Nummer 5: Mei 2003



Luilak, Beddezak!

De geschiedenis van een rumoerig volksfeest

Tekst: Liesbeth van der Horst

052003_LuilakEen luilak werd van oudsher getooid met brandnetels of kreeg een dood varken aan zijn deur. Kinderen en jongeren waren altijd al de spil van dit feest en zij bedreven daarbij “een razernij of zij dol waren”. Luilak betekende medio 20ste eeuw vooral belletje trekken, fikkie stoken en lawaai maken met blikken en pannen, maar in sommige Amsterdamse volkbuurten had de politie op de zaterdag voor Pinksteren zijn handen vol aan jonge rebellen.

Amsterdammers van een jaar of veertig en ouder, kunnen het zich nog goed herinneren. Op luilak, de zaterdag voor Pinksteren, gingen de kinderen ’s ochtends heel vroeg de straat op om met veel lawaai de buurt wakker te maken en keet te schoppen. In ieder huis werden de avond ervoor voorzorgsmaatregelen getroffen: de deurbel werd uitgezet, de brievenbus dichtgemaakt en de fietsen en vuilnisbakken binnengehaald. Melkboeren konden de ’s morgens aangeleverde kratten met flessen melk niet buiten laten staan. Sommige winkeliers timmerden zelfs hun ramen dicht. Om een uur of acht ’s morgens haalde iedereen opgelucht adem. Het jaarlijkse ongemak was weer achter de rug.

De eeuwenoude gewoonte om luilak te vieren verdween in de tweede helft van de jaren zeventig, maar de luilakviering was in Amsterdam al eerder in onbruik geraakt. En het lijkt erop dat het feest van oudsher te lijden had onder de neiging om te ontaarden in zinloze ongeregeldheden.

Net als de kerstboom en het paasei heeft ook het luilaklawaai een Germaanse oorsprong: hiermee werd de winter verdreven. Zoals zoveel heidense gebruiken, werd luilak na de kerstening van Nederland in de 8ste eeuw ingepast in een christelijk feest. Met luilak begonnen de pinksterfeesten, die in de Middeleeuwen en de vroeg-moderne tijd overal in Nederland uitbundig werden gevierd. De manier waarop het feest werd gevierd verschilde van streek tot streek, maar een aantal elementen vonden algemeen ingang. Echt christelijk is het feest nergens geworden. In alle gebruiken is de Germaanse oorsprong duidelijk herkenbaar gebleven.

Luilak valt op het moment dat de natuur tot bloei komt en alles in en rond het huis aan kant moest worden gemaakt. Kortom, er moest flink worden aangepakt. Langslapers en laatkomers werden daarom door de jeugd bespot en bestraft. Zij werden met lawaai gewekt of moesten trakteren. Vaak werd één jongen tot ‘de luilak’ gekroond met brandnetels of andere takken, symbool van de vruchtbare zomer. Tegenhanger van deze luilak, ook wel pinksterlummel genoemd, was de pinksterblom of pinksterbruid, een meisje dat de groene takken juist droeg als een feestelijke tooi. In sommige streken ontstond een combinatie van de luilak en de pinksterblom, ofwel de winterdemon die werd verjaagd en de uit de slaap gewekte zomergeest die feestelijk werd binnengehaald.

In de 16de eeuw hebben de autoriteiten na de Reformatie pogingen gedaan om de heidense gebruiken te verbieden. In Amsterdam verbood de nieuwe calvinistische stadsregering al enkele maanden na de Alteratie in 1578 de ‘pinksterblomlopers’. In 1597, 1600 en 1612 werd het opnieuw bij keur verboden om luilakoptochten te houden. Kennelijk met weinig effect. Tijdens de 16de en 17de eeuw bleef het luilakfeest in heel Nederland, net als in grote delen van Duitsland, populair. Uit de schaarse bronnen blijkt dat het er bij de luilakviering in Amsterdam ruig aan toeging. Jongens kwamen ’s nachts bijeen op centrale plekken in de verschillende buurten. Wie er als laatste aankwam was de luilak en werd met brandnetels gekroond. Die brandnetels werden geplukt buiten de stadspoort. Als de groep daarna weer huiswaarts ging, werden de boeren en marktlui opgewacht die met koopwaar op weg waren naar de stad. De kooplui die als laatste aankwamen moesten trakteren; als ze dat weigerden werd hun koopwaar geplunderd. Terug in de stad werden er brandnetels en kadavers van honden, katten en ratten gebonden aan de knoppen van trekbellen en de kloppers van de deuren die nog gesloten waren, en er werd lawaai gemaakt met oude ketels en pannen om de langslapers te wekken.

Er was grote concurrentie tussen de verschillende buurtploegen, die elkaar “met stocken en vendels” te lijf gingen. Vooral de weesjongens waren berucht. In 1606 klaagde de predikant Caspar Coolhaes over de zaterdag voor Pinksteren: “De jeugd bond dan de huisdeuren toe, sloeg elkaar, wierp elkander met stenen en bedreef op markten en bruggen een razernij of zij dol was”. Om de ongeregeldheden te beteugelen bleven de stadspoorten op de zaterdag voor Pinksteren tot zes uur ’s ochtends gesloten. Elk kind dat werd gepakt moest een boete van één gulden betalen en de wetsdienaar mocht als onderpand zijn “opperste kleed” in beslag nemen.

Met geraasmakend materiaal door de straten

In de loop van de 18de eeuw lijkt het luilakfeest in Amsterdam wat onschuldiger geworden. J. ter Gouw beschrijft in zijn Volksvermaken uit 1870 de gewoonte dat laatkomers moesten trakteren in eigen kring. De ambachtsgezel die het laatst in de werkplaats aankwam en de groenteboer die het laatst op de markt verscheen moesten op ‘slokjes’, dat wil zeggen een borrel, trakteren. De dienstbode die het laatst op straat kwam om de stoep te schrobben was de ‘luilak’ van de buurt en moest op anijs trakteren. Wie als laatste op school aankwam werd met gezang ontvangen en moest trakteren op ‘drieduits-korstjes’. Later bestond de traktatie vooral uit warme bollen, waarmee aanvankelijk ook heiligenavonden, verjaardagen, verhuis- en schoonmaakdagen werden gevierd, maar die later ‘luilakbollen’ gingen heten.

Ter Gouw schrijft dat het luilakfeest “in onzen tijd” (omstreeks 1870 dus) niet meer voorkomt. Toch houdt de traditie hier en daar stand, vooral in Haarlem, de Zaanstreek en in de volksbuurten van Amsterdam. De gebruiken in Haarlem en de Zaanstreek waren anders dan in Amsterdam. In Haarlem ging luilak gepaard met een bloemenmarkt, waarbij werd gezongen “Wij gaan den zomer wekken”. In de Zaanstreek werden veel vuren gestookt en reden de kinderen met veel lawaai rond op eigengemaakte wagentjes, zogenaamde ‘korries’, beladen met brandnetels en met erachter een ‘sleep’ van emmers, teilen en deksels. Onderweg werd bij alle vermoedelijke langslapers aan de bel getrokken, waaraan vervolgens een brandneteltak of een dode rat werd gehangen. Waagde de Zaanse luilak zich naar buiten, dan werd hij met brandnetels geslagen. De Zaanse jeugd zong de langslapers meestal toe:

De looie lak

De slaperige zak

Vanmorgen niet vroeg opgestaan

Je ken wel weer naar bed toe gaan

Henri Polak sluit zich in zijn boek Amsterdam, die groote stad over het Amsterdamse volksleven, geschreven in 1936, aan bij Ter Gouw. Eind 19de eeuw zou luilak vrijwel niet meer voorkomen. Polak noemt het verbeterde onderwijs en de veredelende invloed van de arbeidersbeweging als oorzaak. Maar helemaal verdwenen is het feest niet. In 1929 schrijft De Telegraaf dat veel oudere Amsterdammers zich nog goed kunnen herinneren dat de jeugd in de volksbuurten al weken voor luilak kadavers en oude emmers en pannen verzamelde, die aan touwen gebonden in de grachten werden gehangen. Al voor het eigenlijke ‘feest’ vonden er veldslagen plaats tussen groepen jongens uit verschillende buurten die elkaars buit probeerden te veroveren. Het feest zelf werd aangegrepen om wraak te nemen op gehate buurtgenoten bij wie lawaai werd gemaakt en kadavers en brandnetels aan de deurkrukken werden gehangen.

Het meest populaire luilaklied in Amsterdam was:

Luilak

Beddezak

Kermispop

Staat om negen uren op

Negen uren, hallef tien

Dan kan men die luilak zien

Het woord ‘kermispop’, dat later uit het liedje verdwijnt, is spreekwoordelijk voor een langslaper, want wie kermis heeft gevierd slaapt een gat in de dag. Als de volwassenen op waren, ging de jeugd luilakbollen eten, die vanaf vijf uur ’s morgens te koop waren bij de bakkers in de Jordaan. Volwassenen die als laatste aankwamen op het werk moesten op deze bollen trakteren.

In de jaren dertig van de 20ste eeuw wordt in verschillende krantenartikelen betreurd dat de luilakviering zo goed als vergeten is. Er worden pogingen gedaan om de traditie in ere te herstellen en daarbij de vroegere excessen in de volksbuurten te vermijden. Mede door deze initiatieven neemt de viering weer toe. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog wordt luilak op een tamelijk onschuldige manier gevierd door veel Amsterdamse kinderen, die met “groenteblikken, oude fluitketels en ander geraasmakend materiaal door de straten trekken”.

De eerste nieuwe klachten in de pers over ontaarding van het luilakfeest stammen uit de oorlogsjaren. De Telegraaf meldt op 7 mei 1944 dat er 103 arrestaties zijn verricht, wat echter vooral lijkt te komen door een strenger optreden: “Voorheen streken de autoriteiten nog wel eens met den hand over het hart als op den Zaterdag voor Pinksteren met veel rumoer het luilakvieren werd ingezet. Toen de folkloristische beteekenis echter zozeer op den achtergrond geraakte dat de kinderen zelfs geen luilak-liedje meer kenden (...) zag de overheid er terecht nog maar baldadigheid in.” De klachten over baldadigheid nemen gestaag toe. Tot halverwege de jaren vijftig gaat het daarbij om dichtgebonden huisdeuren, brievenbusbrandjes, kapotte ruiten, bekraste auto’s en in brand gestoken autobanden. Er wordt in die jaren ook nog wel op positieve toon over luilak geschreven. Trouw schrijft in 1956: “Iedere jongen heeft naar hartelust zijn kwajongensstreken kunnen botvieren. Minutenlang mocht hij zijn vinger op een bel houden en de brievenbus luid laten klepperen, alleen omdat het luilak was. Geen agent, zelfs geen ‘kwaaie’ haalde het in zijn hoofd er iets van te zeggen.”

“Een vloedgolf van ongebreidelde jeugdterreur”

De luilakviering wordt eind jaren vijftig grimmiger en de vernielingen ernstiger: er wordt jaarlijks voor vele duizenden guldens schade aangericht aan auto’s, fietsen, ruiten, deuren en straatmeubilair. De Tijd constateert in 1957 dat fietsen het steeds vaker moeten ontgelden: “In enkele straten lagen de rijwielen bij bosjes op de grond of waren zij aan bomen gehangen.” In 1958 pleit een Amsterdammer in een ingezonden brief in De Echo voor invoering van een straatverbod tot 7 uur voor de jeugd onder de zestien jaar. Maar de gemeente zoekt andere oplossingen en stelt een commissie in ‘ter Beteugeling van de Uitwassen bij de Viering van Luilak’. In 1959 worden er in 28 bioscopen om vijf uur ’s ochtends voorstellingen georganiseerd. Daarvoor worden 21.000 kaartjes uitgedeeld in de “hoogste klassen der lagere school, waarin de stoottroepen voor deze ochtend gezocht dienen te worden”. Het Vrije Volk constateert dat het aantal meldingen bij het politienummer 88888 hierdoor is gehalveerd en de aard van het kattenkwaad onschuldiger is geweest. Het experiment is geslaagd, al zag een verslaggever van Het Parool “ook een meisje met de toegangskaart demonstratief op haar jas gespeld ernstig door de stad fietsen, moeizaam een geweldige teil achter zich aanslepend. Zij was duidelijk niet van plan haar plezier met een film te laten afkopen”.

De bioscoopactie wordt in 1960 herhaald, wat niet wegneemt dat de politie nog steeds dringend adviseert fietsen, auto’s, scooters en vuilnisbakken niet op straat te zetten. In 1961 wordt het organiseren van alternatieve activiteiten overgelaten aan buurt- en clubhuizen. Resultaat is “een vloedgolf van ongebreidelde jeugdterreur”. Trouw meldt brandstichtingen, wegversperringen van fietsen en omgegooide auto’s, opgebroken straten, politiecharges met de gummistok en twee gewonden die in een ziekenhuis moeten worden behandeld: een politieagent en een tienjarig meisje. In 1962 en 1963 is het rustiger door alternatieve activiteiten en “doordat velen met het mooie pinksterweer de stad uit waren”. Maar de klachten blijven terugkomen, soms vanwege weer geheel nieuwe vormen van vandalisme. In 1963 worden in de Johannes Verhulststraat de voordeuren opengebroken en alle traplopers verwijderd en op straat gegooid. In 1964 is “een nieuw element het onklaar maken van electrische verkeersinstallaties”. Ieder jaar komen er met luilak honderden meldingen binnen bij brandweer en politie en worden er enkele tientallen arrestaties verricht. Voor de politie is de soms zeer jeugdige leeftijd van de relschoppers een dilemma. Het Vrije Volk schrijft in 1963: “Met gummistok verspreiden zou onmenselijk zijn, te meer omdat de grotere jongens, die de kleintjes opstoken, buiten schot blijven. Maar opjagen en dreigen kan wel en dat deed de motorpolitie dan ook herhaaldelijk.”

De ernstigste ongeregeldheden concentreren zich in de jaren zestig op een aantal vaste plekken, die niet alleen in de volksbuurten liggen. Berucht zijn het Bos en Lommerplein, de Jan Pieter Heijestraat bij de Jacob van Lennepkade, de Rooseveltlaan bij de Waalstraat, de Van Woustraat bij de Albert Cuypstraat – waar jaarlijks de tramrails worden gebarricadeerd – en de Beethovenstraat hoek Gerrit van der Veenstraat. In 1971 maakt de ‘Onderzoeksgroep Krisissituaties’ van het Gemeentelijk Bureau Jeugdzaken een verslag van de gebeurtenissen in de Beethovenstraat. Om half drie ’s ochtends gaan de ruiten van een telefooncel er aan diggelen en worden de telefoonboeken verbrand, rond half vier wordt er een ‘strooptocht’ ondernomen door de Brahmsstraat, Schubertstraat, Bachstraat en Stadionweg waarbij onderweg verkeersborden worden omgetrokken, terug in de Beethovenstraat worden om half vijf auto’s de weg opgeduwd en stenen gegooid naar de politie en tegen zes uur wordt een barricade opgeworpen van uit de grond gerukte stadsbanken en stoeptegels. Om half zeven voert politie een charge uit om de kinderen uiteen te drijven.

Drie onderzoekers interviewen de kinderen. Een groot deel komt er ieder jaar “omdat er altijd iets te gebeuren is”. Ze zijn tussen de acht en achttien jaar en komen uit de buurt zelf. Er is steeds een ploeg van ongeveer honderd jongeren aanwezig, waaronder hooguit tien meisjes. Het verloop is groot; teleurgestelden verlaten het strijdperk. Alle kinderen zijn het erover eens dat het vorig jaar leuker was “want toen werden we achterna gezeten door de motorpolitie”. Het rapport concludeert: “de waardering die de deelnemers hebben voor deze en vroegere luilakvieringen, is steeds gesteld in termen van politieoptreden. Typerend is het gejuich dat opgaat zodra de politie na afzijdigheid gaat optreden”. De onderzoeksgroep constateert dat er geen sprake is van het afreageren van opgekropte vijandschap of ontevredenheid, maar veel meer van een kat-en-muisspel, waarbij men hoopt dat door een kleine daad de politie overgaat tot tegenactie.

In 1973 stelt D66-raadslid A. Martini schriftelijke vragen aan het college van B&W over de luilakongeregeldheden. Het college antwoordt weinig te verwachten van alternatieve vieringsmogelijkheden en constateert een afname van de excessen. Die trend zet zich snel door. Enkele jaren later wordt luilak in Amsterdam niet meer massaal gevierd. De fietsen kunnen weer buiten blijven staan. Tot in de jaren tachtig wordt er nog sporadisch melding gemaakt van locale luilakincidenten in Amsterdam. In Haarlem en de Zaanstreek houden de luilakfeesten langer stand, maar ze gaan ook daar niet meer gepaard met ernstige ongeregeldheden. Hans Davelaar, beleidsmedewerker Jeugdbeleid gemeente Haarlem verklaart het in 1995 als volgt: “De noodzaak om de grenzen van de tolerantie van ouderen te verkennen, is domweg verdwenen. Waar wij vroeger om vroegen – geef ons wat ruimte – die ruimte is er gekomen. Kinderen van nu hebben veel meer vrijheden. De behoefte aan confrontatie is daarmee minder geworden. En dus is de spanning van gebeurtenissen als luilak eraf.”

L. van der Horst is conservator van het Verzetsmuseum en freelance publicist.



Toegift: Ons Amsterdam-lezers over luilak

Dat geweldige gevoel

Mijn eerste luilakoptreden was in de Plantagebuurt rond 1955, toen ik een jaar of acht was. Wat me altijd bijbleef, is dat geweldige gevoel. Vroeg opstaan, terechtkomen in een stille wereld en dan krachtig twee van moeder geleende pannendeksels tegen elkaar aan rossen. Zelf de stilte doorbreken: samen met vriendjes de straten doortrekken en links en rechts op bellen drukken. In later jaren werden we brutaler. Vuilnisbakken werden zó aan deuren bevestigd, dat als de deur werd geopend de inhoud in het trapportaal terechtkwam. Dat gebéurde wel nooit, maar we genoten van de gedachte. Toppunt was het stapelen van grote hoeveelheden fietsen tegen de gevel van Op Dreef, een soort tehuis voor wat wildere meisjes in de Henri Polaklaan. Wat er precies met die meisjes was, bleef vaag, maar de verbastering in Op Drift gaf voldoende voeding aan onze fantasie. Na al deze spannende avonturen bezochten we een bakkerij in de Plantage Kerklaan waar verse Luilakbollen werden verkocht. Ze waren wat laf, maar het hoorde erbij.

[Luilak hoorde, denk ik, bij een tijd waarin de eerste bioscoopvoorstelling om zeven uur begon en de kroegen om één uur sloten. Als je dan om vijf uur 's morgens op straat hard Luilak riep, dan was dat echt heel bijzonder. Nu sluit de disco om vijf uur en dan ga je naar de ‘after party’. Het bijzondere van de nacht is verdwenen in Amsterdam.]

André Woons

Naar de Goudkust!

Tussen mijn zesde en mijn achste jaar deed ik graag mee. Wij woonden in De Pijp, achter de winkel. Ik vroeg dan mijn vader ons vroeg wakker te maken. Voor hem geen probleem, want hij begon toch al half zes met werken (melkauto laden en eerste vroege klanten in de straat). Toen ik wat ouder was, had ik er geen tijd meer voor, want ik was zelf al vroeg op om vader te helpen. Wel ging ik met wat vriendjes uit de buurt langs de bakker gingen (Dusartstraat, hoek Van Ostade) voor luilakbollen: dat waren hele kleine witte bolletjes die,zó van de bakplaat, nog aan elkaar zaten en natuurlijk nog heerlijk warm waren. Dan trokken we richting Goudkust. Die begon voor ons al op de Apollolaan. Daar hebben we nog weleens wat staan spuiten met een tuinslang die in zo'n voortuin lag – de sukkels! Ook staat mij vaag bij dat we een oude auto geprobeerd hebben om te kieperen maar dat is niet gelukt. Heel veel stelde het dus niet voor.

Bouwe Olij

Blote buurman

Er waren altijd wel wat mensen in de straat die dat jaar niet kindvriendelijk waren geweest, die bijvoorbeeld met de politie hadden gedreigd toen we aan het ballen waren. Ze woonden meestal in een benedenhuis. Met luilak bonden we hun deurknop aan de deurknop van de bovenburen en dan riepen we van alles door hun brievenbus. Dan wilden die mensen de deur uit om ons te grazen te nemen, maar dat lukte natuurlijk niet. Dan stonden ze voor het raam echt hartstikke kwaad te wezen. Onze benedenbuurman in de Gerard Schaepstraat werd een keer zo kwaad dat-ie het balkon op stoof in zijn blote kont. We hebben gegierd van het lachen, want een volwassene in zijn blootje, zoiets zag je amper, in de jaren vijftig.

Coby Reusink

Methode-Koppejan

Ik heb jarenlang Luilak gevierd, in Oud-West, in de jaren zestig, toen ik tussen de 8 en 13 jaar was. Ik woonde toen aan de oostrand van de Da Costabuurt. In de beginjaren werd ik door mijn vader om zes uur zaterdagochtend gewekt. Voor ik de straat opging, kreeg ik twee kwartjes kreeg, om Luilakbollen of luilebollen te kopen. Met vriendjes werd dan (verbaal) lawaai gemaakt. En we vereffenden rekeningen van het afgelopen jaar. Zo werd bij een klassieke boze buurman op het Da Costaplein, die altijd je voetbal inpikte, de voordeur met hondenpoep ingesmeerd. De drollen werden met krantenpapier opgepakt en vervoerd. Bij de melkboer in De Clercqstraat, een etter van een vent, ging zijn gietijzeren buitenstellage omver. Totdat hij, wijs geworden, deze daags tevoren binnenhaalde. Belletje trekken had geen zin, zo wisten wij bij overlevering, want ‘iedereen’ zette die toch uit.

Wat later in de jaren zestig werden we vandalistischer. Bij V&D in de Bilderdijkstraat werden de buitenreclames gesloopt. Vooruitziende geesten hadden vuurwerk bewaard, wat op zaterdagochtend vroeg een overdonderend effect gaf. Over geparkeerde auto’s lopen was ook in de mode, waarbij gewaarschuwd was als iemand over de wagen van een bekende (vader, oom) wilde stampen.

In 1966 kreeg de revolutionaire sfeer van die dagen ook ons tienjarigen in de greep: Uit het Bilderdijkpark sleepten we wat bankjes. In de De Clecqstraat werd een barricade opgeworpen en we gooiden rotjes en 'gillende keukenmeiden'. Tot de politie kwam. Met zeven, acht jochies werden we in een busje geladen. Maar tot onze verbazing gingen we niet naar bureau Elandsgracht, maar voerde de rit over de Stadhouderskade, via het Amstelstation de Gooiseweg op! Ergens tussen Diemen en Weesp werden we er uitgegooid. Daar stonden we dan om zes uur in de ochtend. Pas jaren later besefte ik het slachtoffer te zijn geweest van de toenmalige Methode-Koppejan, waarbij opgepakte demonstranten (Vietnam enz.) buiten de stad werden gedumpt.

Hans Vermaak

Buitenspel

Ik ben geboren in 1942 en woonde in de Kinkerstraat tussen de Nicolaas Beets en de Jan Pieter Heije. Helaas mochten mijn tweelingzus en ik pas om zeven uur de straat op, maar dan was eigenlijk alles al voorbij. We hoorden dan van vriendjes dat er dooie muizen aan deurknoppen waren gebonden of dat twee deuren met touwen aan elkaar vast waren gemaakt. Deze "heldendaden" gingen we alsnog even bekijken. En alleen dat kijken vonden we al spannend als "nette meisjes". We hadden heel strenge ouders die niet wilden dat we met luilak meededen. Achter de Kinkerstraat lag de Borgerstraat. Dat was volgens mijn moeder de achterbuurt en daar woonden alleen maar asocialen. We mochten ook niet spelen met kinderen uit die straat. Maar met luilak gebeurde daar wel het meeste. We hoorden dan dat de mensen uit de Borgerstraat emmers water uit de ramen gooiden naar de kinderen die belletje trokken.

Janny van Zee-Kootstra

Bel afzetten was plechtig ritueel

Ik woonde als kind rond 1960 in de Mauvestraat in Zuid. Mijn vader was gemeenteambtenaar. Mijn ouders waren erg gekant waren tegen het Luilak-evenement. Dat was zéér ordinair en daar mocht ik beslist niet aan deelnemen.

Het was een vast ritueel dat vader de avond tevoren de bel afzette. Die handeling had wel iets plechtigs, iets van: "Wij zijn weerbaar".

In 1962 verhuisden we naar Amsterdam-Buitenveldert, een gloednieuwe nieuwbouwwijk, waar alles zeer gereguleerd was. Voor alle zekerheid werd de bel thuis afgezet, maar ik weet niet meer of dat toen nog nodig was. In de wijk werden vele initiatieven ontplooid om de baldadigheid in goede banen te

leiden. Zo herinnner ik mij dat de korfbalvereniging al vroeg zijn velden opende. LUTO was dat (afkorting van: Leer Uw Tegenstander Overgave o.i.d.) Achteraf beschouwd was dat een soort deal: vroege activiteiten tegen vandalisme, maar ook een soort verkapte ledenwerving.

Ik heb ook een bevriende oud-Jordanees over dit onderwerp ondervraagd (Frans Plomp, geboren in 1939 in de Anjelierstraat in een arbeidersmilieu). Voor hem en zijn ouders was Luilak een vanzelfsprekendheid, die in alle opzichten als

positief werd ervaren. Gewoon: één keer per jaar vrij spel voor kinderen van 6 tot ca.13 jaar om kwattekaad uit te halen. Belletje trekken natuurlijk, maar ook dode ratten aan hun staartjes aan deurknoppen hangen. En ze hadden een ingenieuze manier om mensen uit hun slaap te halen. Als je een houtje op een bepaalde manier aan een touwtje opdraait (wartelen) kun je bewerkstelligen dat het wel tien minuten tegen het raam blijft tikken.

Hij is heel stellig over de luilakbollen. Beslist geen friture, maar een klein formaat van vloerkadetten. Die waren wel al heel vroeg en nog warm beschikbaar en roepen nog steeds mooie herinneringen bij hem op.

Loeki Schönduve

Ziek kind bedierf pret

In de wijk van mijn jeugd, Slotervaart, kon het met luilak rond 1970 flink spoken. Bij ons in de buurt had je ‘hofjes’, die bestonden uit twee L-vormige huizenstrookjes. Het galmde er fijn. Maar op een van onze kabaaltochten werden wij bij de ingang van zo'n hofje opgewacht door een triest kijkende moeder. Met een triller in haar stem smeekte ze of we alsjeblieft zonder herrie aan haar hofje voorbij konden gaan. Want daar lag een zwaar ziek kind lag, dat absoluut niet zonder zijn hoognodige nachtrust kon. Het klonk heel erg, dodelijk erg, vonden wij. Opeens was de aardigheid eraf. Na enige tijd op halve sterkte te zijn doorgegaan, verloren we het laatste beetje enthousiasme. Ik had te weinig ruggengraat voor een schoffie, denk ik.

Paul Spies

Pak op blote billen

Ik woonde in de Kerkstraat 57 (nu rijksmonument) en in ‘onze’ straat hadden de meeste huizen trekbellen. Mijn broertje (8 jaar) en ik (6) bonden om een uur of vijf met vliegertouw de bellen van onze kant naar de overzijde, huis aan huis, en in het midden weer een touw geknoopt. zodat wij met een paar flinke rukken veel bellen tegelijk konden bedienen! Wij waren zo stom geweest ook ons huisdaarin te betrekken Ik heb daarvoor als bedenker van mijn vader een flink pak op m'n blote billen gekregen. Mijn oudere broer ontliep de stevige hand van Pa. Het was natuurlijk gevaarlijk voor fietsers, maar in die jaren 1935-‘36 was onze straat zo vroeg in de morgen nog uitgestorven. Dat is mijn enige herinnering aan luilak, waarschijnlijk door het pak slag en de gein die wij, mijn broertje en ik, erom hadden.

Rob van Reijn

(Meer jeugdherinneringen van pantomime-kunstenaar Rob van Reijn leest u in de rubriek ‘De vaste route’ in Ons Amsterdam van juni 2003.)

Belknop klem met lucifers

Het begon om ongeveer vier uur, M’n moeder maakte me wakker, maakte thee en gaf me een boterham mee. Dan gingen we aan het werk: vooral belknoppen klem zetten met puntig geslepen lucifers. Veel méér was het niet, daar in de Schinkelbuurt vlak na de oorlog. Na één keer hield ik het ook wel voor gezien. Nee, ik was geen echte Luiklakvierder, want ik moest er veel te vroeg m’n bed voor uit.

Gé Tol, Deventer

Ook in Twente??

Voor luilak ben ik te weinig Amsterdammer. Bij mijn weten is het vooral een fenomeen van benoorden het IJ. Ik ken het wel van familie uit Twenthe, waar alles wat los in je tuin slingerde - inclusief ameubelementen - in de bomen langs de straat werd gehangen. In Gelderland gingen we douwtrappen, maar dat is weer iets heel anders.

Aart Oxenaar

Lange schaduwen van de morgenzon

Wat leuk dat er een artikel verschijnt over "Luilak" in Amsterdam. Dat brengt oude herinneringen terug. Uiteraard deed ik mee aan de activiteiten.

Ik denk dat het de jaren direct na de oorlog geweest is. Ik woonde toen in de Tweede Jan Steenstraat, tussen de Van Woustraat en de Hemonystraat, eerst op nr. 64 en daarna op nummer 70. Mijn grootouders woonden op één- en wij op tweehoog op nr. 70.

Luilak begon al toen het net licht werd. Tussen 5 en 6 uur in de morgen. Mijn ouders vonden het niet erg als ik 's morgens vroeg vertrok, maar zeiden altijd: "Je mag niets vernielen. Als ze dat doen kom je naar huis." Wij trokken met een troep door de straten en trokken aan de bellen. Sommige mensen werden kwaad en schreeuwden uit het raam maar dat maakte het alleen maar erger. Dan werden inderdaad de deuren met de knoppen aan elkaar vastgebonden. Er werd ook op de buitendeuren gebonsd.

Ik herinner mij de lange schaduwen van de morgenzon door de straten, een beeld dat ik nooit zal vergeten. Er was ook een stel knapen, die bij iemand die ze niet mochten een groot vuur maakten voor de deur op de stoep. Dat ging mij te ver en ik ging op een grote afstand staan. Het werd toen door een aantal buren geblust met emmers water.

Zij zongen: Luilak beddezak, staat om negen uur pas op. Dat lied ging nog verder, maar ik kan me de rest niet herinneren.

Er werden ook blikken achter een fiets gebonden en over de straat gesleept, hoe meer lawaai hoe mooier. De Jan Steenstraat is na de oorlog minder geworden omdat er veel Joodse mensen van de lagere middenklasse waren weggevoerd.

Ik geloof dat ik tot mijn 13de jaar heb meegedaan aan luilak, maar in die tijd zijn we ook verhuisd naar de Scheldestraat op de Hoek van de Churchilllaan waar mijn moeder een winkel van Jamin had gekocht. Dat was een heel andere buurt en er was eigenlijk helemaal geen luilak.

Een keer hebben we wat geschreeuw gehoord en toen vroeg ik nog:"Wat is er aan de hand" en m'n moeder zei:"Ooh ja, het is luilak vandaag."

Dit is eigenlijk alles dat ik me van luilak kan herinneren en ik hoop, dat U er iets aan hebt voor dat nieuwe artikel. Ik ben in 1966 uit Nederland naar de VS vertrokken en heb geen verdere informatie over latere jaren. Wel heb ik een vriend die in Nieuw Zeeland woont en ik zal vragen of hij er nog iets van weet.

John H. Swyter

Geen Luilak-kabaal op Sabbat!

We woonden op het Beukenplein, zo’n 75 jaar geleden. Ik kan mij het bonken tegen de buitendeur, het trekken aan de bel, het trommelen op lege emmers herinneren en schreeuwen van "Luilak, beddenzak" herinneren. Ons gezin deed daar, uit christelijke naastenliefde, niet aan mee.

Op mijn achtste jaar is ons gezin verhuisd naar de Nieuwe Herengracht in de jodenbuurt. Pinksteren is geen joods feest en luilak vieren valt op Sabbath; hier dus geen Luilak-lawaai!

Ik werd weer geconfronteerd met luilakviering toen wij vanaf 1955 met mijn eigen gezin op Duivendrecht kwamen te wonen met dezelfde rituelen als op het Beukenplein. In de zestiger jaren hebben we onze zoon toestemming gegeven daar actief aan mee te doen. Zijn fiets werd op vrijdag reeds van de nodige toeters en bellen voorzien en een oude zinken teil, die wij in de schuur hadden, was een prachtig stuk slagwerk. Onze zoon heeft drie jaar actief meegedaan, maar onze dochter achtte dit aards gedoe beneden haar waardigheid.

Johan Krediet

Sport als zoethouder

Begin jaren zeventig was ik actief junior voetballer bij Arsenal aan de Boelelaan. Ik woonde Amsterdam-Oud Zuid en op de fiets was dit makkelijk te doen. Tijdens luilak was het voor mij extra druk. `s Morgens eerst de krantenwijk lopen en daarna door naar de voetbalvelden aan de Boelelaan, alwaar op de zaterdagochtend het Amstel Zwaluwen Tournooi werd georganiseerd. Met dit laatste hoopte de organisatoren de baldadige jeugd zoet te houden.

Op één van deze ochtenden werd ik al aardig ontgoocheld door zeer vroege luilakgangers. In één van mijn krantenwijkstraten (Vincent van Goghstraat) was men actief met ijzerdraad en schroevendraaier geweest. Dat de deuren met ijzerdraad aan elkaar verbonden waren vond ik wel leuk en stoorde mij niet. De brievenbussen waren immers toegankelijk. Dat men met de schroevendraaier naamplaatjes had verwisseld was wat minder. Het leek er wel op dat de complete straat aan woningruil gedaan had. Een beetje op gevoel af toch op de "normale" manier bezorgd.

Vervolgens met voetbaltas door naar het afspraakpunt van de elftalvrienden. Dit jaar maar eens de bewoners van de flats aan de Boelelaan wakker maken en vragen of ze ons wilde aanmoedigen bij het tournooi. Een aantal zouden met een stok, fietspomp oid langs de balustraden ratelen. Het overige deel bleef op de grond om de bewoners te attenderen op het tournooi. Het liep gesmeerd, alleen de bewoners vatte het massaal niet sportief op. Op de voetbalterreinen van (meestal RAP) werden wij hierop aangesproken. Een raadsel voor ons was waarom zij ons zo direct hadden kunnen vinden tussen die kudde voetballertjes. Dit werd iets later duidelijk. Nadat de orginisatoren ons elftal, als straf, uitgesloten had van verdere deelname aan het tournooi, gingen wij maar eerder weg. Aangekomen bij onze fietsen werd het duidelijk waarom zij ons zo snel konden vinden. Die verdomde De Telegraaf krantentas zat op mijn fiets. Het was de enige fiets met zoiets op de bagagedrager. De elftalvrienden hadden de zondebok nu gevonden. Zij konden er ook wel om lachen. Als goedmakertje heb ik hen allen maar aangeboden bij de eerste snackbar patat en cola nuttigen.

Aan Luilakviering heb ik de opvolgende jaren niet meer deelgenomen.

Peter van Nijkerk (nu 46 jaar en vader van drie kinderen)

Shell shock

Sinds ik een keer om vijf uur uit de kroeg kwam en lazarus in bed viel en om zes uur schel wakker ben gebeld en ook mijn fiets was verdwenen, heb ik een shell-shock rond die tijd, dus zet ik de bel af en mijn fiets binnen.

Lisette Lewi