INSCHRIJVEN
NIEUWSBRIEF


Nummer 4: April 2002 - Parel aan de Singelgracht

Let op: opent in een nieuw venster PDFAfdrukkenE-mailadres

Inhoudsopgave
Nummer 4: April 2002
Tulpen uit Amsterdam
De bravoure van Klaas Ris
Parel aan de Singelgracht
Unieke stadsplattegronden ontdekt
Bedelmonniken bij de Nieuwmarkt
Alle pagina's

Parel aan de Singelgracht

Gaat het Weteringcircuit op de schop?

Tekst: Ward Wijndelts

042002_WeteringcircuitVan een stuk stadswal, veranderde het in een parkje, toen werd het een druk kruispunt en vervolgens een rotonde. En wéér gaat het gebied binnenkort op de schop: het moet toch maar weer een kruispunt worden. Het Weteringcircuit (straks Weteringplein) heeft een bewogen geschiedenis. Freddy Heineken werd hier ontvoerd, Simon Carmiggelt gaf er wilde feesten en een hervormde dominee werd er dodelijk getroffen door een verdwaalde kogel.

Het is een stukje binnenstad waar de lente goed zichtbaar is. Ieder voorjaar groeien er duizenden krokusjes onder de grote kastanjes en platanen. Maar het Weteringcircuit staat niet alleen voor natuurschoon: op zaterdagen begint er de file voor de parkeergarage onder de Bijenkorf. Het naast het circuit gelegen H.M. van Randwijkplantsoen gaat schuil onder een poffertjeskraam en een parkeerplaats voor touringcars. Bovendien staat het Weteringcircuit op de vijfde plaats van gevaarlijke locaties van de binnenstad. En dat is niet alleen omdat op 9 november 1983 biermagnaat Freddy Heineken en zijn chauffeur Ab Doderer voor de deur van het Heineken-hoofdkantoor aan het Tweede Weteringplantsoen 5 werden ontvoerd.

De gemeente Amsterdam wil van het Weteringgebied - dat in het noorden wordt begrensd door de Lijnbaansgracht, in het zuiden door de Singelgracht, in het westen door de schutsluis ter hoogte van de Weteringstraat en in het oosten door de Den Texbuurt - een parel maken aan het collier Singelgracht. Het Weteringcircuit zou om die reden vervangen moeten worden door een kruising. Dit “masterplan Weteringcircuit” – dat bijna zeventien miljoen euro gaat kosten – hangt nauw samen met de komst van een metrostation van de Noord-Zuidlijn op de Vijzelgracht, met twee uitgangen pal naast de kruising, die een belangrijk overstappunt zal worden voor bezoekers van de grote musea op het Museumplein. Als het allemaal doorgaat, komen de straatnamen Weteringcircuit, Eerste en Tweede Weteringplantsoen en Weteringlaan te vervallen. Het hele gebied moet Weteringplein gaan heten.

Begin jaren vijftig werd de hier gelegen kruising Weteringlaan-Weteringschans omgebouwd tot een rotonde. Eerder al waren zowel het Frederiksplein als het Haarlemmermeerstation voorzien van circuits, dus nieuw was het niet. Een circuit had twee grote voordelen: meer ruimte voor auto’s en minder stagnatie van het tramverkeer. Bij een stremming in de binnenstad zouden de trams voortaan op het Weteringcircuit kunnen keren, om zo hun diensten te blijven draaien. In de zomer van 1953 vond de 100.000 gulden kostende verbouwing plaats. De Weteringlaan werd door de herinrichting de kortste laan van Nederland. In het voorjaar van 1959 liet de gemeente 20.000 narcissen planten op het middenstuk van de rotonde. Amper 25 jaar later, in mei 1979, werd het Weteringcircuit weer deels opgeheven. Teneinde een “ ononderbroken binnenring” tot stand te brengen, werd het circuit voor de tram omgebouwd tot een kruising. De verkeerssituatie op het circuit werd er niet bepaald duidelijker op.

Burg naar de Pijp

De geschiedenis van het Weteringgebied gaat terug tot de 17de eeuw, toen hier de stadswal lag. Dat is nog te zien aan de merkwaardige plattegrond van het huizenblok midden op het Eerste Weteringplantsoen: geen rechthoek, maar een onregelmatig gevormde driehoek. Hierin is de typische vorm te herkennen van het bolwerk (het uitspringende deel van de oude stadswal). Dat bolwerk heette Wetering, naar de naar de Boerenwetering, een water dat vroeger van de huidige Ruysdaelkade via het Koningsplein naar de Nieuwezijds Kolk liep.

In 1744 werd op het bolwerk korenmolen de Wetering gebouwd. De molen is tot 1873 blijven staan, het bolwerk werd in 1820 gesloopt. In 1846 werd de vrijgekomen grond gebruikt om wandelplaatsen en plantsoenen aan te leggen. Dit is het enige stuk van de oude stadswal waar plantsoenen werden verkozen boven woningbouw, al werden er vijftien jaar later enkele woningen gebouwd.

In 1876 werd het Weteringplantsoen (zoals het gebied inmiddels heette) uitgebreid doordat de Singelgracht, die toen nog een breedte had die past bij een verdedigingsgracht, werd genormaliseerd, dat wil zeggen: rechtgetrokken en versmald. Er werd een uitstekend stukje van de oever afgesneden en werd een inham tussen het voormalige bolwerk en de Hollandsche Gaschfabriek (later Den Texstraat) gedempt en opgehoogd. Het pasgewonnen land kreeg, net als het “ oude” Weteringsplantsoen, een groenvoorziening.

Om de nieuwe wijk de Pijp bereikbaar te maken, werd bovendien in 1875 een brug gebouwd over de Singelgracht naar de Ferdinand Bolstraat. Van de Vijzelgracht naar de brug werd een kaarsrechte verharde weg aangelegd, de Weteringlaan. Die ging het Weteringplantsoen in tweeën snijden. Sinds enkele jaren gaan er stemmen op om deze brug, de enige brug over de Singelgracht die te laag is voor rondvaartboten, te verhogen.

De eerste woningen op het voormalige bolwerk werden gebouwd rond 1860 en in 1862 kwam er ook een café met een zogenoemde pleziertuin. Eigenaar A. Boer bouwde in die tuin in 1879 een feestgebouw met toneel: maison Boer. Het werd een populaire plek om bruiloften en partijen te vieren en ook veel verenigingen kwamen er bijeen voor vergaderingen of feesten. De feestzaal bleef tot 1940 bestaan.

Duitse wraakactie anno 1945

De Duitse bezetting die in 1940 begon, liet ook op het Weteringplantsoen gruwelijke sporen na. Op 12 maart 1945 werden op het Eerste Weteringplantsoen een dertigtal gevangenen uit het toenmalige Huis van Bewaring aan de Weteringschans gefusilleerd. Het betrof een Duitse wraakactie wegens het feit dat de Amsterdamse SS-Haupt­scharführer Ernst Wehner in een vuurgevecht met illegale werkers was gesneuveld. De Ordnungspolizei dwong voorbijgangers om het groepsgewijs fusilleren van de gevangenen gade te slaan; passanten die zich probeerden om te draaien of de ogen afwendden, werden geschopt en met geweerkolven bewerkt. Bizar was het lot van de hervormde dominee J. Koopmans, predikant van een gemeente in Amsterdam-Oost en een van de voormannen van het kerkelijk ver­zet. Koopmans stond voor het raam van zijn woning aan de Stadhouderskade naar het gebeuren te kijken en werd dodelijk getroffen door een verdwaalde kogel, afgevuurd door een van de leden van het executiepeleton. Als herinnering aan de fusillade werd in 1954 op het plantsoen een monument van de Amsterdamse kunstenaar Gerrit Bolhuis geplaatst, voorstellende een liggende, gesneuvelde soldaat met een hoorn in zijn hand. Het beeld werd in de volksmond al gauw “ de keeper” genoemd. Ieder jaar start op 4 mei bij het gedenkteken de stille tocht naar het Nationaal Monument op de Dam.

Bij de dodenherdenking op 4 mei 1970 werd in het Tweede Weteringplantsoen een monument onthuld ter nagedachtenis aan Hendrik van Randwijk (1909-1966), in 1941 medeoprichter en de eerste hoofdredacteur van Vrij Nederland. Tegelijkertijd werd het oostelijk gedeelte van het Weteringplantsoen naar hem genoemd. Het monument bestaat uit een gemetselde muur met daarop een paar dichtregels die Van Randwijk oorspronkelijk had bedacht als tekst op de muur van de erebegraafplaats in Bloemendaal: “ een volk dat voor tirannen zwicht/zal meer dan lijf en goed verliezen/dan dooft het licht” . Een derde monument op het plein is de Zeelandbank, een geschenk van Schouwen-Duiveland om de Amsterdamse bevolking te bedanken voor de hulp aan de slachtoffers van de Watersnoodramp van 1953.

Het kopijbusje van Carmiggelt

De beroemdste (naoorlogse) bewoner was ongetwijfeld Simon Carmiggelt (1913-1987), over wiens jaren in de Weteringbuurt talrijke anekdotes de ronde doen. Hij woonde van 1946 tot 1955 op de belatage van Eerste Weteringplantsoen 2A (in de in 1940-1941 gebouwde Museumflat van architect N.Ch. Dekker). Na een intermezzo in de vlak bij gelegen Weteringstraat, kwam hij weer terug op het oude adres, maar nu op de ruimere tweede etage. Vooral in de eerste naoologse jaren was het bij de Carmiggels altijd een zoete inval: tot diep in de nacht werd er gedronken en geouwehoerd met collega’s van Het Parool en vrienden uit de kunstwereld. En naast de voordeur hing een speciaal kopijbusje, waaruit de koerier van Het Parool ieder morgen Carmiggelts kersverse column viste, terwijl de auteur uitsliep. Tegenover Carmiggelts voormalige woning onthulde burgemeester Ed. van Thijn op 25 oktober 1988 een borstbeeld van de schrijver.

In 1962 werd het huizenblok aan de kant van de Weteringschans uitgebreid met noodwinkels, van winkeliers die moesten uitwijken omdat de naburige Vijzelflat op instorten stond. De noodgebouwen zouden er twintig jaar blijven staan, om pas in 1982 plaats te maken voor woningwetwoningen van architect Ruud Snikkenburg. Halverwege de jaren tachtig besloot de gemeente, tot ongenoegen van veel bewoners (onder wie Carmiggelt) om onder het plantsoen een rioolgemaal te bouwen. Het groen verdween tijdelijk, en het tolhuisje uit 1842 werd afgebroken en tijdelijk opgeslagen. Later vormde het huisje de toegang tot het gemaal, en het dagverblijf van de machinist.

Nozem-rumoer bij de poffertjeskraam

De oostkant van de Weteringschans, naast café Mulder op de hoek met de Nieuwe Vijzelstraat, wordt nu beheerst door een breed stuk post-modernistische nieuwbouw uit 1981, dat schril afsteekt bij de overige bebouwing. Van 1868 tot 1934 stond op deze plek de Eerste Ambachtsschool van Amsterdam. Het pand werd later betrokken door ‘Crediet Warenhuis’ A. Winter en Co, bij Amsterdammers bekend van de slogan “ Spreek met Winter en het komt in orde” . In latere jaren zat op deze plek de onder meer de meubelgigant Piet Klerx.

Op Weteringschans 161, ten westen van de Nieuwe Vijzelstraat, was tussen 1876 en 1933 de Eerste Driejarige HBS voor Jongens gevestigd. Twee leerlingen van deze school, Floris Stempel en Han Dade, richtten in 1894 de “ Footh (!) Ball Club” Ajax op. De club kwijnde al gauw weg, maar werd in maart 1900 heropgericht, met opnieuw Stempel in de rol van voorzitter. In 1933 werd de HBS deels afgebroken, omdat de Vijzelgracht werd gedempt en de Nieuwe Vijzelstraat (zoals het laatste stukje formeel heet) moest worden verbreed. Op het voormalige schoolterrein werd in 1937 een poffertjeskraam neergezet. Het houten gebouwtje werd een berucht trefpunt voor de Leidsepleinjeugd. Onder de kop “ Weer nozem-rumoer in de binnenstad” schreef Het Parool op 29 augustus 1959: “ Ook op het Weteringcircuit was de stemming geladen. De eigenaar van de daar gevestigde poffertjeskraam zagen wij gewapend met een gummistok in de ingang van zijn etablissement staan. Hij vertelde, dat eerder op de avond een stel nozems getracht hadden zijn zaak binnen te dringen, maar dat de aanval door zijn stampubliek, versterkt door een paar boksers, was afgeslagen. In de poffertjeskraam verzamelen zich de laatste maanden vooral die jongeren, die zich ‘pleiners’ noemen.” Fons Rademakers maakte in 1960 een film over deze pleiners, Makkers staakt uw wild geraas, waarvan de sleutelscène zich afspeelde in voornoemde kraam. Ellen Vogel, later Carmiggelts buurvrouw in de Museumflat op het Eerste Weteringplantsoen, speelde de vrouwelijke hoofdrol. De figuratie bestond uit enkele vaste klanten van de eetgelegenheid, onder wie de jonge acteur Manfred de Graaf en de aanstaande kunstenaar Hans van Sweeden.

In 1961 werd de poffertjeskraam gesloopt om plaats te maken voor de eveneens houten koffietent De Hof van Eden, die het slechts zeven jaar volhield. Het zou tot het voorjaar van 1975 duren voordat de poffertjeskraam, sindsdien geleid door de familie Stuy, terugkeerde op het Weteringcircuit. Tegenwoordig luidt de naam Pannenkoekenpaviljoen De Carrousel.

Explosiegevaar

Op zondagmiddag 1 november 1885 verzamelde zich een grote menigte op de Weteringschans tegenover de huidige Den Texbuurt. Daar stond vanaf 1846 de Hollandsche Gaz Compagnie van de suikerraffinadeurs C. de Bruyn en zonen. De gasfabriek was gehuisvest in een enorm gebouw van drie etages, met rondom 155 ijzeren ramen. In 1885 moest het bedrijf sluiten, omdat de gemeente het monopolie van gaslevering in Amsterdam had verleend aan de Imperial Continental Gas Association. Op de bewuste zondag zou de toevoer van gas worden stopgezet, en de bevolking van Amsterdam verkeerde in angst omdat men er rekening mee hield dat door het stopzetten van de gastoevoer overal in de stad buizen zouden springen, met grote branden tot gevolg. Men kon opgelucht weer naar huis, want de gevreesde rampen bleven gelukkig uit.

Ten westen van de gasfabriek, en grenzend aan de Singelgracht, lag een stuk grond van 3750 vierkante meter braak. Het werd in 1876 voor 2000 gulden per jaar verpacht aan Oscar Carré, die er een vast circus met stallen en een woning wilde bouwen. Maar al in 1877 vroeg Carré om ontslagen te worden van erfpacht. Hij had inmiddels een terrein aan de Amstel gekocht, dat kennelijk beter voldeed aan zijn wensen. Het stuk grond werd in 1879 voor tien gulden per jaar verpacht aan de Vereeniging tot Veredeling van het Volksvermaak en bestemd voor de Openbare Speeltuin no. 1, het eerste gratis speelterrein van Amsterdam. Onder de initiatiefnemers voor speeltuin Weteringkwartier, zoals de tuin later werd genoemd, bevond zich ook bevlogen fotograaf en directeur van de Eerste Ambachtsschool Jacob Olie. De leerlingen van Olie’s school maakten de toestellen voor de speeltuin. Toch kostte de inrichting van de speeltuin, die op 8 mei 1880 feestelijk werd geopend, nog 5600 gulden. In de zomer van dat jaar stonden er dagelijks kidneren voor de ingang te wachten om naar binnen te mogen. In 1890, bij de bouw van de Den Texbuurt, is de speeltuin verplaatst tot vlak bij de brug over de Singelgracht. Daar ligt het nu verborgen achter Pannenkoekenhuis De Carrousel. En dat blijft zo. Alleen kunnen ouders en kinderen uit de buurt vanaf 2005 of 2006 misschien wel een of twee haltes mee met de metro naar de speeltuin.

W. Wijndelts is neerlandicus en free-lance journalist.


De niet uitgevoerde plannen

Het had weinig gescheeld of op het Weteringcircuit had nu een heuse cultuurtempel gestaan. Het plan werd in 1919 opgevat door de bekende acteur Willem Royaards en tussen 1929 en 1934 uitgewerkt door architect Piet Kramer: een semi-permanente schouwburg zou op Tweede Weteringplantsoen. “ Het grondplan van Kramers theater leek op dat van een basiliek en de gevelvariaties ademden de monumentale geest van het Italiaans modernisme uit de jaren dertig” , aldus Max de Rooy in zijn boek De ongebouwde theaters van Amsterdam. Uitgevoerd werd het idee niet.

In 1960 verrasten twee Amsterdamse studenten de gemeenteraad met het plan om op het Tweede Weteringplantsoen een groot operagebouw neer te zetten. Ruim 25 jaar later kwam er een dergelijk gebouw (samengevoegd met een nieuw stadhuis, naar ontwerpen van W. Holzbauer en C. Dam), maar niet op het Tweede Weteringplantsoen, maar aan het Waterlooplein.

In 1994 maakten de architecten Onno Greiner en Martien van Goor schetsen voor twee theaters op het Weteringcircuit. Lex Kater (cultureel entrepreneur) en Carel Birnie (dansondernemer) wilden een schouwburg met 2000 à 2500 stoelen voor langlopende opera- en musicalproducties. Maar de belang­rijkste geldschieter, Joop van den Ende, besloot een theater in Amsterdam-Zuidoost te bouwen (dat overigens evenmin tot stand kwam). Het laatste plan voor een Pantheon der Lage Landen op het Tweede Weteringplantsoen stamt uit 1995 en is van C. Grafe.

Literatuur

J. van Eck, De Amsterdamsche Schans en de Buitensingel (1948)

Gemeente Amsterdam, Masterplan Weteringcircuit (2001)

Max van Rooy, De ongebouwde theaters van Amsterdam (1996)






 
 
Banner
Banner
Banner
© FIZZ reclame + communicatie