INSCHRIJVEN
NIEUWSBRIEF

By PDJIMCO payday loans uk


Nummer 12: December 2002

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

Inhoudsopgave
Nummer 12: December 2002
Americain, een Amsterdamse huiskamer
Het Amsterdam van M. Revis
Een halve eeuw antiquariaat Schuhmacher
75 jaar Linnaeushof
Rood Amsterdam in zwart-wit
Alle pagina's
122002_Cover


Op het omslag: Het American Hotel vroeg bijna 100 schilders het 100-jarige gebouw te schilderen. Dit schilderij, gemaakt op 2 oktober 2002, is van Justine Albronde. Gallery Donkersloot / Foto Hans van den Bogaard

- Americain, een Amsterdamse huiskamer
- Het Amsterdam van M. Revis
- Een halve eeuw antiquariaat Schuhmacher
- 75 jaar Linnaeushof
- Rood Amsterdam in zwart-wit




Americain, een Amsterdamse huiskamer

Een eeuw gastvrijheid in Amerikaanse stijl

Tekst: Marcella van der Weg

122002_American_HotelIn het American Hotel zitten vandaag de dag niet meer dé spraakmakende acteurs, kunstenaars en schrijvers aan de leestafel. Het zijn nu vooral de zaken- en dagjesmensen die de “Amsterdamse huiskamer” bezoeken. Voor het 100-jarig bestaan is de artistieke reputatie eventjes hersteld: zo’n 100 kunstenaars hebben in één dag het monumentale pand op het Leidseplein in verf weergegeven.

“In welk café in Amsterdam kan het publiek zó zijn kunstenaars in vrijheid bewonderen?” vroeg Groene-redacteur C.F. van Dam zich in 1930 af. En “waar is de portier zó welwillend om luide de naam van een jonge toneelspeler of schilder tweemaal op een drukke avond af te roepen? Luid, vooral luid, opdat de bezoekers, oplettend geworden als een terriër, wiens naam door de baas wordt gebast, kunnen zien waar het aankomend wonder is.” Het antwoord luidde: Americain. ‘Americain’ zonder accent op de e, ja, al zouden de Fransen daar kritiek op hebben. Ooit is dat streepje weggelaten en daar zijn ze nu koppig in. Zoals het hotel ook niet hotel Americain heet, maar American Hotel, op z’n Amerikaans dus.

De behuizing van het befaamde hotel annex café-restaurant – symbool van het ‘nieuwe bouwen’ - bestaat honderd jaar en dat viert de vijfsterrenjubilaris in stijl. Op uitnodiging zetten afgelopen oktober zo’n honderd kunstschilders het monument aan het Leidseplein op doek. “Wij waren altijd al een pleisterplaats voor kunstenaars,” legt Michael Kooitje van het American Hotel uit, “en met deze actie wilden wij ons weer eens als zodanig afficheren.”

Al vóór de vorige eeuwwisseling, “bij het gelig licht der suizende gasballonnen”, kwamen er mensen van culturele naam en faam in het American Hotel, al moesten sommige reputaties nog gevestigd worden. Zoals die van Margaretha Zelle – later beter bekend als Mata Hari – die haar huwelijk met Rudolf MacLeod luister bijzette met een ‘dejeuner-dinetoire’ in het restaurant van het hotel. Het etablissement werd gefrequenteerd door advocaten, politici, sportlui, architecten en musici, maar bovenal door schrijvers en acteurs. “Achter de hoge vensters,” schreef Fred Thomas in 1957 in Gasten op het Leidseplein, “werden reputaties gemaakt van spelers, schrijvers, critici…” Het hotel was dan ook strategisch gelegen, naast de Stadsschouwburg.

Een groots hotel in Amerikaanse stijl

In de tweede helft van de 19de eeuw kwamen ook in Amsterdam, naar buitenlands voorbeeld, de grand hotels op. Het gunstige economische klimaat, het geloof in de voortschrijdende techniek en het uitdijende Europese spoorwegennet maakten de tijd rijp voor deze luxe “logeerpaleizen voor de nieuwe rijken”. Eén van die nieuwe hotels was het American. De hotelier en architect C.A.A. Steinigeweg, die lange tijd in de Verenigde Staten had gewoond en daar waarschijnlijk ervaring in de hotelbranche opdeed, liep rond met plannen voor een groots hoofdstedelijk hotel “in Amerikaanse stijl”. De gemeente hapte toe en verkocht hem in 1879 een gedeelte van de Singelgracht, ter hoogte van het Leidseplein – dat tussen het Leidsebosje en de Stadsschouwburg nog geheel uit water bestond. Voordat de eerste paal de grond in kon, moest er dan ook nog een flink stuk gracht worden aangeplempt. Maar in 1882 was het eerste American Hotel, op de hoek van het Leidseplein en de Marnixstraat, áf.

Dat het hotel op Amerikaanse leest was geschoeid, viel de gast direct bij binnenkomst al op. Zo sierde het wapen van de Verenigde Staten – in reusachtige afmetingen – de entree en sprongen ook de levensgrote beelden van “Roodhuiden-opperhoofden en hun squaws” in het oog. En het deftige hotel had nog een aantal nieuwigheidjes. Boven op het dak stond een toeristische trekpleister van de eerste orde: een belvédère met prachtig uitzicht die bovendien bereikt kon worden met een “stijgwerktuig”, een primeur voor Nederland. In de kelder bedienden twee knechten een wiel waarmee bezoekers letterlijk omhoog werden getakeld. Later maakte deze handmatige ‘ascenseur’ plaats voor een elektrische.

Steinigeweg oogstte lof met zijn hotel, maar bleek een matig directeur. Er moest een zwaargewicht aan te pas komen om de onderneming weer stevig op de rails te zetten. Die zwaargewicht was August Volmer, een hotelier in hart en nieren die zijn vakmanschap al met hotel Krasnapolsky had bewezen. Hij, en later zijn zoon en diens stiefzoon, maakte van Americain een begrip. Om te beginnen maakte Volmer senior het hotel winstgevend en realiseerde hij zich dat er ingrijpende verbouwingen nodig waren om het bedrijf up-to-date te houden – zowel de beperkte elektrische als de sanitaire voorzieningen bleken al snel achterhaald. Bovendien wilde Volmer uitbreiden – en wel rigoureus: Steinigewegs creatie werd met de grond gelijk gemaakt, samen met een aantal percelen in de Marnixstraat en de belendende polite-brandweerpost op de hoek van de Leidsekade, die de Maatschappij tot Exploitatie van het American Hotel had opgekocht. De architecten W. Kromhout en H.G. Jansen kregen de opdracht op deze riante plek een gebouw te ontwerpen dat uit drie delen bestond: een hotel met een ingang aan de Leidsekade, een café-restaurant met entree aan het Leidseplein en feestzalen die via de Marnixstraat te bereiken waren. Overigens is die laatste ingang in 1971, tijdens een van de vele verbouwingen, gesloten.

Tegenwoordig geldt het asymmetrische ontwerp van Kromhout en – in mindere mate – Jansen als vooruitstrevend en vernieuwend voor de bouwkunst. Sinds 1972 staat het monumentale pand met art-deco-interieur op de monumentenlijst. Maar niet alle tijdgenoten zagen het mooie er aan af. Bij de oplevering in 1902 vielen woorden als “disgracieus”en “plomp”. Kromhout had goed gekeken naar de oosterse bouwkunst en zag zelf de Arabische renaissance terug in zijn bouwwerk. De bouwmeester was ook nauw betrokken bij de inrichting: Kromhout ontwierp zelf onder meer stoelen en lichtornamenten en gaf opdrachten aan bekende meubelmakers – zo tekende de firma Hillen aan het Damrak voor het “blauwe ameublement” voor de conversatie-, schrijf- en leeszaal.

Het was overigens na de nieuwbouw dat de naam American verbasterde tot Americain, omdat het café in het nieuwe hotel zo ging heten. Dat had niet alleen te maken met het feit dat café een Frans woord is, maar ook met de introductie van de Franse keuken in het hotel.

Ondanks dissidente geluiden, kreeg het nieuwe hotel over het algemeen een goede pers. Door het gefilterde licht dat via het glas in lood de vestibule aan de Leidsekade naar binnen scheen, kreeg men “reeds direct een indruk van degelijkheid en huiselijkheid”, zo heette het. Ook over de intieme zitjes in het ruime café-restaurant waren zowel pers als publiek vol lof. En dat – artistieke – publiek kwam in groten getale.

Befaamd werd vooral de leestafel – het “Quartier Latin” van Americain – die uitkeek op de artiesteningang van de Stadsschouwburg in de Marnixstraat en waar avond aan avond kunstenaars van diverse pluimage aanschoven. Zoals bijvoorbeeld de dichter-vertaler en stamgast Jacques Rensburg in zijn zwarte zwaluwjas. Hij wist zich met zijn “jongste linguïstische ontdekkingen” altijd snel het “luidruchtige middelpunt van een zich slap lachende schare”. Het was ook aan deze tafel dat de onlangs overleden auteur Jan de Hartog eens ontzet de wenkbrauwen optrok toen een collega-kunstenaar een keiharde boer liet. “Wat had u dan verwacht,” vroeg deze hem fronsend. “Een carillon?”

En dan waren er de ruzies, die soms op een vuistgevecht uitliepen, zoals tussen de schrijvers Martinus Nijhoff en Eddy du Perron. De twee lagen elkaar niet en een paar stevige borrels – waar vooral Nijhoff wel raad mee wist – deden de rest.

Gelieve niet op de zilveren schotels te snijden

In 1906 had Volmer junior de bedrijfsvoering van zijn vader overgenomen en hij laveerde Americain door een aantal diepe dalen, waaronder de Tweede Wereldoorlog. In 1939 serveerde het restaurant nog een kerstmenu voor ƒ 3,50 dat onder meer bestond uit zalm, kalfsvlees en pâté de foie gras truffée – met op de menukaart het vriendelijke verzoek “niet op de zilveren schotels te snijden”. Krap twee jaar later was het meeste voedsel op de bon. Om nog enig cachet aan de schaarste te geven, bood het hotel haar gasten een mapje aan waarin de distributiebonnen bewaard konden worden. Een verslaggever van Het Parool noteerde dat Americain “tot diep in de bezetting de lekkerste ‘schijngehakt’ van Amsterdam serveerde”.

Na de bezettingsjaren diende zich een nieuwe generatie stamgasten aan, met soms oude streken. “Harry Mulisch zal vermoedelijk tot aan zijn dood achtervolgd worden,” schreef Rudie Kagie in 1987 in Hotelleven, “door de anekdote over zijn royale fooien aan de portier, die zo aardig was elk half uur via de intercom te laten omroepen dat er ‘telefoon voor de heer Mulisch’ was, waarop de jonge schrijver, nagestaard door bewonderaars, over het gangpad naar de lounge schreed.” Mulisch varieerde slechts op wat vooroorlogse collega’s al voor hem deden.

Nieuw was wel de zeer openlijke en soms handtastelijke belangstelling voor het vrouwelijke schoon. Zo tekende de journalist L. Thuring op hoe Mulisch, onderuitgezakt “in de halfdonkere zaal met smaak in een donkerharige dame [kneep], die lacherig onder zijn attenties dreigde te kapseizen”, terwijl de auteur zelf soms “helemaal onder tafel verdween”. Ook ‘coming man’ Jan Cremer wist van wanten. De Groene Amsterdammer memoreerde onlangs nog hoe de schrijver in de jaren zestig “met een auto vol lekkere wijven” langs het terras van Americain reed, schreeuwend: “Ik Jan Cremer!”

Ondertussen gingen de zaken slecht. In 1969 kocht onroerendgoedmagnaat Maup Caransa het met sloop bedreigde hotel op – en redde daarmee “de huiskamer van Amsterdam”, zoals uitbaters van het etablissement Americain graag mogen noemen. Toch raakte de jeu er een beetje af – althans voor de (stam)gasten van het café-restaurant. Caransa had het hotel aan een internationale hotelgroep doorverkocht en deze trok zich aanvankelijk weinig aan van de heersende mores. Bezoekers die niet naar de geldende normen waren gekleed mochten opeens niet meer naar binnen. Jan Nagel, destijds van de VARA, tegenwoordig beter bekend als medeoprichter van Leefbaar Nederland, riep op de radio nog eens op tot een protestactie, omdat Americain gasten met lang haar de toegang weigerde. De actie verliep overigens nogal tam: nadat de demonstranten keurig hun consumptie hadden afgerekend, dropen zij af.

Hoewel het kieskeurige gastenbeleid van korte duur bleek, liep de vermaarde reputatie van Americain in de jaren tachtig toch weer averij op. De veelal gewaardeerde kelners van het café-restaurant maakten plaats voor vakbroeders die het Nederlands niet of nauwelijks machtig waren en de geroemde “knusse zitjes” in het midden van de zaal moesten wijken voor een open buffet, in de vorm van een uit de kluiten gewassen art-decolamp. De toeloop van het artistieke volksdeel, zo merkte Rudie Kagie op, werd “dramatisch minder”.

De spraakmakende Amsterdamse gemeente vertoeft niet meer als vanzelfsprekend avond aan avond aan de leestafel van Americain – die overigens ook niet meer op zijn oude stek staat. Maar een Amsterdamse huiskamer is het nog steeds, vindt Michael Kooitje, waar naast zaken- en dagjesmensen nog steeds artiesten komen. “Alleen: wij gaan met onze tijd mee en richten ons op wat nú hip is.” En dan vallen er namen als die van de Britse Spice Girls en van Alicia Keys, een dame die internationaal zo’n beetje alle zang-‘awards’ binnensleept die er maar te vergeven zijn. “Harry Mulisch,” zegt Kooitje, “dat was toen.”

M. van der Weg is freelance journaliste.

Literatuur

Jeroen Brouwers, Zachtjes knetteren de letteren, De Arbeiderspers, 1975

Fred Thomas, Gasten op het Leidseplein, 75 jaar American Hotel, Becht, 1957

Bert Vreeken en Ester Wouthuysen, De grand hotels van Amsterdam, Opkomst en bloei sinds 1860, Sdu, 1987


Het Amsterdam van M. Revis

Met een tijdmachine de stad door

Tekst: Dolf Hell

122002_M._RevisHet werk van M. Revis, alias de journalist Willem Visser (1904-1973), kan worden gezien als een tijdmachine, die de lezer meevoert naar uiteenlopende perioden uit de Amsterdamse historie: van de ruiter te paard die in 1764 de randen van de stad verkent tot een werknemer van Shell die in de jaren vijftig van de vorige eeuw de pont over het IJ neemt. Revis werd met zijn in staccato-stijl genoteerde observaties, naast Bordewijk, een van de belangrijkste auteurs van de Nieuwe Zakelijkheid.

“Een fascinatie voor getallen had hij zeker, maar hij was ook een romanticus,” zegt Ernestine Visser-Blaas, weduwe van Willem Visser, die zijn literaire werk schreef onder het pseudoniem M. Revis. Visser bracht zijn jeugd voor een groot deel door in Soerabaja, waar zijn gereformeerde vader hoofdonderwijzer was op een School met de Bijbel. Daar maakte hij ook zijn middelbare school af. Hierna ging Visser met zijn jongere broer Nico wonen bij familie in Den Haag om te kunnen studeren aan de Handelshogeschool in Rotterdam. Visser werd lid van de studentenvereniging en stond open voor alles, dus ook voor de opera, vertelt zijn weduwe. Toen hij dat in zijn wekelijkse brief aan het thuisfront in Nederlands-Indië meldde, schreef zijn moeder gepikeerd terug: “Een christen gaat niet naar de opera.”

Na zijn kandidaatsexamen werd Visser in 1928 financieel-economisch verslaggever bij De Telegraaf. Hij had echter ook al heel jong literaire aspiraties. Op zijn twaalfde schreef hij avontuurlijke verhalen in de stijl van Jules Verne en Paul d’Ivoi. Zijn precieze instelling, die hem als financieel journalist van pas kwam, hielp hem aansluiting te vinden bij de Nieuwe Zakelijkheid die in de jaren dertig de Nederlandse literatuur kenmerkte. Hij werd dan ook – naast Bordewijk – een belangrijke exponent van deze stroming.

Zijn eerste roman, het filmisch geschreven 8.100.000 M3 Zand (1932), is geënt op de werkzaamheden van de Amsterdamse Ballast Maatschappij rondom de stad. In dit romandebuut verloochent Revis zijn calvinistische achtergrond niet. Hij haalt geregeld teksten uit Prediker aan, maar de auteur strooit toch vooral met bedrijfseconomische gegevens. “Een sleep vaart onder de Hembrug door, trekkracht 210 P.K., een heel eskadron paarden! en dit is een vuile stinkende sleepboot van twintig meter lang. Daarachter glijdt een dubbele rij zandbakken, 14 stuks, elk met een inhoud van 300 ton.” Toch ontsnapte ook het uitgaansleven in de Amsterdamse binnenstad niet aan zijn waarneming: “Dancing, rode vurige letters, een beroerde jazzband, maar je kunt er op dansen. Foxtrott, step, ordinaire vrolijkheid, licht, dat wisselt van kleur, bonte muurschilderingen, kakelbonte lampen en lichtbakken.” En ook in het in 1947 verschenen Thuishaven. Een roman over dingen gaat het over heel wat meer dan de wereld van de zandwinning. De roman begint in de Amsterdamse haven tijdens de Gouden Eeuw en eindigt in 1945 bij de wederopbouw na de vernielingen door de Duitsers. Als in 1876 het Noordzeekanaal wordt geopend, viert de stad feest: “Illuminatie en vuurwerk aan het IJ. Een groot feest in het Paleis voor Volksvlijt, dat op toverachtige wijze versierd is (...), de Noordzeesluizen zijn op de achtergrond geschilderd en het water stort door de open deuren in een groot bekken onder het toneel.” De demping van het Open Havenfront voor het Centraal Station en de aanleg van de vemen, silo’s, kades en havens gaat eind 19de eeuw gepaard met rigoureuze sloop van oude pakhuizen, torens en poorten, versieringen aan gevels. “Er waait een wind, die schoonheid aantast, zoals nachtvorst de bloesems,” schrijft Revis.

Het eerste vaatje petroleum dat in de haven aankomt, wordt voor alle zekerheid begraven. “Petroleum is vloeibaar dynamiet, maar ook vloeibaar goud.” Het petroleum-entrepot wordt aan de overkant van het IJ gevestigd aan een nauw haventje. “Het gebouw staat op het Galgenveld, en in zijn eenzame ligging komt werkelijk de afkeer tot uitdrukking, die de gezonde mens heeft van een oord voor terechtstellingen of voor zeer besmettelijke ziekten; men behandelt petroleum als iets dat een dodelijke kwaal verspreidt.”

Veel havenarbeiders woonden bij elkaar op Kattenburg. “De Eilanden zijn aangeplempt in het IJ, al bijna 300 jaar geleden. De bewoners moesten zich afzonderlijk van de andere Amsterdammers voelen; de vloed steeg langs de walmuren en de eb deed het water zakken, men woonde als in zee. Aan de zee gewijd was ook alles wat er ontstond.” En havenarbeid leverde een karig loon op. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en de daaruit voortvloeiende crisis in de haven, maakte het er niet beter op. Waar nu een appartement te koop staat voor € 633.000 k.k. woonden in 1920 mensen met een garantieweekloon van ƒ 20.

In Thuishaven beschrijft Revis plastisch de werking van de portaalkraan, de wipkraan en brugkraan, het werk van de cargadoors (met legendarische namen als Van Es en Van Ommeren, Hudig en Pieters, Wambersie en Zoon, Ruys & Co), de scheepsdokken en de geheimen van het connossement “een kettingbrug van papier, die boven de oceanen hangt”). In Revis’ werk ruik je als het ware de haven en zijn omgeving door de eeuwen heen.

Magiër der werkelijkheid

Spoorzoekers (1959) heeft opnieuw de haven als decor. De roman gaat over het Shell-laboratorium aan het IJ en de onderzoekers die daar werken. “Alles drukte rede uit, en berekening,” staat er over de architectuur van het gebouw. En de autorit die Shell-functionaris Cortaillot maakt vanaf Schiphol naar het lab, beschrijft Revis als volgt: “Het water van de Ringvaart, grauw, golfde heftig. Sloterweg. De eerste huizen van Amsterdam-West, hoog hoekig, dof roodbruin. Minutenlang trok op de Overtoom, links en rechts, de 19de eeuw in het huizenfront haar lelijkste grijns. Een zwarte wolk schoof voor de zon en dempte het licht; Leidseplein en stadscentrum werden kleurloos. Cortaillot stapte bij het Centraal Station over op het directiebootje, dat klaar lag langs de beschoeiing van keien tegenover de Prins Hendrikkade. Hij stond achterop, in de wind, er kwam weer zon, en aan de overkant van het woelige water van het IJ lag het laboratorium.”

’s Ochtends en om vijf uur ’s middags ging het overige Shell-personeel een soortgelijk veerbootje op: “De namiddagzon zette het westen onder een hemelhoge tent van verblindend licht, het IJ werd daar bijna onzichtbaar van glans. Werven, pakhuizen, steigers en kaden verloren hun scherpe vorm, zij schenen te drijven als bij een fata morgana, donker in een nevel van doorzichtig wit zilver. De schepen en kranen en dokken in het oosten waren veel duidelijker, fijn afgetekend tegen de lucht. Als een verbinding tussen oost en west, recht voor hen uit, lag het Centraal Station, roetachtig zwart, een monsterachtig grote dubbeltunnel op het droge.”

In de jaren veertig en vijftig was ook Amsterdam in de ban van de wederopbouw. Vandaar dat de dynamiek van de verandering de Revis-lezers destijds moet hebben aangesproken. Dat blijkt ook wel uit sommige zinnen die hij zijn Shell-personages in de mond legt: “De Plantage, dat mislukt stukje 19de-eeuws Parijs in Amsterdam” en “de dorpse rommeligheid van de Middenweg in Watergraafsmeer”. Nu behoren deze vrijwel ongeschonden buurten tot de gewildste van de stad, maar voor hetzelfde geld had hier een tweede ‘Wibaut Allee’ gelegen.

Het magnum opus van Revis is ongetwijfeld Paviljoen van glas (1947), dat de deels geromantiseerde geschiedenis van het Paleis voor Volksvlijt behelst – in het licht van de recente plannen om het Paleis op dezelfde plek te herbouwen, extra spannend om nog eens te lezen. Revis, die toen redacteur van het Algemeen Handelsblad was, kreeg hiervoor een eervolle vermelding in de romanprijsvraag van de gemeente Amsterdam. De dichter-criticus Victor E. van Vriesland gaf hem in Het Parool een bijna nog eervoller predikaat: “Magiër der werkelijkheid.”

De Amsterdammers kijken bij de bouw en oplevering van het Paleis hun ogen uit. “Hoog rijzen de wanden op, grijsgroen en blinkend, de zon die tussen de wolken doorbreekt doet vonken uit het glas springen.” De tuin van het Paleis mocht je tegen betaling in. “Bij het tourniquet bevindt zich een veranda, waarvan de stijlen met klimop zijn begroeid en vanwaar een brede houten trap naar de grindpaden tussen de perken met reseda, seringen en gele vlier leidt. Overal staan tafeltjes met stoelen, en kellners brengen op nikkelen bladen limonade, koffie of bier. In een grote muziektent speelt zaterdagmiddag een harmonie-orkest. De leden dragen rode jassen en blauwe pantalons. De dirigent heeft een baard en lijkt op de koning.”

De roman beschrijft de intriges en regelrechte oplichtingspraktijken, die ten slotte leiden tot de verwording van deze glazen ‘tentoonstellingsfabriek’ tot een aftandse toneel-, muziek-, feest- en vakbondsvergaderzaal: “Er moet in deze monstrueuze volière voor mensen iets te doen zijn, dag aan dag, altijd-door.” De verloedering van het Paleis zelf beschrijft Revis zo plastisch dat je bijna verzoend raakt met het huidige kantoor van De Nederlandsche Bank.

Een stelletje oplichters

Om het verval te keren wordt een plan gesmeed voor de bouw van een hoge ronde toren in de stijl van de rest. “Natuurlijk zou de koepel dan weg moeten, of liever, de koepel zou verhoogd worden, hij zou zo boven op de toren komen. Van ver buiten de stad zou iedereen het paviljoen dan al zien, zoals de Domtoren in Utrecht. (...) Wij maken er natuurlijk platforms in met een restaurant, de mensen zullen er prachtig uitzicht hebben tot de Noordzee, bij helder weer. Helemaal bovenaan, bij de koepel, komt een lichtreclame, zoals aan de Eiffeltoren, dat zal de kosten goed maken.”

En ook in de binnenstad signaleert Revis midden jaren twintig dat niet alleen het werk, maar ook het vermaak aan de toets van de efficiëntie onderhevig is: “Reclamelichten aan, uit, aan, uit. Trams schuiven langs elkander, een vochtige wind waait in de avond over het Damrak, de hoorn van een schip klinkt op uit de havens, treinen met verlichte ramen rijden af en aan, mensenstromen door de nauwe ingangen van het Centraal Station, mensenstromen naar buiten. Men heeft haast. Ober, ik heb haast. Juffrouw, helpt u mij gauw even, ik heb haast. Men heeft haast met eten, met fietsen, met werken. De schrijfmachines haasten zich, de explosies in de benzinemotoren haasten zich, de filmstrook haast zich door het projectietoestel.”

Revis alias Visser woonde in de jaren dertig als Telegraaf-verslaggever de processen bij, die volgden op de ontdekking dat er op grote schaal in de boekhouding van het Paleis en met de door de vennootschap uitgegeven obligaties was geknoeid. De econoom en journalist dr. H.J. Scheffer stelt in zijn studie Het Volksdagblad (1981) dat Vissers waarnemingen in Paviljoen van glas vrijwel met de werkelijkheid overeenstemmen. Hij onthult ook in samenwerking met Visser de werkelijke namen achter de romanpersonages en instanties; zo blijkt mr. G.J. Cramp in werkelijkheid mr. F.A. van Hall, de president-commissaris van het Paleis.

De oorzaak van de brand, die het Paleis in 1929 verwoestte, is onbekend. Revis beschrijft de ramp natuurlijk tot in de details. Zes jaar later gaapt er nog steeds een groot gat. “Langs het trottoir staat een lange schutting met vele reclamebiljetten beplakt, die hier vruchtbaar tieren als onkruid op een ruïne. Men kan er lezen: ‘Revue van Lach tot Lach’. Een eind verderop kondigt men een stuk aan, dat heet: ‘Kan je zwijgen?’.” In 1968, als de aandelen Paleis voor Volksvlijt in liquidatie voor ƒ 13,10 per aandeel eindelijk tot uitkering komen, zegt Visser het in de Volkskrant nog eens onomwonden: “Van Hall werd het slachtoffer van een stelletje oplichters.”

Altijd rookgerei in de hand

Revis schreef midden jaren zestig nog drie boeken met elk twaalf korte verhalen over Amsterdam door de eeuwen heen. Het aangekondigde vierde deel van deze Stadia van Amsterdam is nooit verschenen. De locaties in deze boeken variëren van het Prinseneiland eind 18de eeuw tot een bezoek aan een voorstelling van cabaretier Eduard Jacobs in zijn kelder in de Quellijnstraat eind 19de eeuw. “Jacobs wendde zich naar de piano, het linkerbeen naar voren om met de voet op het pedaal te kunnen drukken, twee handen op het toetsenbord, maar bovenlijf en hoofd in de richting van het zaaltje, een gewrongen houding. Hij stootte het geluid meer uit dan hij zong, het was een hortend, hoog soort spreken, ongepolijst en ruw, daardoor evenwel gaf het de indruk van echtheid.”

In Ontgoocheling laat de hoofdpersoon een Britse vriend de binnenstad in 1861 zien. Je kunt de route als het ware meelopen: het Bible Hotel in de Warmoesstraat, de vijf ‘Engelse huizen’ tussen tussen Munttoren en Amstel, Hotel Rondeel in de Nieuwe Doelenstraat (nu de plek van L’Europe), waar ooit een middeleeuws rondlopend bastion was gesitueerd en het Kaasplein (nu Thorbeckeplein), waar toen nog – op de hoek van de Reguliersdwarsstraat – het beeld van Rembrandt stond.

Interessant is ook De Moeder, spelend in 1816, dat een goed beeld geeft van de armoe in de Jordaan. Hierin wordt ook de dagelijkse tocht van de schuit met zieken beschreven, die van het Binnengasthuis ‘naar buiten’ ging. Einddoel was het Pesthuis, waar nu het WG-terrein is.

Willem Visser alias M. Revis “droeg Amsterdam een warm hart toe”, zegt zijn weduwe Ernestine Visser, die nog steeds woont in het huis in de Rivierenbuurt waar Visser in 1973 is gestorven. In de laatste jaren van zijn leven heeft hij nog een stencilmachine aangeschaft om een ‘roman fleuve’ te schrijven, die het tijdperk 1907 tot de jaren zeventig moest omvatten. De roman in zestien delen wilde hij onder zijn vrienden verspreiden. Dat is er dus nooit van gekomen.

Zijn weduwe vertelt ook dat hij in 1943 is ondergedoken na een oproep te hebben gekregen voor het Nederlandse leger, hetgeen vrijwel zeker tot Duits krijgsgevangenschap zou leiden. Na de oorlog ging hij aan de slag bij het Algemeen Handelsblad met een onderbreking in 1947, toen hij werd opgeroepen als reserve-officier in Nederlands-Indië. In 1953 verscheen ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van het Algemeen Handelsblad van zijn hand het gedenkboek De papieren spiegel over de geschiedenis van deze krant.

Oud-Handelsblad-redacteur Frans van Lier herinnert zich zijn redactiechef en waarnemend hoofdredacteur als een man met grijs-wit haar langs de slapen en altijd een sigaretje of andere rookgerei in de hand. Van Lier: “Midden jaren vijftig kreeg ik als jonge verslaggever opdracht te schrijven over de aanleg van de Schellingwouderbrug. Ik zag daar niks in en kwam met lege handen terug. Toen werd Willem Visser erop uitgestuurd en hij maakte een prachtig verhaal. Daar konden wij jongeren van leren: hoe je met eenvoudige woorden toch een groot effect met je artikel kunt bereiken.”

D. Hell is freelance journalist.

De boeken van M. Revis zijn alleen nog antiquarisch te verkrijgen. Vooral Paleis van glas en Thuishaven worden regelmatig aangeboden, onder meer bij de Slegte.


Een halve eeuw antiquariaat Schuhmacher

Bij aankoop van een boek een verhaal cadeau

Tekst: Jaap Lieverse

122002_SchuhmacherOvervolle kasten, vitrines en dozen. Stapels op de grond en op de trap: boeken, boeken en nog eens boeken. Antiquariaat Schuhmacher, sinds 1957 gehuisvest op Geldersekade 107, is gespecialiseerd in bijzondere uitgaven op het gebied van Nederlandse literatuur, typografie en kunst. Max Schuhmacher begon ermee in 1952 en runt de zaak nu al weer 50 jaar, samen met zijn halfzus Wilma.

Het antiquariaat van Max en Wilma Schuhmacher is een van de eerste naoorlogse zaken gespecialiseerd in bijzondere boeken. En nog steeds weten liefhebbers van (Nederlandse) literatuur, typografie en kunst uit heel Nederland de winkel in de Nieuwmarktbuurt te vinden.

Max (75) begon ermee op 15 februari 1952, nadat hij twee jaar op de middelbare landbouwschool had gezeten en varend visfileerder, kalkmixer en houthakker was geweest. Dat hij uiteindelijk voor de literatuur en de kunst koos, was niet zo verwonderlijk. Zijn vader, de schilder Wim Schuhmacher, was goed bevriend met Adriaan Roland Holst en Victor van Vriesland en op avonden dat zij in huize Schuhmacher te gast waren, hebben zij die belangstelling van Max ongetwijfeld verder aangewakkerd. Op een bovenwoning van Nieuwe Keizersgracht 11 begon de jonge Max, die het vak leerde van onder andere collega Michiel Huizinga, met de in- en verkoop van Nederlandse literatuur. Ondanks hun totaal verschillende temperamenten, kwam ook halfzus Wilma (75), die toen nog medicijnen studeerde, als werkstudent in de zaak. Wilma – wier moeder een afstammelinge is van Friese Hugenoten - heeft een feilloos geheugen voor namen en data. Max – geboren uit een Baltische - vult haar kennis voor details aan met een sterk visueel geheugen, dat hem van pas komt bij het onderscheiden en herinneren van kleuren, lettertypen, papiersoorten en banden.

Door de vele uitgaven van vooral Nederlandse auteurs die door hun handen gingen, kregen ze ook belangstelling voor het ‘schoone boek’ en zo leerden zij het werk kennen van bekende typografen als Jan van Krimpen, Sjoerd de Roos, Alexander Stols, Frits Stoepman, Huib van Krimpen, Dick Dooijes, Helmut Salden en Alje Olthof. Wilma was ook twee jaar lang (1998 en 1999) iedere uitzending te gast in het KRO-radioprogramma Montaigne waarin zij een ‘5 minuten gesprek’ had met Thijs Wierema. Dat begon met het knerpend openen van hun winkeldeur die ook de trekbel deed klingelen. Haar ver-dragend stemgeluid en markante meningen waren in die tijd bij velen bekend, en zij kreeg er wel eens een andere studiogast zo kwaad mee dat het programma bijna in ruzie eindigde.

Het huis met de zes deuren

Na vijf jaar werd de woning op de Nieuwe Keizersgracht te klein en moesten Max en Wilma Schuhmacher omzien naar een geschikt winkelpand. Het hoekpand Geldersekade 107/Recht Boomssloot stond toen al enige tijd leeg en de gemeente, eigenaar van dit rijksmonument, zat er een beetje mee in haar maag. Niemand wilde het, waarschijnlijk omdat het interieur onaangetast moest blijven. Max en Wilma konden het daardoor voor een redelijke huur, die ‘god zij dank’ nog steeds redelijk is, betrekken en werden in 1957 de bewoners van het markantste pand van de Nieuwmarktbuurt. In de Historische gids van Amsterdam van D’Ailly heet het ‘het huis met de zes deuren’: er zaten een kolenman, een aardappelenhandel, een ‘appelenvrouwtje’ en in de winkel zat een handel in scheepsbenodigdheden. Nu herbergen al deze ruimten boeken.

Max: “Na de oorlog kwamen er enorm veel boeken op de markt. Op het Waterlooplein, maar ook op de befaamde markten Portobello Road in Londen en Marché aux puce in Parijs waar ik wel kocht, was er zeer veel, goedkoop aanbod. Er was vlottende voorraad: geflopte boeken, maar ook illegaal drukwerk en exil-uitgaven, waarvoor vooral veel Duitsers belangstelling hadden. Van het Waterlooplein haalde ik regelmatig bakfietsen vol boeken. Maar het antiquariaat bestaat natuurlijk bij de gratie van de vraag, niet vanwege het aanbod. En iedereen kon een antiquariaat beginnen. Zij die dat in de jaren vijftig deden waren veelal ‘sociale mislukkelingen’. Een beetje de boot gemist en toen maar wat met boeken begonnen. Michiel Huizenga brak zijn studie filosofie af, leende ƒ 100 en begon in een leegstaand pandje op de Oudezijds Achterburgwal. Ik heb in dit vak altijd mijn eigen weg gevonden. Voor Nederlandse literatuur was er nog geen regulier kanaal. Ook was er nauwelijks informatie over. Met Gerrit Borgers sprak ik eens over mijn idee om in Nederlandse literatuur te gaan handelen. Die riep uit: ‘maar daar is toch geen droog brood mee te verdienen.’”

Toch werd de Nederlandse literatuur de kern van de verzameling, en is dat nog steeds. De collectie is indrukwekkend in omvang en veelzijdigheid – en past al helemaal niet meer in die ene winkel. Om de ruim 100.000 banden te herbergen heeft Schuhmacher nog twee magazijnen, een op de Oude Waal en een op de Brouwersgracht. Het aanbod is gigantisch: 1200 unieke banden met een opdracht van schrijvers, vertalingen van Nederlandse schrijvers - om het even in welke taal, heel veel illegaal drukwerk (vaak zelfs in meerdere exemplaren), alles van de Forum-generatie (ook in veelvoud), een unieke verzameling catalogi van het Stedelijk Museum. Veel bijzondere exemplaren uit de collectie zijn afkomstig uit de bibliotheken van schrijvers als Jan van Nijlen, Adriaan Roland Holst, Louis Couperus, Frans Coenen en Simon Vestdijk – die zijn allemaal door Schuhmacher opgekocht. Later kwamen ook de privéverzamelingen van mensen uit het grafische vak als Willem Ovink, Dick Dooijes en Helmut Salden terecht bij Schuhmacher. Meestal bevat dit soort collecties hooguit vijf- tot achtduizend boeken. Eens werd Max ontboden om naar een collectie te komen kijken die ruim 25.000 boeken bleek te bevatten, maar daar kan geen enkele antiquaar mee uit de voeten – ook Schuhmacher niet. Een collega die dit ook eens overkwam zei dat hij alleen een bod kon doen als hij het huis erbij kreeg. Zo zit aan elk deel van de collectie, elke partij en eigenlijk aan elke band een (sterk) verhaal, dat door Wilma of Max met veel humor wordt opgedist. Bij aankoop van een boek een verhaal cadeau. Dat is niet alleen leuk; de antiquaar is daarmee ook het medium van de orale geschiedenis van zijn metier. Archieven, universiteiten en verzamelaars zijn evenzeer klant bij Schuhmacher om de verhalen en de ‘nieuwtjes’ als om de banden die ze er kopen.

Afgereden letters en geroeste nietjes

Een heel andere reden waarom verzamelaars gelukkig zijn met het antiquariaat op de Geldersekade zijn de ‘oeuvrecatalogi’ die Max en Wilma bijna vanaf het begin hebben uitgebracht. Bijna 200 gespecialiseerde catalogi zijn er inmiddels verschenen en enkele daarvan zijn zelf al antiquarisch. Het zijn stuk voor stuk zeer gedetailleerde verslagen van minutieus onderzoek naar de uitgaven van schrijvers als Boutens, Leopold, Multatuli of Hermans en dan in het bijzonder naar de verschillen en omissies in de teksten. Maar ook verschenen gespecialiseerde catalogi van deelgebieden zoals: verzamelde werken, eerste drukken, boeken met opdrachten, de Halcyon-pers, typografie of Russische avant-garde. Alles wordt met een angstaanjagend perfectionisme beschreven: “De nietjes zijn een beetje geroest”, “met een enkele vochtvlek” of “op pag. 20 enkele afgereden letters, vervangen in volgende drukken”. De nadruk is gelegd op álle drukken in álle gedaanten, dus niet op dure of uitzonderlijke uitgaven; Max en Wilma doen het gewoon omdat ze willen weten hoe het in elkaar zit. In de collectie, en dus ook in de oeuvrecatalogi, is redelijk wat aanwezig over maatschappelijke ontwikkelingen. De Nieuwmarktrellen – ze vonden vrijwel voor de deur plaats – bezorgden hen veel pamfletten. Die werden in de etalage uitgestald en verkocht. In 1983 verscheen de Catalogus Provo Bulletin. Tijdschriften als Hitweek/Witheek, Bikkelacht, God, Nederland & Oranje, Lynx en Kabouterkrant werden aangeboden. Het monnikenwerk aan hun catalogi werd in 1991 bekroond met de Laurens Jansz. Costerprijs.

Inkopen, in de winkel zijn voor de klanten, zoeken naar titels voor klanten, het onderzoeken van boeken en de bevindingen verzamelen in catalogi – het is veel werk met z’n tweeën en het tijdgebrek maakt soms wanhopig. Al lang hangt er in de winkel een papiertje: ‘Assistent m/v gevraagd. Eventueel parttime’. Max: “Het beschrijven van boeken is een moeilijk en ook tijdrovend werk, ook om het je eigen te maken. Niemand heeft er meer zin in. Aan de catalogus van Jan van Krimpen, die we nog willen uitbrengen, is jaren gewerkt.” Er is een computer aangeschaft om het werk wat te vergemakkelijken in de toekomst, maar dan nog kunnen Max en Wilma Schuhmacher wel wat hulp gebruiken. En zij willen ook iemand die de winkel zou willen voortzetten kunnen ‘opleiden’. Veel pogingen zijn gedaan om de continuïteit te waarborgen. Tot nu toe zonder resultaat.

De eerste assistent, Louis Putman - de 79-jarige eigenaar van antiquariaat ’t Klompenwinkeltje op het Rusland - is nog steeds een vertrouweling. Peter Heringa maakte de Hermans-catalogus voor hen en zij zagen in hem dé opvolger. Ook Simon Vestdijks zoon Dick heeft een tijdje geassisteerd. Er waren er die door het werken bij Schuhmacher een aardige baan kregen in bijvoorbeeld boekhandel Foyle’s in Londen. Maar iemand vinden die de boekenberg op zijn of haar schouders wil en kan nemen, dat wordt steeds moeilijker. En omdat een opvolger in dit vak lastig te vinden is, is het met veel kennis en passie gedreven antiquariaat zeldzaam geworden, te meer nadat in een relatief korte tijd na elkaar de bekende antiquaren Frits Knuf, Paul Valkema Blouw, Max Israël, Nico Israël en Gerke Postma zijn overleden. Zeker met het wegvallen van deze generatie is het antiquariaat Schuhmacher nog bijzonderder geworden.

J. Lieverse is grafisch vormgever en publicist.


75 jaar Linnaeushof

Een ‘rooms dorp’ in de Watergraafsmeer

Tekst: Wim Nypels & Peter-Paul de Baar

122002_LinnaeushofEen beetje verscholen in de Watergraafsmeer, tussen de Middenweg en de Linnaeusparkweg, ligt de prachtige Linnaeushof. Een grillig gevormd plein met huizen van rode baksteen, waarvan het middenterrein grotendeels in beslag wordt genomen door een tennisbaan en een robuuste kerk. Lang was dit een typische katholieke enclave in de steeds goddelozer stad.

In de Linnaeushof werden dit jaar twee jubilea gevierd. De hof en het kerkgebouw bestaan zo’n 75 jaar, de parochie (zeg maar de kerkgemeenschap) zelfs al precies een eeuw. We hebben het over de parochie gewijd aan de ‘H.H. (= Heilige) Martelaren van Gorcum’. Dat is de traditionele katholieke benaming van de negentien geestelijken uit Gorcum die door de protestantse Watergeuzen op 9 juli 1572 werden opgeknoopt in een turfschuur bij Den Briel. Vanwege haar prominente plaats in de Linnaeushof wordt de kerk ook wel Hofkerk genoemd.

Extra reden voor feest is het feit dat staatssecretaris Rick van der Ploeg de kerk in januari 2001 de status gaf van ‘kanjermonument’ oftewel belangrijk nationaal monument. Met de bijbehorende subsidie kon dit jaar de restauratie beginnen, die in maart aanstaande wordt afgerond.

Houten noodkerk

Honderd jaar geleden was de toenmalige gemeente Watergraafsmeer nog nauwelijks bebouwd. Rond 1900 stonden er nog drie buitenplaatsen van de vele die ‘de Meer’ ooit kende: Voorland, Rozenburg en Frankendael. Bij het eeuwenoude Rechthuis aan het begin van de Middenweg (nu een bankfiliaal) werden aan het eind van de 19de eeuw de eerste rijtjes woonhuizen voor eenvoudige burgers gebouwd. De gemeente Watergraafsmeer hoopte, door mee te werken aan bouwplannen, een annexatie door Amsterdam te voorkomen. Tevergeefs: in 1921 slokte de grote stad alsnog deze landelijke buurgemeente op.

Toen hier de bevolking duidelijk toenam, besloot het bisdom Haarlem, waaronder de Amsterdamse katholieken vielen, zo snel mogelijk een parochie in de Watergraafsmeer te stichten. Bisschop C.J.M. Bottemanne benoemde op 27 januari 1902 een Haagse pastoor, F.M. Busch, tot ‘bouwpastoor’ van de nieuwe parochie, die werd gewijd aan de Martelaren van Gorcum. Aan deze nieuwe parochie stonden de parochie van Sint Willibrordus buiten de Veste (Amsteldijk) en die van Sint Petrus’ Banden in Diemen beide een deel van hun ‘jachtterrein’ af. Voortvarend liet pastoor Busch meteen na zijn komst een houten noodkerk bouwen op de Linnaeusparkweg, hoek Linnaeusdwarsstraat, naar ontwerp van Paul de Jongh. Die werd op 30 oktober 1902 ingewijd. Het herenhuis Linnaeusparkweg 41, schuin tegenover de noodkerk, werd gehuurd als pastorie. Voor de bouw van de definitieve kerk moest eerst genoeg geld worden opgehaald. Busch mocht dat niet meer beleven; in 1909 trad hij oververmoeid af en vertrok naar Purmerend. Hij werd afgelost door Theodorus J. Zoetmulder, tot dan pastoor op Texel.

Zoetmulder was een eigengereide, energieke man. In 1912 werd op zijn aandrang ook de armere maar dichterbevolkte Transvaalbuurt bij de nieuwe parochie gevoegd; de pastoor wilde zelfs even zijn nieuwe kerk op het Krugerplein bouwen, maar kreeg daarvoor geen steun. Dus ging het kerkbestuur op zoek naar een geschikt terrein in de Watergraafsmeer én een goede architect. Naast een kerk moesten er ook woningen worden gebouwd, want die brachten geld en parochianen op. In 1918 werd de grond tussen de Middenweg, Linnaeusdwarsstraat, Linnaeusparkweg en Nieuweweg (nu Wethouder Frankeweg) gekocht. Bijna alle percelen voor woningbouw werden met een flinke winst doorverkocht aan de katholieke aannemer Jan Rozestraten. Die bebouwde in rap tempo achtereenvolgens de lange zijde van de hof, waarvan de achtertuinen grensden aan de Middenweg (nummer 50-92, 1925), de korte kant langs de Linnaeusdwarsstraat (7-18, 1927) en het noordelijkste stukje van de andere lange zijde, grenzend aan de Linnaeusparkweg (19-30, 1928). Al die huizen werden ontworpen door architect A.J. Kropholler, over wie straks méér. In 1935 ontwierp en bouwde Rozestraten zelf, aan de oostkant, de nummers 31-42, zij het wel met adviezen van Kropholler. De pastoor had graag gewild dat er zowel arbeiders- als middenstandswoningen zouden komen, maar de laagste huur werd ƒ 35, meer dan arbeiders konden betalen. Er woonden in de jaren dertig opvallend veel onderwijzers en leraren op de hof, maar ook accountants, asssuradeurs, ingenieurs en wat winkeliers. De ‘betere middenklasse’, kortom. Met naar goed katholiek gebruik vaak grote gezinnen: tien kinderen, daar keek niemand van op.

Er moesten natuurlijk ook scholen komen in de nieuwe parochie. Sinds 1906 bestond al de Leonardusschool voor jongens in de Ringlaan (nu Bessemerstraat). Maar het lag voor de hand de rest van de scholen te groeperen rondom de definitieve kerk, in de Linnaeushof. Op nummer 46 verrees allereerst in 1926 een bewaarschool (kleuterschool) en op nummer 45 werd in 1928 de Lidwinaschool geopend. Het onderwijs werd er verzorgd door nonnen, die op nummer 44 hun Zusterhuis lieten bouwen. Voor het uitgebreid lager onderwijs (ulo) lieten deze zusters op nummer 47-48 de Clara Feyschool bouwen; later werd dit ook de lagere school voor jongens.

Middeleeuwse eenvoud

Voor het ontwerp van de kerk en de hof twijfelde Zoetmulder tussen de brave De Jongh, bouwer van de noodkerk, die hij moeilijk kon passeren, en de veel originelere A.J. Kropholler, van wiens stoer-eenvoudige bouwstijl hij zeer onder de indruk was. Het probleem werd opgelost door de plotselinge dood van De Jongh in 1924. Kropholler kreeg de ontwerpopdracht, aannemer Rozestraten mocht het werk gaan uitvoeren.

De geboren Amsterdammer Alexander Kropholler (1881-1971), een leerling van H.P. Berlage, heeft vele katholieke kerken in Nederland ontworpen (waaronder de Sint Ritakerk in Amsterdam-Noord), plus een aantal raadhuizen en het Van Abbemuseum in Eindhoven. Pas op 29-jarige leeftijd trad hij toe tot de katholieke kerk. Daarbinnen voelde hij zich (net als pastoor Zoetmulder) aangetrokken tot de stroming die het kerkelijk leven wilde ontdoen van onnodige poespas en terugwilde naar de eerlijke eenvoud die naar hun idee de oorspronkelijke christelijke gemeenschappen van ruim achttien eeuwen eerder had gekenmerkt en zoals die in de Middeleeuwen was herontdekt door de benedictijner monniken. Soberheid en gemeenschapszin, daar ging het om. De nieuwe kerk had dan ook bijzonder weinig tierelantijnen. Bovendien was de plattegrond veel meer afgestemd op gezamenlijke viering. In de traditionele katholieke kerkgebouwen was het ‘schip’ van de kerk lang en smal en voorzien van veel dikke pilaren. Aan het eind daarvan stond op een hoog podium het altaar. Voor die hoge marmeren tafel stond de priester tijdens de mis met zijn rug naar de gelovigen toe Latijnse teksten te prevelen en met kelken te schuiven. Dat moest anders, vonden Zoetmulder en Kropholler. Het schip van ‘hun’ kerk werd korter en breder dan gebruikelijk, en er stonden geen dikke pilaren, zodat alle aanwezigen goed zicht hadden op het altaar. Bovendien: de priester stond áchter die altaartafel, met zijn gezicht naar de gelovigen. Van die nieuwlichterij moest de bisschop niets hebben. Maar Zoetmulder ging zoals steeds zijn eigen gang. Hij was zijn tijd ver vooruit: pas rond 1960 werd het regel dat priesters de mis lazen met hun gezicht naar het kerkvolk.

Kropholler bouwde de kerk niet in de traditionele pronkzuchtige neogothische of neobarokke stijl, maar trok de muren op van eerlijke oranje-rode baksteen, in een vorm die aan de vroeg-middeleeuwse kerken en kloosters deed denken, bars en intiem tegelijk. In 1927, nu 75 jaar geleden, werd de eerste steen gelegd. Op 21 maart 1929 wijdde bisschop Aengenent de kerk in, omstuwd door juichende parochianen. Pastoor Zoetmulder liet zijn gelukstranen de vrije loop.

“U hebt luidsprekers gewild?”

De parochianen woonden weliswaar verspreid over de hele Watersgraafsmeer en Transvaalbuurt, maar nergens woonden er zoveel op een kluitje als in de Linnaeushof. Bij de toewijzing van de huurwoningen in de hof keek administrateur J.A.M. Dijks van aannemersmaatschappij Rozenstraten allereerst naar de religieuze achtergrond van de aspirant-huurder. De zes apart staande herenhuizen midden in de hof, werden bij voorkeur toegewezen aan leden van het kerkbestuur.

Toch woonden al vóór de oorlog zeker niet alleen katholieken in de hof: in de jaren dertig werd nummer 19 bijvoorbeeld bewoond door de atheïstische en communistische kunstschilder Chris Beekman en zijn joodse partijgenoot Simon Goudmit, schrijver van novellen en romans over het joodse leven. Op nummer 11 kwam in 1940 J.H.F. Grönloh wonen, beter bekend als de schrijver Nescio; in 1956 verhuisde hij naar nummer 57. En, klap op de vuurpijl: in het blokje van zes herenhuizen woonde tussen de kerkmeesters nota bene een dominee, G.C. Berkouwer! Kennelijk kneep Dijks in de moeilijke jaren dertig steeds vaker een oogje toe.

Toch beschouwde pastoor Zoetmulder de hof in hoge mate als eigen terrein, getuige de regelmatige processies om de kerk. In Amsterdam waren godsdienstige optochten over de openbare weg verboden, maar de slimme pastoor had rondom de kerk een ‘privé-tuin’ aangelegd, die voornamelijk bestond uit een processiepad met wat smalle bloemperkjes, pal langs de straat. Daar trokken op hoogtijdagen de kerkelijke optochten met veel bekijks voorbij.

Strikt genomen hoefden de katholieke bewoners de hof eigenlijk nooit uit. Ze hadden er hun kerk, hun scholen en zelfs hun winkels: groenteboer Botman (nr. 8), bakker Kwakman (nr. 88-89), muziekhandel Heuwekemeijer (nr. 86), fietsenmaker Visser (nr. 29-30) en melkboer Zalmstra (nr. 49). En niet te vergeten op nummer 85 de R.K. Boekhandel van koster Pronk, die ook heiligenbeelden en rozenkransen verkocht.

In de crisisjaren kampten niet alleen de parochianen, maar ook het kerkbestuur met aanhoudende geldzorgen. Het probeerde, zoals toen gebruikelijk, zoveel mogelijk parochianen te verleiden tot het huren van een vaste kerkbank, waarop dan een bordje met de familienaam werd geschroefd. Wie dat niet betalen kon, diende plaats te nemen in de ‘armenbanken’ achter in de kerk of moest helemaal achterin blijven staan. Maar de verhuur van de banken verliep akelig traag. Een speciale commissie, de Parochie-Centrale, wist wel waarom, schreef ze in 1937 aan het kerkbestuur. Veel gelovigen in het territorium van de Martelaren van Gorcum-parochie gingen vaak naar andere kerken in Oost, zoals de Bonifatius op het Beukenplein, waar meer pracht en praal was, of waar het comfort groter was. “De voornaamste oorzaak van ontevredenheid is gelegen in de gebrekkige harmoniummuziek, in de vaak povere zang (dat uitsluitend Gregoriaansch wordt gezongen, laten wij nog maar buiten beschouwing), in de vaak slechte verlichting en in de acoustiek, welke in sommige deelen van de kerk het verstaan van het gesprokene uiterst moeilijk maakt.” Tot één concessie bleek het kerkbestuur met tegenzin bereid: er kwam in 1938 een elektrische geluidsinstallatie. Onwennig wijdde de pastoor deze in met de kortste preek in zijn loopbaan: “U... u... hebt luidsprekers gewild? Hier zijn ze. Het is een dure zaak geworden. Amen!”

Op liturgisch gebied was Zoetmulder progressief en voor eerbied voor zijn meerderen was hij niet in de wieg gelegd. “Een lastige heilige” noemde de nieuwe Haarlemse bisschop Huibers hem na zijn overlijden. Want bijzonder vroom was hij ook. En in sommige opzichten ook aartsconservatief. Voor bloot was hij bijvoorbeeld panisch bang. Vlak voor een huwelijksmis dwong hij een bruidje haar te diepe decolleté te bedekken met een zakdoek; in tranen trad zij voor het altaar. En ook deed hij niet mee aan de mode om ‘bruidsmeisjes’ als decoratief element in te zetten in zijn processies: die vond hij al veel te sensueel.

Disco onder het altaar

Zoetmulder, die overleed in 1942 werd opgevolgd door M.M. Nolet - een gemoedelijke man van de oude stempel. Bij zijn benoeming liet bisschop Huibers hem plechtig beloven dat hij de mis weer zou lezen met zijn rug naar het volk - en niet “ondersteboven of binnenste buiten”. Nolet hield méér dan zijn voorganger van de pracht en praal van het Rijke Roomse Leven. De processies werden voortaan opgesierd door vele schattige achtjarige ‘bruidjes’ en ook mismuziek van Mozart mócht voortaan.

De Transvaalbuurt en de westelijke Watergraafsmeer kregen in 1959 een eigen kerk: de moderne Christus Koningkerk in de James Wattstraat. De sfeer van de Martelaren-parochie werd daardoor wat elitairder. (De huidige pastor Essen merkte dat aan de bedeesdheid waarmee de Christus Koning-mensen de Hofkerk binnenkwamen, nadat hun eigen parochie in 1996 was opgeheven.)

Na het vertrek in 1960 van Nolet, en twee ‘tussenpausen, trad in 1969 P. de Reus aan als nieuwe pastoor, een bevlogen aanhanger van de ‘politieke theologie’. Het wereldleed kreeg voortaan de volle aandacht en de beatmis maakte furore, maar met de processies was het voorgoed gedaan. Na een kort interregnum (1980-1986) van de veel introverter Gerard Emke werd een jaar lang gezocht naar een nieuwe zielenherder. In 1987 kreeg de kerk een ‘pastor’, inderdaad het Latijnse woord voor ‘herder’. Maar met de Hollandse titel ‘pastoor’ mocht Essen zich niet tooien, want hij was (en is) geen gewijd priester, omdat hij zich niet wilde binden aan de celibaatsverplichting. De parochianen waren er al snel mee verzoend en ze kwamen massaal naar de kerk toen Essen daar na een half jaar zijn huwelijk liet inzegenen.

Momenteel telt de parochie zo’n 500 leden, en in totaal zijn zeker 200 parochianen en andere buurtbewoners op de een of andere manier bij de kerk betrokken: door ‘vieringen’ bij te wonen (het woord ‘mis’ is uit de mode), mee te zingen in een koor (er zijn er een stuk of vijf in uiteenlopende stijlen!), de kerktuin te helpen onderhouden, deel te nemen aan een gespreksgroep of door koffie te komen drinken in de rechter zijbeuk, ooit een zijkapel, maar nu ‘koffiebeuk’ genoemd. Na iedere viering is daar een drukbezochte nazit.

De kerk wil nadrukkelijk een plaats van samenkomst zijn voor de parochianen, maar ook voor de hofbewoners. De Hofkelder, een ruimte onder het altaar, is omgebouwd tot disco, voor de jongeren uit de buurt. De kerk staat ieder jaar klaar om bij slecht weer de Bredeweg-opera te ontvangen. Zoals uitgerekend in dit jubileumjaar, toen duizend operaliefhebbers van de Brede- en Hogeweg ‘in processie’ naar de Hofkerk trokken.

Na 1980 zijn de meeste woningen verkocht aan de bewoners. Zo’n 50 niet verkochte woningen kwamen in eigendom van belegger Hoba, die de huizen alleen beschouwde als een beleggingsobject en niets aan onderhoud deed. Ten slotte kocht het gemeentelijk Grondbedrijf die huizen op en woonstichting Patrimonium verzorgde het onderhoud. Toen tot grote schrik van architectuurkenners Patrimonium de houten kozijnen wilde vervangen door aluminium kozijnen werd in 1990 de Vereniging tot Behoud van het Linnaeushof opgericht. Met succes: in 1998 kwam bijna de hele hof op de gemeentelijke monumentenlijst. Als in maart de restauratie van de kerk is voltooid, zijn hof en kerk weer klaar voor de net begonnen eeuw.

Met dank aan F.W. Boers, Nico Essen, Bert Hilhorst, Gerard Mulder, Bernadette Nijst-Velthuijse, C.S. De Pater-Bruseker en Frans Woortmeijer.

Literatuur

W. Nypels, Het kerkgebouw van de HH. Martelaren van Gorcum. Uitgave van de parochie, 1999.

Anneke C.H. Hofstede, ‘A.J. Kropholler, Een onbekend Amsterdams architect’, Ons Amsterdam, april 1985.

Piet Kleijn, 1862-1942, Thedorus Zoetmulder, bouwpastoor H.H. Martelaren van Gorcum, Amsterdam-Watergraafsmeer. 2000.

Zie verder: www.hofkerk.nl




Rood Amsterdam in zwart-wit

Stadsfoto’s van Kors van Bennekom

122002_Van_BennekomKors van Bennekom is vooral bekend door zijn theaterfotografie, en door de openhartige, ontroerende manier waarop hij tientallen jaren het dagelijks leven van zijn eigen gezin vastlegde. Maar hij begon als typische persfotograaf en eigenlijk is hij dat altijd gebleven: een chroniqueur van zijn tijd.

In 1933 werd hij geboren in de Czaar Peterbuurt, maar groeide op in Tuindorp-Buiksloot, alias het Blauwe Zand: een uitgesproken rode buurt. Nergens woonde zoveel communisten op een kluitje als hier: vooral oud-bewoners van gesloopte krottenbuurten. Veel Blauwe-zanders werkten in de haven. Zo ook vader Van Bennekom, lange tijd secretaris van de Zeeliedenbond. De jonge Kors heette eigenlijk Lodewijk, maar toen hij als jonge fotograaf hinderlijk vaak verward werd met de veel oudere fotograaf Lood van Bennekom koos hij als nieuwe voornaam de achternaam van zijn moeder Grietje Kors. De oorlog bracht hij vooral in pleeggezinnen door: zijn communistische vader zat in Duitse concentratiekampen en zijn moeder had tbc. Na de mulo werd hij hulpje in de opticiens- annex fotowinkel van Van der Pol in Noord. In zijn vrije tijd was hij actief in de communistische jeugdbond ANJV. Daar raakte hij verliefd op Ine van der Schaaf (typiste, later redacteur bij het CPN-dagblad De Waarheid), met wie hij nog altijd getrouwd is. Op haar verzoek begon Kors (gratis) foto’s voor de krant te maken. Tijdens zijn militaire dienst besloot hij beroepsfotograaf te worden. In 1956 kwam hij in dienst van De Waarheid, als jongere collega van de vermaarde Dolf Kruger. Toen die in 1960 de straatarme krant verliet, moest Van Bennekom in z’n eentje álles fotograferen: brandjes en ongelukken, demonstraties en stakingen, partijcongressen, woningnood en armoede, voetbalwedstrijden, toneelvoorstellingen, maar ook (als ‘vullertje’) stadsbeelden in alle seizoenen, straatmuzikanten, kinderspelen en wat al niet. Zo leerde hij steeds razendsnel positie te kiezen en ook zo onopvallend mogelijk te werken. In 1965 vertrok hij bij de krant; in 1966 werd hij ‘huisfotograaf’ van het kersverse kunstmagazine 8 Vanavond, dat later Uitkrant ging heten.

Uitgeverij Bas Lubberhuizen heeft nu een fraaie bloemlezing uitgebracht van Van Bennekoms Amsterdamse foto’s uit De Waarheid, tussen 1956, het absolute vriespunt in de Koude Oorlog, en 1965, toen met de opkomst van de speelse provobeweging weer een heel andere sfeer doorbrak in de stad. Ons Amsterdam geeft u alvast een voorproefje.




 
 
Banner
Banner
Banner
© FIZZ reclame + communicatie