De vaste route van Alida Bosshardt Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.      Juni 10, 2011    
1514   0   0   0   0   0

Zeep, soep, redding

Ze is weer terug in de buurt waar ze 66 jaar geleden met haar Amsterdamse heilswerk begon. De aanleunwoning van majoor Bosshardt in de door haar zelf opgezette Goodwillburgh op de hoek van de Anne Frankstraat en de Rapenburgerstraat ligt op een steenworp afstand van het Rapenburgerplein. Nu kijken we vanuit de burgh uit op het parkeerterrein van politie en brandweer. Destijds stond hier – toen nog Rapenburgerstraat 2 – Zonnehoek, het kindertehuis van het Leger des Heils waar Alida Bosshardt in 1936 als zuster werd geplaatst. Vanuit het tehuis liep ze dagelijks naar de Barndesteeg om de aan haar toevertrouwde kinderen naar school te brengen en op te halen.

Zelf was Bosshardt (1913) de “lastigste thuis”. Ze zat vol kwajongensstreken en wilde niet leren; ze ging op haar veertiende van school. Vier jaar later werd ze tijdens een openluchtbijeenkomst in haar woonplaats Utrecht gegrepen door de boodschap van het Leger des Heils. “Mijn moeder was protestants en mijn vader een bekeerde katholiek, maar pas op die bijeenkomsten van het Leger raakte het geloof mij persoonlijk. Die combinatie van de handen uit de mouwen steken en evangeliseren heeft mij altijd enorm aangesproken.” Ook toen al was ze pragmatisch: “Mijn vader had een wijwaterbakje boven zijn bed hangen dat ik bij het bedden opmaken wel eens omstootte. Mijn broer deed daar dan op mijn verzoek even schoon water in. Het gaat tenslotte om het idee.”

Ze volgde de kweekschool van het Leger in Amstelveen en begon niet veel later – gestoken in blauwe jurk met wit schort – in de Zonnehoek. Het gebouw herbergde zo’n honderd kinderen uit onvolledige gezinnen met problemen. “Ik had gelukkig altijd kinderen van schoolgaande leeftijd, daar kon je leuk mee spelen. Veel zusters wedijverden om de babyzaal, maar ik heb nooit veel aan baby’s gevonden. Ze zijn altijd nat en vies.”

Op het Rapenburgerplein herinnert niets meer aan Zonnehoek. Maar café De Druif, op de hoek met de Nieuwe Herengracht, is een oude bekende. “Daarboven woonde een vrouw die héérlijke groentesoep kon maken, met veel ballen.” Tegenover het café, aan de waterkant, klopten de zusters vrijdags de kleden uit.

We lopen richting Nieuwe Foeliestraat, Bosshardt onverschrokken achter de rollator die ze sinds haar herseninfarct nodig heeft. Destijds kon ze hier met de kinderen uit het huis recht doorlopen naar Rapenburg 51, nu maken we – vanwege het drukke autoverkeer van en naar de IJ-tunnel – een kleine omweg via het zebrapad op de hoek van de Anne Frank- en de Valkenburgerstraat. Bij de voorheen christelijke lagere school op nummer 51 leverde Bosshardt de kinderen van zes jaar en ouder af . “De kinderen droegen klompen, dus op straat hoorden we regelmatig: ‘Daar heb je het Leger op houten kleppers.’”

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg Zonnehoek herhaaldelijk joodse ouders aan de deur die hun kind in veiligheid wilden brengen – Bosshardt bracht er velen naar onderduikadressen. In 1941 werd het Leger door de Duitsers verboden; gebouwen en gelden werden in beslag genomen en de uniformen moesten uit. Het kindertehuis ging als particuliere organisatie verder. “We mochten ook niet meer collecteren.” Maar daar trok de majoor zich niets van aan – er moesten tenslotte monden worden gevoed. Vanuit Zuid-Amerika kreeg ze sigaretten toegestuurd die ze ruilde voor aardappels. Een praktijk waar de directrice van Zonnehoek het niet mee eens was, want tabak is volgens de regels van het Leger taboe. “Dus die aardappels waren besmet.” Bosshardt verzweeg voortaan maar hoe ze aan het voedsel kwam.

Uiteindelijk moesten de bewoners van Zonnehoek verkassen – naar noord – met achterlating van een deel van de inventaris. “De Duitsers wilden bijvoorbeeld tachtig dekens hebben. Toen hebben we er veertig doormidden geknipt, dat scheelde weer.”

We schuifelen de Nieuwe Uilenburgerstraat in. Op het terrein achter het toegangshek op nummer 59 zat destijds een smederij. “Een aardige man die altijd gratis mijn collectebus repareerde.”

Als we via de Nieuwe Batavier- en de Korte Koningsstraat richting Nieuwmarkt wandelen klinkt het voortdurend “Dag Majoor!”. Ze begon met haar goodwillwerk in de Nieuwmarktbuurt na de oorlog. Het Leger had geen kantoor in de oude binnenstad en juist dáár was het Leger nodig, vond Bosshardt. “Alcoholproblemen, grote gezinnen in hele kleine woninkjes, hoertjes, er was veel te doen.” Ze kreeg honderd gulden mee en een vlag van het Leger; verder moest ze maar uitzoeken hoe ze de hulpverlening op touw wilde zetten. “Ik was nog heel naïef. Gezellig, dacht ik, toen ik die rode schemerlampjes zag. Ik stond eens in hotel Neuteboom op de Oudezijds Achterburgwal waar een gast werd gevraagd of hij een ‘warm’of een ‘koud’ bed wilde. Dat warme bed was een stuk duurder en in mijn onschuld vond ik dat nogal overdreven voor een kruik.”

Bij café De Zon, Nieuwmarkt 2, trakteert eigenaar Gerrie op een kopje thee. De majoor kent hem al van toen hij nog een ukkie was en zij strijdliederen zong voor de deur van het dranklokaal. Aanvankelijk hield het Leger vooral openluchtbijeenkomsten in de buurt, want een kantoor was er niet – dat kwam pas in 1951 aan de Oudezijds Voorburgwal 14, in gebouw de Leeuwenburg.

“Vroeger was dit een hele kinderrijke buurt, nu niet meer. Het is hier ook harder geworden. Voorheen begonnen de prostituees pas als het donker werd, nu gaat het 24 uur per dag door en ze hebben ook allemaal minder kleren aan.”

We lopen verder naar de Barndesteeg 25, voorheen de kleuterschool van de vereniging tot Heil des Volks waar Bosshardt elke dag haar kleuters naar toe bracht. Ze bewaart warme herinneringen aan het gebouw: “Hier hielden we ons eerste kerstfeest. We begonnen om half twee ’s nachts, omdat we het vooral voor de hoertjes hadden georganiseerd. Er kwamen er zo’n stuk of vijftig. Een groot succes.”

Tekst: Marcella van der Weg

Mei 2002

In 1932 werd Alida Bosshardt heilsoldaat. Vanaf 1948 werkte ze onder het motto ‘zeep, soep, redding’ op de Wallen, waar het Leger des Heils inmiddels drie Goodwillcentra heeft. Bij de opening van De Goodwillburch in 1975 – een wooncentrum voor ouderen – ontving ze de zilveren eremedaille voor bijzondere verdiensten van de Stad Amsterdam. Drie jaar later ging de luitenant-kolonel – want dat is ze officeel – met pensioen.

Powered by JReviews