voort. De uitingen ervan waren voor iedereen zichtbaar: van de versiering van het eigen huiselijk interieur met beeldjes en heilige taferelen tot de aanleg van grote kloostercomplexen en hoge kerken en de massale deelname aan processies. Het geloof bepaalde het levensritme van de stad en in hoge mate ook haar vorm en voorkomen.


De eenheid verbroken

Tekst: Henk van Nierop

Op een natte en winderige dag in 1533 werd het wonderdadige Heilig Sacrament in plechtige processie door de stad gedragen. Zo onstuimig waaide de wind, dat de pastoor moeite had het Sacrament omhoog te houden. Toen de stoet de onbeschutte Nieuwebrug passeerde, de meest noordelijke van de bruggen over het Damrak die de Nieuwe en de Oude Zijde van de stad met elkaar verbonden, deed zich een incident voor. Op het midden van de brug stond een houten Paalhuisje, waar de schippers van binnengelopen schepen het haven- of ‘paalgeld’ betaalden. In dit havenkantoor bevonden zich enkele stadsbewoners die demonstratief de vensters hadden toegesloten die uitzagen op de brug en op de voorbijtrekkende processie. Duidelijk hoorden de doorweekte processiegangers hun medeburgers in het Paalhuisje uitroepen: “regent bet [regen harder], reghent bet, zoe mach die paep [priester] met zijn God nat worden!”

Zulke woorden getuigden van weinig respect voor het Heilig Sacrament, dat een zo belangrijke rol speelde in het leven van de middeleeuwse Amsterdammers. Al meer dan tien jaar twijfelden steeds meer bewoners van de stad aan het rooms-katholieke dogma van de werkelijke aanwezigheid van Christus in de gewijde hostie, en sommigen schroomden niet openlijk en op spottende wijze uiting te geven aan hun ongeloof. “Het mach wel een sot God wesen, die tusschen uwen priesters handen soude commen” had Wolfert de slotenmaker gezegd, en Adriaan-met-één-oog beweerde dat het altaarsacrament niet meer was dan gebakken brood, zoals de bakkers dat op hun venster te koop hadden liggen.

Was het incident op de Nieuwebrug dus nauwelijks opmerkelijk vanwege de openlijke minachting van het Sacrament, de ruimtelijke context waarin deze symbolische daad plaatsvond was op zijn minst goed gekozen. De Sacramentsprocessie symboliseerde de sacrale eenheid van de stad. In de stoet manifesteerden zich de verschillende corporaties van de stad: de geestelijkheid, de magistraat, de schutterijen, de gilden en de gewone burgerij. Zij schaarden zich eendrachtig rond het Heilig Sacrament, onder welks bescherming de stad zich had gesteld. De cirkelvormige route die de optocht door de stad volgde, verbond de parochies van de Nieuwe en de Oude Zijde. Het meest noordelijke punt van de ommegang, het smalle, beweegbare gedeelte van de Nieuwebrug, vormde een essentiële en betekenisvolle schakel in het hele ceremonieel. Hier, op het snijpunt van de twee assen van Amsterdams welvaart, stond de buitenhaven van het IJ in verbinding met de binnenhaven van het Damrak. Midden op de brug smeekte de priester Gods zegen af over de schepen, terwijl de kloveniersschutters een daverend salvo lieten klinken; hier reikte de pastoor van de Nieuwe Kerk plechtig de monstrans met de gewijde hostie over aan zijn collega van de Oude Kerk. Het voorval op de brug maakte duidelijk dat de eens zo vanzelfsprekende gewijde eenheid van de stad niet meer door iedereen werd geaccepteerd.

Scandaleuze briefjes op kerkdeur

Het beeld dat uit de bronnen oprijst van de geloofswereld van de dissidenten wordt vooral bepaald door een negatieve houding ten opzichte van de rooms-katholieke kerk, dikwijls op het spottende af. Ze verzetten zich tegen de sacramenten en de eeuwenoude kerkelijke instellingen: tegen de vasten, tegen aflaten, tegen de beeldenverering, tegen de aanbidding van Maria en de heiligen, tegen de geestelijkheid, tegen het kloosterwezen en vooral het altaarsacrament.

In hun afkeer van de geestelijkheid konden de nieuwgezinden voortbouwen op een al langer bestaande antiklerikale traditie. Op kerkdeuren en soms zelfs op altaren werden schandaleuze briefjes geplakt, tegen de paus en de aflaten. Schoenlapper Jan IJsbrantsz. ‘alias Jannetgen Compt inne’ had bij het zien van de kapelaan van de Oude Kerk die in de Sint-Olofskapel preekte uitgeroepen: “Ick wil thuys gaen, ick heb lange genouch verleiders van God gehoert!” en werd zes jaar uit de stad verbannen. Mandenmaker Adriaan Jacobsz. had de schilder Peter Rippenz. een voorstelling voor zijn huis laten aanbrengen van een menigte duiveltjes met monnikskappen, die visten naar geld, kazen en andere goederen. Dit leidde tot groot rumoer, waarom opdrachtgever en schilder bestraft werden met een bedevaart naar Rome en een boete van 25.000 respectievelijk 10.000 Leidse stenen ten behoeve van de stadstimmerwerken.

Door hun radicale afwijzing van al het stoffelijke betoogden de vroege hervormingsgezinden dat het materiële nooit als verbinding kan dienen tussen een stoffelijke, onvolmaakte wereld en een God die Geest is. Ze wilden de kerk zuiveren van alle uiterlijke ballast en haar terugbrengen tot wat ze als haar kern beschouwden: een op het vroege Christendom geënte gemeenschap, waarin de boodschap van zondeval, genade en verlossing centraal staat. Die boodschap kon het beste worden overgebracht door een soms weinig subtiele, maar altijd in het openbaar uitgevoerde aanval op alles wat dat ideaal in de weg stond. Dat dit hen soms op draconische straffen kwam te staan, namen de religieuze vernieuwingsgezinden op de koop toe.

Dr. B. de Melker is wetenschappelijk medewerker van het Gemeentearchief Amsterdam; prof.dr. H.F.K. van Nierop doceert Nieuwe Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

Noot van de redactie: in de tekst van Henk van Nierop zijn enkele coupures aangebracht.






 
 
Banner
Banner
Banner
© FIZZ reclame + communicatie