'Lekker vlot, jongen'

Wat doet een jongen van achttien als hij met de auto pakjes rondbrengt voor zijn vaders textielgroothandel? Die jakkert er op los door de stad, zoals Hans Trompetter eind jaren zestig. Tot het misgaat.

De Zwaluw komt. Vader wil dat ik het ‘hondenhok’ wegzet, de Renault 4, ook al heb ik nog geen rijbewijs. Dat haal ik een jaar later in 1967 op zijn kosten, ‘voor de zaak’. De Witte de Withstraat staat sinds een paar jaar vol met auto’s. Nergens plek. De truck van Van Gend en Loos staat even later op de tramrails met textiel van De Zwaluw uit Boxtel en lijn zeven moet wachten tot alles uitgeladen is.
Het hele gezin moet helpen sjouwen. Alle dozen ondergoed worden in de kelder uitgepakt, als bestellingen weer ingepakt en vervolgens door de hele stad afgeleverd bij de klanten van vaders groothandel op nummer 20-huis, waar wij wonen. ‘J. A. Trompetter Textiel-engros’ staat op het emaillen bord op de deur. “En gros”, zeggen de mensen. “An cro”, zegt vader in zijn mooiste Frans.
Ik bezorg pakjes met het ‘hondenhok’, mag in het weekend pa’s Ford Taunus 17 M meenemen en zoef met mijn vriendinnetje door de stad. Zaterdagochtend mag ik ermee naar school.
Amsterdam is nog een paradijs voor een beginnend automobilist van achttien jaar zoals ik; nergens vrije trambanen of eenrichtingsverkeer. Niks woonerven, obstakels of 30 kilometerzones. Geen flitsers. Wat een feest. Vrij baan voor de auto: een Leidsestraat om doorheen te zoeven, inhalen op de Ceintuurbaan en de weidse Overtoom. Een leeg Museumplein om de klinkers onder je banden te voelen roffelen met 90 – de kortste snelweg van Nederland.
Ik neem de tijd op die ik nodig heb om van de Dappermarkt naar West te komen; dertien minuten via Stadhouderskade en JP Heijestraat. Ik rijd met een volgeladen Renault 4 naar de Albert Cuyp. Stapvoets de markt op voor twee bestellingen. Dan pijlsnel door de Pijp naar de Jan Lievensstraat. Op naar Oost. Voor de Berlagebrug trek ik op naar 80. Gelukkig niemand bij de knipperbol. Verder naar de Jordaan, naar drie klanten van vader. Van de Linnaeusstraat tot de Willemsstraat kost me twaalf minuten als de stoplichten in de Marnixstraat meewerken. Via het Leidseplein. Ik ga nooit over de grachten, want daar strand je te vaak op een vrachtwagen. Zo bereik ik razendsnel de Jordaan. Auto met twee wielen op de stoep en uitladen. Binnen zes minuten weer thuis. Vader is trots. “Lekker vlot, jongen” zegt hij. Hij moest ’s weten. Zijn zoon rijdt als een gek door de stad en neemt teveel risico.
Op een gure novembermiddag langs het Oosterpark gaat het mis. Vanuit de Wijttenbachstraat rijd ik met 70 richting OLVG. Ik wil die dertien minuten verbeteren. Dan moet een fietser uitwijken, ik trek aan mijn stuur en raak in een slip. Ik glij richting tram aan de andere kant van de straat, schuif voorlangs en bots frontaal op een Fiatje, waarin twee oude dames, die door de brandweer uit het wrak moeten worden gezaagd.
Ik heb er ruim 40 jaar later nog spijt van. Sindsdien rijd ik rustig. Het kan niet meer.

Hans Trompetter
April 2014