INSCHRIJVEN
NIEUWSBRIEF


1960-1970

Joegoslaaf met klappertjespistool

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

De Admiralenbuurt van de jaren zestig was voor kinderen bepaald geen saaie buurt, herinnert zich Rein Valk (geboren in 1962). Van 1963 tot 1970 woonde hij in de Marco Polostraat, hoek Vancouverstraat. Daar woonde nog maar één ‘buitenlander’: ‘de Joegoslaaf’.

Ons huis was klein en balkonloos, maar wel met twee erkers en een ruim uitzicht tot voorbij de Erasmusgracht. De buurt tussen de Jan van Galenstraat en de Jan Evertsenstraat, gebouwd in sobere stijl van de Amsterdamse School, was in die jaren nog een echte Amsterdamse arbeidersbuurt met veel levendigheid.
Naast ons huis was bijvoorbeeld een smid. De felle vlam van zijn lasapparaat gloeide nog urenlang op ons netvlies. Om de hoek was een groenteboer en onder ons een slager. In de straat haalde ik met vriendjes oud papier op, dat we naar de papierman brachten. Hij woog de stapels op een grote weegschaal en gaf er een paar stuivers voor. En dan renden we daarmee naar snoepwinkel Het Stuivertje, op de hoek van de Vancouverstraat en de John Franklinstraat. In mijn herinnering was in onze buurt niemand rijk. Wij kregen pas halverwege de jaren zestig een auto (Volkswagen Kever), koelkast en zwart-wittelevisie.
Het Erasmuspark aan de overkant van de Jan van Galenstraat was voor ons nog geen vijf minuten lopen. In mijn herinnering was het enorm groot, met onder meer een geweldige zandbak. Natuurlijk besefte ik helemaal niet dat het park (in deze vorm) gloednieuw was, opgeleverd in 1961.
Onbetwist hoogtepunt was de jaarlijkse kermis tegenover de Markthallen in de Jan van Galenstraat. Omdat mijn moeder als vrijwilliger bij de EHBO-post werkte, kregen wij vaak vrijkaartjes voor attracties. Feest was het ook als we met school weleens Laurel & Hardyfilms gingen kijken in het Hallentheater, één van twee bioscopen die de buurt toen nog rijk was. De andere was West End in de Jan Evertsenstraat.
In de jaren zestig kenden we in ons buurtje slechts één buitenlander: ‘de Joegoslaaf’. Op oudejaarsavond stond hij met zijn klappertjespistool op het balkon van zijn woning boven  garage Nierop te knallen. Daarnaast in de Vancouverstraat lag onze kleuterschool De Klimop. Vaak klommen we over het hek en bouwden hutten in de kersenboom van de school. In december liepen Sint en Pieten over het dak van de lage uitbouw aan de Admiralengracht. Op onze laatste kleuterschooldag gingen alle kinderen verkleed als cowboy, heks of toverfee per rondvaartboot naar Artis. De stap naar de‘grote’ school was klein: die stond aan de overkant in de Vancouverstraat.
De Marco Polostraat werd eind jaren zestig opnieuw bestraat. De hele straat veranderde die zomer in een gigantische zandbak. We bouwden forten van de straatstenen die overal lagen opgestapeld; er was geen groter plezier denkbaar. Ook de vele autowrakken die in die jaren nog regelmatig voor lange tijd langs de weg stonden, waren een dankbaar speelobject.
Begin 1970 verhuisden we naar de Rivierenbuurt. In juli 1985 is ons oude huis (Marco Polostraat 291) ontploft. De bewoners roken gas, gingen met een aansteker op onderzoek uit en vonden het  lek – helaas. Waar ik mijn jeugd doorbracht staat nu nieuwbouw.

Rein Valk

Mijn Amsterdam EXTRA: Oma's Westerstraat-huis nu in Arnhem!

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

Bij ons in de Jordaan

Vaak liep ik, docent Nederlands als tweede taal en inburgering, met mijn leerlingen door het Openluchtmuseum in Arnhem. Een leuke manier om deze mensen, die in een andere cultuur zijn opgegroeid, te laten zien hoe Nederland er vroeger uitzag en hoe het er hier ooit aan toe ging. Maar de reden waarom ik afgelopen 3 april het Openluchtmuseum bezocht, was een andere, en wel een heel bijzondere...

Laat ik bij het begin beginnen. Als kind logeerde ik graag bij mijn oma ‘in de grote stad’: Oma woonde in de Amsterdamse Westerstraat, hartje Jordaan, nog in hetzelfde huis waar mijn vader in 1931 geboren was. Oma woonde op één hoog; onder haar huis bevond zich het voorste gedeelte van de koffie- en pindabranderij van de familie, die mijn oom en zijn neef runden in de jaren dat ik er kind aan huis was.
In 1971 overleed Oma, en toen geruime tijd later ook de familiefirma ophield te bestaan, werd het huis verkocht. Ik kwam nog wel eens in de Westerstraat, keek dan met weemoed naar het grote raam op één hoog, waardoor ik altijd graag naar buiten gekeken had, vooral op maandagmorgen als er markt was.
Op een dag in 2001 wist ik even niet wat ik zag: Oma’s huis bleek afgebroken! Toch een gek idee, dat ik nu echt nooit meer binnen zou staan en door het raam zou kijken...
Een jaar of drie geleden las ik het in de krant: twee panden die in de Amsterdamse Westerstraat waren afgebroken en zorgvuldig bewaard, zouden nu worden opgebouwd in het Arnhemse Openluchtmuseum. Er stond een foto bij en er was geen twijfel mogelijk: het ene was Oma’s huis!
Afgelopen juni kwam ik toevallig met ons personeelsuitje terecht bij het Openluchtmuseum in Arnhem. Mijn collega’s en ik zaten op een terras met uitzicht op een schutting, waarop je afbeeldingen zag van ‘de Jordaanpandjes’: een tekening van hoe het ging worden en een oude foto van hoe het geweest was. En op die foto van vroeger zagen we de naam Baljet nog duidelijk zichtbaar boven de branderijdeur staan!
Mijn vader nam contact op met het museum en is daar een middag geweest om informatie te geven. Op grond van zijn aanwijzingen en foto’s zijn de smeden van het museum nu nog doende de huisdeur in haar oude staat terug te brengen, met een ijzeren vlechtwerk voor de ruit.

We waren blij met de uitnodiging voor 3 april: de opening - door koningin Beatrix - van de Jordaanpandjes en enkele erachter schuilgaande, van historische belang zijnde krotten, ter gelegenheid van de viering van 100 jaar Openluchtmuseum. We gingen er met ons drieën heen, mijn ouders en ik, en hadden een geweldige dag! De zon scheen, de koningin arriveerde, er waren toespraken en vele hoogwaardigheidsbekleders... Maar ons moment kwam toen we naar buiten gingen, naar ‘de Westerstraat’. Daar stond, naast het weiland van de lakenvelders en de molen, Oma’s huis, in vol ornaat.
Toch was het, met name voor mijn vader, ook even slikken... De huizen zijn ten opzichte van elkaar van plaats verwisseld, om redenen die ik hier even buiten beschouwing laat. En waar het voorste deel van de branderij gezeten had, huist nu een postkantoor: ING is één van de sponsors, zodat mijn vader een uithangbord van de PTT kon fotograferen op de plek waar eens de familienaam te lezen stond.
Maar al snel werd ook hij opgenomen in de feestvreugde: voor het pand werd een stukje Jordaanmusical opgevoerd: “De Jantjes” met Willeke Alberti. Niet echt ‘ons soort’ muziek... Maar ik blèrde voluit mee: “Bij ons in de Jordaan!” En mijn vader zei geëmotioneerd: “Daar staat Willeke Alberti te zingen op de stoep voor mijn vaders huis!”
De panden werden officieel geopend en bezichtigd door de koningin, daarna mochten wij naar binnen... ACH! De kleine glas-in-lood-versieringen bovenin de ramen. Nooit meer gezien, nooit meer aan gedacht, en zó bekend en vertrouwd! En mijn vader... Daar stond hij op zijn 80-ste... Alle mensen met wie hij in dit huis geleefd heeft, zijn dood: zijn vader, zijn moeder, zijn oudere broer... En HIJ stond daar op de plek die ‘zijn kamertje’ geweest was. In Arnhem.

Wine Baljet ( Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. )

Joegoslaaf met klappertjespistool

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

De Admiralenbuurt van de jaren zestig was voor kinderen bepaald geen saaie buurt, herinnert zich Rein Valk (geboren in 1962). Van 1963 tot 1970 woonde hij in de Marco Polostraat, hoek Vancouverstraat. Daar woonde nog maar één ‘buitenlander’: ‘de Joegoslaaf’.

Ons huis was klein en balkonloos, maar wel met twee erkers en een ruim uitzicht tot voorbij de Erasmusgracht. De buurt tussen de Jan van Galenstraat en de Jan Evertsenstraat, gebouwd in sobere stijl van de Amsterdamse School, was in die jaren nog een echte Amsterdamse arbeidersbuurt met veel levendigheid.
Naast ons huis was bijvoorbeeld een smid. De felle vlam van zijn lasapparaat gloeide nog urenlang op ons netvlies. Om de hoek was een groenteboer en onder ons een slager. In de straat haalde ik met vriendjes oud papier op, dat we naar de papierman brachten. Hij woog de stapels op een grote weegschaal en gaf er een paar stuivers voor. En dan renden we daarmee naar snoepwinkel Het Stuivertje, op de hoek van de Vancouverstraat en de John Franklinstraat. In mijn herinnering was in onze buurt niemand rijk. Wij kregen pas halverwege de jaren zestig een auto (Volkswagen Kever), koelkast en zwart-wittelevisie.
Het Erasmuspark aan de overkant van de Jan van Galenstraat was voor ons nog geen vijf minuten lopen. In mijn herinnering was het enorm groot, met onder meer een geweldige zandbak. Natuurlijk besefte ik helemaal niet dat het park (in deze vorm) gloednieuw was, opgeleverd in 1961.
Onbetwist hoogtepunt was de jaarlijkse kermis tegenover de Markthallen in de Jan van Galenstraat. Omdat mijn moeder als vrijwilliger bij de EHBO-post werkte, kregen wij vaak vrijkaartjes voor attracties. Feest was het ook als we met school weleens Laurel & Hardyfilms gingen kijken in het Hallentheater, één van twee bioscopen die de buurt toen nog rijk was. De andere was West End in de Jan Evertsenstraat.
In de jaren zestig kenden we in ons buurtje slechts één buitenlander: ‘de Joegoslaaf’. Op oudejaarsavond stond hij met zijn klappertjespistool op het balkon van zijn woning boven garage Nierop te knallen. Daarnaast in de Vancouverstraat lag onze kleuterschool De Klimop. Vaak klommen we over het hek en bouwden hutten in de kersenboom van de school. In december liepen Sint en Pieten over het dak van de lage uitbouw aan de Admiralengracht. Op onze laatste kleuterschooldag gingen alle kinderen verkleed als cowboy, heks of toverfee per rondvaartboot naar Artis. De stap naar de‘grote’ school was klein: die stond aan de overkant in de Vancouverstraat.
De Marco Polostraat werd eind jaren zestig opnieuw bestraat. De hele straat veranderde die zomer in een gigantische zandbak. We bouwden forten van de straatstenen die overal lagen opgestapeld; er was geen groter plezier denkbaar. Ook de vele autowrakken die in die jaren nog regelmatig voor lange tijd langs de weg stonden, waren een dankbaar speelobject.
Begin 1970 verhuisden we naar de Rivierenbuurt. In juli 1985 is ons oude huis (Marco Polostraat 291) ontploft. De bewoners roken gas, gingen met een aansteker op onderzoek uit en vonden het lek – helaas. Waar ik mijn jeugd doorbracht staat nu nieuwbouw.
Rein Valk

'Schweinhund!' roepen en snel wegrennen

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

Anneke Schut haar jeugd door in de Frans van Mierisstraat, waar ze in 1948 werd geboren. De weg naar de christelijke lagere school, het gerenommeerde Instituut Schreuder in de Van de Veldestraat, staat nog scherp op haar netvlies.

Wij woonden in het ‘nettere’ gedeelte van de Frans van Mierisstraat: tussen de Van Baerlestraat en de Johannes Vermeerstraat. Het tweede en derde gedeelte was in onze ogen van een heel ander kaliber. Mijn school – Instituut Schreuder – lag in de Van de Veldestraat.
Na een gezamenlijk ontbijt aan tafel met het hele gezin ging ik daarheen op pad: allereerst over het Johannes Vermeerplein, via een klein stukje Gabriël Metsustraat naar de Van Miereveldstraat. Daar stond aan de linkerkant de bunker, in gebruik als fietsenstalling van de OCMA-school (Opleiding Chr. Maatschappelijke Arbeid, Gabriël Metsustraat 7). We klommen er graag op.
Vervolgens passeerden we de Duitse ambassade. Dat vond ik als klein meisje heel spannend. Er was mij geleerd om daar heel hard “Schweinhund!” te roepen. Dat was heel stoer, begreep ik, al had ik geen idee wat het betekende. Als je dat geroepen had en er kwam beweging in de tuin, moest je heel hard doorlopen.
Aan het einde van de Van Miereveldstraat stond de Boerhaavekliniek, waar ik vaak buiten bezoekuur even langs mijn (jonge) oom mocht gaan die daar heel lang heeft gelegen. Nog altijd als ik er langs loop, kijk ik even naar ‘zijn’ kamer.
Bij de kliniek sloeg ik linksaf, over een strak voetpad dwars over het Museumplein. Daar bloeiden heel veel narcissen. Vaak lagen er omgeknakte bloemen te wachten op een beter lot. Dus gingen we op de terugweg naar huis bij het KLM-gebouwtje vragen of we die mochten meenemen. Nou, dat mocht altijd wel.
Aan de westkant van het Museumplein was het ‘kastanjepleintje’, zoals wij het noemden. Daar werden in de herfst hutten gemaakt van de ongelooflijke hoeveelheid takken en bladeren. Ook speelden we er regelmatig het spel ‘1, 2, 3 4, 5, 6, 7…, wie mag ik een kusje geven?’. Uiteraard ging dit met niet geheel gesloten ogen. Onder die kastanjebomen heb ik veel tijd doorgebracht.
In de Van de Veldestraat was ook de Cornelis Vrijschool. Die had een eigen speelplaats. Ze waren niet confessioneel, maar hielden net als de roomsen wel van rituelen. Wij van de christelijke school vonden de ‘palmpasentakken’ waarmee kinderen van die school op de zondag voor Pasen door de buurt trokken maar eigenaardig en hadden ook altijd ruzie met ze. Het was een kale-kakschool, vonden we.
Wat ik me ook nog kan herinneren van het Museumplein is dat er op een gegeven moment een demonstratie was bij de Amerikaanse ambassade. Waarom en wanneer weet ik niet meer, alleen dat we met heel veel grammofoonplaten moesten gooien, die over een grote afstand door de lucht zeilden. Prachtig was dat – maar waar het nou over ging? Wie het weet, mag het zeggen!

A.C.E. Schut





 
 
Banner
Banner
Banner
© FIZZ reclame + communicatie