INSCHRIJVEN
NIEUWSBRIEF


Nummer 4: April 2001

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

Inhoudsopgave
Nummer 4: April 2001
Tol en zegeningen van de cityvorming
Amsterdamse vogels door de eeuwen heen
Het Amsterdam van Thomas Rosenboom
Scheepshelling ontdekt in de Valkenburgstraat
Gunters en Meuser 175 jaar
Alle pagina's


- Tol en zegeningen van de cityvorming
- Amsterdamse vogels door de eeuwen heen
- Het Amsterdam van Thomas Rosenboom
- Scheepshelling ontdekt in de Valkenburgstraat
- Gunters en Meuser 175 jaar




Tol en zegeningen van de cityvorming

De binnenstad: zakencentrum of woonbuurt?

Tekst: Michiel Wagenaar

Van wie is de binnenstad? Wie maken er het meest gebruik van en horen er wat over te zeggen te hebben? De binnenstadbewoners? De bedrijven in het centrum? Alle Amsterdammers? Dat is één van de vragen die spelen in het referendum over het nut van een apart Stadsdeel Binnenstad, op 25 april aanstaande. Dat dit een kwestie werd, heeft alles te maken met de ‘cityvorming’ sinds 1900. Al heeft het centrum (anders dan in Londen) zijn woonfunctie nooit verloren.

Aan het begin van de 19de eeuw zag de toekomst van Amsterdam er somber uit. Het einde van de Franse bezetting in 1815 leidde niet tot het verwachte economisch herstel. Van de commerciële en financiële macht van Amsterdam, waarmee het traditioneel de politiek van de Republiek had beheerst, was weinig meer over.
Dat Amsterdam in veler ogen de hoofdstad van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden was vormde een schrale troost. Willem I vestigde hofhouding, regering en ministeries in Den Haag. En met de buitenlandse diplomaten, de militaire staf en de hoge colleges van Staat kreeg de Residentie een hoeveelheid welgestelde consumenten die een draagvlak vormden voor de lokale economie, voor de aanleg van luxe woonwijken en exclusieve sociëteiten. Daar kon Amsterdam niet aan tippen.
De teloorgang van de stad openbaarde zich in een daling van de bevolking van 217.000 inwoners in 1795 tot 180.000 in 1815. Er werden meer huizen gesloopt dan er nieuw werden gebouwd. Overal werd het stadslandschap ontsierd door achterstallig onderhoud. Gammele bruggen en ingestorte kadewanden beheersten het beeld. Door de dichtslibbende grachten kon er niet goed worden gespuid, met als gevolg een allesoverheersende stank, vooral in de zomermaanden.
Er viel weinig aan te doen. De Franse bezetting had de gemeente Amsterdam berooid achtergelaten. Op extra rijkssteun, waar andere Europese hoofdsteden dankbaar gebruik van maakten, hoefde Amsterdam vanwege de concurrentie van Den Haag niet te rekenen.

Afrekenen met de achterlijke aanblik
Rond 1850 leek het dieptepunt bereikt. De bevolking begon weer te groeien. Maar het waren vooral twee grote projecten in de jaren zestig die de hoop op herstel deden toenemen. Met de opening van het Suezkanaal in het verschiet, en daarmee een aanzienlijke bekorting van de reis naar Nederlands-Indië, besloot het Rijk in 1866 tot de aanleg van het Noordzeekanaal, dat in 1876 werd voltooid. Drie jaar later viel het besluit tot de aanleg van het Centraal Station, geopend in 1889.
Het bracht een golf van enthousiasme teweeg onder de burgerij. Velen meenden dat nú het moment was aangebroken om af te rekenen met de achterlijke, totaal verouderde aanblik van Amsterdam. Het nieuwe station en het Noordzeekanaal zouden een enorme verkeersstroom genereren, waar de infrastructuur van de stad niet tegen was opgewassen. Die was immers aangelegd met het oog op vervoer over water. Nu het vervoer over de weg steeds overheersender werd, zou dat tot hopeloze verstoppingen leiden.
Het stadsbestuur werd overstroomd met plannen voor boulevards en het verbinden en verbreden van verkeerswegen, waarvoor soms rigoureus gesloopt moest worden. Het grote voorbeeld was natuurlijk Parijs, waar Georges Eugène Haussmann (1809-1891) met zijn ingrepen niet alleen de doorstroming van het verkeer bevorderde. Onder het wegdek werden een moderne riolering, water- en gasleidingen aangelegd en langs de flanken van de nieuwe verkeerswegen verschenen indrukwekkende appartementen en overheidsgebouwen.
Zó hoorde een hoofdstad er uit te zien. Dat vonden bijvoorbeeld de opstellers van het Ontwerp tot het aanleggen eener breede aanzienlijke hoofdstraat en het bouwen eener nieuwe centrale burgerwijk (Cité Ouvrière) te Amsterdam. Daarin pleitten ze voor een doorbraak vanaf de Dam tot aan de (brede) Plantage Middenlaan. “Er is voorzeker geene stad ter wereld die zoveel behoefte heeft aan minstens ééne flinke en ruime artère (verkeersweg, red.) als Amsterdam,” meenden ze. Als het aan hun lag zou de nieuwbouw aan deze weg worden opgesierd met “eene met glas overdekte gallerij (zoogenaamde passage), met een ingang van de nieuwe stra¬at”. Zouden ondernemers deze straat voorts opluisteren met “een paar comfortabele koffijhuizen en restauratiën, dan zou met ter tijd deze nieuwe artère voor de Hoofdstad kunnen worden wat de Rue de Rivoli is voor Parijs...”
Er kwam niets van terecht, net zomin als van de grootse initiatieven voor een brede boulevard vanaf het Centraal Station tot aan het Rijksmuseum.
Toch kregen al die plannenmakers in één opzicht wel gelijk. De verkeersdrukte nam sprongsgewijs toe, net als de bevolking. Vooral de werkgelegenheid die de grootschalige bouwprojecten in en rond Amsterdam met zich meebracht, deed velen naar de stad trekken. Er was weer werk in overvloed.

Breken en bouwen in de binnenstad
In 1870 werd Nederlands-Indië, dat tot dan toe onder strakke controle van de overheid had gestaan, geopend voor particuliere ondernemingen. Het leidde tot een golf van investeringen in de kolonie. De regie van deze kapitaalstromen lag goeddeels in Amsterdam, dat zijn positie als hét financiële en commerciële centrum van dit land krachtig wist uit te bouwen.
De vraag naar kantoorruimte, naar nieuwe bank- en verzekeringsgebouwen steeg explosief. Vooral in de binnenstad en de grachtengordel moest het wonen wijken voor het werken. Soms leidde dat tot sloop en nieuwbouw. Kleinere bedrijven namen vaak genoegen met bestaande panden.
De grootste ingrepen in de binnenstad kwamen op conto van warenhuizen, kledingmagazijnen en horecagelegenheden. Ondernemers verwachtten na de opening van het Centraal Station, waardoor de regionale en nationale bereikbaarheid van Amsterdam sterk zou toenemen, een enorme toeloop van dagjesmensen en toeristen. Pal tegenover deze “vestibule van de binnenstad”, op de Prins Hendrikkade en het Damrak, leidde dat tot kaalslag van bijna de gehele gevelwand. De 17de-eeuwse bebouwing werd gesloopt om plaats te maken voor het Victoria Hotel en kantoorcomplexen. Hiervandaan liepen de slagaders van het zakencentrum in wording: Damrak en Rokin plus Nieuwendijk en Kalverstraat. De toegankelijkheid van dit gebied nam verder toe na de doorbraak ten behoeve van de Raadhuisstraat rond 1895. Die sloot weer aan op de inmiddels gedempte Rozengracht, waardoor de nieuwe westelijke woonwijken van een goede verbinding met de ‘city’ waren verzekerd. Ook de zuidelijke toegang werd verbeterd door de verbreding van de Vijzelstraat, waarmee in 1914 een begin werd gemaakt.
Tijdens en na deze twee operaties veranderde de Dam in een waar slagveld van de cityvorming, waarbij woonhuizen als vanzelfsprekend moesten wijken voor kantoren. Monumentale panden werden weggevaagd om plaats te maken voor Peek & Cloppenburg of hotel-restaurant Krasnapolsky, dat alom geprezen werd voor zijn gestadige uitbreidingen waarvoor het ene na het andere krot gesloopt werd.
De maatvoering van dit soort gebouwen was even nieuw als de bedrij¬ven die ze herberg¬den. De Bijenkorf (voltooid in 1914) besloeg zelfs een compleet bouwblok, met een zijgevel aan het Damrak van tien¬tallen meters. Traditioneel was een bouwkavel in Amsterdam niet veel breder dan een meter of vijf, waardoor de gevelwand langs straten en grachten haar eigen ritmiek had gekregen. Met de introductie van moderne bouwmaterialen als staal en gewapend beton werd een ongekende overspan¬ning mogelijk. Niet langer waren dragende muren nodig, in de voor- en achtergevel werden slechts kolommen aangebracht die de dragende functie overnamen. De muren werden vervolgens gereduceerd tot een vlies dat ruimte bood aan etalages en monumentale toegangspartijen, waardoor honderden klanten tegelijk het warenhuis binnengingen.
De binnenstad kreeg steeds meer een uitgaanskarakter. Vooral het Rembrandt- en het Leidseplein veranderden in enkele decennia geheel van karakter. Complete gevelwanden werden afgebroken om plaats te maken voor brasseries, cafés en theaters. Na 1900 kregen ze gezelschap van de bioscopen.
De tol van de cityvorming was niet gering. In de binnen¬stad verdween tussen 1870 en 1925 meer dan 30% van het woningbestand, in de grachtengordel ongeveer 18%. Bijelkaar raakte het stadscentrum meer dan 54.000 inwoners kwijt.
Het tempo van de cityvorming vertraagde in de crisisjaren. Maar dat na economisch herstel het verdringen van woonhuizen door kantoorpanden onverminderd zou voortgaan - en bovendien door de overheid werd bevorderd - werd duidelijk bij de publicatie van het Algemeen Uitbreidingsplan van 1935. Bij de raming van de toekomstige woningbehoefte van de stad werd het verlies van 12.039 panden als gevolg van de cityvorming als vanzelfsprekend meegewogen. Het werd geenszins als een verlies gezien. Cityvorming leidde tot krotopruiming, en dat was een weldaad.

Manhattan aan de Amstel?
Het succes van de cityvorming werd bepaald door de bereikbaarheid van het centrum. Die was, zo meende het gemeentebestuur in de jaren twintig, onvoldoende. Het Schemaplan voor de binnenstad (1931) voorzag in een groot aantal dempingen, enkele doorbraken en verbreding van radiaalstraten. Geldgebrek tijdens de crisisjaren beperkte de uitvoering ervan tot enkele onderdelen, zoals de demping van het Rokin (1937) en de verbreding van de rijweg langs de Binnen-Amstel (1939).
Na 1945 werd de bereikbaarheid van de binnenstad wederom hoog op de politieke agenda gezet. Een nieuw en ongekend krachtig instrument tot ingrijpen bood de Wederopbouwwet van 1950, waardoor gehele gebieden in één klap onteigend en gesloopt konden worden. Joop den Uyl, van 1962 tot 1965 wethouder voor Publieke Werken, Stadsontwikkeling en Economische Zaken, hanteerde de wet om de Weesperstraat, een radiaal met een profiel als dat van de Utrechtsestraat, te verbreden tot een cityboulevard, die zijn vervolg vond in de algehele kaalslag ten behoeve van de IJ-tunneltraverse. De sloop van de bebouwing langs de Jodenbreestraat in de jaren zestig en die van de Haarlemmer Houttuinen in 1972 vormde de opmaat voor het doortrekken van cityboulevards tot aan het Centraal Station.
Het ging sommigen nog lang niet ver genoeg. Al in 1953 verscheen een voorstel om een deel van de grachtengordel te dempen. In 1967 verscheen Geef de stad een kans waarin de Amerikaanse planoloog David Jokinen een stelsel van snelwegen, ongelijkvloerse kruisingen en parkeergarages had ontworpen waarvoor vrijwel de gehele 19de-eeuwse gordel diende te wijken. De city zou het domein van de auto worden.
In de jaren zestig begon het tij te keren. Het verzet tegen de cityvorming, traditioneel gedragen door keurige monumentenzorgers en heemschutters, werd verbreed met Provo, de Kabouterbeweging en het studentenprotest. Zij vormden de voedingsbodem voor lokale actiegroepen van buurtbewoners en krakers. Die slaagden erin, dikwijls in coalitie met organisaties als de Bond Heemschut of Vereeniging Hendrick de Keyzer, om enkele zeer grootschalige sloopprojecten te blokkeren. Zo ontsnapte de Jordaan aan de algehele verwoesting die ruimte moest scheppen voor een tuinstad ter plekke.
De grachtengordel was inmiddels heilig verklaard, maar in een door socialisten en communisten gedomineerd stadsbestuur bestond nog steeds geen enkele waardering voor oude volkswijken, die voor de ‘gestaalde kaders’ synoniem waren aan huisjesmelkerij en overbevolking. Om die reden diende ook de gehele Nieuwmarktbuurt gesaneerd te worden, uiteraard mede in het kader van de aanleg van de metro.
Het verzet hiertegen nam de vorm aan van een stadsguerrilla. Daarmee werd het dóórtrekken van het stadsspoor niet, maar algehele kaalslag wél verhinderd. Wijken als de Jordaan en de Nieuwmarktbuurt mochten zich koesteren in de belangstelling van nieuwe stedelingen. Kleinschalige, pandsgewijze stadsverbetering en de komst van bewoners met een goede opleiding en een navenant inkomen veranderde deze voormalige pauperwijken in aantrekkelijke woonbuurtjes.

Wonen, winkelen en stappen
Hoe belangrijk dit verzet ook is geweest voor eerherstel van de afgeschreven rafelranden van de oude stad, in de grachtengordel en het stadshart waren het de grote kantoren zelf die deze gebieden de rug toekeerden. De Monumentenwet van 1961 maakte een eind aan uitbreidingsmogelijkheden met het verbod op de sloop van beschermde panden. De verkeerscongestie en het gebrek aan parkeerruimte deden de rest.
Het was een teken aan de wand toen in 1974 de (toenmalige) Nederlandsche Middenstandsbank verhuisde van Herengracht 580 naar de Parnassusweg. Dat besluit werd door branchegenoten aanvankelijk meewarig bekeken, maar het bleek een profetische keuze. Spoedig daarna begon de uittocht van alle grote handelsbanken naar de zuidelijke stadsrand. Het bedrijvengebied in de Bijlmermeer, oorspronkelijk voor industrie bestemd, ontwikkelde zich eind jaren tachtig in stormachtig tempo tot vluchthaven voor grote kantoren. Niet lang daarna, begin jaren negentig, begon het gebied rond station Sloterdijk aan een vergelijkbare carrière.
Toen met het vertrek van ABN Amro naar de Zuidas de meeste grote citygebruikers de oude stad hadden verlaten, bleek pas hoe bescheiden de impact van de cityvorming geweest was. Terwijl in Londen eigenlijk alleen het stratenpatroon nog herinnert aan het verre verleden, maar voor het overige wordt gedomineerd door eigentijdse kantoorkolossen, vormde de Amsterdamse binnenstad ook qua bebouwing een betrekkelijk ongeschonden beeld.
Hoe kwam dat? Allereerst omdat Amsterdam een gemankeerde hoofdstad is. Was het ook regeringscentrum geweest, met de daarbij behorende stormachtig groeiende bureaucratie, dan was de druk op het centrum aanzienlijk groter geweest - zie de gevolgen voor de stadskern van Den Haag, waar de kantoorkolossen elkaar verdringen.
Maar wat ook hielp was dat veel kleine kantoren genoegen namen met een voormalig woonhuis, waarbij de plattegronden weliswaar ingrijpend werden gewijzigd, maar de voorgevel in tact bleef. Zelfs wanneer er voor een efficiënte bedrijfsvoering moest worden gesloopt, wat vooral bij banken en verzekeringsbedrijven nogal eens voorkwam, werd de nieuwe voorgevel dikwijls in een historiserende bouwstijl opgetrokken. Zo benadrukten financiële instellingen hun degelijke, Hollandse soliditeit.

De stad als attractie
Na het vertrek van de bedrijven, kregen de stadskern en de grachtengordel hun woonfunctie gewoon weer terug. Voormalige bankgebouwen werden ingenieus heringericht tot appartementencomplexen. Tegelijkertijd vond de transformatie plaats van de tientallen pakhuizen die jarenlang waren gebruikt voor de groothandel, opslag en distributie. In de jaren tachtig van de vorige eeuw was het centrum het enige stadsdeel waar de bevolking toenam, terwijl die in Amsterdam als geheel juist daalde. En dat terwijl hier de prijzen en huren voor woningen ook toen al hoog waren, al lagen ze niet op het astronomische peil van nu.
Wat trok die nieuwe stedelingen, die voor dergelijke prijzen ook een villa in het Gooi konden kopen? Naast de schoonheid en de charme van de grachten vormde de binnenstad zelf steeds meer een attractie. Trendy grand cafés, restaurants, galeries en bijzondere winkels; een uitgaansassortiment dat in Nederland geen gelijke heeft, en dat bovendien, ondanks de bescheiden omvang van Amsterdam, bepaald internationale allure heeft, maken dit stadsdeel tot the place to be voor young urban professionals (yuppies), vaker wel dan niet double income no kids (dinkies), omdat zo’n appartement anders niet te betalen is. De grachtengordel is inmiddels dé metafoor voor modieuze, nogal arrogante opinion leaders, gearriveerde kunstenaars en politici geworden.
Wie daar niet bij wil of kan horen vond in de Jordaan, de Weteringbuurt of de Westelijke Eilanden een tot voor kort betaalbaar alternatief. De smalle straatjes werden opgesierd met bloembakken en geveltuintjes; de krap bemeten etages samengevoegd tot een eengezinshuis. De bevolkingsdaling van dit soort wijken was omgekeerd evenredig aan de toegenomen welvaart.
Zijn alle kantoren verdwenen? Geen sprake van. Grafisch ontwerpers en reclamebureaus - mits niet te groot - koesteren de grachtengordel als vanouds. Ze hebben gezelschap gekregen van de IT-sector, die de veel gevraagde ‘kenniswerkers’ probeert te binden met hun prachtige plek in de bruisende binnenstad.

Dr. M.F. Wagenaar is historicus en sociaal-geograaf, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schreef onder meer Amsterdam 1876-1914 (1990) en Stedebouw en burgerlijke vrijheid. De contrasterende carrières van zes Europese hoofdsteden (1998). Van 1984 tot 1988 was Wagenaar redacteur van Ons Amsterdam.




Amsterdamse vogels door de eeuwen heen

Van watervogels naar bos- en roofvogels

Tekst: Ruud Vlek

Gijsbrecht van Amstel was de eerste die op schrift het broeden van een vogelsoort in de omgeving van Amsterdam vastlegde. De brief uit 1285, waarin hij een kolonie blauwe reigers beschrijft in het Bindelmeerbroek (nu Bijlmermeer), is daarmee het beginpunt voor het onlangs verschenen boek Amsterdamse vogelhistorie. Daarin inventariseert Ruud Vlek de vogelstand in de stad door de eeuwen heen.

Een veenrivier, ook al loopt die door het hart van een stad, is bij uitstek een lokatie waar vogels vertoeven. En dan vooral watervogels, waarvoor ook de waterrijke omgeving rond Amsterdam een aantrekkelijke biotoop vormt. Amsterdam is dan ook een relatief vogelrijke stad. Reigers, meeuwen, eenden en meerkoeten zijn de stedeling zo vertrouwt, dat deze karakteristieke wilde vogels als vanzelfsprekend in het stadsbeeld thuishoren.
Je mag aannemen dat er altijd vogels in de stad zijn geweest, maar voor het opstellen van een geschiedenis van stadsvogels gaat het er vooral om de eerste bewijzen van vogelleven op papier of schildersdoek te traceren. En de eerste vogelsoort die in de geschiedenis van Amsterdam opduikt is de blauwe reiger. In een verzoeningsbrief van oktober 1285, geschreven door Gijsbrecht van Amstel aan de bisschop van Utrecht, wordt melding gemaakt van een kolonie van deze vogels in het Bindelmeerbroek (nu de Bijlmermeer): Gijsbrecht spreekt van een “bussche daer die rheygers inne broeden”. Hij kon dat weten omdat het bos in leenbezit was van de familie Van Amstel.
Tussen 1285 en 1418 wordt dit bos (en de reigerkolonie) in verschillende geschriften genoemd, bijvoorbeeld wanneer het in andere adellijke handen overging of wanneer een nieuwe houtvester werd aangesteld. Nadat de familie van Amstel er afstand van had gedaan, wees de Utrechtse bisschop Willem het leenrecht toe aan de graaf van Holland, die het zich in april 1298 toe-eigende. Het reigerbos was namelijk om meerdere redenen een interessant bezit. Natuurlijk vanwege de houtkap, maar ook vanwege de reigers, die in menige herberg op het menu prijkte. Om de volwassen vogels te pakken te krijgen werden valken ingezet, de jongen werden eenvoudig uit de nestbomen geschud. Om de jacht op de vogels niet in gevaar te brengen en het bos voor houtwinning en de reigers voor consumptie te kunnen blijven benutten, werd in 1346 zelfs een vorm van ‘vogelbescherming’ ingesteld: bewaking van het bos moest voortaan illegale houthakkerij en stroperij tegengaan. Bovendien moest de houtvester het bos zo beheren dat er voor de reigers nestgelegenheid bleef: hij moest “gheen hout daer in doen houden datten bossche of den reygeren onstade doen mach”.

Adellijk kostje
De betreffende reigerkolonie in dit bos – dat mogelijk na 1420 door een zware storm is verwoest – zou volgens een bron uit 1363 in ieder geval hebben bestaan uit “grauwen reygers”, maar niet uitgesloten is dat er ook andere soorten reigers in het gebied broedden, zoals kwakken (een kleinere en dikkere nachtreiger) en grote zilverreigers. Botten van de laatste soort, daterend uit de eerste helft van de 14de eeuw, werden namelijk in 1962 opgegraven uit een afvalput van een voormalige herberg aan de Nes. Ook vier blauwe reigers eindigden hier op het menu. Kennelijk was de reiger een geliefd gerecht in adellijke kring: voor een diner ter ere van een bezoek van de hertogin van Kleef aan Amsterdam in 1401 werden liefst negentien blauwe reigers uit het reigerbos aangeleverd. Een Nederlands recept voor het bereiden van de vogel is helaas niet terug te vinden, hoewel het 17de-eeuwse Amsterdamse kookboek De Verstandige Kock (1667) de reiger wel noemt als gerecht.
Vanaf medio 15de eeuw verdween de blauwe reiger langzaam maar zeker uit de stad, omdat beroepsvissers serieus de strijd aangingen met deze concurrent. De vogels werden aangemerkt als schadelijk wild en de jacht die erop volgde bleef niet zonder gevolg: pas in 1908 – bijna vijf eeuwen later – vermeldt Jac. P. Thijsse voor het eerst weer een reigerkolonie in de buurt van de stad: in een eendenkooi tussen Diemen en Weesp. Kort daarna, in 1910, signaleerde zijn vriend Eli Heimans twee reigersnesten op Frankendael in de Watergraafsmeer. Het was het begin van een comeback en nu is de reiger weer een algemene stadsvogel, met tegenwoordig 550 paren in twintig kolonies in diverse Amsterdamse parken.

Ooievaars op de burgwallen
Een tweede karakteristieke stadsvogel in de late Middeleeuwen was de ooievaar. Op verschillende kloosters aan de Oude Zijde waren er nesten. Vanaf hier hoefden de ooievaars maar af te zeilen naar de weilanden buiten de vestingwallen en in Waterland. In 1571 was hun aantal echter zozeer teruggelopen dat de vroedschap een keur uitvaardigde om de “hier ter stede nestelende” ooievaars bescherming te bieden tegen vandalen – lieden, oud en jong, werd verboden voorwerpen naar de beesten te gooien. Uiteindelijk verdwenen de ooievaars in de 17de eeuw grotendeels uit de binnenstad: ze verhuisden in deze periode van stadsuitbreidingen mee met de stadsrand, die steeds verder van het centrum kwam te liggen. Rond 1700 kwam de soort op de 17de-eeuwse stadsgebouwen aan de burgwallen niet meer voor, maar wel was er nog een nest op de scheepstimmerwerf van de voc op Oostenburg. Het laatste nest werd gespot in Amstelveen, begin jaren dertig.
Een vogel die zich beter schuilhoudt dan de ooievaar heeft het wel lang in de binnenstad kunnen uithouden: de kerkuil. Al had ook deze soort te duchten van de mens. In de toren van de Oude Kerk broedde eind 16de eeuw een paartje kerkuilen, maar het kerkbestuur, zo kunnen we opmaken uit betalingen die zijn gedaan, liet de hele uilenfamilie vangen en uit de kerktoren verwijderen. Kerkuilen hebben tot in de tweede helft van de 20ste eeuw in het centrum van Amsterdam gebroed, op verschillende kerktorens, en in en rond Artis (vanwege zijn muizenrijke dierenverblijven). Door het afgazen van torens tegen duivenoverlast, rattenbestrijding en strenge winters zijn deze fraaie uilen als broedvogel uit Amsterdam verdwenen. De Singelkerk was de laatste die broedende kerkuilen huisvestte, nu al weer zo’n dertig jaar geleden.

Vogels van de Gouden Eeuw
Al in de 17de eeuw gingen kunstschilders zich steeds meer toeleggen op het afbeelden van bijzonderheden uit de natuur. Zo maakte Jacques de Gheyn omstreeks 1600 een aquarel van een dode steltkluut, mogelijk afkomstig uit de omgeving van Amsterdam. Rembrandt portretteerde zich anno 1639 met een dode roerdomp, die in die tijd nog tot het jachtwild in Amstelland behoorde. Tobias van Domselaer maakt daarvan melding in een eerste korte schets van de fauna van Amstelland in 1664. Op het schilderij Vogels op een balustrade liet Melchior De Hondecoeter voor het eerst een gierzwaluw boven het stadhuis op de Dam rondvliegen. Dit schilderij uit 1670 bevat verschillende natuurgetrouwe afbeeldingen van karakteristieke vogels uit Amsterdam en omstreken, waaronder boerenzwaluwen, een velduil en twee sierduiven. De gewone stadsduif kwam al voor in de middeleeuwse stad weten we dankzij opgravingen waarbij een duif is opgegraven uit de eerste helft van de 14de eeuw. Deze was kennelijk ook al snel in groten aantallen aanwezig, want de eerste gemeentelijke bepalingen tegen duivenoverlast dateren al van 1557.
Het algemene publiek was in de 17de eeuw nog nauwelijks in staat om de omringende natuur te duiden. Een in oktober 1636 op het kruis van de Oude Kerk gedurende drie weken overnachtende vreemde vogel werd als een voorteken gezien van de naderende pest, die kort daarvoor in anderhalf jaar tijd 25.000 Amsterdammers het leven had gekost. De vogel veroorzaakte een massale volksoploop, waarop uiteindelijk het stadsbestuur de vogel liet doodschieten. In plaats van een op de lijkengeur afkomende gier, bleek het om een onschuldige aalscholver te handelen. Misschien was ook deze soort indertijd zo overbejaagd, dat deze thans rond Amsterdam algemeen voorkomende vogel bij de toenmalige Amsterdammers nauwelijks bekend was.
Een andere vogel die als een voorteken werd gezien van de door ratten overgebrachte pest, was – hij heeft zijn naam inderdaad niet mee – de pestvogel. Een 17de-eeuwse invasie van deze uit Siberië afkomstige, onregelmatige wintergast werd omstreeks 1680 door Melchior De Hondecoeter op het schildersdoek vereeuwigd (Het vogelconcert). Een eeuw later, met de pest inmiddels onder controle, deed zich nog een invasie van pestvogels voor, en vond de Amsterdamse natuurgeleerde dr. Martinus Houttuyn ze “zeer menigvuldig”.

Lepelaars aan de De Ruyterweg
Pas vanaf het eind van de 17de eeuw worden er bosvogels uit de regio Amsterdam gemeld, een teken, dat de vegetatie in en om de stad tot ontwikkeling is gekomen. Dat betreft nog eerst geboomte in de Watergraafsmeer en in de Plantage, later die op de grachten en in de grachtentuinen. Eind 17de eeuw wordt al in stadskeuren de bescherming van sommige soorten verordonneerd en is er een bepaling tegen het verjagen of vangen van nachtegalen in de Watergraafsmeer. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw worden er voor het eerst bosvogels gemeld als broedvogel in de stad, zoals de merel en de spotvogel (1860), de wielewaal (in Herengrachttuin, circa 1890) en de kleine bonte specht (Artis, 1900). Diverse aan bos gebonden zangvogels profiteerden vooral in de tweede helft van de 19de eeuw van de aanleg van verschillende parken, zoals het Vondelpark en het Oosterpark.
Diverse soorten trekvogels kwamen via de buitenplaatsen in de Watergraafsmeer, de Oude Oosterbegraafplaats en Artis terecht tot in het stadscentrum.
De Amsterdamse onderwijzer Jac. P. Thijsse en de biologiestudent Henk Delsman beschreven deze ontwikkelingen in het tijdschrift De levende natuur. Zij ontdekten de vogelrijkdom aan de rand van Amsterdam, bij Zeeburg en langs het Nieuwe Meer.
En de stadsrand schoof begin 20ste eeuw almaar verder op: om de toenemende bevolking onderdak te verschaffen werden aan alle kanten van de stad terreinen bouwrijp gemaakt, door grootschalige zandopspuitingen. Daarbij ontstonden vanaf eind jaren twintig diverse voor water- en wadvogels geschikte opspuitterreinen, met name in Amsterdam-West en -Noord (later ook in Zuid en Zuidoost). Op een dergelijk terrein aan de voormalige Slatuintjes achter de Admiraal de Ruyterweg fourageerden in de zomer van 1928 een groep van zo’n 100 tot 200 lepelaars, “terwijl een paar honderd meters verder de jongens voetballen”.
Zandterreinen rond de Amsterdamse nieuwbouw vormden vanaf die tijd ook een geschikt broedterrein voor kuifleeuweriken, door sommige Amsterdammers uitgemaakt voor “kuifmussen”. De slikterreinen werden bovendien een trekpleister voor wadvogels uit het hoge noorden.
Na de Tweede Wereldoorlog werd op nog grotere schaal zand opgespoten voor de aanleg van Nieuw-West, Buitenveldert, het Westelijk Havengebied en de Bijlmer, waardoor vanaf de jaren dertig met name diverse soorten plevieren, door de opkomende strandrecreatie van de kust verdreven, bij de stad geschikte broedterreinen vonden. Al in 1951 broedden er 38 paar kleine en strandplevieren in Geuzenveld; begin jaren zeventig broedden er op de zandterreinen in West en Zuid zo’n 65 paartjes strandplevieren. Na 1986, toen alle terreinen waren uitgedroogd en volgebouwd, verdween de strandplevier definitief als karakteristieke vogelsoort van de Amsterdamse opspuitterreinen. De laatste paartjes kuifleeuweriken hielden tot medio jaren negentig stand aan de rand van Osdorp en Gaasperdam, maar hielden het daarna ook definitief voor gezien. Een periode van 90 jaar Amsterdamse stadsuitbreidingen, en de vogels die daarvan profiteerden, werd daarmee afgesloten.

Opmars van roofvogels
Het slot van de 20ste eeuw gaf nog een onverwachte nieuwe ontwikkeling te zien in deze opmerkelijke Amsterdamse vogelhistorie. Na de uitdroging van de opspuitterreinen raakten nog niet volgebouwde terreinen begroeid met riet- en struikopslag, de geschikte habitat voor de blauwborst (waarvan er in de jaren negentig zo’n 100 paar broedden in het Westelijk Havengebied, voorheen een zeldzame broedvogel rond de Brabantse vennen) en de zeldzame buidelmees. Begin jaren negentig zien we ook een opmars van diverse soorten bosroofvogels bij de stad, met de eerste broedende sperwers, haviken en buizerds in bosjes langs wegopritten, op begraafplaatsen, volkstuincomplexen en in het Amsterdamse Bos. De Amsterdamse stadsparken zijn te druk voor deze schuwe vogels.
Vanaf de tweede helft van de jaren negentig broedden er zelfs sperwers in tuinen aan de Herengracht, in Artis en achter het Tropeninstituut. Hun nestsucces is met gemiddeld vijf uitgevlogen jongen hoog, wat erop wijst, dat zulke ‘grachtengordelsperwers’ nog steeds voldoende huismussen kunnen vinden. Voor het grootbrengen van zo’n stadssperwergezin worden circa 450 mussen aangevoerd, bleek uit continue videoregistratie van een nest met zes jongen aan de Herengracht in 1998. Gemiddeld verorberen de Amsterdamse sperwers 20% van de mussenpopulatie, die de laatste tijd in de binnenstad zorgwekkend inkrimpt. Dat is niet zozeer te wijten aan de sperwer, maar vooral aan de vele renovaties, waardoor er minder nestgelegenheid is, en de afname van het aantal insecten – het voedsel van de jonge huismussen – doordat de stad schoner wordt.
In totaal vestigden zich na de Tweede Wereldoorlog nog zo’n 40 vogelsoorten als nieuwe broedvogel in en om Amsterdam. Daarvan zijn er zo’n tien blijven plakken, waaronder de tafeleend, de putter, de bosuil, de Turkse tortel, de buizerd, de havik, de sperwer en de grauwe gans. Daartegenover verdwenen hier zeven vogelsoorten definitief als broedvogel, te weten: de ooievaar, de geelgors, de kleine bonte specht, de witoogeend, de woudaap, de strandplevier en de kuifleeuwerik. In de gehele 20ste eeuw werden ruim 120 nieuwe vogelsoorten vastgesteld, waarvan bijna de helft na de Tweede Wereldoorlog.
Het totaal van de in en om Amsterdam waargenomen vogelsoorten bedraagt inmiddels 316, waarvan 152 wilde soorten in en bij Amsterdam tot broeden kwamen.
Al met al, mede dankzij stadsuitbreidingen, een toenemend aantal in natuur (en in het bijzonder in vogels) geïnteresseerde Amsterdammers en de aanleg van diverse parken, een positieve balans. Of die balans ook in de komende eeuw, bij de voortgaande aantasting van diverse natuurgebieden aan de rand van de stad ten behoeve van nieuwe woonwijken, zo positief zal blijven, is echter de vraag.

Dr. R. Vlek is sociaal wetenschapper en archivaris van de Vogelwerkgroep Amsterdam.

Literatuur
Amsterdamse vogelhistorie. Nieuwe vogelsoorten in de regio Groot-Amsterdam door de eeuwen heen verscheen in december 2000 en is een uitgave van de Vogelwerkgroep Amsterdam, Tweede Wittenburgerdwarsstraat 46, 1018 LP Amsterdam.




Op zoek naar Henkenhaf & Ebert

Het Amsterdam van Thomas Rosenboom

Peter-Paul de Baar

“Van oudsher woonde Vedder aan de Texelschekaai, daar waar Amsterdam zich heerlijk opende aan het Y.” Thomas Rosenboom woont al ruim twintig jaar in Amsterdam, maar in zijn hele oeuvre speelt de stad een bescheiden rol. Ze figureert alleen in zijn roman Publieke werken, maar dan ook meteen heel prominent. Het Amsterdam van 1890 is het waarheidsgetrouwe decor van een grotendeels verzonnen verhaal over hoogmoed vóór de val.

Eigenlijk kan Amsterdam de schrijver bar weinig schelen. Goed, hij woont niet onaardig in de Jordaan en drinkt graag eens een pilsje op het Spui. En natuurlijk is het prettig dat in deze stad de meeste uitgevers en schrijvers te vinden zijn. Maar veel dieper gaat het niet. Ook in zijn romans is de situering bijzaak, al is Rosenboom wél zo’n perfectionist dat het eenmaal gekozen decor tot in de puntjes moet kloppen, althans: geloofwaardig moet zijn. De drie verhalen in zijn debuut De mensen thuis (1983) spelen in een niet nader te duiden Nederlandse stad; zijn eerste roman Vriend van verdienste (1985) is geïnspireerd op de destijds geruchtmakende Baarnse moordzaak van 1961; zijn gelauwerde roman Gewassen vlees speelt in het Friesland en Zeeland van de 18de eeuw. En eigenlijk was het stom toeval dat hij zijn laatste roman construeerde rond een historisch gegeven in zijn eigen woonplaats. “Ik ben niet iemand met een abonnement op Ons Amsterdam en een grote historische belangstelling,” bekende hij eind 1999 aan Het Parool. “Ik heb ook nooit meer een letter over de 18de eeuw gelezen, nadat Gewassen vlees verschenen was.”

Elke dag hetzelfde rondje
Thomas Rosenboom beroept zich er regelmatig op dat hij een van de weinige Nederlandse schrijvers is die geen autobiografische romans schrijven. Hooguit hebben de figuren in zijn boeken wat karaktertrekjes met hem gemeen, maar dan uitvergroot. “Ik kies vaak personages die uit goede bedoelingen boven zichzelf willen uitstijgen en dan het slachtoffer worden van de misverstanden die ze hebben veroorzaakt. In hun ijver om alles te beheersen doen mijn helden altijd te veel,” zei hij in maart vorig jaar tegen NRC Handelsblad. “Dat te veel doen en daarmee een averechts effect behalen, is wel iets dat ik tot mezelf kan herleiden. De behoefte controle te hebben, alles te beheersen. Misschien heeft het wel iets dwangmatigs. Ik loop elke dag hetzelfde rondje, draag altijd dezelfde kleren, eet elke dag hetzelfde en doe dus ook steeds dezelfde boodschappen.” Zoals de romanheld Vedder uit Publieke werken elke dag vis haalt op de Dam.
Thomas Rosenboom, geboren in 1956 in Doetinchem, groeide op in een katholiek gezin in Arnhem. Zijn vader had daar een garagebedrijf. Gelovig is Rosenboom allang niet meer, maar hij maakt geen geheim van zijn waardering voor de relativerende katholieke mentaliteit: “Daarmee bedoel ik dat je de wet meer naar de geest dan naar de letter opvat. Dat je elkaars gevoelens ontziet.” De twaalfjarige hoofdpersoon Timon uit De mensen thuis, bang voor zijn leeftijdgenoten en tegelijk proberend de Grote Mensen van zijn genialiteit te doordringen, heeft zeker wat van de jonge Thomas, al zijn diens belevenissen fantasie. Hij creëerde Timon in 1982, toen hij Nederlands studeerde aan de Universiteit van Amsterdam, na kort psychologie gestudeerd te hebben in Nijmegen. Hij wilde hier aan de literatuur ruiken. Een studievriend verleidde hem ertoe ook zelf te gaan schrijven. Zijn tweede verhaal, ‘Bedenkingen’, vond hij geslaagd genoeg om op te sturen aan het toonaangevende literaire tijdschrift De Revisor, dat het prompt plaatste. Met twee andere verhalen over die Timon groeide het uit tot zijn eerste boek, dat een debuutprijs won.

Romanhelden in aanbouw
Van de romans die hij daarna schreef, werd het thema hem eigenlijk steeds door anderen aangereikt in de vorm van een bijzonder document of een anekdote, waar Rosenboom dan zijn hoogstpersoonlijke invulling aan gaf. Een bundel rechtbankverslagen uit 1961 leidde tot Vriend van verdienste, een dagboekje van een 18de-eeuwse Friese jonker tot Gewassen vlees, dat hem in 1995 zijn eerste Libris-literatuurprijs opleverde. En het basisidee voor Publieke werken ontstond toen Rosenboom een jaar of zeven geleden het Victoria Hotel op de Prins Hendrikkade wandelde. Zijn metgezel wees hem op de twee kleine huisjes die tegen dit in 1890 geopende hotel lijken te zijn aangeplakt. Wist Thomas wel dat het hotel om die pandjes was heengebouwd, omdat de eigenaren hun huis niet wilden verkopen? Nee, dus. Waarna het tweetal vrolijk begon te speculeren over het motief voor die halsstarrigheid. In een gesprek met Vrij Nederland herinnerde Rosenboom zich: “We verzonnen dat de eigenaren van die huisjes, toen ze hoorden dat op die plaats een hotel zou komen, begrepen dat ze een woekerprijs zouden kunnen bedingen, maar dat ze hun hand hadden overspeeld.” Maar geldwolverij was toch nét een te banaal motief om er een hele roman aan te wijden. Dus kreeg de Amsterdamse hoofdpersoon Walter Vedder, die de grootste van de twee huizen bewoont, ook een ideëel doel toebedeeld: hij wilde mensen helpen! Maar wie dan? Het antwoord vond Rosenboom in een boek dat hij ooit in New York cadeau kreeg van een plaatselijke vioolbouwer: het ging over arme Oost-Nederlanders die onder leiding van dominee Albertus van Raalte naar Amerika emigreerden. Dat was wel niet rond 1890, maar al in 1846, maar ach! Rosenboom maakte gemakshalve van de kolonisten Drentse veenwerkers, die naar het land van belofte werden geleid door een apotheker uit Hoogeveen: Christof Anijs, een neef van Vedder. Dat milieu kende hij: zijn ex-vriendin stamde af van Drentse apothekers – en een oom van haar was net zo breedsprakig en ijdel als Anijs. De naam van zijn Drentse hoofdpersoon verwijst mede naar de 19de-eeuwse Hoogeveense apotheker Hendrik Radijs, waarvan Rosenboom een biografietje in handen kreeg. De verkoop van een viool (een muziekinstrument dat wel vaker in Rosenbooms werk opduikt) leek de schrijver een mooie manier om de neven met elkaar in contact te laten komen: dus liet hij de Amsterdamse neef, wiens huisje in de knel komt, het vak van vioolbouwer uitoefenen – ook al is deze Vedder opgeleid tot kastenmaker, dus eigenlijk een beunhaas.

Gefrustreerde kleinburger
Van Publieke werken zijn inmiddels ruim 140.000 exemplaren verkocht, en de Ons Amsterdam-abonnees die het als welkomstpremie kregen, zijn daarbij niet eens meegeteld. De roman-intrige zal veel lezers dus al bekend zijn. Hier nog kort even de hoofdlijn. Als Vedder bemerkt dat architect/hotelier Johann Friedrich Henkenhaf een hotel wil bouwen op de hoek van het Damrak en de Prins Hendrikkade en daarvoor aast op de huisjes die daar staan, besluit hij hoog in te zetten: hij vraagt voor zijn huis ƒ 50.000, terwijl hem - een toch royale – ƒ 20.000 wordt geboden door Friedrich Ebert, de elegante associé van Henkenhaf. En passant werpt Vedder zich ook op als hoeder van de belangen van zijn oude buurman, kleermaker Carstens, en diens zieke vrouw. Vedder is een gefrustreerde kleinburger, die dolgraag door de Amsterdamse elite serieus genomen wil worden als professioneel vioolbouwer, muziekkenner, stedenbouwkundige en geslepen zakenman. Erkenning door Henkenhaf is wel het allermooiste wat hij zich kan denken. Die blijft echter bijna het hele verhaal door onzichtbaar, al probeert Vedder wanhopig met hem in contact te komen. In de roman heeft Henkenhaf verdacht veel trekjes van God-de-Vader in de katholieke traditie, met Ebert als zijn vertegenwoordiger op aarde. Vedder overspeelt zijn hand, en zakelijk gaat alles mis, maar toch: als uiteindelijk tijdens de opening van het hotel op 19 augustus 1890, Henkenhaf zelve hoog boven de Prins Hendrikkade Vedder tot zich neemt, is dat in feite voor die laatste een gelukzalig einde.
Walter Vedder en Christof Anijs zijn geheel ontsproten aan Rosenbooms fantasie, maar wel degelijk is goed te merken dat Rosenboom zijn research grondig ter hand pleegt te nemen. Aan Vrij Nederland lichtte hij toe: “Je begint geleidelijk, je gaat eerst maar wat lezen over het hotelwezen, de opkomst van het grand hotel in samenhang met de opkomst van het spoorwezen.” Inderdaad heeft hij zichtbaar profijt gehad van het prachtboek De Grand Hotels van Amsterdam door Bert Vreeken en Ester Wouthuysen, en ook van de Geschiedenis van het Amsterdamse Stationsplein (1982) door Lydia Lansink. Daarin stuitte Rosenboom onder meer op het verschijnsel van de parmantige ingezonden-stukkenschrijvers, die zich onder schuilnamen mengden in de gemeentepolitiek. ‘Pseudonimisten’ noemt hij mensen als Vedder, die zich onder de schuilnaam Veritas (= Waarheid) vooral opwerpt als een expert op het gebied van architectuur en stadsplanning.
Al met al ontleende Rosenboom heel wat details in zijn boek aan de historische werkelijkheid. Ongetwijfeld heeft hij de foto’s van rond 1890 goed bestudeerd. Zo beschrijft hij bijvoorbeeld de Prins Hendrikkade: “Getergd liet Vedder zijn blik omlaag zakken en dichterbij glijden, over het stationsplein naar het nieuwe plantsoen schuin onder hem, aan de overkant van de kade. Er stond een limonadeloket, en een paar jaar geleden, kort na de aanplemping had de Dienst Publieke Werken er een borstbeeld van prins Hendrik geplaatst, met het gezicht naar het Y.”
Vele prominenten van omstreeks 1890 worden met hun eigen naam genoemd: burgemeester Van Tienhoven, spoorwegdirecteur Munzebrock, Concertgebouwdirigent Kes en de musici Dopper, Houbraken en Freyer, en niet te vergeten de populaire ‘knijp- en wrijfdokter’ Mezger. Zelfs de sjah van Perzië komt op bladzijde 220 aan bij het Amstel Hotel: dat deed hij inderdaad op 16 juni 1889. Maar ook belangrijker romanpersonages zijn min of meer aan de werkelijkheid ontleend.

Henkenhaf & Ebert B.V., Damrak 3
De architecten Henkenhaf & Ebert bijvoorbeeld hebben werkelijk bestaan. Uit het Amsterdamse bevolkingsregister én een geheel aan Henkenhaf gewijde Duitse internetsite valt zijn leven in hoofdlijnen te reconstrueren. Johann Friedrich Henkenhaf werd op 2 april 1848 geboren in het Duitse Grünwettersbach bij Karlsruhe. Dertig jaar oud vestigde hij zich als architect in Heidelberg. Daar ontmoette hij Friedrich Ebert, die hij tot zijn compagnon maakte. In februari 1882 verhuisde Henkenhaf naar Amsterdam. Nieuwebrugsteeg was daar zijn eerste adres; in november 1883 verhuisde hij naar Damrak 3. Ook in 1883 verwierf Henkenhaf, met Ebert, de opdracht voor de uitbreiding van hotel Krasnapolsky met de panden Warmoesstraat 175-178. Het jaar daarop werden Henkenhaf & Ebert aangezocht door de Maatschappij Zeebad Scheveningen voor de bouw van het prestigieuze Kurhaus aldaar, dat in 1885 openging. Van november 1886 tot februari 1888 woonde hij in Den Haag; in die periode (oktober 1887) trouwde hij in het Schotse Rafford met de 22-jarige Helene Innes Smith. In februari 1888 betrok het echtpaar het kleine oude huis Damrak 2; op nummer 3 was volgens een adresboek uit 1888 het architectenbureau Henkenhaf & Ebert gevestigd. Het plan om voor eigen rekening een hotel te bouwen en exploiteren had Henkenhaf al kort na zijn vestiging in Amsterdam opgevat. Op 2 februari 1883 had hij de N.V. Hotelonderneming Victoria Hôtel opgericht, met een maatschappelijk kapitaal van ƒ 500.000. In september 1888 onthulden de kranten dat Henkenhaf vijf huizen op het Damrak (1-5)en vijf op de Prins Hendrikkade (44-48) wilde aankopen en slopen voor de bouw van zijn hotel. Daarbij hoorden dus ook Henkenhafs eigen woning en kantoor: als Rosenboom dat geweten had, zou hij dit ironische feit zeker verwerkt hebben. In juni 1889, kort voor de sloop begon, verhuisde Henkenhaf met zijn vrouw en hun bijna tweejarige dochter naar Herengracht 24, waar in januari 1890 en maart 1891 nog twee zonen geboren zouden worden. In juni 1892 vertrok de familie naar Diemen, maar in oktober al verlieten de Henkenhafs Nederland voorgoed. Waarschijnlijk speelde daarbij twee onaangename ervaringen mee. Op 27 oktober 1889 stortte tijdens de bouw een gemetselde boog waarop een ijzeren legger rustte, in. Drie werklieden kwamen onder het puin en raakten zwaar gewond. Tegen Henkenhaf werd wegens nalatigheid twee dagen cel geëist, maar in het volgende voorjaar werd hij vrijgesproken. In februari het jaar daarop volgde een nieuwe tegenslag: een boze crediteur had het Victoria Hotel failliet laten verklaren, evenwel zonder goede gronden; in mei werd de hotelmaatschappij weer geheel gerehabiliteerd. Maar voor Henkenhaf was de lol er kennelijk af. Emile Kaufmann volgde hem op als directeur en hij vestigde zich als bouwmeester in Berlijn. Vier jaar later verhuisde hij naar Danzig. Daar overleed Henkenhaf op 8 juli 1908 tijdens een blindedarmoperatie.
En Ebert? De romanfiguur is een “slanke, rijzige gestalte”, in de ogen van Vedder een “jongeheer, die niet ouder dan dertig kon zijn”. In werkelijkheid was Friedrich Ebert in 1888 (toen de onderhandelingen van de hotelmaatschappij met de bewoners begonnen) 36 jaar. Dat is overigens maar een van de zeer weinige zaken die over hem bekend zijn. In de historische literatuur komt zijn naam alleen voor als associé van J.F. Henkenhaf. Uit het Amsterdamse bevolkingsregister is slechts af te leiden dat Friedrich Ebert, architect, geboren op 30 augustus 1852 te Ruchsen, rond 1884 werd ingeschreven op het adres Damrak 5, met de vermelding ‘reispas’. Hij was getrouwd met Caroline Grimm en ze hadden twee dochters, geboren in respectievelijk 1876 en 1880 in Heidelberg. In december 1886 werd Ebert ‘ambtshalve’ uitgeschreven uit het bevolkingsregister, wat betekent dat hij zonder bericht aan de gemeente was vertrokken. Uit de Architectuurgids Den Haag (1988) blijkt dat hij in dat jaar terugkeerde naar Heidelberg, waar hij ging samenwerken met Jacob Henkenhaf, de broer van Johann Friedrich. De historische Ebert verbleef in de periode waarin Rosenbooms verhaal speelt (1888-1890) dus helemaal niet in Amsterdam. Juist zijn onbekendheid maakte het Rosenboom mogelijk hem zo’n prominente bijrol in de roman te laten spelen.

P.A. Carstens, kleerenmaker
Ook de mededwarsliggende buurman van Walter Vedder kreeg van de schrijver zijn echte naam mee: kleermaker Carstens. In de roman lijkt hij een oude man, maar dat viel in werkelijkheid wel mee: Pieter August Carstens was in 1888 58 jaar. In 1858 had hij het lage pandje Prins Hendrikkade 47 gekocht voor ƒ 3105. Net als in de roman was Carstens getrouwd, maar of zijn vrouw ziek was, vermelden de bronnen niet. Historisch juist is ook Carstens’ verhuizing in december 1889: “Al de derde heidag kwam Carstens met verwilderde ogen de zaak in om afscheid te nemen.” Het kleermakersechtpaar verhuisde in werkelijkheid echter niet naar “een bescheiden etagewoning in de YY-buurt” oftewel de Pijp, maar naar Haarlemmerweg 19. En het was een tijdelijke vlucht: in april 1990 keerden zij terug naar de Prins Hendrikkade, waar ze nog drie jaar bleven wonen. Pieter Carstens overleed in 1916 in de Eerste Hugo de Grootstraat, zijn vrouw in 1918. Die feiten werden in 1966 al minutieus uitgezocht door Isa van Eeghen, redactrice van het Maandblad Amstelodamum.
Walter Vedder, De Amsterdamse hoofdpersoon van Publieke werken, is echter een fantasiefiguur. Want Carstens’ buurman van nummer 46 heette in werkelijkheid Jan Frederik Verburgt en was geen vioolbouwer maar slijter. Verburgt kocht zijn hoge smalle huis in 1883 voor het hoge bedrag van ƒ 14.000. Dat hij zijn huis weigerde te verkopen, staat vast. Hij overleed er en zijn erfgenamen verkochten het in 1916 aan een andere tapper, Johannes van den Ende. Diens (aangetrouwde) nazaten zijn nog steeds eigenaar van 46 en 47; in de voormalige kleermakerij op 47 verkocht de familie Van den Ende sigaren, na 1945 ook souvenirs en sinds de jaren zestig niet anders meer dan dat; nu wordt de Victoria Giftshop gedreven door huurder Anton Molenaar. Nummer 46 was tot 1985 verhuurd aan een caféhouder, die vooral taxichauffeurs als klanten had. Nu is de begane grond van ‘Vedders huis’ bij de souvenirshop getrokken en dienen de bovenverdiepingen voor opslag en kantoorruimte. De toeristen kwamen tot eind 1999 nog allemaal uitsluitend voor de windmills en de wooden shoes. Sindsdien is volgens Molenaar een bescheiden stroom van binnenlands literair toerisme opgekomen; om die enigszins te bedienen brengt de uitbater binnenkort ook een prentbriefkaart uit met een foto van het hotel anno 1900 gezien vanaf de Prins Hendrikkade.

Secuur doch vrijmoedig
Geregeld duiken in Publieke werken citaten op die vrijwel letterlijk uit kranten van die tijd zijn ontleend. Op bladzijde 475 bijvoorbeeld laat Rosenboom een van Vedders concurrenten als pseudonimist, Vitruvius, een week of wat voor de opening van het hotel een stuk publiceren waarin hij de aspiraties van het hotel bespot: ”Victoria Hotel heet welkom Baron van Münchhausen met gevolg, Graaf van Monte Christo, prinses de Trébizonde en kamenier, Sir Gulliver, Generaal Boem met adjudant.” Dat lijstje van beroemde fictie-figuren stond (zonder ondertekening), onder het kopje “Aan bovengenoemd hotel zijn gisteren afgestapt: …”, vrij letterlijk in het satirische blad Asmodée van 18 september 1890.
Illustratief voor hoe secuur en tegelijk vrijmoedig Rosenboom met zijn historisch materiaal omgaat, is zijn beschrijving hoe blij Vedder is als zijn benauwende wachten op een nieuw bod van de wederpartij “op 10 juni plotseling verbroken [wordt] door een krantenbericht in de Amsterdamsche Courant: de hotelmaatschappij Victoria had vijf huizen aan het Damrak en drie aan de Prins Hendrikkade aangekocht: met twee eigenaren gingen de besprekingen nog door.” Opgetogen rent Vedder naar zijn buurman van 45, die erkent ƒ 20.000 te hebben gekregen. Vedder is er nu van overtuigd dat er voor hem en collega-dwarsligger Carstens zeker veel méér in het vat zit. Inderdaad stond op 10 juni 1889 zo’n bericht in de genoemde krant. Het luidde: “Aan de Damrakzijde werden door de maatschappij vijf en aan de Prins Hendrikkade drie huizen aangekocht. De perceelen van den kleermaker Karsten en den slijter Verburgt werden wegens te hooge eischen niet gekocht en zullen vermoedelijk worden ingebouwd.” Dat Rosenboom die laatste zin veranderde, is begrijpelijk. Kennelijk waren de onderhandelingen in juni 1889 al definitief stukgelopen, maar uit roman-technisch oogpunt was het véél aantrekkelijker Vedder nog een jaartje tussen hoop en vrees te laten bungelen. In de roman helpt Ebert Vedder pas na Pinksteren 1890 uit zijn droom: “In dat geval moet u onze besprekingen als beeïndigd beschouwen. Wij bouwen om u heen.”
Onopgelost blijft de vraag naar het motief van de dwarse huiseigenaren. Waren zij inderdaad op geld uit, zoals Rosenboom suggereert, al dan niet voor een nobel doel? Of vroegen zij zo’n absurd hoog bedrag, omdat zij gewoon op die plek hun oude dag wilden slijten, hotel of geen hotel? Dat laatste is even goed mogelijk, maar zou vast niet zo’n meeslepende roman hebben opgeleverd.




Scheepshelling ontdekt in Valkenburgerstraat

Tekst: Peter-Paul de Baar

Dat er wat sporen van scheepsbouwactiviteit zouden worden aangetroffen, hadden de stadsarcheologen wel verwacht. Maar het gave stukje scheepshelling dat op de op één na laatste graafdag bovenkwam, was toch een blijde verrassing. Lang niet zo groot en imposant als de helling die vorig jaar op de voormalige VOC-werf op Oostenburg werd opgegraven, maar wel minstens een halve eeuw ouder: ongeveer uit de periode 1620-1670.

“Het is niet de eerste keer dat we bij een opgraving op de valreep de aardigste vondsten doen”, glundert Jørgen Veerkamp. Het is woensdag 7 maart tegen tweeën, weerkundig een wat sombere dag, maar niet voor de medewerkers van de gemeentelijke Archeologische Dienst die hier onder Veerkamps leiding aan het werk zijn. Het terrein achter Valkenburgerstraat 210, aan het water van de Uilenburgergracht, is bereikbaar door een poortje. Op de gevel van het woonblok zijn aan weerszijden cartouches aangebracht met de jaartallen 1877 en het joodse equivalent daarvan, 5638. Het was een woonkazerne met naar verluidt erachter een sjoeltje, een kleine synagoge. Dit gaafste stukje scheepshelling kwam vanmorgen bloot toen de machinist van de graafmachine dichter bij het water ging graven; hij was daarbij wél gedwongen de eerder opgegraven resten weer met de hier weggegraven aarde te overdekken, want op het terrein is weinig ruimte. De gisteren nog zichtbare hellingresten waren ook mooi, maar minder spectaculair. Het waren alleen de zware grenen leggers (dwarsbalken), waarop de eikenhouten planken van de eigenlijke helling gerust moeten hebben. Het bijzondere van het deze vrijdag onthulde deel is dat hier die lange planken nog wél bewaard zijn gebleven.
Het zijn niet de eerste sporen van de scheepbouwactiviteiten die in de 17de eeuw op dit voormalige schiereiland Marken alias Valkenburg gevonden zijn, maar wel de duidelijkste tot nu toe.

Marken alias Valkenburg
Misschien is de naam Marken voor dit (aangeplempte) stadseiland een speelse verwijzing naar het aloude échte eiland van die naam in de Zuiderzee, vrij dicht bij Amsterdam. De naam Valkenburg lijkt uitstekend te passen in het rijtje namen Uilenburg, Rapenburg , Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg, maar ze kwam pas laat in zwang: de eerste eeuwen werd voor dít eiland bijna uitsluitend de naam Marken gebruikt. Tot ver in de 20ste eeuw hadden vooral joodse Amsterdammers het nog steeds over Marken als ze de Valkenburgerstraat met zijn zijstegen bedoelden. Marken was een deel van de staduitbreiding van 1593, waarbij ook de eilanden Uilenburg en Rapenburg tot stand kwamen. Beide laatste zijn nog steeds herkenbaar als eiland, maar Valkenburg niet meer, omdat een groot deel van het omringende water intussen verdwenen is. In oorsprong werd Valkenburg begrensd door de (nog steeds bestaande) Uilenburgergracht, de Rapenburgerwal (sinds de demping het Rapenburg geheten), de Markengracht (ten westen van de Rapenburgerstraat, waar nu het nieuwe wooncomplex Markenhoven staat) en het oostelijk deel vande Houtkopersburgwal (in de jaren zestig gedempt voor de bouw van het Maupoleum).
Op de plattegrond uit 1597 en 1610, getekend door Pieter Bast, zien we alleen op de oosthelft van het verder lege eiland een paar scheepswerfjes ingetekend, zo’n beetje ter hoogte van de Valkenburgerstraat zuidelijkste huizen van Markenhoven. Balthasar Florisz van Berkenrode tekent op zijn kaart uit 1825 al een eiland vol scheepstimmeractiviteiten. In het kader van de zogeheten Vierde Uitleg van de stad werden tussen 1654 en 1883 op drassig buitendijks gebied de Oostelijke Eiaknden aangelegd, omdat de expanderende haven grote behoefte had aan meer scheepsbouw- en opslagfaciliteiten. Het middelste daarvan, Wittenburg, werd bestemd voor particuliere scheepswerven. Omstreeks 1670 verhuisden steeds meer werfjes van Marken naar het nieuwe eiland. Marken werd in de 18de eeuw omgevormd tot een woongebied en raakte al snel barstensvol met straatarme joodse inwoners. De allerslechtse woningen vond men in de vele gangen aan weerzijden van de Valkenburgerstraat, zoals de Morellegang, de Schuitenvoerdersgang en de Roode Leeuwengang. En het huidige opgravingsterrein lag nog in de 19de eeuw tussen de Visschersgang en de Kanjersgang. In vooral de huizen aan de oostkant van de zeer smalle straat waren erbarmelijk. Zij verdwenen bij de grootscheepse sanering van 1928; bij de herbebouwing van de oostzijde schoof de rooilijn iets naar achteren. De nieuwe huizen hebben hier maar zo’n 35jaar gestaan; in de jaren zestig moesten zij het veld ruimen voor de ingang van de IJtunnel, die nu weer is overkluisd en bebouwd. De huidige Valkenburgerstraat is minstens vier keer zo breed als de oorspronkelijke.

Geen gereedschap
Ook in 1996 werd al een opgraving uitgevoerd aan het begin van de straat (nummer 26-50), op het voormalige terrein van Foltu Bouwmaterialen. Daar werd geen scheepshelling gevonden, maar wel spijkers en gereedschap. Die werden aangetroffen pal langs de straat, waar destijds huisjes van de werfbazen gestaan moeten hebben. Dat op de huidige plek geen geredsschap werd gevonden, is ongetwijfeld te verklaren uit het feit dat ditmaal niet aan de (nog bebouwde) straatkant kon worden gegraven. Het enige losse voorwerp dat ditmaal boven de grond kwam, was een 17de-eeuwse lepel.
In de komende tijd moeten de vondsten nader worden bestudeerd en geanalyseerd, in samenhang met de resultaten van eerdere opgravingen in dit gebied. Over enige tijd hopen we een samenvattend artikel hierover te presenteren.




Gunters en Meuser 175 jaar

De geschiedenis van een Amsterdamse ijzerwarenhandel

Tekst: Dolf Weverink

Met één paar Engels schoenhakbeslag, een marskramerskist en 37 cent ‘startkapitaal’ begint Johannes Petrus Gunters in 1826 een carrière als verkoper. De zaak in schoenmakersgereedschappen en fournituren, die zijn zoon later voortzet met Carel Federik Christiaan Meuser en nu bekendstaat als de gerenommeerde ijzerwarenhandel Gunters en Meuser, viert dit jaar zijn 175-jarig bestaan.

Het is uit bittere noodzaak dat de 20-jarige Johannes Petrus Gunters in 1826 met een marskramerskist in de Jordaan langs de deuren gaat. Vanaf dat jaar moet hij zijn moeder helpen een inkomen te vergaren, omdat zijn vader, Arend Christiaan Gunters, die metselaar was, na een val van een steiger is overleden. De weduwe en haar zoon beginnen aan huis een handel in schoenmakersgereedschappen en fournituren. Moeder doet overdag de winkel in het voorhuis van Prinsengracht 46 (nu café Het Bruine Paard), haar zoon werkt overdag (waarschijnlijk in de bouw) en brengt ’s avonds huis aan huis zijn koopwaar aan de man.
De kist waarmee de jonge Gunters langs de deuren gaat, blijft nadien in de familie. In 1926, als het bedrijf 100 jaar bestaat, herinnert W.J. Gunters uit Scheveningen, die de kist dan in zijn bezit heeft, zich dat het beginkapitaal van Johannes Petrus Gunters slechts zeven duiten bedroeg (omgerekend naar de waarde van een eeuw later 37 cent). Het eerste handelsartikel van de jonge koopman is één paar Engels schoenhakbeslag.

Naar de Egelantiersgracht
In 1866, als de winkel van Gunters al een gerenommeerde ijzerwarenhandel is, neemt de 30-jarige J.P. Gunters junior zijn vaders zaak over. De grondlegger wordt overigens zeker voor een 19de-eeuwer stokoud: hij overlijdt in 1897, 91 jaar oud.
De tweede Gunters gaat - waarschijnlijk omdat hij onvoldoende geld heeft om uit te breiden - op zoek naar een compagnon en in 1875 komt Carel Frederik Christiaan Meuser in de zaak. Beide mannen brengen ieder ƒ 6000 gulden kapitaal in. De zaak verhuist van de Prinsengracht naar Egelantiersgracht 2 (sinds 1870 het woonhuis van de familie Gunters), dat op 4 november bij openbare verkoping aan de firma Gunters en Meuser wordt verkocht.
Amsterdam maakt eind 19de eeuw werk van de stadsuitbreiding en Gunters en Meuser profiteert daarvan. De zaken gaan zo goed dat in 1882 het buurpand Prinsengracht 108 wordt aangekocht, gesloopt en nieuw opgetrokken. Het in Franse stijl ontworpen pand (compleet met een zinkbeschoten mansardedak) is voorzien van een geknikte voorgevel - met op iedere etage één raam dat uitkijkt op de Egelantiersgracht en drie op de Prinsengracht. Deze voor Amsterdam zeldzame gevel maakt dat het pand aansluiting vindt bij Egelantiersgracht 2.
In 1893 komt ook C.F.C. Meuser jr. in de zaak, die de zaak in 1903 voortzet - samen met de derde generatie Gunters, Gerrit Diederik, dan 27 jaar oud.
Vanwege gebrek aan opslagruimte laten Gunters en Meuser tijdens de Eerste Wereldoorlog een nieuw pand bouwen, waarvoor Egelantiersgracht 2-4 (een café) en 6 (een kruidenierszaak) worden gesloopt. De architecten P. Vorkink en Jac. Ph. Wormser presenteren hiervoor in 1916 een ontwerp in Amsterdamse School-stijl, uitgevoerd in betonskeletbouw, voor die tijd een bijzonder moderne techniek die wordt aangeduid als ‘Systeem Monier’. De gevel wordt verfraaid met siersmeedwerk. De verticale ijzeren staven, die de suggestie van Griekse zuilen moeten wekken, zijn behalve fraai ook functioneel: ze zorgen ervoor dat lasten tijdens het hijsen de gevel niet kunnen beschadigen. In 1917 wordt het nieuwe pand in gebruik genomen.

Crisis- en oorlogsjaren
Als Gerrit Diederik Gunters (kleinzoon van de oprichter) in 1923 overlijdt, komt de zaak in handen van de familie Meuser. Op grootse wijze wordt in 1926 nog het eeuwfeest gevierd in café Americain op het Leidseplein, maar enkele jaren later gaat Gunters en Meuser de gevolgen merken van de recessie. 1933 is een dieptepunt: het hypotheekwezen stort in elkaar, bouwwerken worden niet afgemaakt, verschillende bouwbedrijven gaan failliet. In de eerste maanden al bedraagt het verlies al ƒ 10.000. Vanaf 1934 trekken de verkopen weer aan, al is er wel “te weinig werk (…) de prijzen zakken waaraan de toestand in Duitsland niet vreemd is”, aldus het jaarverslag. Bedoeld wordt niet de opkomst van het nationaal-socialisme bij de oosterburen, maar de problemen met de stagnerende leveringen door de Duitse metaalindustrie, die in die jaren andere prioriteiten had. In de oorlogsjaren wordt Gunters en Meuser betrekkelijk ongemoeid gelaten. Wél verdwijnt de vrachtwagen van de zaak. In het archief vinden we een veelzeggend briefje van 11 juli 1945 aan de Eigen Vervoers Organisatie.

Mijn heeren,
In antwoord op Uw kaart van 7 dezer, deelen wij u mede dat onze Centons vrachtwagen door de Duitschers niet zoo zeer gevorderd werd, als wel geleend is, hoewel dat practisch op hetzelfde neerkomt, want hij is weg. Ingesloten een copie van het afhaalbewijs. Aan de K.N.A.C. verzochten wij een onderzoek naar onze wagen te willen instellen, tot dusverre echter zonder resultaat.


Na de oorlog gaat de dan 70-jarige C.F.C. Meuser junior, die dan 70 jaar is, op zijn beurt op zoek naar een compagnon/opvolger. Er melden zich ruim 100 kandidaten. De jonge André Olthof heeft ervaring en is erg kien op de positie: in het najaar van 1945 stapt hij met zijn verloofde op de trein naar Amsterdam en belt aan bij het huis van Meuser in de Van Eeghenstraat. In eerste instantie wil Meuser het onaangekondigde bezoek niet ontvangen, maar uiteindelijk mag Olthof toch binnenkomen. Als het Meuser duidelijk wordt dat André’s verloofde op een bankje in het Vondelpark zit te wachten, nodigt hij ook haar binnen. Olthof wordt aangenomen en is vanaf 1947 vennoot.
Na de oorlog zijn ijzerwaren schaars en Olthof moet inventief te werk gaan - en soms via ongeregelde handel inkopen. Zo tikt hij de ene keer een partij vijlen op de kop, de andere keer een partij emmers (die met de restrictie “1 emmer per persoon” razendsnel wordt verkocht). Na Meusers dood in 1955 neemt Olthof zijn aandelen over.

Trees vervangt man met stofjas
In 1966 verbouwt André Olthof de zaak en introduceert de zelfbediening in de ijzerwarenhandel. Met deze nieuwe winkelformule - die in de levensmiddelenhandel zijn kracht al bewezen heeft - kunnen klanten eindelijk eens het complete assortiment zien. En zegt Olthoff: “Als je je assortiment laat zien, breng je klanten op ideeën.”
Met de invoering van het zelfbedieningsprincipe maakt hij in één klap een einde aan het traditionele beeld van de ijzerwarenzaak met een man in een stofjas achter een balie. De opening van de vernieuwde winkel op de Egelantiersgracht trekt veel aandacht. Kranten en vakbladen beschrijven het fenomeen en honderden geïnteresseerden komen een kijkje nemen. Behalve de winkelinrichting trekt Trees, de eerste caissière in de historie van de Nederlandse ijzerwarenhandel, veel bekijks. Hoewel aanvankelijk vooral professionele klanten het maar niks vinden dat ze nu met een mandje de winkel door moeten en klagen dat het een “wijventent” is geworden, vindt het zelfbedieningsconcept al snel navolging in de branche. (Overigens wordt in de praktijk driekwart van de klanten in de nieuwe winkel nog gewoon bediend...)
Als in 1983 André Olthof overlijdt, nemen zijn zoons Hans en Erik – die in de jaren zeventig al in het bedrijf zijn komen werken - de leiding over. De uitbreiding die door hun vader in de jaren zeventig is ingezet, krijgt onder hun leiding een vervolg.
Al in 1957 neemt Gunters en Meuser de firma Van Aalten, een gerespecteerde ijzerwarenzaak in Spuistraat 30 over en komt zo ook in het bezit van enkele vindingen van Isaac van Aalten onder de - nog steeds bestaande - merknaam Ivana. Bovendien verwerft Gunters en Meuser met deze overname het agentschap voor het bakelieten bouwbeslag van Philips en de sloten van Lips. In het pand van Van Aalten (dat nog steeds in gebruik is) begint Gunters en Meuser een onderneming in technische apparatuur, die in de jaren vijftig steeds meer beschikbaar komt.
Dankzij een aantal overnames in de jaren zeventig en tachtig (waaronder die van de aloude firma Weijntjes in hang en sluitwerk op het Singel) is Gunters en Meuser nu een bedrijf met liefst …. filialen. De oude allure is overeind geblvene, maar met zijn 175 jaar is de firma vitaler dan ooit.

Dit artikel is gebaseerd op het boek dat verschijnt bij het 175-jarig bestaan van Gunters en Meuser.



 
 
Banner
Banner
Banner
© FIZZ reclame + communicatie