Nummer 5: Mei 2004 - Hoe verhuizen een vak werd



Pagina 3 van 8
Hoe verhuizen een vak werd
Raken touw en blok uit de gratie?
Tekst: Machiel Bosman
De meimaand was eeuwenlang dé maand om te verhuizen. Die traditie verdween en dat geldt voor veel meer aspecten van het verhuisgebeuren. De belangrijkste trend lijkt de professionalisering van het boedelvervoer. Maar ook met hulp van Echte Verhuizers is de doorsnee verhuizing nu veel meer gedoe dan vroeger.
Al in de 16de eeuw gold mei als verhuismaand. Veel huurcontracten liepen op 1 mei af, zodat menigeen die dag zijn huis moest verlaten. Om de drukte in banen te leiden, kondigde de Amsterdamse overheid elk jaar begin mei een verhuisdag af. Wie wegging moest zijn huis voor twaalf uur ’s middags verlaten hebben. De rechtbank hield die dag een extra zitting om eventuele problemen te beslechten. Maar in de loop van de 19de eeuw verloor de vaste verhuisdag aan betekenis, waarna die in 1916 werd afgeschaft.
Verhuizen was een eeuw geleden een heel ander soort onderneming dan nu. Waar een verhuizing tegenwoordig hoog scoort in de toptien van stress-opwekkers, had het vroeger weinig meer om het lijf dan nu bijvoorbeeld het wisselen van telefoonaanbieder. Je laadde je karige huisraad op een kar en daar ging je.
Neem de 91-jarige Elisabeth Stolte-Robert. Ze woont nu in Hulst, maar werd geboren in Amsterdam. Haar ouders maakten er een sport van om zo vaak mogelijk te verkassen: toen ze het ouderlijk huis verliet, op haar 28ste om te trouwen, was ze liefst zeventien keer verhuisd. Soms duurde het maar drie maanden voor het gezin weer verder trok, aldus Stolte. “We woonden meestal op etagewoningen. Als de bovenburen te veel lawaai maakten, dan waren we weg. Verschrikkelijk vond mijn moeder dat gestamp boven haar hoofd.” Oost en Zuid kennen weinig geheimen voor haar. Een greep uit de adressen waar ze heeft gewoond: Molukkenstraat, Madurastraat, Insulindeweg, Pythagorasstraat, Rijnstraat en Prinsengracht. Slechts eenmaal verliet het gezin de stad, in 1916, toen een van de dochters voor haar gezondheid boslucht nodig had. Even werd Amsterdam voor Hilversum verruild, maar binnen een jaar was de familie weer terug.
De verhuisdrift van de familie Robert was begin 20ste eeuw niet ongewoon, getuige de gezinskaarten van het Bevolkingsregister die in het Gemeentearchief worden bewaard. Daarop staat precies aangetekend wie wanneer waar woonde, zodat de woongeschiedenis van families eenvoudig is te reconstrueren. Jan Kok, Kees Mandemakers en Henk Wals hebben dat onlangs gedaan voor een onderzoek naar verhuispatronen in Amsterdam, waarover ze vorig jaar in het Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis rapporteerden. Ze stuitten daarbij onder anderen op de familie Jan en Johanna B., die tussen 1887 en 1913 liefst 29 keer verhuisde.
Het echtpaar trok de eerste paar jaar sheen en weer tussen verschillende wijken, maar vanaf 1890 hadden ze hun stek gevonden: de Jordaan. Daar bleven ze, los van drie uitstapjes naar Sloten en de Watergraafsmeer, de rest van hun leven wonen - op 21 verschillende adressen. Liefst viermaal deden ze de Tuinstraat aan, niet het beste deel van de wijk. Zoals Israël Querido schrijft in zijn roman De Jordaan uit 1912: “Geen buurt in den heelen Jordaan, waarin de saâmhokkende, nauw opeengedrongen massa zoo in groezelige vervuiling leefde en bijeengepropt als daar. (…) Als een zwerend brok leven, aangestoken, zoo lag de lange Tuinstraat met haar dwars-wijken in den Jordaan. Het was de straat van uitgevreten armoe en jammerlijkste naargeestigheid, met haar donkere keldertjes, ingezonken winkeltjes, haar trieste snijdingen en gangen, haar scheeve gevels en schimmelden haveloosheid.”
Jan en Johanna behoorden tot de Amsterdamse onderklasse. Voor hen was verhuizen een bestaansstrategie. Jan was sjouwer in de haven en moest iedere dag maar weer zien of er iets te doen was. Zijn vrouw verdiende bij als werkster. Als het geld op was, gingen de spullen naar de lommerd. In het uiterste geval klopten ze aan bij de armenzorg. De huur was voor de meeste arbeiders een flinke kostenpost en vrat zo’n 20% van het gezinsinkomen op, dus als daar wat op te besparen viel door om de hoek te gaan wonen, dan deed je dat. Preciezer: dat deed je gemiddeld eens in de zestien maanden, als je arm was tenminste. Witte boordenwerkers en zelfstandigen waren wat honkvaster: die bleven eind 19de, begin 20ste eeuw zo’n tweeëneenhalf tot drie jaar op hetzelfde adres.
In sociaal opzicht stelde een verhuizing weinig voor: je bleef meestal in de buurt van je buren wonen. Driekwart van de mensen vertrok naar een woning in dezelfde wijk en één op de vijf zelfs in dezelfde straat. Probeer dat nu maar eens in Amsterdam. Wie huurt heeft het met tien jaar inschrijfduur nog steeds niet voor het uitzoeken. Maar rond de eeuwwisseling lag dat anders: toen was er sprake van een woningoverschot. Weliswaar was de bevolking tussen 1870 en 1900 verdubbeld, maar het woningaanbod was nog sneller gegroeid. Amsterdam was in die jaren één grote bouwput en links en rechts verrezen nieuwe wijken: Oost, West en de Pijp onder andere. Hele huizenblokken werden volgens de beginselen van de revolutiebouw uit de grond gestampt, bestaande uit kleine etagewoningen van vaak maar één kamer en een keuken. Al was de kwaliteit van de nieuwbouw doorgaans bedroevend, feit blijft dat eind 19de eeuw het tekort aan huizen was omgebogen in een overschot.
Met de noorderzon vertrokken
Kleine particulieren maakten in die tijd nog de dienst uitmaakten op de woningmarkt. Typische verhuurders waren arbeiders of middenstanders met slechts één of twee woningen in hun bezit. Amsterdam telde er zo’n 17.000 tot 25.000. Ze stonden slecht aangeschreven bij huurders - “men ziet ons als schurftige schaapen, als lieden die van hun eigendom onbehoorlijk hooge renten trekken, die diegenen, welke die renten opbrengen, de huurders uitbuiten: huisjesmelkers!”, tekende een huiseigenaar verontwaardigd op. Maar anderzijds klaagden ook verhuurders steen en been over het gedrag van bewoners. Een eigenaar over een voormalige huurder: “Dat heer heeft in vier maanden tijd het huis tijdelijk onbewoonbaar gemaakt door de muren, het behangsel, en het schilderwerk met modder en verf te besmeuren en minstens twee kannen met drek op de vloeren en in de kasten achtergelaten en tien gulden huurschuld met medeneming van den sleutel. Gelijk een zwijn zijn hok verlaat, nog erger, heeft de bedrieger het huis in de Prinsenstraat achtergelaten.” Een ander probleem was het innen van de huur (wekelijks langs de deuren); wie niet betaalde trok vaak aan het langste eind. Juridische procedures waren ingewikkeld en duur en de huizenbranche was slecht georganiseerd. In 1894 was de vereniging van huiseigenaren Het Eigendomsrecht opgericht, die de strijd tegen de wanbetalers aanbond met een “lijst van personen waartegen de vereeniging waarschuwt”. Veel mensen daarop hadden de aantekening NZ achter hun naam: met de noorderzon vertrokken.
Vanaf de eeuwwisseling begon het Amsterdamse woningoverschot langzaam te slinken onder invloed van de woningwet van 1901. Die stelde niet alleen eisen aan de bestaande bouw, waardoor veel krotten werden gesloopt, maar ook aan de nieuwbouw, waardoor de productie van huizen stagneerde. Rond 1910 ontstond er zelfs een tekort aan woonruimte, wat er toe leidde dat de verhuiscarrousel vrijwel tot stilstand kwam. Men verhuisde in het daaropvolgende decennium gemiddeld nog maar eens in de elf, twaalf jaar, ongeveer zo vaak als wij tegenwoordig. De woningmarkt moet toen, net als nu, potdicht hebben gezeten. Maar, zo leert de geschiedenis, er is hoop voor wie geen huis kan vinden, al is geduld vereist. In de jaren twintig werden ruim 50.000 woningen aan de voorraad toegevoegd, waarna de markt omsloeg en de huurders het weer voor het zeggen kregen. Verhuurders moesten moeite gaan doen om van hun woningen af te komen en vooral in de crisistijd haalden ze alles uit de kast. Nieuw behangetje? Geen probleem! Ander verfje? Voor mekaar! Sommige verhuurders boden zelfs de eerste weken huur gratis aan. Met als gevolg dat sommige huurders gingen huis-hoppen: van de ene gratis woning naar de volgende.
Tot dat slag mensen hoorde de familie Robert niet, zegt Elisabeth Stolte-Robert, maar verder past het verhuisgedrag van haar ouders precies in het patroon. Van 1916 tot 1925 woonden ze stilletjes op hetzelfde adres, daarna pakten ze hun nomadisch bestaan weer op. “Mijn moeder was een echte zwerfster”, vertelt Stolte. “Ze was steeds op zoek naar nieuwe snufjes: luxere badkamers, mooiere keukens, meer kamers. Of ze wilde een nieuwe buurt leren kennen. Op zondagmiddag gingen mijn ouders dan huizen kijken en als iets ze beviel, dan namen ze dat.” De middenstand zag de nieuwe bewoners graag komen. “In de crisistijd, als je ergens nieuw was, stonden de volgende dag de slager, de melkboer en de groenteboer op de stoep. Met een welkomstpakket, want ze wilden je strikken. Daar deden we het niet voor, dat verhuizen. Maar leuk was het wel”.
Steeds minder piano’s
Hoe ging dat vroeger, verhuizen? De meeste mensen deden het zoals studenten nu - drie keer rijden en de boel was over. Auto’s waren er bijna niet, maar met handkarren lukte het ook. Wie meer spullen had én geld, kon natuurlijk een transporteur in de hand nemen. Gespecialiseerde verhuizers waren er voor de Tweede Wereldoorlog nauwelijks, maar wel wemelde het van de kruiers en koeriers die hand- en spandiensten verleenden. Zoals het nog steeds bestaande familiebedrijf Vlaming, dat al meer dan een eeuw actief is op de Amsterdamse verhuismarkt.
“Mijn overgrootvader is het bedrijf begonnen” vertelt Jaap Vlaming (61), de huidige directeur, in zijn kantoor aan de Weespertrekvaart in Diemen. “Hij ging eind 19de eeuw suikerbieten vervoeren van Heerhugowaard naar Halfweg en dat groeide steeds verder uit. In 1912 vestigde hij zich in Amsterdam, op de Jacob van Lennepkade; in de jaren twintig verhuisde hij naar de Van Ostadestraat. De zaken liepen goed en twaalf jaar later, op zijn 56e, kon hij stil gaan leven in Hilversum.” Het werk was toen heel anders dan nu, Vlaming was meer een koeriersbedrijf. “Wat we vroeger wel deden: als iemand naar Zwitserland ging, zetten we de hutkoffers op een wagen en brachten we die naar het station”, zegt Vlaming. “Of bij de grote voorjaarsschoonmaak. Dan brachten we de kleden naar het Beatrixpark en stonden de verhuizers die te kloppen.”
De eerste vrachtwagens deden hun intree in de jaren twintig, tot die tijd ging alles met paard en wagen. “Na de Eerste Wereldoorlog zijn er hier wat legervoertuigen achtergebleven, die zijn toen in gebruik genomen”, vertelt Vlaming. “De jaren dertig waren een slechte tijd, vader had toen niemand in dienst. Als-ie een klus had, ging-ie naar de Ceintuurbaanbrug waar de werklozen samendromden. Dan wees hij er een paar aan - jij, jij en jij - en die konden dan aan het werk.” De bekendste verhuizer in die dagen was de firma A. Puls. Ook de ouders van Elisabeth Stolte-Robert, die tot de gelukkigen behoorden die zich professionele hulp konden permitteren, gingen altijd met dat bedrijf over. In de oorlog werd Puls een belaste naam: de Duitsers schakelden de firma in om de huizen van joden leeg te halen. Verhuizers hadden het nog jarenlang over “pulsen” wanneer ze een woning moesten ontruimen.
Het verhuizen van particulieren kwam door de toegenomen welvaart in de jaren vijftig pas echt op gang. In die tijd ging ook Vlaming zich specialiseren. “Wat een verschil is met vroeger: mensen hebben nu veel meer spullen. Vroeger moest je een kachel met haard verhuizen en zeven mud kolen. En als het om een dominee ging, dan wist je dat er boeken kwamen. Nu heeft iedereen tv’s en wasmachines.” In de jaren zestig kwam de verhuisdoos op de markt, daarvoor ging de inboedel in kisten, verpakt in paardendekens of houtwol. Het werk was destijds veel zwaarder. Gaat nu alles met de lift omhoog, vroeger moest het met touw en blok - op zich een briljante vinding die merkwaardig genoeg alleen in Amsterdam opgang heeft gemaakt. De hijsbalken waar de huizen hier mee zijn uitgerust zijn uniek in de wereld. Zonder gevaar was het systeem overigens niet; een medewerker van Vlaming heeft in 1958 bij het takelen het leven gelaten. Hij moest in de Van Hilligaertstraat een piano verhuizen maar gebruikte een verkeerde knoop. Die kwam in de katrol terecht en schoot los, waarna de piano naar beneden donderde. De jongen kreeg het gevaarte bovenop zich en overleed vijf dagen later.
Tot slot: wat zijn de ontwikkelingen van de laatste tijd? Na wat mindere jaren trekt de particuliere markt weer aan, aldus Vlaming. Het publiek dat zich laat verhuizen bestaat doorgaans uit dertig-plussers, blank en redelijk welgesteld. Ze blijven meestal in de regio Amsterdam, maar verlaten de stad vaker dan dat ze er komen wonen. Wat nieuw is, zegt Vlaming, is dat mensen de boel vaker ook laten inpakken door verhuizers. “En wat ook opvalt: we komen steeds minder piano’s en vleugels tegen. Je vraagt je af waar die dingen zijn gebleven.”