Jodensterren en verboden ijsjes
Wil Meijer (1928) had in de jaren dertig een onbekommerde jeugd in Zuid, tot ze merkte dat de Duitse bezetters een essentieel verschil zagen tussen haarzelf en een deel van haar vriendinnen. Van mijn derde tot mijn achttiende jaar woonde ik op het Hygiëaplein in Zuid. Vaak ging ik onder begeleiding met emmer en schepje naar het ‘Zandland’, via de Parnassusweg over het bruggetje van de Stadionkade. Op de hoek van de Stadionkade en de Agamemnonstraat zat ik op de kleuterschool in de klas bij juffrouw Mendelssohn. In 1937 ging ik naar de Valeriusschool in de Des Presstraat.
Mijn vader werkte destijds bij de Rijksverzekeringsbank, eerst in de Pieter de Hoochstraat en later in de Lutmastraat. Hij vertelde dat ambtenaren met een hoge positie op de afdeling mochten roken, ook de vrouwelijke ambtenaren. En hoewel hij geen straffe roker was stak hem dit wel, want zijn rang was niet hoog genoeg.





Mr G.H. Veltman (90) werd uiteindelijk plaatsvervangend hoofd Personeelszaken van de Sociale Verzekeringsbank, die tot 1963 Rijksverzekeringsbank heette. Maar ‘opklimmen’ was daar wel een hele toer. Toch wisten al vóór de oorlog enkele goedopgeleide vrouwen hier een hoge positie te verwerven.
Tidde (1936) en Siebren (1939) de Boer werden tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog met hun moeder en zusje Eelkje uit Amsterdam naar familie in Friesland gesmokkeld. Hoe de hoofdstad bevrijd werd, lazen zij in mei 1945 in brieven van hun vader Tjerk IJke de Boer (1909-2001), vanaf 1930 assistent op de administratie en na 1941 procuratiehouder bij het Algemeen Handelsblad.
Henk Huig, die bijna 20 jaar docent schilderkunst was aan de Gerrit Rietveldacademie, was tien toen hij met zijn ouders en zus in 1944 door een Duitse soldaat betrapt werd bij een poging kolen te jatten uit een spoorwagon. Beeldend schetst hij hun paniek.
Eind 2008 blikte Wim Bongers al eens terug op zijn oorlogsbelevenissen bij de Stadsdrukkerij Amsterdam, waar hij in 1936 als jong letterzetter in dienst trad. Nu stuurt hij een vermakelijke anekdote over een ‘loyaliteitsconflict’ in zijn eerste voetbaljaren bij DWS, omstreeks 1930.

