INSCHRIJVEN
NIEUWSBRIEF


Nummer 5: Mei 2004

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

Inhoudsopgave
Nummer 5: Mei 2004
De Ooievaar anno 1782
Hoe verhuizen een vak werd
Tingeltangelmuziek uit de Jordaan
100 jaar schoolvoetbal
Bevrijd
Vroomheid en ketterij rond 1500
Architect Jan Boterenbrood
Alle pagina's
052004_Cover


Op het omslag: Een stilleven uit de werkruimten van likeurstokerij en distilleerderij A. van Wees in de Driehoekstraat, het laatste ambachtelijke sterke-drankfabriekje van Amsterdam. Hans van den Bogaard

- De Ooievaar anno 1782
- Hoe verhuizen een vak werd
- Tingeltangelmuziek uit de Jordaan
- 100 jaar schoolvoetbal
- Bevrijd
- Vroomheid en ketterij rond 1500
- Architect Jan Boterenbrood




Van Huppelolie tot ‘naveltje bloot’

A. van Wees, de laatste ambachtelijke stokerij

Tekst: Viveka van de Vliet

052004_De_OoievaarOoit was de Driehoekstraat in de noordpunt van de Jordaan een centrum van distilleerderijen. Inmiddels hebben bijna alle kleintjes het afgelegd tegen de grote industriële stokers. Volhouder is de familie Van Wees. Hun 222 jaar oude bedrijf De Ooievaar, inmiddels gerund door de derde generatie Van Wees, is nog de enige ambachtelijke jenever-, likeur- en brandewijnstokerij in Amsterdam.

In de Driehoekstraat hangt een onmiskenbaar Dickens-sfeertje. Verkeer komt er nauwelijks in dit straatje, dat zich naar drie zijden vertakt: naar de Brouwersgracht, naar de Lijnbaansgracht en naar de Palmgracht. In de bedrijfspanden huist nog een enkele timmerman of slijper, maar de sfeer wordt voornamelijk bepaald door de distilleerderij van de familie Van Wees: De Ooievaar. Het kantoor van de jenever-, likeur- en brandewijnstokerij ziet er na een recente opknapbeurt ongeveer zo uit als vroeger: glas-in-loodramen, oude tegels op de vloer, stellingen met oeroude flessen. In de belendende stokerij kringelt damp boven de honderd jaar oude stookketels, afkomstig van waterdamp, die fungeert als koelwater tijdens het distilleren. Verderop staan een antieke pomp en een houten trechter, die nog ouder zijn dan het familiebedrijf zelf.

Er zijn gelukkig meer historische voorwerpen bewaard gebleven. Zo zijn er twee grote kasboeken uit 1875 en oud gereedschap dat grootvader Van Wees al gebruikte, zoals de zakkenfilter en kuipershamer, de slingerpompen en trommelzeven. Ook is er een verzameling oud verpakkingsmateriaal, waaronder ‘kattenkoppen’ – flessen waarin men in de 16de eeuw de jenever bewaarde – en de Weesperkruiken, die stammen uit de tijd dat veel distilleerderijen naar Weesp verhuisden.

Bij Van Wees werken ze nog steeds met de oude materialen. En niet te vergeten: met de oude receptuur die het bedrijf van generatie op generatie heeft bewaard. Nog steeds voert De Ooievaar het uitgebreide historische assortiment: zestig verschillende Oud-Hollandse likeuren met namen als ‘Hempje licht op’, ‘Roosje zonder doornen’, ‘Naveltje bloot’ en ‘Vergeet mij niet’, een drankje dat vrouwen volgens de overlevering bij de Schreierstoren meegaven aan hun zeevarende zonen en mannen. De familie voegt er ook nog wel eens een nieuwe likeur aan toe, zoals ‘Hemel op aarde’. Van Wees heeft daarnaast zeventien jenevers in het assortiment, van jonge jenever tot citroenjenever en van Huppelolie tot zeer oude jenever, die zo’n twintig jaar op fust ligt te rijpen. Ook levert het bedrijf advocaat, eau de vie, brandewijn en ruim veertig esprits – het meest geconcentreerde distillaat, dat als basis dient voor exclusieve bonbons, gebak, ijs en gerechten in de tophoreca. Alle culinaire specialisten weten Van Wees te vinden: banketbakkers, ijsmakers, bonbonmakers, slijters en chef-koks van toprestaurants.

Franse naäpers

Van Wees is in Amsterdam gebleven, in tegenstelling tot veel andere likeur- en jeneverstokerijen, die de stad in de 19de eeuw verlieten omdat ze voor te veel overlast zorgden. Moutwijn – gegist graan – werd toen nog door als stokers als de basis voor hun jenever gebruikt. Omwonenden hadden niet zozeer last van het stoken, als wel van de kippen en varkens die bij de stokerijen rondliepen. Die werden gevoerd met het restproduct dat overbleef bij het vergisten van het graan. De beesten poepten overal, zorgden voor stankoverlast en verspreidden ziektes. De stokerijen weken daarop uit naar Weesp. De belangrijkste jeneverstad werd echter algauw Schiedam: op het hoogtepunt telde deze stad zeker 400 moutwijnbranderijen. Bij Van Wees gebruikt men moutwijn nog steeds als basis, maar andere jeneverproducenten gebruiken inmiddels goedkopere suikerbieten. Van Wees maakte zijn moutwijn echter niet zelf, maar betrok (en betrekt) die van een leverancier. Van overlast door rondhangende beesten had men in de Driehoekstraat dus geen last, dus het bedrijf kon blijven zitten waar het zat.

De eerste Van Wees die eigenaar werd van De Ooievaar (opgericht in 1782), was Adriaan. Dat moet ongeveer in 1920 zijn geweest. Hij werd opgevolgd door zijn zonen Cees en Adriaan en momenteel wordt het bedrijf geleid door Fenny van Wees, de dochter van Cees.

De geërfde passie van Cees van Wees is werd sterk bevorderd op school, waar de vaderlandse geschiedenis er werd ingepompt, vertelt hij. De overzeese specerijenhandel van de VOC, de tabakshandel, het gedistilleerd. De Hollanders waren al in de Middeleeuwen beroemd om hun kennis van het gedistilleerd. Zij zijn de uitvinders van de cognac en niet de Fransen, zoals Cees van Wees niet moe wordt te vertellen. Hollandse kooplieden namen op weg naar huis altijd wijn mee uit de streken waar ze vandaan kwamen, bijvoorbeeld uit Bordeaux en de Charente. Omdat ze weinig plaats hadden op hun schepen, stookten ze deze Charente-wijn aan boord. Zo konden ze meer wijn meenemen. Bovendien waren de druiven uit die streek niet de lekkerste om wijn mee te maken. In gedistilleerde vorm bleek de wijn echter een prima alternatief – en zo was de cognac geboren.

Het vervaardigen van likeuren is eveneens een traditie die teruggaat tot de VOC-tijd, toen Hollandse kooplieden kruiden en specerijen meenamen naar Amsterdam. Met die kruiden, wortels, schillen en specerijen bereidden Amsterdamse monniken de eerste likeuren. Zo verzonnen de Nederlanders – en alwéér niet de Fransen – Triple Sec en Oranje Curaçao, waarvan Cointreau en Grand Marnier de imitaties zijn.

Geheime receptuur

Cees van Wees groeide op in de stokerij en was al jong gefascineerd door de exotische geuren en smaken. Vanaf zijn veertiende ging hij bij andere bedrijven in de leer. In 1954, op achttienjarige leeftijd, nam hij het bedrijf van zijn vader over en vijftig jaar lang was hij de eigenaar van De Ooievaar. Inmiddels is hij 68 en vorig jaar heeft zijn dochter Fenny de leiding overgenomen. Toch is Cees nog dagelijks in de stokerij te vinden en in zijn bruine stofjas is de boomlange man moeilijk over het hoofd te zien; wie voor hem staat kan niet verbaasd zijn te horen dat hij meermalen Nederlands kampioen kogelstoten is geweest.

Alleen hij, zijn dochter Fenny en haar naaste medewerker Frans Regtuit (sinds 1992 in de zaak) zijn bevoegd met de oude receptuur te werken. Als de oude receptenboeken te voorschijn komen, gaat de deur potdicht. Ze zijn dan wel nauwelijks na te maken, maar toch. Fenny heeft de belangstelling voor smaken en geuren van haar vader overgenomen. In haar tuin staan bijvoorbeeld uitsluitend rozen en andere bloemen die geuren – meer dan 36 soorten. Iets anders komt er niet in. Haar drie dochters worden er letterlijk met hun neus ingeduwd. En het zal dan ook niet raar zijn als ooit een vierde generatie Van Wees aantreedt.

Waarom overleefde de ambachtelijke jenever- en likeurstokerij Van Wees in Amsterdam, terwijl andere op de fles gingen of de stad verlieten? Cees van Wees maakte nog mee dat er veertig distilleerderijen waren, maar voor vele werd het moeilijk nadat de drankwet werd versoepeld. Daardoor werden er na 1940 meer tap- en slijtvergunningen vergeven en nam de concurrentie sterk toe. De productie moest goedkoper en grootschaliger, zodat de grotere bedrijven de kleintjes begonnen op te kopen. Bootz en Wijnand Fockink werden ingelijfd door Bols op de Rozengracht (nu in Zoetermeer). Van Zuylekom en Chrispijn werden opgeslokt en ook Levert & Co. verdween van het toneel. Veel vakmensen die in de kleine distilleerderijen werkzaam waren geweest, gaven hun receptuur aan Van Wees en vertelden hem hun stookmethoden. Ze waren bang dat hun kennis bij de grote bedrijven verloren zou gaan, omdat die er geen interesse in hadden.

De familie Van Wees weigerde te worden opgeslokt door de industriële massabedrijven. De distilleerderij had in tegenstelling tot de andere ‘kleintjes’ geen dure machines met geleend geld aangeschaft. Toen de verkoop van gedistilleerd een tijdlang sterk terugliep, kostte dat de andere meteen de kop. Van Wees had goed op zijn eigen vermogen gelet en kon overleven. Maar alleen de jenevers en likeuren boden onvoldoende basis om het vol te kunnen houden, dus kwam er een groothandel, werden er wijnen en bieren uit het buitenland geïmporteerd, en verwierf Van Wees tientallen cafés, restaurants en winkels. Van Wees heeft momenteel twaalf mensen in dienst, maar al die nevenactiviteiten zijn alweer afgestoten. Naast het distilleren en stoken, importeert Van Wees nog wel wijnen en van alle cafés is er één overgebleven: proeflokaal/restaurant De Admiraal (Herengracht 319, geopend vanaf half vier ’s middags). Hier zwaait Cees’ vrouw Dina van Wees (68) nog steeds de scepter.

Anijs, weegbree en lepeltak

Bij Van Wees wordt niets gemaakt dat niet wordt verkocht en dat komt omdat het bedrijf alleen maakt waar het echt goed in is. In marketingtermen is hun ambachtelijk gedistilleerd het topsegment. De Van Wees esprits gaan naar Nederlandse bonbonmakers die over de hele wereld werkzaam zijn. En het gaat goed met het bedrijf. Echte smaken worden tegenwoordig weer gewaardeerd en klanten zijn bereid er meer voor te betalen, zo blijkt. En de vergrijzing hoeft het bedrijf ook niet te vrezen, want geheel in tegenspraak tot het heersende beeld dat gedistilleerd alleen door oude mannetjes wordt gedronken, worden acht van de tien flessen gekocht door mensen tussen de 30 en 45 jaar.

Het is natuurlijk wel een behoorlijk arbeidsintensief beroep, waarvoor de nodige gedrevenheid nodig is. Cees van Wees vergelijkt het werk zelfs met topsport. En net als hij is Fenny nu continu bezig met het verbeteren van de oude receptuur en van de producten. Omdat ze beiden al zoveel echte smaken hebben geproefd en geroken, hebben ze een grote afkeer van valse, smaakoneigenlijke geuren gekregen. Daarom voelt Fenny zich soms een prediker die graag vertelt over hun producten, de smaak, de eigenschappen van natuurlijke aroma’s. En Cees wijdt als een missionaris tijdens proeverijen en rondleidingen aan groepen graag uit over de smaakvervlakking van industriële jenevers. De producten die anderen als jenever verkopen, maakt hij in drie tellen. “Industriële alcohol mag als jenever worden verkocht omdat het niet beschermd is,” zegt hij, “maar het is een wereld van verschil.”

De industriële bedrijven bedotten mensen met natuur-identieke smaken, is de overtuiging van de familie Van Wees. Met smaakstoffen en suikertoevoegingen maakt de industrie bijvoorbeeld aardbeienlikeur. Zo gaat dat niet bij Van Wees. Hier werkt men louter met verse vruchten zoals wilde sinaasappels en mirabellen en met natuurlijke grondstoffen, zoals weegbree, karweizaad, anijs en lepeltak. Deze kruiden en specerijen komen sinds jaar en dag van Jacob Hooy op de Kloveniersburgwal. Aan het handhaven van tradities zijn overigens wel grenzen. “We stoken natuurlijk niet meer op kolen, maar op gas,” zegt Fenny van Wees.

Van Wees is nooit groot geweest en heeft ook niet de ambitie dat te worden. Fenny van Wees legt uit waarom: “De producten die door distillatie verkregen zijn, hebben een lange rijping nodig. Dat vraagt opslagcapaciteit. Een cacaoboon bijvoorbeeld ontwikkelt zich voortdurend, ook al is hij veertig jaar oud. Onze producten hebben dus tijd nodig om de smaak te ontwikkelen. Met massaproductie ontbreekt die tijd.”

Er moet weliswaar geld verdiend worden, maar drinken is een vorm van cultuur en de familie Van Wees wil geen knollen voor citroenen verkopen. De industrieel werkende concurrentie begrijpt daar niets van. “Ze vinden ons niet van deze tijd. Maar je bent juist achterlijk als je niet inspeelt op de groeiende aandacht voor smaak en kwaliteit,” is de repliek van Cees en Fenny van Wees.

Met dank aan Cees en Fenny van Wees.

V. van de Vliet is journalist.

Literatuur

W. Verstraaten, Atlas van het Nederlands gedistilleerd. Actualiteit en historie van een nationaal cultuurproduct, De Nederlands Gedistilleerd Unie, 1995.




Hoe verhuizen een vak werd

Raken touw en blok uit de gratie?

Tekst: Machiel Bosman

052004_VerhuizenDe meimaand was eeuwenlang dé maand om te verhuizen. Die traditie verdween en dat geldt voor veel meer aspecten van het verhuisgebeuren. De belangrijkste trend lijkt de professionalisering van het boedelvervoer. Maar ook met hulp van Echte Verhuizers is de doorsnee verhuizing nu veel meer gedoe dan vroeger.

Al in de 16de eeuw gold mei als verhuismaand. Veel huurcontracten liepen op 1 mei af, zodat menigeen die dag zijn huis moest verlaten. Om de drukte in banen te leiden, kondigde de Amsterdamse overheid elk jaar begin mei een verhuisdag af. Wie wegging moest zijn huis voor twaalf uur ’s middags verlaten hebben. De rechtbank hield die dag een extra zitting om eventuele problemen te beslechten. Maar in de loop van de 19de eeuw verloor de vaste verhuisdag aan betekenis, waarna die in 1916 werd afgeschaft.

Verhuizen was een eeuw geleden een heel ander soort onderneming dan nu. Waar een verhuizing tegenwoordig hoog scoort in de toptien van stress-opwekkers, had het vroeger weinig meer om het lijf dan nu bijvoorbeeld het wisselen van telefoonaanbieder. Je laadde je karige huisraad op een kar en daar ging je.

Neem de 91-jarige Elisabeth Stolte-Robert. Ze woont nu in Hulst, maar werd geboren in Amsterdam. Haar ouders maakten er een sport van om zo vaak mogelijk te verkassen: toen ze het ouderlijk huis verliet, op haar 28ste om te trouwen, was ze liefst zeventien keer verhuisd. Soms duurde het maar drie maanden voor het gezin weer verder trok, aldus Stolte. “We woonden meestal op etagewoningen. Als de bovenburen te veel lawaai maakten, dan waren we weg. Verschrikkelijk vond mijn moeder dat gestamp boven haar hoofd.” Oost en Zuid kennen weinig geheimen voor haar. Een greep uit de adressen waar ze heeft gewoond: Molukkenstraat, Madurastraat, Insulindeweg, Pythagorasstraat, Rijnstraat en Prinsengracht. Slechts eenmaal verliet het gezin de stad, in 1916, toen een van de dochters voor haar gezondheid boslucht nodig had. Even werd Amsterdam voor Hilversum verruild, maar binnen een jaar was de familie weer terug.

De verhuisdrift van de familie Robert was begin 20ste eeuw niet ongewoon, getuige de gezinskaarten van het Bevolkingsregister die in het Gemeentearchief worden bewaard. Daarop staat precies aangetekend wie wanneer waar woonde, zodat de woongeschiedenis van families eenvoudig is te reconstrueren. Jan Kok, Kees Mandemakers en Henk Wals hebben dat onlangs gedaan voor een onderzoek naar verhuispatronen in Amsterdam, waarover ze vorig jaar in het Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis rapporteerden. Ze stuitten daarbij onder anderen op de familie Jan en Johanna B., die tussen 1887 en 1913 liefst 29 keer verhuisde.

Het echtpaar trok de eerste paar jaar sheen en weer tussen verschillende wijken, maar vanaf 1890 hadden ze hun stek gevonden: de Jordaan. Daar bleven ze, los van drie uitstapjes naar Sloten en de Watergraafsmeer, de rest van hun leven wonen - op 21 verschillende adressen. Liefst viermaal deden ze de Tuinstraat aan, niet het beste deel van de wijk. Zoals Israël Querido schrijft in zijn roman De Jordaan uit 1912: “Geen buurt in den heelen Jordaan, waarin de saâmhokkende, nauw opeengedrongen massa zoo in groezelige vervuiling leefde en bijeengepropt als daar. (…) Als een zwerend brok leven, aangestoken, zoo lag de lange Tuinstraat met haar dwars-wijken in den Jordaan. Het was de straat van uitgevreten armoe en jammerlijkste naargeestigheid, met haar donkere keldertjes, ingezonken winkeltjes, haar trieste snijdingen en gangen, haar scheeve gevels en schimmelden haveloosheid.”

Jan en Johanna behoorden tot de Amsterdamse onderklasse. Voor hen was verhuizen een bestaansstrategie. Jan was sjouwer in de haven en moest iedere dag maar weer zien of er iets te doen was. Zijn vrouw verdiende bij als werkster. Als het geld op was, gingen de spullen naar de lommerd. In het uiterste geval klopten ze aan bij de armenzorg. De huur was voor de meeste arbeiders een flinke kostenpost en vrat zo’n 20% van het gezinsinkomen op, dus als daar wat op te besparen viel door om de hoek te gaan wonen, dan deed je dat. Preciezer: dat deed je gemiddeld eens in de zestien maanden, als je arm was tenminste. Witte boordenwerkers en zelfstandigen waren wat honkvaster: die bleven eind 19de, begin 20ste eeuw zo’n tweeëneenhalf tot drie jaar op hetzelfde adres.

In sociaal opzicht stelde een verhuizing weinig voor: je bleef meestal in de buurt van je buren wonen. Driekwart van de mensen vertrok naar een woning in dezelfde wijk en één op de vijf zelfs in dezelfde straat. Probeer dat nu maar eens in Amsterdam. Wie huurt heeft het met tien jaar inschrijfduur nog steeds niet voor het uitzoeken. Maar rond de eeuwwisseling lag dat anders: toen was er sprake van een woning­overschot. Weliswaar was de bevolking tussen 1870 en 1900 verdubbeld, maar het woningaanbod was nog sneller gegroeid. Amsterdam was in die jaren één grote bouwput en links en rechts verrezen nieuwe wijken: Oost, West en de Pijp onder andere. Hele huizenblokken werden volgens de beginselen van de revolutiebouw uit de grond gestampt, bestaande uit kleine etagewoningen van vaak maar één kamer en een keuken. Al was de kwaliteit van de nieuwbouw doorgaans bedroevend, feit blijft dat eind 19de eeuw het tekort aan huizen was omgebogen in een overschot.

Met de noorderzon vertrokken

Kleine particulieren maakten in die tijd nog de dienst uitmaakten op de woningmarkt. Typische verhuurders waren arbeiders of middenstanders met slechts één of twee woningen in hun bezit. Amsterdam telde er zo’n 17.000 tot 25.000. Ze stonden slecht aangeschreven bij huurders - “men ziet ons als schurftige schaapen, als lieden die van hun eigendom onbehoorlijk hooge renten trekken, die diegenen, welke die renten opbrengen, de huurders uitbuiten: huisjesmelkers!”, tekende een huiseigenaar verontwaardigd op. Maar anderzijds klaagden ook verhuurders steen en been over het gedrag van bewoners. Een eigenaar over een voormalige huurder: “Dat heer heeft in vier maanden tijd het huis tijdelijk onbewoonbaar gemaakt door de muren, het behangsel, en het schilderwerk met modder en verf te besmeuren en minstens twee kannen met drek op de vloeren en in de kasten achtergelaten en tien gulden huurschuld met medeneming van den sleutel. Gelijk een zwijn zijn hok verlaat, nog erger, heeft de bedrieger het huis in de Prinsenstraat achtergelaten.” Een ander probleem was het innen van de huur (wekelijks langs de deuren); wie niet betaalde trok vaak aan het langste eind. Juridische procedures waren ingewikkeld en duur en de huizenbranche was slecht georganiseerd. In 1894 was de vereniging van huiseigenaren Het Eigendomsrecht opgericht, die de strijd tegen de wanbetalers aanbond met een “lijst van personen waartegen de vereeniging waarschuwt”. Veel mensen daarop hadden de aantekening NZ achter hun naam: met de noorderzon vertrokken.

Vanaf de eeuwwisseling begon het Amsterdamse woningoverschot langzaam te slinken onder invloed van de woningwet van 1901. Die stelde niet alleen eisen aan de bestaande bouw, waardoor veel krotten werden gesloopt, maar ook aan de nieuwbouw, waardoor de productie van huizen stagneerde. Rond 1910 ontstond er zelfs een tekort aan woonruimte, wat er toe leidde dat de verhuiscarrousel vrijwel tot stilstand kwam. Men verhuisde in het daaropvolgende decennium gemiddeld nog maar eens in de elf, twaalf jaar, ongeveer zo vaak als wij tegenwoordig. De woningmarkt moet toen, net als nu, potdicht hebben gezeten. Maar, zo leert de geschiedenis, er is hoop voor wie geen huis kan vinden, al is geduld vereist. In de jaren twintig werden ruim 50.000 woningen aan de voorraad toegevoegd, waarna de markt omsloeg en de huurders het weer voor het zeggen kregen. Verhuurders moesten moeite gaan doen om van hun woningen af te komen en vooral in de crisistijd haalden ze alles uit de kast. Nieuw behangetje? Geen probleem! Ander verfje? Voor mekaar! Sommige verhuurders boden zelfs de eerste weken huur gratis aan. Met als gevolg dat sommige huurders gingen huis-hoppen: van de ene gratis woning naar de volgende.

Tot dat slag mensen hoorde de familie Robert niet, zegt Elisabeth Stolte-Robert, maar verder past het verhuisgedrag van haar ouders precies in het patroon. Van 1916 tot 1925 woonden ze stilletjes op hetzelfde adres, daarna pakten ze hun nomadisch bestaan weer op. “Mijn moeder was een echte zwerfster”, vertelt Stolte. “Ze was steeds op zoek naar nieuwe snufjes: luxere badkamers, mooiere keukens, meer kamers. Of ze wilde een nieuwe buurt leren kennen. Op zondagmiddag gingen mijn ouders dan huizen kijken en als iets ze beviel, dan namen ze dat.” De middenstand zag de nieuwe bewoners graag komen. “In de crisistijd, als je ergens nieuw was, stonden de volgende dag de slager, de melkboer en de groenteboer op de stoep. Met een welkomstpakket, want ze wilden je strikken. Daar deden we het niet voor, dat verhuizen. Maar leuk was het wel”.

Steeds minder piano’s
Hoe ging dat vroeger, verhuizen? De meeste mensen deden het zoals studenten nu - drie keer rijden en de boel was over. Auto’s waren er bijna niet, maar met handkarren lukte het ook. Wie meer spullen had én geld, kon natuurlijk een transporteur in de hand nemen. Gespecialiseerde verhuizers waren er voor de Tweede Wereldoorlog nauwelijks, maar wel wemelde het van de kruiers en koeriers die hand- en spandiensten verleenden. Zoals het nog steeds bestaande familiebedrijf Vlaming, dat al meer dan een eeuw actief is op de Amsterdamse verhuismarkt.

“Mijn overgrootvader is het bedrijf begonnen” vertelt Jaap Vlaming (61), de huidige directeur, in zijn kantoor aan de Weespertrekvaart in Diemen. “Hij ging eind 19de eeuw suikerbieten vervoeren van Heerhugowaard naar Halfweg en dat groeide steeds verder uit. In 1912 vestigde hij zich in Amsterdam, op de Jacob van Lennepkade; in de jaren twintig verhuisde hij naar de Van Ostadestraat. De zaken liepen goed en twaalf jaar later, op zijn 56e, kon hij stil gaan leven in Hilversum.” Het werk was toen heel anders dan nu, Vlaming was meer een koeriersbedrijf. “Wat we vroeger wel deden: als iemand naar Zwitserland ging, zetten we de hutkoffers op een wagen en brachten we die naar het station”, zegt Vlaming. “Of bij de grote voorjaarsschoonmaak. Dan brachten we de kleden naar het Beatrixpark en stonden de verhuizers die te kloppen.”

De eerste vrachtwagens deden hun intree in de jaren twintig, tot die tijd ging alles met paard en wagen. “Na de Eerste Wereldoorlog zijn er hier wat legervoertuigen achtergebleven, die zijn toen in gebruik genomen”, vertelt Vlaming. “De jaren dertig waren een slechte tijd, vader had toen niemand in dienst. Als-ie een klus had, ging-ie naar de Ceintuurbaanbrug waar de werklozen samendromden. Dan wees hij er een paar aan - jij, jij en jij - en die konden dan aan het werk.” De bekendste verhuizer in die dagen was de firma A. Puls. Ook de ouders van Elisabeth Stolte-Robert, die tot de gelukkigen behoorden die zich professionele hulp konden permitteren, gingen altijd met dat bedrijf over. In de oorlog werd Puls een belaste naam: de Duitsers schakelden de firma in om de huizen van joden leeg te halen. Verhuizers hadden het nog jarenlang over “pulsen” wanneer ze een woning moesten ontruimen.

Het verhuizen van particulieren kwam door de toegenomen welvaart in de jaren vijftig pas echt op gang. In die tijd ging ook Vlaming zich specialiseren. “Wat een verschil is met vroeger: mensen hebben nu veel meer spullen. Vroeger moest je een kachel met haard verhuizen en zeven mud kolen. En als het om een dominee ging, dan wist je dat er boeken kwamen. Nu heeft iedereen tv’s en wasmachines.” In de jaren zestig kwam de verhuisdoos op de markt, daarvoor ging de inboedel in kisten, verpakt in paardendekens of houtwol. Het werk was destijds veel zwaarder. Gaat nu alles met de lift omhoog, vroeger moest het met touw en blok - op zich een briljante vinding die merkwaardig genoeg alleen in Amsterdam opgang heeft gemaakt. De hijsbalken waar de huizen hier mee zijn uitgerust zijn uniek in de wereld. Zonder gevaar was het systeem overigens niet; een medewerker van Vlaming heeft in 1958 bij het takelen het leven gelaten. Hij moest in de Van Hilligaertstraat een piano verhuizen maar gebruikte een verkeerde knoop. Die kwam in de katrol terecht en schoot los, waarna de piano naar beneden donderde. De jongen kreeg het gevaarte bovenop zich en overleed vijf dagen later.

Tot slot: wat zijn de ontwikkelingen van de laatste tijd? Na wat mindere jaren trekt de particuliere markt weer aan, aldus Vlaming. Het publiek dat zich laat verhuizen bestaat doorgaans uit dertig-plussers, blank en redelijk welgesteld. Ze blijven meestal in de regio Amsterdam, maar verlaten de stad vaker dan dat ze er komen wonen. Wat nieuw is, zegt Vlaming, is dat mensen de boel vaker ook laten inpakken door verhuizers. “En wat ook opvalt: we komen steeds minder piano’s en vleugels tegen. Je vraagt je af waar die dingen zijn gebleven.”


Tingeltangelmuziek uit de Jordaan

De korte glorie van pianolarollenfabriek Hollandia

Tekst: Kasper Janse

052004_PianolaDe pianola, de voorloper van de jukebox, beleefde in het begin van de 20ste eeuw een korte maar heftige bloei. Hij maakte vrolijke tingeltangelmuziek in saloons en bars, maar ook serieuze muziek die op rollen was vastgelegd. Deze muziekrollen werden korte tijd ook bij Hollandia in de Jordaan geproduceerd.

De pianola is een automatische piano die speelt met behulp van een papieren muziekrol met perforaties. Het principe, gebaseerd op pneumatiek, was uitgevonden in Europa en werd in de Verenigde Staten verder ontwikkeld. Daar groeide de pianola uit tot een groot commercieel succes, maar ook in West-Europa werden er honderdduizenden van gemaakt en verkocht. Zoals het gezin zich later in de huiskamer rond de televisie schaarde, gebeurde dat eerder al met de radio, de grammofoon, de toverlantaarn, de kijkkasten voor stereofoto’s en de pianola.

Liefhebbers van pianomuziek luisterden in die tijd liever naar de pianola omdat de geluidskwaliteit van grammofoonplaten in het begin te slecht was om pianospel goed weer te geven. Maar de pianola verdween al snel weer van het toneel toen de kwaliteit van de grammofoonplaat en de radio steeds beter werd; die nieuwe apparaten waren ook goedkoper en makkelijker te bedienen. Toch is het succes van de pianola onvoorstelbaar groot geweest. Ondanks de hoge aanschafprijs werden er enkele miljoenen gebouwd. Het repertoire van alle fabrikanten tezamen omvatte meer dan 100.000 muziekstukken: klassieke werken, salonmuziek, klavieruittreksels van orkestwerken, operafragmenten en natuurlijk ook veel populaire nummers, jazz- en dansmuziek.

Nederland heeft nooit een echte piano-industrie gehad en ook pianola’s zijn hier nooit gebouwd. Meteen na de introductie van de pianola in Nederland in september 1900 waren er vele pianozaken die als vertegenwoordiger van een buitenlandse pianolafabrikant goede zaken deden met de verkoop. In Amsterdam waren dat onder meer Bender, Duwaer en Naessens, Goldschmeding en Kettner. Wie een pianola had, moest natuurlijk ook muziekrollen hebben. De grotere pianohandels begonnen al gauw met het uitlenen van rollen. Gebruikers konden abonnee worden van de rollenbibliotheek en ze kregen dan elke veertien dagen of elke maand een nieuwe trommel of kist met twaalf tot 24 rollen.

In 1910 werd een nieuwe standaard voor pianolarollen overeengekomen: het 88-toons systeem. Voor dit type was een enorm repertoire beschikbaar. Speciaal voor de Nederlandse huiskamers maakten sommige buitenlandse fabrikanten rollen van sinterklaasliedjes, kinderliedjes, kerstliederen en dergelijke, maar dit aanbod was beperkt. Dat bracht de Nederlandse zakenman August Jansen op het idee muziekrollen te fabriceren voor de 88-toons pianola met muziek die hier in trek was. Hij had zelf een pianola en was er een groot liefhebber van.

“Kunstspel-muziekrollenfabriek”

August H. Jansen, geboren op 17 april 1886 in Amsterdam, was een ondernemend man. Hij beproefde eerst zijn geluk in Canada, maar keerde in 1913 terug naar Amsterdam. Hij begon timmerfabriek De Weichsel, genoemd naar het bedrijfsgebouw waarin deze fabriek was ondergebracht, een voormalige stoommeelfabriek op de hoek van de Gietersstraat en de Lijnbaansgracht in de Jordaan. Het gebouw bestaat nog steeds en ligt op een steenworp afstand van het Pianola Museum in de Westerstraat. De timmerfabriek was gedurende een aantal jaren lucratief, maar toen het bedrijf in moeilijkheden kwam, moest August Jansen het sluiten.

In mei 1921 registreerde hij de naam van zijn nieuwe bedrijf bij de Kamer van Koophandel: Kunstspel-muziekrollenfabriek Hollandia. Hij ging naar Duitsland om zich te informeren over het productieproces, waarschijnlijk bij een fabrikant die de perforeermachines voor de rollen kon leveren. Hij liet twee van deze machines naar Amsterdam komen en hij kocht een vleugel, “waaraan verschillende slangetjes zaten”, en waarmee het spel van een pianist direct opgetekend kon worden op een sjabloonrol. Hij wist twee Duitse vaklieden over te halen bij hem in Amsterdam te komen werken als productiemedewerkers. Deze voorbereidingen hebben blijkbaar nogal wat tijd in beslag genomen, want volgens het dossier van de Kamer van Koophandel was Hollandia pas op 1 januari 1924 actief en werd de timmerfabriek De Weichsel pas op 17 maart 1924 officieel opgeheven. Als locatie voor de rollenfabriek kon hij in hetzelfde pand op de Lijnbaansgracht een kleinere ruimte huren op de derde verdieping.

August Jansen stierf op al 61-jarige leeftijd, in 1947. Maar gelukkig konden zijn twee kinderen, August H. Jansen jr. en mevrouw J.F. Duijtshoff-Jansen, ons nog veel nuttige informatie geven, ook al waren zij nog vrij jong waren toen hun vader de fabriek begon. Wie er ook nog over kon vertellen was mevrouw N. Meurs. Zij kwam enige tijd na de opening van het Pianola Museum in 1994 langs met het verhaal dat er in de Jordaan vroeger ook rollen werden gemaakt. Zij woonde in de Jordaan en kwam na de lagere school bij Hollandia terecht. Ze heeft van haar veertiende tot haar achttiende jaar geholpen bij allerlei werkzaamheden zoals het aanbrengen op de rollen van de stempels en lijnen voor de dynamiek, het opspoelen van de rollen, het monteren van de aanloopstroken en het opplakken van de etiketten. Zij kon zelfs (na bijna 70 jaar) de plattegrond van de bedrijfsruimte nog uittekenen. Helaas is zij inmiddels overleden, net als de kinderen van oprichter Jansen.

Bij het inspelen van een stuk, aldus Meurs, kwamen er ‘rondjes’ op de papierrol waar ‘de meisjes’ vervolgens met een hol pijpje de gaatjes moesten maken. Een moedersjabloon kon ook worden gemaakt met ruitjespapier, zodat het gaatjespatroon gemakkelijk uitgetekend kon worden. Als de moederrol eenmaal helemaal was goedgekeurd (correcties waren mogelijk door het afplakken van de verkeerde gaatjes), werd deze pneumatisch afgetast en verkleind geponst.

“Nieuwe schlager binnen drie dagen”

De fabriek heeft naar schatting ongeveer 300 titels uitgebracht in ruim vier jaar tijd, dat is meer dan een nieuwe titel per week. De mededeling van de fabrikant dat ‘van een nieuwe schlager binnen drie dagen muziekrollen geleverd konden worden’, lijkt daarmee bewezen te zijn. De rollen zijn in Nederland waarschijnlijk redelijk goed verkocht, want ze worden nog regelmatig aangetroffen in partijen oude muziekrollen. Erg gewild waren de Hollandia Schlagerpotpourri’s Allerhande, waarvan twaalf afleveringen verschenen. Ook de potpourri’s met Hollandsche feestliederen moeten veel aftrek gevonden hebben. Het repertoire bestond verder vooral uit populaire dansmuziek en ‘schlagers’, vooral veel Amerikaanse hits en Duitse succesnummers, maar ook Nederlandse componisten van populaire muziek waren goed vertegenwoordigd. Veelgevraagde klassieke nummers werden ook op de rol gezet, zoals de bekende Tweede Hongaarse Rhapsodie van Liszt, de Mondschein Sonate en de Sonate Pathétique van Beethoven, allerlei operafragmenten en tal van salonstukken. De Hollandia-muziekrollen kostten tussen de ƒ2,50 en vier gulden.

“In de brand, uit de brand”

“Brand in ‘Hollandia’-Kunstspelrollenfabriek” meldde Het Zondagsblad op 29 juli 1928. In het officiële verslag van de brandweer staat dat de brand slechts een uur heeft gewoed en er vooral veel rookontwikkeling was: “Een groote hoeveelheid muziekrollen en kartonnen doozen verbrand en beschadigd.” Ook had de ‘vleugelpiano’ waterschade opgelopen. Deze calamiteit gaf voor August Jansen de doorslag om de rollenfabricage niet langer voort te zetten. Door de concurentie van radio en grammofoon was de vraag naar pianolarollen al stevig teruggelopen. Boze tongen beweerden zelfs: “in de brand, uit de brand”. De fabriek werd op 1 november 1928 opgeheven.

Het verhaal is nog niet helemaal af. August H. Jansen koos weliswaar een ander beroep (makelaar), maar een deel van zijn boedel bleef kennelijk gespaard. De perforeermachines hadden de brand in ieder geval overleefd. Jansens werknemer Carl Hubert nam hoogstwaarschijnlijk deze machines over en begon een eigen rollenfabriekje, genaamd Euterpe. Specialiteit van Euterpe werd het leveren van muziekrollen voor de zogeheten elektrische piano’s en orchestrions, die in de café’s en andere uitgaansgelegenheden nog volop te vinden waren. Het bedrijfje werd gevestigd op het adres Prinsengracht 263 – nu wereldberoemd als het Anne Frankhuis. Compagnon van Hubert was wellicht A. Stöber, ook van Duitse afkomst, die op het zelfde adres ingeschreven stond, met als beroep pianotechnicus. In de collectie van het Pianola Museum bevindt zich een elektrische piano van Popper (Leipzig), die door Muziekhuis Stöber, Prinsengracht 263, aangepast werd voor een rollentype, dat door Euterpe werd geleverd (Hupfeld Clavitist rollen). Na het verlaten van de Prinsengracht heeft de firma Euterpe nog tot kort voor de Tweede Wereldoorlog de productie van nieuwe rollen voortgezet in de Borgerstraat. Maar de glorietijd van de pianola was toen allang voorbij.

Kasper Janse is directeur van het Pianola Museum in de Westerstraat.


100 jaar schoolvoetbal

Een eeuw strijd leveren voor de school

Tekst: Peter de Brock

052004_SchoolvoetbalIn 1904 werd het eerste schoolvoetbaltoernooi georganiseerd. Dertig jaar later bezweek het evenement bijna onder het succes en geldtekort. In 1998 werden middelbare scholen uitgesloten van deelname vanwege wangedrag. De laatste jaren liep de belangstelling wat terug, maar voor de jubileumeditie loopt het storm. "We zijn ook volhouders," aldus competitieleider Frans Maas, "en blijven de scholen steeds weer benaderen."

"Misschien dat we ooit de tweede ronde hebben gehaald," denkt J. Bon (84), die na zijn paastoernooidebuut in 1930 met het elftal van de Alberdingk Thijmschool in de Henrick de Keyserstraat later ook nog zou deelnemen als aanvoerder van het tweede elftal van zijn hbs. Harry Hessels (67), voormalig bestuurslid jeugdzaken van de Amsterdamsche Voetbal Bond (AVB), struikelde als tienjarige voetballertje in het team van de Van Bosseschool in de Staatsliedenbuurt "met heel wat tranen" in de derde ronde. Ook prominenten namen uit het betaald voetbal waren weinig succesvol bij het schoolvoetbal. Gymmeester Co Adriaanse verloor twee keer de finale, collega Louis van Gaal werd het jaar voordat hij Ajax-trainer werd met zijn Don Boscoschool door het Augustinus College ingemaakt met 1-12.

De KNVB-Amsterdam vierde op 28 april, na afloop van de finales bij DWV in Noord, met een etentje voor de vaste vrijwilligers het 100-jarig bestaan van het Amsterdamse schoolvoetbaltoernooi. (Op 12 mei volgt nog een receptie.) Dit toernooi was bovendien de 100ste editie. Het zou het 101ste toernooi zijn geweest, als niet in april 1945, vlak na de Hongerwinter, de wedstrijden waren afgelast.

Hoe het Amsterdamse schoolvoetbal begon blijft vaag. "Er is verdomd weinig bewaard," klaagt voormalig Echo-journalist Ton van Bemmel die in opdracht van de voetbalbond een jubileumboek aan het samenstellen is. "Er zijn nogal wat lacunes in de bondsgeschiedschrijving,” erkent Johan van Reyt, sinds 1998 voorzitter van de werkgroep schoolvoetbal. “Maar ons uitgangspunt is een publicatie uit 1904 waarin voor de eerste keer de term schoolvoetbal valt.”

Hoe dan ook: in alle terugblikken wordt J.A.J.M. van Waterschoot van de Gracht (1877-?), de toen 27-jarige zoon van een bekende katholieke notaris op de Herengracht, aangewezen als degene die de allereerste wedstrijden tussen scholen organiseerde. Dat was nog een uiterst informele bedoening. Pas een jaar later lsnceerde Van Waterschoot samen met hbs-leraar Engels J.C.G. Grasé en A.J. Bos per circulaire plannen voor gestructureerde schoolsportwedstrijden: allereerst voetbal en korfbal. Grasé was sinds 1902 voorzitter van de kersverse Amsterdamsche Bond voor Lichamelijke Ontwikkeling (ABLO); die organiseerde sindsdien inderdaad iedere zomer schoolsportdagen (korfbal, atletiek enzovoorts). Maar het schoolvoetbal viel al snel daarbuiten: dát werd geregeld door de in 1894 opgerichte Amsterdamsche Voetbal Bond (AVB), waarvan Van Waterschoot (tevens roeier bij De Hoop) bestuurslid was. Als schoolvoetballeider werd hij opgevolgd door M.J. Geelkerken, die in 1916 werd afgelost door Herman J. Bon, hoofd van de Von Zesenschool op de Zeeburgerdijk en bestuurder van het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap. Bon, een opvallende verschijning met kaal hoofd en flaporen, kreeg al snel de erenaam ‘Pa’ Bon. “Pa Bon was een begrip”, zegt Harry Hessels. “Ja, én mijn oom!”, zegt Jan Bon trots. Hij kan zich nog goed herinneren dat oom Herman op het toernooi steevast met een sigarenpeuk in de mondhoek rond de velden liep. "In de eerste rondes verloren zwakke teams, als ze de pech hadden te loten tegen sterke elftallen, soms wel met 12-0. Als er dan dikke tranen vielen, had hij altijd wel een reep chocolade op zak voor de verliezers." Niet dat dat altijd hielp. “Wat is de laatste jaren de taal van de schooljeugd achteruit gegaan!” mopperde het socialistische dagblad Het Volk in 1918. “Er wordt gevloekt; de taal is ruwer dan ooit.”

Bijna ten onder aan succes

Naarmate het evenement groeide werd op steeds meer velden gespeeld, zoals aan de Velserweg in Sloterdijk, op het Mosveld in Noord en aan de Zeeburgerdijk. Maar de finales vonden steevast plaats bij Ajax in de Watergraafsmeer. “Ieder jaar in de paaschvacantie trekken duizenden jongelui naar de aloude Meer om daar, ten aanschouwe van een nog groter aantal jeugdige enthousiasten ieder voor 'hun' school ‘strijd’ te leveren.", aldus het Algemeen Handelsblad in 1924. In 1931 werd het kwantitatieve hoogtepunt bereikt met 568 deelnemende elftallen. Competitieleider Frans Maas: "Het was het grootste sporttoernooi van de wereld!"

Het schoolvoetbal was in de crisisjaren een van de weinige hoogtepunten waar Amsterdamse kinderen naar toe konden. "Ik denk dat de wedstrijden juist zo goed werden bezocht door de werkloosheid," suggereert Jan Bon. "De meeste jongens zaten natuurlijk ook niet op voetbal. Zeker de elftallen van de lagere scholen uit arme buurten hadden geen shirts en speelden met rode sjerpjes om. Maar alle middelbare scholen hadden wel een schooltenue." Het toernooi bezweek bijna aan het succes. Hessels: "Het leefde op de scholen heel erg, er was natuurlijk ook alleen maar voetbal." In 1929 deden 363 elftallen mee, in 1931 al 568. Het werd steeds lastiger om het toernooi af te werken in de paasvakantie. "Geeft het zich nog steeds uitbreidende aantal deelnemende elftallen aan de jaarlijksche schoolwedstrijden reden tot vreugde, aan den anderen kant vervult dit het bestuur met groote zorg," meldt het AVB-jaarverslag over 1932 zorgelijk. “Want nu de commissie het noodig oordeelde tot decentralisatie over te gaan – er wordt thans op vier complexen terreinen gespeeld – zijn de kosten aanzienlijk gestegen. En de subsidie van de gemeente is aanmerkelijk minder geworden." In 1934 liepen de financiële tekorten zo op, vooral door geheel wegvallen van de gemeentelijke bijdrage, dat de AVB per circulaire alle scholen, verenigingen en "verderen belangstellenden in de Amsterdamsche schoolwedstrijden" verzocht een bijdrage te storten "ten einde het voortbestaan te verzekeren." Zo ontstond een fonds “waaruit de middelen genomen kunnen worden, om telken jare dit zoo bij uitstek populaire schoolvoetbalfeest te kunnen organiseren."

Wonderbaarlijk overleefde het toernooi de crisisjaren en de bezetting. Ook na de oorlog liepen de buurten uit voor de schoolvoetbalfinales. Voor de deftige Algemeen Handelsblad was het geburen in april 1957 kennelijk belangrijk genoeg om een speciale Schoolvoetbalkrant uit te brengen. "Reeds ver voor tweeën hadden velen zich op de tribune geïnstalleerd. Vaders, moeders, broers, zusters, familieleden en niet te vergeten de grote aantallen supporters van scholen vormden één grote familie. Misschien wat nerveus, maar toch allen met het grote vertrouwen, dat hun favorieten de zege zouden behalen." De halve Jordaan was er, trots op het elftal van de Ed. Gerdesschool die na een slechte start in het toernooi dankzij een herkansing in de finale kwam tegen de Hebronschool uit de Spaarndammerbuurt. Op Lindengracht-markt werd een inzameling gehouden, waardoor de twee elftallen goed voorzien van snoep gezamenlijk in een bus naar de finale kunnen reizen. Na afloop van de door Hebron gewonnen finale (3-0) werden alle spelers in de Jordaan ontvangen met muziek waarna de twee ploegen op de Hebronschool door buurtbewoners een koffiemaaltijd kregen aangeboden.

Vuurwerk en rake klappen

"We noemen het nog wel paastoernooi, maar we spelen juist niet meer in de paasvakantie," lacht Van Reyt. "De mensen hebben het dan veel te druk." En er vonden in 100 jaar meer veranderingen plaats. Hessels: "Vroeger probeerde de bond via het schoolvoetbal de sport bij de kinderen te promoten. Nu zitten de spelers van de eerste teams allemaal al bij een club. Leraren selecteren alleen nog de beste voetballertjes." Clubs scouten alleen nog meisjes, die sinds een paar jaar meedoen in zeventallen. Middelbare scholen zijn sinds 1998 van deelname uitgesloten. Het Augustinus College, veelvoudig kampioen, trok zich als een van de eerste deelnemers terug, toen tegenstanders steeds vaker sjoemelden met de leeftijden van deelnemers en wedstrijden werden gestaakt na het gooien van vuurwerk of het uitdelen van harde klappen. "Die jongens in de puberteit waren niet meer te handhaven," zegt Hessels. Maas: "Toen de politie regelmatig moest komen opdraven zijn we daarmee gestopt."

Voor de jubileumeditie is het aantal deelnemende teams voor het eerst sinds jaren weer gestegen. "Met 10 procent," zegt een trotste Van Reyt. Volgens Maas mede dankzij de volhardheid van de schoolvoetbalcommissie: "We blijven ook de niet deelnemende scholen steeds benaderen. Het is leuk werk waarvoor de jongeren niet meer warm lopen en draait op oude gekken als ik die het heerlijk vinden om er dag en nacht mee bezig te zijn." Toch denkt hij dat het Amsterdamse schoolvoetbal toekomst heeft. Hessels is wat somberder. "Ik denk dat als het zo doorgaat het toernooi gevaar loopt, al hoop ik natuurlijk van niet!"



Bevrijd – maar vraag niet hoe

Hoe een Amsterdamse jongen het einde van de oorlog beleefde

052004_5_Mei_1945Deze maand verschijnt het boek Bevrijd van journalist Martin Schouten. Oorspronkelijk voor de Volkskrant interviewde hij negentien mensen uit het hele land over hun beleving van de bevrijding in 1945, maar ook de soms traumatische gebeurtenissen kort daarvoor en daarna. Zoals die van de gereformeerde Amsterdamse jongen Freek Jollie.

Freek Jollie: “Wat ik merkwaardig vond was dat ik heel goed wist dat het een maandag was. Want de dagen hadden geen namen meer in de hongerwinter. Zondagen bestonden niet meer, je wist eigenlijk nooit wat voor dag het was. Maar dat het een maandag was, die 12de maart 1945, stond meteen in je geheugen geprent. Het was redelijk weer, ja, het was voorjaar.

Ik kwam uit de Ferdinand Bolstraat bij de Heineken-brouwerij, hoek Stadhouderskade. Daar zag ik een heleboel Duitsers en ik denk: o jee, dat is niks, wat moet ik nou, rechtsaf of linksaf? Ik wou rechtsaf de Stadhouderskade op, maar dat mocht niet, je moest rechtdoor naar het Weteringplantsoen. Daar was een hele oploop, er stonden wel een paar honderd mensen in een kring en daar moest je bij gaan staan. Dat Weteringplantsoen was toen een vuilnisbelt. Iedereen had daar afval neergegooid, dat werd natuurlijk niet meer verzorgd, het zag er verschrikkelijk uit. Dus in het begin dacht je ook: god, waarom moeten we hier nou staan? Ik dacht helemaal niet meer aan mijn papier.

Mijn ouders waren nogal streng gereformeerd, dat moet ik er wel even bij zeggen, en ze waren ook anti-revolutionair. Uit die hoek verscheen een weekblad, Nederland en Oranje, en dat kon na de bezetting natuurlijk niet meer. Daar hebben ze toen Hou en Trouw van gemaakt, wat een slechte naam was, want de mensen dachten allemaal aan ‘Houzee’, de groet van de NSB. Dat ‘Hou’ hebben ze er maar af laten vallen en toen is het Trouw geworden. Ik hielp in Amsterdam-Noord de krantjes draaien op de stencilmachine en ik verspreidde ze ook, tot we geen papier genoeg meer hadden. Toen gingen we ze aanplakken en dat deden we met zijn drieën, twee meisjes en ik. Mijn moeder had voor mij van een tafelzeiltje een zak gemaakt en een soort lijm maakte ze van stijfsel. Ik had de lijmzak en een meisje liep voorop, die keek dan uit, die had nota bene een revolver, een kind van 18 jaar. Ik liep in het midden, ik smeerde de muur met lijm in, en dat andere meisje plakte het bulletin.

In het begin deden we dat ‘s morgens vroeg en later werden we brutaler, gingen we het ook al ‘s middags doen, met het laatste nieuws. Op een dag zeiden ze: ‘Iemand in de Quellijnstraat heeft nog wat papier voor ons, hij heeft nog een paar honderd velletjes, wil jij ze halen, Freek?’ Ik ben erheen gegaan, nou, ik heb maar vijftig velletjes van die man gekregen. Die heb ik netjes onder mijn hemd gestopt.

Je had in de oorlog van die aarden schuilkelders. Dat was een hoop aarde, dat waren dan de zogenaamde schuilkelders en zo’n schuilkelder was er ook in het Weteringplantsoen. Daar moesten we zo in een halve maan omheen staan en je zag daar dan wel een groepje mannen staan, maar daar stonden we nog behoorlijk ver vanaf eigenlijk en we wisten helemaal niet wat er aan de hand was. Boven op die schuilkelder stond een kleine, korte, dikke Mof en die begon bevelen te geven. Tien van die mannen werden daar netjes in een rij opgesteld en tot onze schrik en verbazing kwam er een rijtje soldaten met geweren voor staan: een vuurpeloton. Die aarden wal van de schuilkelder, zo’n twee meter hoog, werd een executiemuur.

Je moest toekijken. Je mocht je niet omdraaien, want achter ons liepen Duitsers en dan kreeg je weer een por met de kolf van een geweer in de rug, of sommigen zelfs in de nek. God, die mevrouw naast me, hup, kreeg ze weer een por en dan kromp ze helemaal in elkaar. Een mevrouw die keurig gekleed was en ook heel keurig sprak, ja, ze stond een beetje te bidden of wat je dan in je nood doet, zo van ach, en God aanroepen, en waarom moet dat? Je dorst elkaar ook niet beet te pakken, want ja, je wist niet wat ze zouden doen, die Duitsers. Na die por in haar rug was het: ‘Wollen Sie auch dort stehen?’


Daar zijn toen dertig mannen gefusilleerd, ik heb driemaal tot tien geteld. En ik keek ook zo naar die Duitsers. Er was een jonge vent bij, net zo oud als ik, en ik stond maar te denken: een beetje hoger, een beetje hoger! Ik wilde dat hij over de hoofden heen schoot, ja, dat wilde ik en dat moet toch kunnen, dacht ik, ja, gewoon door de kracht van mijn blik. Hij kon natuurlijk niet hoger richten, want iedereen zag wat hij deed. Hij zal natuurlijk gewoon ook gericht geschoten hebben. Daar denk ik ook vaak aan terug. Tja, die mensen zijn dood, maar wat is er nou met jou? Je hebt daar toch gestaan, net zo oud als ik. Als ik daar nou gestaan had, hoe had ik dan verder moeten leven?

Het ging allemaal snel, binnen een uur was het voorbij. Het was een droom, onwezenlijk, zo beleef je dat. En dan kom je thuis en je zegt: ‘God, wat ik nou toch meegemaakt heb.’ Mijn moeder luisterde altijd naar mij en zij geloofde het ook wel. Maar ik ging naar mijn zwager en die zei: ‘Ach Freek, heb je het niet gedroomd?’ Niemand geloofde het verder. Dat kwam ook natuurlijk omdat er geen krant was, het stond de volgende dag niet in de krant. Dat benauwt me nog altijd na vijftig jaar: je kon je verhaal niet kwijt. Later ben ik uit gaan zoeken waarom die dertig mensen daar zijn gefusilleerd. Er was op de Stadhouderskade, vlak bij de Ferdinand Bol, een inval gedaan en die werd geleid door een Duitse officier die dood onder een trap is gevonden. Of hij er zelf af gedonderd is of dat ze hem eraf geduwd hebben weet ik niet. Niemand weet dat. (…)

Na Dolle Dinsdag, in september 1944, waren we als Trouw-groep ingedeeld bij de Binnenlandse Strijdkrachten. Want in de groep waren er ook die zeiden: ‘We moeten de Mof eruit jagen en we moeten ons oefenen om te kunnen vechten.’ Met een man of tien kwamen we toen iedere donderdagmiddag bij elkaar. Daar haalden we handgranaten uit elkaar en demonteerden we stenguns - dat waren verschrikkelijke dingen die afgingen bij het minste of geringste - en brenguns, die iets beter waren, een soort handmitrailleur. Met die wapens oefenden we dan thuis bij onze instructeur en leider, Poldervaart, op het Mosveld. Stomme dingen deden we, doodeng, een handgranaat uit elkaar halen... Als je die pin eruit haalt staat hij op scherp en als je een beetje kramp in je hand zou krijgen ontploft dat ding. Ik was als de dood voor die wapens. Bij een boer in Zunderdorp zouden we in de stal mogen oefenen met schieten, maar dat is gelukkig niet doorgegaan.

Onze buurman, Bertus Bouwmeester, zat ook in het groepje. Hij kwam een keer bij ons en zegt: ‘Is Jan er?’ Jan was mijn vader. ‘Nee, Jan is naar de tuin.’ Hij zorgde voor de groente en voor de aardappelen voor de halve buurt, daar was hij goed in. Hij had een volkstuin en hij had een groot stuk land bij een boer. Daar werden aardappelen, kool en weet ik wat verbouwd en daar had hij ook een heel stuk tabak staan. Die bladeren moesten dan gefermenteerd worden en die werden allemaal netjes platgelegd in, ja, een soort mesthoop. Helemaal afgedekt. En daar had hij enorm geduld voor, mijn vader. Dat moest dan een halfjaar liggen en dan kreeg je goede kwaliteit. Het stonk tot en met, maar dan waren het echt mooie bladeren. Die gingen we dan fijnsnijden en daar rolden we sigaretten van. Nou, dan hadden we grif aftrek hoor, daar kreeg je een behoorlijke prijs voor op het Rembrandtplein. Stond ik met mijn broer op de hoek bij Rutecks cafetaria en dan liepen ze langs je, nou, en dan was het even uit je zak. En, ja, eerst geld, en dan kregen ze twee of drie van die sigaretten. Zo brachten we toch nog wat geld in huis.

Maar van wat ik allemaal deed mocht hij nooit iets weten, we waren als de dood dat hij zijn mond voorbij zou praten in zijn nervositeit. Maar mijn moeder wist precies alles wat ik deed. (…) Ik luisterde naar radio Oranje bij een schippersfamilie bij ons in de straat. Die hadden zo’n oude schippersradio, dat waren van die kasten, en ze hadden zo’n ding op het dak staan om stroom op te wekken, daar konden we dan ’s avonds mee naar de radio luisteren. Ik kom dus op vrijdag 5 mei thuis: ‘Moeder, moeder, het is afgelopen, het is afgelopen, de Duitsers hebben gecapituleerd.’ Vanaf het begin van de oorlog stond bij ons thuis in het halletje achter de voordeur kant-en-klaar de Nederlandse vlag, we hadden ook een vlaggenstokhouder bij het raam, en mijn moeder pakt de trap, loopt naar buiten en steekt de vlag uit. Ik zeg: ‘Nee, niet doen, die Duitsers zijn toch nog niet weg.’ ‘En je zegt: Het is afgelopen?’ Toen hebben we de vlag toch maar weer binnengehaald. Ik ging naar mijn buurman Bertus en vroeg: ‘Wat nu?’ We hadden die blauwe overalls en die armbanden van de Binnenlandse Strijdkrachten thuis allemaal al klaarliggen. ‘Ja, even wachten nog.’

’s Maandags hebben we die aangedaan en kwamen we als de BS van Amsterdam-Noord voor het eerst bij elkaar in een houten schoolgebouw aan de Laanweg. Een van die knulletjes, ja, dat was niet zo’n pientere, zat met zijn sten te spelen en die sten gaat af. De kogel vliegt bij een broer van een van mijn plakvriendinnetjes door zijn heup en die is zijn hele leven invalide gebleven. Maar als je even die trekker overhaalt, dan gaat het brrrt, die kogels vlogen er achter elkaar uit. Negenmillimeterkogels, twaalf zaten er in zo’n houder. Een andere kogel trof Poldervaart en die stierf ter plekke. O, we waren allemaal kapot. De man die het schot had gelost ook hoor: ‘Ja, ik was hem aan het schoonmaken en opeens ging hij af.’”

Dit is een voorpublicatie uit: Martin Schouten, Bevrijd. Hoe de oorlog in 1945 is verdwenen, in achttien oorgetuigenverslagen en zes reportages. Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen 2004, ISBN 9020402749.


Vroomheid en ketterij in Amsterdam rond 1500

052004_Voorpublicatie_GvAIn het eerste deel van de nieuwe Geschiedenis van Amsterdam, waarvan wij vorige maand enige medewerkers interviewden, wordt veel aandacht gegeven aan de rol van de religie in het stadsleven. Deze maand een dubbele voorpublicatie uit dit (op 12 mei verschijnende) standaardwerk: een impressie van het volle roomse leven in 1495 en van de eerste sporen van ‘ ketterij’ zo’n 40 jaar later.


Amsterdams herfsttij der Middeleeuwen

Tekst: Bas de Melker

Dinsdag 23 juni 1495, een warme zomerdag in Amsterdam. De zon schijnt onbarmhartig op het dak van de Oude Kerk. De metselaars en timmerlieden die werken aan de fundamenten en het muurwerk van de nieuwe Hamburgerkapel prijzen zich gelukkig dat de Duitse kooplieden hun kapel aan de schaduwzijde van de kerk laten bouwen. Binnen lijkt het wel of niemand zich stoort aan het lawaai en de gore praatjes van het werkvolk in de nieuwe kapel. Aan de stank die dankzij het mooie weer van de laatste dagen opstijgt uit de latrines in de kerk lijkt al evenmin iemand zich te storen. Zo ruikt het ’s zomers elke dag in de kerk, net als thuis aan de grachten van de Amsterdamse burgwallen.

Gelukkig staat de hoofddeur van de kerk, in de toren aan de westkant, wijd open. Net als de zijdeuren, in de Sint-Joriskapel aan de noordzijde en in de Sint-Sebastiaanskapel aan de zuidzijde. Door de deur aan de zuidkant stroomt het daglicht naar binnen, samen met het geroezemoes van het Oudekerksplein en het geratel van de karren en de biertonnen op de Oudezijds Voorburgwal. Kinderen rennen door de kerk, lachend en schreeuwend, te snel voor de stramme koster om ze te kunnen pakken. Poorters, jong en oud, lopen in en uit, soms om zomaar even te kijken of er nog iets gebeurt of om een praatje te maken. Anderen komen om een dienst bij te wonen of om nu eindelijk eens een keer te biecht te gaan.

Vroeg in de middag, om een uur of twee, is het al een drukte van belang in de Oude Kerk. Meester Hendrik Mathijsz. is op weg naar zijn altaar. Hoewel, zijn altaar... Het is het hoogaltaar van de Oude Kerk waarop zijn oom, de machtige burgemeester Bartholomeus Jacobsz., zes jaar geleden twee imposante vicarieën stichtte en waarvan meester Hendrik er één heeft gekregen. In de verte ziet hij nog net hoe de vice-cureit van de Oude Kerk, in feite de pastoor, het gebouw via de westingang verlaat. “Dat is een tijd geleden dat ik die hier gezien heb,” denkt hij. “Ik zie de laatste tijd alleen nog maar de priesters die hij ingehuurd heeft om hem te vervangen.” Hij schrikt van zijn eigen hoogmoed. In gedachten verzonken struikelt hij bijna over Willem, de jonge uitganger of bode van het Kartuizerklooster. Die is op weg naar de priester van het Sint-Andries- of Heilig-Sacramentsaltaar, waarvan de Amsterdamse kartuizers de patroon zijn.

Een zee van flikkerende lichtjes

De collega-kapelaans en vicarissen van Hendrik Mathijsz., net als hij allemaal lid van het memorie-instituut van de Oude Kerk, hebben zich al verzameld in het koor voor de memoriemissen van vandaag. Het zijn weer veel poorters wier sterfdag vandaag gevierd wordt. Eerst Gerrit Meinsz. en zijn vrouw Oetgen, daarna Reinier Klaasz. en zijn Liesbeth en dan natuurlijk Boel Dirksz. Het is al weer twaalf jaar geleden dat de pater familias van Amsterdams machtigste familie overleden is. Vanochtend heeft de vervanger van de vice-cureit hun namen al van de kansel afgeroepen, nu zullen hun zielen één voor één herdacht worden. Al gauw vult het gemurmel van de gebeden de kerk. Langzaam wordt de kerk een zee van in de zachte zomerwind flikkerende lichtjes van de kaarsen die op graf na graf neergezet en aangestoken worden. Hier zien de priesters elk jaar dezelfde mensen, al valt het niet te ontkennen dat het er steeds minder worden. Niemand van hen zegt het, maar ze weten het allemaal. De priesters maken snel hun werk aan de zielmissen af, om terug te gaan naar hun eigen altaren. Nee, dan was het vanochtend drukker, in de Smidskapel, bij de dinsdagse dienst op het gildenaltaar. De Amsterdamse smeden blijven trouw aan hun gilde, hun schutspatroon Sint-Eligius én aan hun overleden gildenbroeders. Vandaag herdachten ze twee van hen. Ook in de kerk zijn leven en dood onafscheidelijk, want een stukje verderop, in de Doopkapel, wordt een kind ten doop gehouden.

Straks zal het vooral druk worden in het middenschip, rond het Sint-Jan-de-Dopersaltaar van het gilde van de fruitkopers en de bontwerkers. Dat is niet zo gek, want morgen is het Sint-Jansdag, de dag van de processie van het gilde. De altaarpriester is druk bezig voorbereidingen te treffen. Daar staat hij in zijn paarse lakense kazuifel. “Morgen is de enige dag dat ik de gouden kazuifel van het gilde draag,” realiseert hij zich. Tevreden beziet hij zijn altaar, het fluwelen kleed met de gouden rand, de grote altaarkelk en de vijf koperen kandelaren. De overlieden van het gilde werken op de markt of in hun werkplaats, maar vrienden en magen doen wat ze kunnen. Ze wrijven de trommel van het gilde en spannen hem opnieuw op. Ze maken de zijden vaandels van Sint-Jan schoon en strijken ze vlak. Vrouwen van bontwerkers poetsen de kandelaars en het zilveren beeld van Sint-Jan. Hun werk wordt begeleid door de melodieuze gezangen van de zevengetijden, die de hele dag klinken in dit imposante gebouw. De Heer en zijn heiligen zijn hier overal: in de gebrandschilderde ramen, in de fresco’s op de muren, in de beelden en op de drieluiken boven de altaren, in de relikwieën in de altaarkasten, in de gezangen en de gebeden van de geestelijken en in de hoofden van een ieder die de kerk betreedt.

Zo moet het ongeveer zijn toegegaan, die 23ste juni van het jaar 1495. Het geloof en de daarbij horende rituelen zijn niet weg te denken uit het bestaan van de middeleeuwse mens. Aan vrijwel al zijn handelen was een religieus element verbonden. Soms vloeide dat handelen daar direct uit voort. De uitingen ervan waren voor iedereen zichtbaar: van de versiering van het eigen huiselijk interieur met beeldjes en heilige taferelen tot de aanleg van grote kloostercomplexen en hoge kerken en de massale deelname aan processies. Het geloof bepaalde het levensritme van de stad en in hoge mate ook haar vorm en voorkomen.


De eenheid verbroken

Tekst: Henk van Nierop

Op een natte en winderige dag in 1533 werd het wonderdadige Heilig Sacrament in plechtige processie door de stad gedragen. Zo onstuimig waaide de wind, dat de pastoor moeite had het Sacrament omhoog te houden. Toen de stoet de onbeschutte Nieuwebrug passeerde, de meest noordelijke van de bruggen over het Damrak die de Nieuwe en de Oude Zijde van de stad met elkaar verbonden, deed zich een incident voor. Op het midden van de brug stond een houten Paalhuisje, waar de schippers van binnengelopen schepen het haven- of ‘paalgeld’ betaalden. In dit havenkantoor bevonden zich enkele stadsbewoners die demonstratief de vensters hadden toegesloten die uitzagen op de brug en op de voorbijtrekkende processie. Duidelijk hoorden de doorweekte processiegangers hun medeburgers in het Paalhuisje uitroepen: “regent bet [regen harder], reghent bet, zoe mach die paep [priester] met zijn God nat worden!”

Zulke woorden getuigden van weinig respect voor het Heilig Sacrament, dat een zo belangrijke rol speelde in het leven van de middeleeuwse Amsterdammers. Al meer dan tien jaar twijfelden steeds meer bewoners van de stad aan het rooms-katholieke dogma van de werkelijke aanwezigheid van Christus in de gewijde hostie, en sommigen schroomden niet openlijk en op spottende wijze uiting te geven aan hun ongeloof. “Het mach wel een sot God wesen, die tusschen uwen priesters handen soude commen” had Wolfert de slotenmaker gezegd, en Adriaan-met-één-oog beweerde dat het altaarsacrament niet meer was dan gebakken brood, zoals de bakkers dat op hun venster te koop hadden liggen.

Was het incident op de Nieuwebrug dus nauwelijks opmerkelijk vanwege de openlijke minachting van het Sacrament, de ruimtelijke context waarin deze symbolische daad plaatsvond was op zijn minst goed gekozen. De Sacramentsprocessie symboliseerde de sacrale eenheid van de stad. In de stoet manifesteerden zich de verschillende corporaties van de stad: de geestelijkheid, de magistraat, de schutterijen, de gilden en de gewone burgerij. Zij schaarden zich eendrachtig rond het Heilig Sacrament, onder welks bescherming de stad zich had gesteld. De cirkelvormige route die de optocht door de stad volgde, verbond de parochies van de Nieuwe en de Oude Zijde. Het meest noordelijke punt van de ommegang, het smalle, beweegbare gedeelte van de Nieuwebrug, vormde een essentiële en betekenisvolle schakel in het hele ceremonieel. Hier, op het snijpunt van de twee assen van Amsterdams welvaart, stond de buitenhaven van het IJ in verbinding met de binnenhaven van het Damrak. Midden op de brug smeekte de priester Gods zegen af over de schepen, terwijl de kloveniersschutters een daverend salvo lieten klinken; hier reikte de pastoor van de Nieuwe Kerk plechtig de monstrans met de gewijde hostie over aan zijn collega van de Oude Kerk. Het voorval op de brug maakte duidelijk dat de eens zo vanzelfsprekende gewijde eenheid van de stad niet meer door iedereen werd geaccepteerd.

Scandaleuze briefjes op kerkdeur

Het beeld dat uit de bronnen oprijst van de geloofswereld van de dissidenten wordt vooral bepaald door een negatieve houding ten opzichte van de rooms-katholieke kerk, dikwijls op het spottende af. Ze verzetten zich tegen de sacramenten en de eeuwenoude kerkelijke instellingen: tegen de vasten, tegen aflaten, tegen de beeldenverering, tegen de aanbidding van Maria en de heiligen, tegen de geestelijkheid, tegen het kloosterwezen en vooral het altaarsacrament.

In hun afkeer van de geestelijkheid konden de nieuwgezinden voortbouwen op een al langer bestaande antiklerikale traditie. Op kerkdeuren en soms zelfs op altaren werden schandaleuze briefjes geplakt, tegen de paus en de aflaten. Schoenlapper Jan IJsbrantsz. ‘alias Jannetgen Compt inne’ had bij het zien van de kapelaan van de Oude Kerk die in de Sint-Olofskapel preekte uitgeroepen: “Ick wil thuys gaen, ick heb lange genouch verleiders van God gehoert!” en werd zes jaar uit de stad verbannen. Mandenmaker Adriaan Jacobsz. had de schilder Peter Rippenz. een voorstelling voor zijn huis laten aanbrengen van een menigte duiveltjes met monnikskappen, die visten naar geld, kazen en andere goederen. Dit leidde tot groot rumoer, waarom opdrachtgever en schilder bestraft werden met een bedevaart naar Rome en een boete van 25.000 respectievelijk 10.000 Leidse stenen ten behoeve van de stadstimmerwerken.

Door hun radicale afwijzing van al het stoffelijke betoogden de vroege hervormingsgezinden dat het materiële nooit als verbinding kan dienen tussen een stoffelijke, onvolmaakte wereld en een God die Geest is. Ze wilden de kerk zuiveren van alle uiterlijke ballast en haar terugbrengen tot wat ze als haar kern beschouwden: een op het vroege Christendom geënte gemeenschap, waarin de boodschap van zondeval, genade en verlossing centraal staat. Die boodschap kon het beste worden overgebracht door een soms weinig subtiele, maar altijd in het openbaar uitgevoerde aanval op alles wat dat ideaal in de weg stond. Dat dit hen soms op draconische straffen kwam te staan, namen de religieuze vernieuwingsgezinden op de koop toe.

Dr. B. de Melker is wetenschappelijk medewerker van het Gemeentearchief Amsterdam; prof.dr. H.F.K. van Nierop doceert Nieuwe Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

Noot van de redactie: in de tekst van Henk van Nierop zijn enkele coupures aangebracht.


De stille architect

Het kleine oeuvre van Jan Boterenbrood

Tekst: Sjaak Priester

052004_ArchitectNiet ouder dan 46 jaar is hij geworden, de autodidactische architect Jan Boterenbrood. Zijn oeuvre is dan ook niet groot. Het belangrijkste werk van hem is zonder twijfel Huize Lydia aan het Roelof Hartplein, gebouwd als opvangcentrum voor alleenstaande katholieke vrouwen.

Jan Boterenbrood (1886-1932) begon zijn korte loopbaan op de in zijn tijd meest gebruikelijke manier: als bouwkundig tekenaar bij de gevestigde architecten. Hij deed dat bij het bureau van H.A.J. Baanders (1884-1966), dat de bakermat was van vele Amsterdamse-Schoolarchitecten. Later ontfermde Eduard Cuypers (1859-1927) zich over hem. Bij de verdiensten van deze neef van de P.J.H. Cuypers (bekend van Centraal Station en Rijksmuseum) hoort zeker dat hij van zijn bureau een ware broedplaats voor nieuw talent wist te maken. Hij gaf zijn tekenaars veel mogelijkheden om hun scheppingsdrift bot te vieren op de door hem slechts schetsmatig neergezette plannen, stuurde hen op studiereizen naar het buitenland en spoorde hen aan om mee te doen aan de vele architectuurprijsvragen in binnen- en buitenland. Bovendien bezat de vooral als stationsarchitect bekende ‘eclecticus’ Cuypers een zeer uitgebreide bouwkundebibliotheek.

Naast de ruime mogelijkheden van de grote architectenbureaus en de inspirerende wijsheid van de mentor, was ook nog veel zelfstudie nodig alvorens de weg naar zelfstandige vestiging als architect open lag. Voor veel van de tekenaars/bouwkundestudenten kwam het leven buiten werktijd neer op lange uren eenzaam blokken op de studieboeken.

Het is iets wat we ons bij Jan Boterenbrood gemakkelijk kunnen voorstellen. Hij moet gedurende zijn korte leven een stille, serieuze man geweest zijn. Bij zijn onverwachte en vroegtijdige overlijden in 1932 typeerde J.P. Mieras, de voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten/Genootschap Architectura et Amicitia en de belangrijkste architectuurscribent van zijn periode, hem als volgt: “Men merkte dat hij als het ware opgekropt zat met energie die nog weinig vrij kwam.” Volgens hem had de jonge architect zich in zijn jonge leven nog nauwelijks kunnen ontplooien.

Ingetogen Amsterdamse School

Boterenbrood mocht dan een gesloten natuur zijn, hij was niet iemand die aan zichzelf twijfelde. Hij vertrouwde op zijn eigen oordeel, waarvan hij wist dat het gebaseerd was op solide kennis en diep nadenken. Wat tegenwoordig inspraak heet, is niet een uitvinding van de jaren zestig van de vorige eeuw, maar bestond eigenlijk ook al in de jaren dertig. Alleen werd het toen ‘sonderen’ genoemd. Voor de Amsterdamse School, die immers al bouwend wilde bijdragen aan de verbetering van de samenleving, was het een mooi aspect van de architectonische praktijk. Maar Boterenbrood deed er niet aan mee. Hij verfoeide “het polsen van andermans oppervlakkige meningen”. Volgens Mieras was dat “een bijzondere eigenschap in de huidige wereld, die als ’t ware werkt met proefballonnetjes” – kennelijk was die laatste term in de jaren dertig van de vorige eeuw ook al in zwang.

Typerend voor zijn zelfvertrouwen is dat Boterenbrood in zijn eentje een ver uitgewerkte stedenbouwkundige visie op Groot-Amsterdam presenteerde. Het was bedoeld als alternatief voor het volgens hem ondeugdelijke Plan-Zuid van H.P. Berlage, dat toen overigens nog in een beginfase verkeerde. Overigens zat Boterenbrood van 1920 tot 1925 ook in de redactie van het vermaarde, opgerichte tijdschrift Wendingen, opgericht door de pas in 1987 op 102-jarige leeftijd overleden H.T. Wijdeveld. Als tegenhanger van het vooral op de technische kant gerichte Bouwkundig Weekblad gold dat als de spreekbuis van de bevlogen bouwmeesters van de Amsterdamse School.

Boterenbrood wordt beschouwd als een van de eersten uit de ‘tweede generatie’ van de Amsterdamse School. Architectuurhistorici onderscheiden vier generaties, waarvan de eerste twee er echt toe doen. De eerste is die van het uitbundige ‘expressionisme’. Die heeft bijvoorbeeld het Scheepvaarthuis van Johan Melchior van der Mey (1878-1949) opgeleverd en de schitterende woningcomplexen in de Spaarndammerbuurt van Michel de Klerk (1884-1923). Dat expressionisme is in het werk van de tweede generatie verdwenen, en vervangen door een ingetogener, maar ook wat zelfstandiger en rijper gebruik van vormen.

In zekere zin was de ‘tweede generatie’ de meest succesvolle. De Amsterdamse School was alom aanvaard, om niet te zeggen dat ze de touwtjes stevig in handen had. Het bestuur van de belangrijke beroepsvereniging Architectura et Amicitia bestond volledig uit aanhangers van de stroming, het tijdschrift Wendingen genoot internationaal aanzien, en de Amsterdamse School vierde ook in andere steden triomfen – met als hoogtepunt De Bijenkorf in Den Haag van Pieter Lodewijk Kramer (1881-1961).

Huize Lydia op het Roelof Hartplein wordt beschouwd als beste voorbeeld van het bouwen door de tweede generatie van de Amsterdamse School. Het lijdt geen twijfel dat dit in het bescheiden oeuvre van Jan Boterenbrood het belangrijkste werk is. Volgens een architectuurcriticus ten tijde van de oplevering (1927) is het pand “een stuk poëzie in een stadsdeel dat daaraan geen overvloed heeft”. De uitbundige ornamenten van de eerste generatie zijn verdwenen, maar de nadruk op vormen en volumes is gebleven. Ook zien we het voor de Amsterdamse School kenmerkende ‘horizontalisme’, bijvoorbeeld in de ramen, die breder zijn dan de hoogte. Tot aan het begin van de 19de eeuw was het praktisch onmogelijk in gebouwen van meer verdiepingen zulke ramen te maken; pas de toepassing van gewapend beton maakte het mogelijk dat architecten ook horizontaal gingen denken.

De afdeling Amsterdam van de R.K. Internationale Vereeniging ter Bescherming van Meisjes was de opdrachtgever voor de bouw. Het diende dan ook voor de opvang van ‘gevallen’ vrouwen. Zusters van de Dominicaner orde zwaaiden er de scepter. Boterenbrood haalde alles uit de kast om een sfeer van warmte en geborgenheid te scheppen. Zo kreeg ieder van de vijf verdiepingen een karakteristieke kleur: ivoorwit, groen, donkerrood, groenblauw en grijs. Het huis telde op de bovenste vier verdiepingen 158 slaapkamers, met een gemeenschappelijke keuken en wasruimte per verdieping. Op de begane grond was onder meer een conversatieruimte en de kelder huisvestte onder andere een grote keuken. Goed afgeschermd van de boze buitenwereld was er een binnenhof waar de vrouwen zich konden vertreden. Op de vierde verdieping was een kapelletje.

Over de bouw werd lang gedaan: van 1922 tot 1927. Een jaar na de oplevering kregen de beschermde vrouwen nieuwe overburen in de gedaante van 174 ongehuwde vrouwen én mannen, voor wie Barend van den Nieuwen Amstel Het Nieuwe Huis neerzette.1 Samen vormden de onderkomens voor al dan niet gevallen ongehuwden een “Poort naar Amsterdam-Zuid”, zoals de Nieuwe Rotterdamsche Courant het in 1932 beeldend verwoordde..

Nog als tekenaar op het bureau van Cuypers had Boterenbrood samen met twee van de ‘grote drie’ van de latere Amsterdamse School (De Klerk en Van der Mey) een studiereis gemaakt naar Scandinavië. Het is in Huize Lydia te zien. Volgens kenners is het duidelijk geïnspireerd op het stadhuis van Stockholm.

‘Maskerade-architectuur’

Zonder meer bekend van Boterenbrood is behalve Huize Lydia het huidige Desmet aan de Plantage Middenlaan – tot voor kort bioscoop, tegenwoordig televisiestudio. Het werd al in 1879 door A.L. van Gendt (1835-1901) gebouwd als Theater Frascati, maar Jan Boterenbrood tekende in 1926 de karakteristieke gevel die het kreeg toen het een tweede leven begon als Rika Hoppertheater – genoemd naar een populaire actrice. De huidige naam kreeg het toen de familie Desmet er kort na de Tweede Wereldoorlog haar bioscoop begon.

De overige van Boterenbrood bekende werken zijn allemaal woningbouwprojecten in Amsterdam. Hij heeft ook nog gewerkt aan een gemeentehuis voor Sliedrecht, maar zijn ontwerp werd nooit uitgevoerd. De baggerhoofdstad van de wereld besloot in zee te gaan met Friedhoff en Plantinga.

Maar de zeer Amsterdamse woningen in de IJselstraat /Rijnstraat in Amsterdam-Zuid, gebouwd tussen 1921 en 1925, zijn van Jan Boterenbrood. Dat wil zeggen: de gevels. Zoals in de begintijd van de woningbouwverenigingen wel vaker gebeurde, had Amstels Bouw Vereeniging de architect alleen opdracht gegeven voor de gevels. De indeling van de woningen werd door de woningbouwvereniging zelf bepaald. Architecten die op zulke opdrachten ingingen, werden wel smalend “binnenhuiskunstenaars van de open lucht” genoemd. Het waren vooral de aanhangers van de Amsterdamse School die zulke opdrachten aanvaardden – gedreven immers als men was om door middel van de bouwkunst de eenvoudige arbeiders te verheffen. Tegenstanders zagen er munitie in om scheppingen van de Amsterdamse School te betitelen als “maskerade-architectuur”.

Van 1924 tot 1927 werkte Boterenbrood samen met Berend Tobia Boeyinga (1886-1969) aan woningen in Tuindorp Nieuwendam, tussen de Ilpendammerstraat en de Watergangseweg. Ook op de hoek Apollolaan/Bachstraat staat een wooncomplex van hem (uit 1929), evenals aan de Aalsmeerseweg tussen Rietwijkerstraat en Hoofddorpplein (1932). Dat laatste complex, vlak bij het nieuwe redactiekantoor van Ons Amsterdam, bleek de laatste klus te zijn van de stille architect.






 
 
Banner
Banner
Banner
© FIZZ reclame + communicatie