Legendarische kroegenbijbel verscheen een halve eeuw geleden

 

Groot Amsterdams KroegenboekVijftig jaar geleden, op 4 november 1967, verscheen de eerste editie van een legendarische uitgave:  het Groot Amsterdams Kroegenboek, geschreven door Ben ten Holter.  Ten Holter mocht het boek aanprijzen in de populaire tv-show van Willem O’ Duys “en de volgende morgen stonden ze van Zierikzee tot Maastricht al voor negenen in een lange rij voor de boekwinkels”. Meteen was het uitverkocht. Ook volgende edities (de vijfde en laatste in 1986) werden bestsellers.
Terwijl het (toen al)  niet zo goed ging met de klassieke Amsterdamse kroeg zelf. In zijn voorbeeld van de derde druk schreef Simon Carmiggelt dat hij geregeld een fijn café terugzocht, “omdat niet alleen het lokaal zelfs de hele wijk waarin het stond met de grond gelijk gemaakt was”.



Ten Holter (in 1967 pas 22 jaar, inkoper bij Boekenimport & Uitgeverij Van Ditmar en daarnaast ijverig sporter), kwam op het idee doordat hij een Amerikaanse gids over de bars van ‘surprising Amsterdam’ in handen kreeg: dat kon een echte Amsterdammer toch ook – en beter? Van Ditmar-directeur Chris de Ruig gaf hem voorzichtigheidshalve steeds een voorschot van ƒ60, in ruil waarvoor hij twintig kroegbeschrijvingen moest inleveren. Het eerste voorschot was snel op, omdat Ten Holter van de zenuwen veel te veel dronk. Daarna ging het beter, al bleef hij een goede innemer. “Ik had door de atletiek een ijzeren conditie,” zegt hij nu, “dus ik kon geweldig drinken. Ik werd wel eens wat wankeler, maar heb nooit een kater gehad. Maar zwaarder werd ik natuurlijk wel en al dat lopen heeft ook z’n tol geëist. Ik heb net een nieuwe knie gekregen!” Net als Asser viel Ten Holter liever niet op. Hij maakte zijn notities haastig op het toilet. “Ze zullen wel gedacht hebben dat ik een zwakke blaas had.”
Ten Holters eerste kroegenboek verscheen toen menigeen zich zorgen ging maken over de toekomstkansen van de klassieke ‘bruine kroeg’, een term die juist toen populair werd. De Drankwet van 1964 bepaalde dat cafés een vloeroppervlak moesten hebben van 35 vierkante meter en aparte wc’s voor dames en heren. In 1978 zouden ze allemaal aan die eisen moeten voldoen en het was duidelijk dat honderden Amsterdamse kroeghouders daarom zouden moeten stoppen. Willen Wilminks Adieu café (1968), gezongen door Herman van Veen, was daartegen een protestlied. Die herwaardering leidde tot gloednieuwe imitaties van het oude model, maar dankzij de economische groei kwamen er ook nieuwe cafétypes bij. 
Aan de hand van Ten Holters opeenvolgende voorwoorden zijn de veranderingen mooi te volgen. 
1970: “Waar gaat het met de Amsterdamse kroegen naar toe? Vele uit het juiste hout gesneden obers gaan met pensioen, en de opvolging blijkt een moeilijke zaak.”
1977: “Het vermaarde P-concern van Rob Klap (De Pool, De Pels, De Prins, De Pieter; sinds 1966-red.) is een stroomversnelling gebleken in een wezenlijke verandering van het doorsnee Amsterdamse cafégezicht, terwijl brouwerijen de laatste zeven jaar hebben gezorgd voor enkele treffende staaltjes van horeca-monumentenzorg.” (In 1971 redde Heineken bijvoorbeeld het eeuwenoude familiecafé Korpershoek, nu Karpershoek -red). Het aantal Engelse pubs neemt nog steeds toe, evenals dat van de jazz-cafés, de eetcafés, de sportcafés en de schaak-en damcafés. De hausse van populaire bitters werd gevolgd door een invasie van Belgische bieren.” 
1982: “Een nieuwe ontwikkeling in het tapwezen is het ‘witte’ café. (O.a. Oblomow en Richter, Reguliersdwarsstraat- red.). Deze nouveauté vertoont veel overeenkomst met het interieur van de bekende Amsterdamse ijssalon. Ook het futuristische lokaal en het punkcafé zijn aan de vernieuwingsdrang ontsproten; het café is daarmee een mode-exponent geworden. In het ijzeren bestand van de klassieke bruine kroegen hebben zich gelukkig geen dramatische mutaties voorgedaan. De eetcafés hebben zich stormachtig ontwikkeld.”
1986: “Door de wekelijks verslaggeving in Het Parool is het voor mij beter mogelijk geworden om de vinger aan de pols van de kastelein te houden. Het is duidelijk dat het vak vakmatiger wordt uitgevoerd. Men is meer gastheer geworden.” 

Na die editie van 1986 bleef het jarenlang stil, tot uitgeverij Bas Lubberhuizen in 1995 de Amsterdamse Kroegen-Encyclopedie van Remco Boas & Arno Mol uitbracht.   Daarna volgden nog wel enkele kroegenboeken, maar met een verre van encyclopedisch karakter.  Wie vult het gat?