Ik hoor de klokken, Vader!

Klazina (Klaasje) Schut was nog klein tijdens de Watersnoodramp die in januari 1916 Waterland trof. Maar op haar oude dag wist ze alles nog precies en schreef het op voor haar kinderen. Dochter An Karbet stuurde ons haar handgeschreven tekst.
Het was in die verschrikkelijke nacht halverwege januari 1916 dat een harde noordoostenwind over de dijken en velden raasde, ook over ons huis, een boerderij onderaan de Meerdijk van de Buikslotermeer (Buikslotermeerdijk 250, in de jaren zestig gesloopt – red.). Het gieren van de storm hield mijn ouders wakker. “Hoor je, Vader? Hoor je die storm? Nou, ’t is bar! Die arme mensen op zee, ik heb met ze te doen.” “Ga maar slapen, moeder! We moeten er zó weer uit.” “Ja Vader.”
Even voor half vijf liep de wekker af. Moeder stond op en luisterde. “Ik hoor de klokken, Vader! Ik hoor de klokken!” “Welnee, dat is de wind!” Terwijl Vader naar beneden liep, werd het aardedonker. “Kwartje is op”, dacht Vader en liep naar de gasmeter waarop een oud beursje met kwartjes lag voor het bijvullen. Het licht floepte aan en Vader kon aan het werk. Hij schoot zijn klompen aan, die voor de deur op de deel stonden. Gewoontegetrouw draaide hij de kraan waaruit water uit de Meersloot stroomde open en liet de goten voor de koeien vollopen. Daarna kregen de koeien hooi en kon het melken beginnen. Ik mocht helpen.
Tegen de tijd dat het melken klaar was, werd hard op de bakdeur gebonsd. Een stem riep: “Buur, doe eens open!” Vader deed de balk van de deur en een buurman kwam binnen. “Zeg, Schut, ik heb gehoord dat de dijk bij Durgerdam is doorgebroken! ’t Is misschien goed dat je het weet. We kunnen hier misschien ook last van water krijgen.” “Dan heeft mijn vrouw toch misschien klokken gehoord… Maar wat moeten we nou? Ik moet naar de stad om mijn melkwijk te lopen…”  “Nou ja,” zei de buurman, “als we hier last krijgen, geef ik je wel een seintje. Ik weet wel waar je loopt.” Vader laadde de bussen op de wagen en spande het paard in. “Vrouw”, riep Vader, “ik kom vanmiddag vroeg thuis. Zet intussen je knappe meubeltjes maar op zolder.”
Toen we naar school gingen, hoorden we dat er geen les werd gegeven. Terwijl Moeder en Grootmoeder druk bezig waren, keek ik door het raam en riep: “Oma, Oma!, kom gauw!” Samen zagen we kleine golfjes over de dijk stromen. Ineens hoorden we Vaders stem. Hij was inderdaad vroeger terug dan gewoonlijk. Hij riep: “De koeien moeten eruit!” Samen met Moeder en mijn zuster haalde hij ze uit de stal en dreef ze de Meerdijk af naar Buiksloot. Gelukkig had de aardige kruidenier, die hij op weg naar huis was tegengekomen, hem gezegd dat de koeien bij hem onder de winkel in de kelder gezet konden worden. Moeder ging niet mee. Vader bleef lang weg. Tegen negen uur stopte Moeder ons in bed, maar ik kon niet slapen. Een half uurtje later werd er op de deur gebonsd: “Vrouw Schut, uw man heeft ons gestuurd! We komen u halen!” “Graag!”, zei Moeder.
Een grote sterke man droeg Grootmoeder door het water over de dijk naar een praam. Andere mannen droegen mijn moeder, mijn zusje en mij, en nog wat slopen met spulletjes erin. Ik had mijn pantoffeltjes nog aan. We werden ondergebracht bij aardige mensen. En toen begon het lange wachten.