Hangplekken voor huisvrouwen
  
In de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw waren een wolzaak en een kapperszaak de hangplekken voor de Indische Buurtvrouwen.De winkels van Jo en Pietje de Bie en het echtpaar Storm waren in de Indische Buurt de hangplekken voor kwekken, huilen en lachen van de buurtdames. Jo en Pietje de Bie hadden in de Javastraat een gezellige winkel, met achter de toonbank een wand vol knotten wol, in vakken keurig gesorteerd op kleur. Bolletjes katoen en strengetjes DMC borduurzijde in kleinere vakjes. Ook op kleur. Alles te koop op rantsoenbonnen, waarmee gesjoemeld werd. Ruilwaren werden onder de toonbank verhandeld. De gezusters met de volumineuze borsten hadden onder hun oksels altijd een brei- of haakwerk waar ze mee bezig waren, als ze de kassa bedienden, of de bolletjes uit de vakken haalden en ze uitdagend op de toonbank legden ter verkoop, of met een klant een streng wol tot een bol opwonden of een breipatroon uitlegden. De goedkope houten en de dure stalen brei- en haakpennen ter verkoop stonden op cijferdikte in kokers naast de kassa. Als kind was ik beducht op hun breipennen, die vervaarlijk langs hun borsten naar voren staken. Ze konden ogen uitsteken! Maar niets daarvan: Jo en Pietje bedienden hun klanten als waren ze koninginnen, kwekten of zongen onderwijl een opgewekt lied. En het gebruikelijke ‘juffrouw‘ voor de lagere stand, veranderden zij in ‘mevroj‘. Langs de achterwand was een ‘zitje’: een houten bank met een dito tafeltje, waarop de brei-, haak- en borduurpatronen lagen, die Jo en Pietje zelf ontwierpen, lieten uittypen en stencilen met puntjes waarop zij dan het aantal toeren en steken invulden, afhankelijk van de maat en patroon. Voor dames die niet konden breien, zetten Jo en Pietje steken op, leerden hen de steken breien met het mantra ‘insteken-omslaan-doorhalen-afhalen’, gaven de gevorderden opdracht over twee dagen terug te komen met tien toertjes recht en tien toertjes averecht. Haalden steken op, meerderden of minderden het knutselbreiwerk van hun klanten. Menigeen heeft zo een jumpertje leren breien of een babymutsje haken. Er werd wat geklessebest en er werden wat problemen opgelost en foefjes doorgeven daar bij die Jo en Pietje de Bie. OpkammenIn de Molukkenstraat had een gevlucht Belgisch echtpaar ook iets slims bedacht voor het spekken van hun kas en de behoefte van de huisvrouwen om het één en ander met elkaar te bespreken: een opkam- abonnement. Dagelijks kon men van tien tot twaalf uur na een permanent of een watergolf tegen zacht tarief bij hen het haar in model laten kammen. Een abonnement was goedkoper en gaf recht op tien opkamdagen. Daarna was het weer tijd voor een nieuw watergolfje, die Storm met vervaarlijke grote schaartangen, die eerst op een brander verhit waren, in het haar kneep. De koffie met cake stond klaar en werd geserveerd door Storms vrouw. Op hun beurt wachten was voor de klanten een uitgelezen moment om van tong te gaan. Roddelpraatjes stond Storm niet toe. Zijn wankel evenwicht, grapte hij, kon daar niet tegen. De kapper had een zwarthouten poot. Als kind dacht ik dat hij op een stelt liep. Coco Snoek Januari 2009
Het gebeurde heel dichtbij
  
Willem Pieneman, geboren in 1941, heeft nog talloze eigen herinneringen aan zijn jeugd in de oostelijke binnenstad. Maar één pijnlijke gebeurtenis uit zijn vroegste jaren hoorde hij pas veel later.In de Stads-Rietlanden, omgeven door rangeerterreinen en kolenloodsen, stonden in 1941 zo’n twaalf houten huisjes voor arbeiders die bij de spoorwegen werkten. Mijn vader was rijtuigpoetser en woonde op nummer 57. Daar ben ik geboren. Mijn opoe uit Baambrugge was de vroedvrouw en twee maanden later ben ik gedoopt in de Oosterkerk. In mijn herinnering was het rond die huisjes erg smerig: overal lag kolengruis en afval. Maar fijn spelen kon je er wel. Nadat wij naar de Nieuwe Achtergracht verhuisden, konden we gelukkig nog wel op sommige zondagen naar een oom en tante die in de Rietlanden waren achtergebleven: ‘diefie-met-verlos’, veel voetballen in onze OVVO-outfit en daarna heel erg vies weer terugfietsen via Van Gend & Loos, de molen, de Oranje-Nassaukazerne, Valckenierstraat en Roetersstraat. Schoon werden we weer zittend op het aanrecht, met onze voeten in de gootsteen in een sopje van Sunlight-zeep. Dat was op nummer 148 eenhoog van de Nieuwe Achtergracht, onze tweede woning op die gracht: over de eerste dadelijk meer. We woonden boven een kruidenier (Karlsbeek), maar daar waren we geen klant; moeder ging liever naar de VANA op de Plantage Middenlaan, een paar huizen verder dan de Hollandsche Schouwburg. Op onze Nieuwe Achtergracht was ook het Leger des Heils, waar ik tafeltenniste en cornet leerde spelen. Als je ’s winters over de gracht schaatste, moest je uitkijken voor de wakken. Door de kleine raampjes van het souterrain zag je de diamantslijpers aan het werk in hun fabrieken. Ook aan de Roetersstraat heb ik veel herinneringen: het koffiehuis, de tramremise, de bakfietsenverhuurder, de melkwinkel. En natuurlijk aan de Lepelstraat: daar woonde mijn eerste vriendinnetje. Dat was een straat waarvan de bewoners beneden onze stand waren – dat vonden althans de mensen van de gracht. Er woonden veel joden in de buurt. Op zaterdag (hun rustdag) deden we bij onze joodse buren de lichten aan en uit. En op zondag gingen we naar de kosjere bakker in de Weesperstraat. Bovenstaande flarden, die ik als 67-jarige reeds lang geëmigreerde Amsterdammer uit mijn geheugen peur, worden overschaduwd door een veel latere ervaring. Ongeveer vijftien of twintig jaar geleden, tijdens familiebezoek in Canada, lieten twee oudere nichten, die tijdens en vlak na de oorlog verpleegster waren in Amsterdam, me erg schrikken. Ze hadden in de oorlog geholpen bij onze verhuizing van de Rietlanden naar ons eerste huis op de Nieuwe Achtergracht (154, dus) en zij herinnerden zich dat zij samen met mijn ouders op de walkant meubels hadden verbrand, opdat de woning betrokken kon worden, “want ‘ze’ kwamen toch niet meer terug.” Ik was verbijsterd. Ik wist natuurlijk dat dit soort dingen gebeurd waren, ik had gelezen over ‘pulsen’ en roof van joods bezit. Maar zo dichtbij, dat had ik nooit gedacht, niet door mijn verwanten. En ik schaam me nog steeds. Misschien ten onrechte, maar toch… Willem Pieneman Januari 2010
'Gorren' met de 'looien draaier'
  
Goed, er was (bij buren) televisie, maar verder moest de Moderne Tijd nog doorbreken in eerste tien levensjaren (1948-1958) in de Oosterparkbuurt van Jos Mol, nu oud-hoogleraar Moleculaire Genetica aan de Vrije Universiteit. Ons huis in de Tweede Boerhaavestraat bestond uit een huiskamer met opklapbed en één slaapkamer voor vier jongens. In de huiskamer stond een met antraciet gestookte kachel. Het toilet was in de gang en zodra het vroor was het weer afwachten of de waterleiding het hield. Muziek in het huis bestond uit een kastje met drie of vier vaste zenders. Soms was er even geen licht. Dan moest moeder naar de petroleumwinkel in de Andreas Bonnstraat om een elektriciteitsmuntje te kopen. Auto’s waren er nauwelijks. Aart Boender had een DKW met (gedeeltelijk) houten carrosserie. Die moest geregeld worden aangeduwd door de straatjeugd. Dan was er meneer Klaver, die regelmatig zijn auto in een andere kleur spoot. Er woonden nogal wat joodse mensen in de straat, zoals meneer Van Moppes, die in knopen handelde en in een Peugeot reed. En er was nog de heer Geervliet die in gehoortoestellen handelde en een grote Citroën Traction Avant had. Meneer Koopman haalde schroot en andere ijzerwaren op. Hij had met mijn vader afgesproken dat hij onderdelen apart zou houden om er later een heuse fiets uit samen te stellen. Toen ik net op verhuizen stond, was de fiets klaar. (Een groter bezit kun je je niet voorstellen!) De enige winkel in de straat was op de hoek van het Oosterpark, waar de comestibleszaak van De Wilde zat. Destijds kwamen er nog weinig mensen met koopwaar aan de deur. Hij had een bord op zijn wagen waarop stond “vleeschkar voor honden en katten”. Die kar stonk een uur in de wind. De televisie was net in opkomst. Er waren maar twee of drie gezinnen met zo’n toestel. Bij uitzondering mochten we méékijken (bijvoorbeeld naar De Verrekijker). Als je te laat kwam, mocht je er niet meer in en je had dan zó de ziekte in dat alle veters van de schoenen voor de deur aan elkaar geknoopt werden. Als er gestemd werd in het schoolgebouw, mocht je vaak voor vijf cent op de fiets passen. Er waren altijd lui van wie dat niet mocht. Daarvan werd dan het celluloid, dat op het stuur zat, met een vergrootglas in de hens gestoken. In de vakanties stroopten we altijd de garages af in de Oosterparkstraten. Of ze nog oude kogellagers hadden? Dan kon je er een karretje van maken waarmee je lekker kon ‘rijden’. In bepaalde tijd van het jaar liep iedereen met een priktol. Ik herinner me levendig dat zo’n ding op mijn hoofd terecht kwam! Ook knikkeren was populair. Tien centimeter van elkaar werden de knikkers in de goot ‘opgezet’. Wie het verst weg ging staan mocht als eerste met een ‘looien daaier' (loden kogel) gooien. Dat heette ‘gorren’. Eén keer per jaar werden de putten schoon gemaakt met een grote zuigauto. In de prut werd dan uitvoerig gezocht naar knikkers en looien daaiers. Jos Mol Februari 2010
De bieb van het Meidoornplein
  
In de jaren veertig was Louis Westhoff (1930) trouw bezoeker van de Openbare Bibliotheek op het Meidoornplein in Noord. Bestierd door een breed denkende bibliothecaresse.
Via de beeldbank van het stadsarchief of met Google Earth wandel ik af en toe door het Amsterdam-Noord van toen en nu. Zo kwam ik ook terug op het Meidoornplein. Het gebouwtje van de Openbare bibliotheek staat er nog, zag ik. De ‘bieb’ zelf is al jaren geleden verplaatst naar de voormalige Sint Ritakerk aan het Hagedoornplein. Een verhuizing van ver na mijn tijd. Voor mij beginnen de herinneringen in 1939. Toen kwamen wij uit Nieuwendam in stedelijk Noord te wonen en mochten we jeugdlid worden van de OB. Amsterdam was vooruitstrevend met haar bibliotheekbeleid. De hoofdvestiging was toen aan de Keizersgracht en in de wijken waren dependances. In Noord waren er zelfs twee. Één in Tuindorp Oostzaan en die op het Meidoornplein. In de stad moest je een lijstje inleveren aan een loket en dan, na enige tijd wachten, kreeg je de gevraagde boeken aangereikt. Het was altijd een gok of de inhoud wel in overeenstemming was met de verwachtingen die de titel wekte. Zoveel ervaring had je als kind van twaalf nog niet en meteen teruggeven was er niet bij. Daarvoor was de ambiance te intimiderend, in die kelder van dat grote grachtenhuis. Nee, dan het Meidoornplein. Daar stonden de boeken in open kasten en mocht je zelf uitzoeken, inkijken en doorbladeren. Wat een bevrijding, wat een vrijheid. De leiding berustte bij een dame van (in mijn herinnering) middelbare leeftijd, uit een sociaaldemocratisch milieu. Tegenwoordig kun je alleen streng gereformeerden en moslima’s aan hun kleding en kapsel herkennen. Zelfs nonnen onderscheiden zich uiterlijk nu niet meer van geseculariseerde dames. Toen was dat anders. Iedere zuil had zijn eigen klederdracht. Die van de bibliothecaresse was duidelijk SDAP, van haar steile kortgeknipte hoofdhaar af tot haar degelijke platte schoenen toe. Ze wist ongelooflijk veel. Als je buiten de kast van de jeugdboeken zocht – dat mocht, als je van de lagere school af was – kon je bij haar terecht voor de keus van een boek over een bepaald onderwerp. Soms kwam er een kind een boek voor moeder halen. De juf kende haar klantjes en koos een boek dat moeder wel zou bevallen en dat ze zeker nog niet had gelezen. Ze was ook niet kinderachtig als je met een boek aankwam dat volgens haar je geestelijke draagkracht te boven ging. Hoogstens dat ze zei dat het een moeilijk boek was en soms adviseerde ze een eenvoudiger uitgave over hetzelfde onderwerp. Verboden titels kan ik me niet herinneren. Zelfs Kamertjeszonde van Herman Heijermans konden we zonder problemen lenen. Ook de tafel met weekbladen was voor ons jongens en meisjes beschikbaar. Ongelofelijk veel heb ik daar geleerd. Op de foto’s zag ik dat de bieb nu een vervallen dichtgespijkerd gebouwtje is van een eenvoudige architectuur, waarin de Amsterdamse Schoolstijl toch nog duidelijk te herkennen is. Het verdient behouden te blijven, als monument van emancipatie en volkseducatie. Louis Westhoff
|