Nummer 9: September 2016

 

CoverJuli-Augustus 2016 145x205 OAM16 CW16020815 TDS NR9-2016

Prijs €6,- Bestel

 Op de omslag: Rembrandt van Rijn, Jan Six I, 1654

- Schiphol: 100-jarige kip met gouden eieren

- Wilde jaren op zeekasteel Caledonia

- Geert Mak en de familie Six

- Over de pelgrimsroute naar Sloten

- De chique socialist

En verder:

- Vaste route met Reinjan Mulder

- Hier gebeurde het: Nieuwe Amstelstraat: De methode-Koppejan, 17 juli 1966

- Stem uit het verleden: Theo Thijssen

- 50 jaar Athenaeum Boekhandel


8-Schiphol

'Nederlandsche luchtvaart aan de spits!'

Schiphol bestaat 100 jaar. Aanvankelijk was Amsterdam helemaal niet enthousiast over het plan voor een vliegveld. Het scheelde weinig of anderen hadden de nationale luchthaven gekaapt. Schiphol kwam er toch. En bleek geweldig goed te zijn voor de economie.


Het verlangen om te kunnen vliegen heeft een mythologische ouderdom. "Hier begint het modernste van alle sprookjes. Wie hier naar binnen gaat, komt daar even later naar buiten onder de palmen van Java of Rio de Janeiro. Of bij de Eskimo's in het hoge noorden. Schiphol, springplank van de hele wereld", horen we een stem zeggen bij de beelden van Schiphol in Nederlands in zeven lessen van Charles Huguenot van der Linden en Heinz Josephson uit 1948 over de bedrijvigheid van de luchthaven vlak na de oorlog.
Een DC-6 staat gereed voor vertrek naar Indië: "Over drie woestijnen, vijf zeeën en tien uur oerwoud naar de 40 schoteltjes van de rijsttafel in Batavia." Ook bijzonder: de film is het debuut van Audrey Hepburn. De latere Hollywoodster speelt een KLM-stewardess. "Hollands glorie", grapt de commentator. Vliegheld en gezagvoerder Adriaan Viruly schudt haar hartelijk de hand als hij uit de cockpit stapt.
De littekens van de oorlog zijn nog zichtbaar. "In de lucht zijn we voor u klaar, maar op de grond nog aan het bouwen. Want Schiphol was een puinhoop. Waar nu die nieuwe hangar staat, was één moeras van bomkuilen." Het schiet al op: "Over nog twee jaar, dan zal u eens wat zien; alles piekfijn in staal en glas en beton. Maar als u het mij vraagt, zullen we dan heimwee hebben naar al die nauwe barakjes waar we met de opbouw begonnen zijn."

Indringers
Schiphol begint 30 jaar eerder als een militair vliegveld binnen de Stelling van Amsterdam. De minister van Oorlog koopt in 1916 in een uithoek van de Haarlemmermeer naast Fort Schiphol twaalf hectare grond van landbouwer Gerrit Knibbe. Mocht keizer Wilhelm II ons land binnenvallen, dan ligt het vliegterrein strategisch gunstiger dan (aan de oostzijde van de Hollandse Waterlinie) Soesterberg. Tijdens de zogeheten herfstmanoeuvres op 19 september 1916 landen er al de eerste militaire vliegtuigen.
In Amsterdam broeden ze op eigen plannen. Zo is er in 1917 het voorstel om een "landings- en opstijgplaats voor vliegmachines" aan te leggen, bijvoorbeeld in de buurt van het Stadionplein. Dat zou mooi passen in het Plan Zuid van Berlage. De gemeenteraad ziet er niets in: er woedt een oorlog in Europa en vliegen is een sport voor waaghalzen.
Tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog is Schiphol al 76 hectare groot. Er zijn zes hangars, plus een kazernecomplex met garage. De bewoners van de Haarlemmermeer ontvangen de militairen niet met open armen. Commandant (vanaf 1 november 1918) eerste luitenant-vlieger A.K Steup: "Zij beschouwen ons als indringers in hun sterk begrensde gemeenschapsleven. Zij tonen dit ook daadwerkelijk door mesjes rechtstandig op de rijweg te plaatsen en onze auto met hardbevroren koolstronken te bombarderen."
In de Verenigde Staten is de burgerluchtvaart al op gang gekomen. Albert Plesman, luitenant-vlieger bij de militaire Luchtvaartafdeling in Soesterberg, organiseert in 1919 in Amsterdam-Noord de Eerste Luchtvaarttentoonstelling Amsterdam (ELTA). "Het luchtruim verbindt alle volken", is zijn motto. Op het affiche cirkelen vier vliegtuigjes rond een piloot in vliegeniersoverall. De belangstelling is enorm: de vliegtuigen, zeppelins en vliegdemonstraties trekken in zes weken meer dan een half miljoen bezoekers. Niet veel later begint Anthony Fokker in de expositiehallen zijn vliegtuigenfabriek.

Drassig weiland
De ELTA blijkt achteraf de vonk voor de oprichting van de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij voor Nederland en Koloniën op 7 oktober 1919. De koningin verleent bij uitzondering direct het predicaat 'koninklijk'. Plesman krijgt de leiding in de functie van administrateur. Op 17 mei 1920 opent de KLM een geregelde dienst op Londen met een DH-16, een verbouwde lichte bommenwerper. De capaciteit van het tweedekkertje is vier passagiers. Veel piloten van het eerste uur zijn voormalige militaire vliegers uit het buitenland. Ook de toestellen worden gecharterd.
Het landingsterrein in de Haarlemmermeer is een 800 x 800 meter groot weiland vol hobbels en kuilen, vier meter beneden NAP en met een slechte drainage. Na een regenbui moeten vliegers en passagiers door de modder en toestellen komen vast te zitten. Stallantaarns zorgen voor de verlichting. De proefperiode eindigt in oktober 1920 – geen vluchten in de winter. Enkele getallen: 82.000 vliegkilometers, 440 passagiers, ruim 25.000 kg vracht en post.
Als op 14 april 1921 prins Hendrik het luchtverkeer heropent, vliegt de KLM met eigen bemanning (onder wie de Nederlandse piloten Gerrit Geysendorffer en Rinse Hofstra) en eigen vliegtuigen, zoals de F-3 van Fokker. Op 9 mei gaat het KLM-kantoor aan het Kleine-Gartmanplantsoen open, het eerste 'passagekantoor' ter wereld. Een paar maanden later volgt het KLM-hotel-café-restaurant op Schiphol, vlak bij de ringvaart, waar passagiers op hun vlucht kunnen wachten. Tot midden jaren twintig circa tien per dag.

Olympische Spelen
Zo'n passagier volgen we in de stomme film Nederland vooruit (1922). Op het Centraal Station mist deze keurig geklede heer zijn trein, de eerste etappe op weg naar New York. Snel met de taxi naar Schiphol, maar de Leidsestraat is vol fietsers en wandelaars. Aan het eind van de Overtoom is de brug open, verderop wacht een tolhek. Als de taxi het weiland van Schiphol opdraait, zwaait een groepje achterblijvers net het toestel uit. Een KLM-er zoekt contact met de piloot, die maakt rechtsomkeert. De boodschap: de KLM zorgt goed voor haar passagiers en vracht, maar Schiphol is slecht bereikbaar. Dat klopt. De snelste verbinding is dan nog per boot vanaf de Schinkelkade, een tocht van een half uur.
Amsterdam begint zich te roeren. Schiphol ligt op het grondgebied van de gemeente Haarlemmermeer. Volgens B&W van Amsterdam is het ongewenst dat de hoofdstad voor het gebruik van de 'Gemeente Luchthaven Amsterdam' afhankelijk is van een ander gemeentebestuur. Het terrein moet worden toegevoegd aan het grondgebied van Amsterdam, inclusief een verbindingsstrook. Op 1 april 1926 krijgt de stad het beheer over Schiphol, maar van een annexatie wil Haarlemmermeers burgemeester Adriaan Slob niets weten.
Als de KLM in de jaren twintig een aantal onderdelen naar Rotterdam Waalhaven verhuist, dreigt Schiphol haar positie als nationale luchthaven te verliezen. Maar de Olympische Spelen van 1928 zorgen voor vele bouwactiviteiten. Er komt een stationsgebouw in de stijl van de Amsterdamse School, een ontwerp van Ad Grimmon. De karakteristieke verkeerstoren, met halfronde top met ramen en vele antennes, domineert vele foto's. Een groot schoolbord in de hal geeft in wit krijt de aankomst- en vertrektijden.

Vliegwedstrijden
Schiphols toekomst is nu veiliggesteld. Het vliegtuig groeit in die jaren uit tot een van de symbolen van een nieuwe wereld. Een wereld waarin het gaat om snelheid, techniek en vormgeving. Schiphol én de KLM spreken er een woordje in mee. Er worden vliegwedstrijden georganiseerd. Hoogtepunt is de overwinning van de Uiver in de handicaprace (met ballast) Londen-Melbourne.
De terugkeer op Schiphol op 21 november 1934 is gefilmd. "De Nederlandsche luchtvaart aan de spits!" Minister-president Hendrik Colijn keuvelt met de in dikke bontjassen geklede vrouwen van de vliegers en technici. Pal naast de landingsbaan staan honderden auto's en bussen. Duizenden hebben een kaartje gekocht voor de ontvangst van de helden. Reusachtige letters op het weiland vormen de woorden AMSTERDAM. SCHIPHOL. De schaduw van de Uiver glijdt eroverheen. Na de landing steekt de gezagvoerder een Nederlands vlaggetje uit de cockpit van zijn DC-2. De glunderende bemanning ontvangt de zilveren medaille van de stad Amsterdam. Bezoekers kunnen blauwe zakdoeken kopen met opdruk van het vluchtplan en de namen van gezagvoerder Koene Dirk Parmentier, eerste officier Jan Moll, boordwerktuigkundige Bouwe Prins en telegrafist Cornelis van Brugge (op de zakdoek met een 'n' gespeld).
De vliegtuigen worden groter en zwaarder, zakken steeds vaker diep weg in het drassige terrein. Schiphol krijgt verharde banen. Plannen voor een nieuw vliegveld bij Leiderdorp – in het midden van het land – stuiten op verzet van de hoofdstad: "S.O.S Schiphol, 2 juli 1938, 4 n.m". Een muziekkorps houdt een spandoek omhoog: "Schiphol en Amsterdam zijn één". Zanger Bob Scholte kweelt: "Wij willen Schiphol hou'en."

Wederopbouw
Een bombardement door de Duitse Luftwaffe op 10 mei 1940 legt de thuisbasis van The Flying Dutchman (bijnaam van de legendarische DC-4 die Nederland met New York en de rest van de wereld verbond) gedeeltelijk in puin. In de bezettingsjaren is Schiphol als Duitse militaire vliegbasis doelwit voor de bommen van de geallieerden. Eind 1944 doen Sprengkommandos hun opblaaswerk. Op 5 mei 1945 rest van Schiphol zegge en schrijve één stuk muur. Een poosje hing er het bord: "Dit is de enige muur op Schiphol die de oorlog 1940-1945 overleefd heeft". De kale betonvlakte is in de eerste meidagen belangrijk als plek om voedselpakketten voor de hongerende hoofdstad te droppen.
Eind juli 1945 arriveert alweer het eerste vliegtuig. In de provisorische, kleine houten verkeerstoren werkt personeel van de Engelse luchtmacht en vanuit een oude verhuiswagen worden de radiotelegrafische verbindingen gelegd met vliegtuigen en andere luchthavens. De film Schiphol herleeft! (1946) toont de wederopbouw van de luchthaven. Arbeiders storten kruiwagens vol grond in de bomkraters, verderop verrijzen houten noodgebouwtjes.
Het commentaar ademt optimisme: "Op de plaats van het prachtige stationsgebouw staat alweer een rij hulpgebouwtjes ten dienste van vlieghavenleiding, passagiers en KLM." Er is een bord neergezet met in meerdere talen het woord Vrijheidsstraat. Havenmeester Jan Dellaert wandelt over het platform, waar een Zweedse Douglas taxiet. Luchtlijnen tussen Amsterdam en Maastricht, Groningen en Twente moeten de nog gebrekkige spoorverbindingen opvangen. De reiziger treft bij de staart van een vliegtuig een keurig bordje: "Maastricht via Eindhoven".

Aerotropolis
De regering wijst in oktober 1945 Schiphol aan als Wereldluchthaven van Nederland. KLM-directeur Plesman mokt. Hij pleit voor een nieuwe luchthaven bij Burgerveen, iets westelijker en zuidelijker in de Haarlemmermeer; dat is goedkoper dan herbouw van Schiphol. En Rotterdam droomt van een luchthaven in Schieveen. Amsterdams burgemeester Arnold d'Ailly volgt het allemaal met argusogen. Uiteindelijk zegt de regering in 1952 nee tegen een tweede grote luchthaven.
Als midden jaren vijftig het eerste straalvliegtuig op Schiphol landt (een Franse Caravelle), dringt het besef door dat uitbreiding noodzakelijk is. In 1967 wordt een geheel nieuwe luchthaven geopend, Schiphol-Centrum, tegenover het oude Schiphol-Oost. Het luchtverkeer populariseert, vooral dankzij het toerisme. Met de stijging van het aantal starts en landingen komen ook de protesten tegen geluidsoverlast. Actiegroep De lastige Zwanenburger wordt geboren. Scenarist Gerben Hellinga en regisseur Pieter Verhoeff maakten voor de VPRO Rudy Schokker huilt niet meer (1972), een fake-documentaire over een jongetje dat is verwekt onder de rook van Schiphol. Als hij huilt, produceert hij het geluid van een straalvliegtuig. Veel kijkers zijn geschokt.
De luchthaven bouwt en bouwt. Een D-pier voor intercontinentale vliegtuigen, een nieuw vrachtareaal op Schiphol-Zuid, nieuw pieren voor wéér meer passagiers, de Polderbaan voor wéér grotere vliegtuigen. Schiphol wordt 'mainport', 'hub' of welk ander etiket de luchtvaartbranche ook bedenkt. Op het platform (de 'betonzee') maken de DC-8, DC-9 en Boeing 727 plaats voor Airbus A 370, A 380, Boeing 777, 787 Dreamliner. Sinds 1975 is er een treinverbinding met Amsterdam-Zuid, sinds 1985 met het Centraal Station.
Schiphol ontwikkelt zich als een 'aerotropolis', een luchthavenstad. De invloed op Amsterdam is groot. De komst van de Zuidas langs de A10 is het directe gevolg van de nabijheid van Schiphol. In de Gouden Eeuw waren werkgelegenheid en welvaart verbonden met de haven, nu met de luchthaven.

Schoolreisje
Er is nog een reden dat Schiphol in de harten van vele generaties leeft. Wie de film Nederlands in zeven lessen heeft gezien (in het Amsterdam Museum), weet waarom. Een groepje kinderen krijgt uitleg bij een Lockheed Constellation. "De kleuterschool is op Schiphol. De hele zomer komen de autobussen uit heel Nederland met kleuters die het aap-noot-miesboekje van meester Plesman willen horen opzeggen." Honderdduizenden kinderen gingen met schoolreisje of verenigingsuitstapje naar Schiphol. Daar wenkt al 100 jaar het avontuur, de betovering van vliegen door de lucht.


HARRY HOSMAN IS JOURNALIST EN PROGRAMMAMAKER. HIJ WERKT AAN HET PROJECT 'AMSTERDAM IN FILM EN TV-SERIE'.


Wilde Jaren op de Caledonia16-Caledonia

Een halve eeuw geleden liepen in september 1966 de eerste bewoners over de loopplank van de Caledonia. Het haveloze passagiersschip dat met 300 hutten de ongekend grote toeloop van studenten in Amsterdam het hoofd moest bieden. Al snel bevolkten hippies en freaks de dekken en de lounges. De drugshandel tierde welig, er was prostitutie, condooms verstopten de douches. Oh ja, er woonden ook nog studenten. Een terugblik met oud-bewoners.


Ineens, op de ochtend van 24 december 1965, verscheen de Caledonia voor de pieren van IJmuiden met bestemming Amsterdam. In de hoofdstad wiste ze van niks. Dat wil zeggen, niet op het stadhuis. Wél bij de Stichting Studenten Huisvesting (SSH), dat het zeventien jaar oude zeekasteel, zes dekken hoog en 150 meter lang, had aangekocht om het kamertekort onder studenten te lenigen. In één klap meer dan 300 kamers erbij. "De haven is overvol, ook al zie je veel water", riep de gealarmeerde burgemeester Gijs van Hall. Hij belde meteen met de kersverse SSH-voorzitter Arnold Heertje: "Kunt u dat schip niet terug laten gaan?" Nee, dus.
In de Hornhaven was plek. Na een verbouwing van f 5 miljoen bij de NDSM liepen de eerste bewoners in september 1966 over de loopplank in het Westelijk Havengebied, dan nog niet veel meer dan een kale zandvlakte. Het was drie kwartier fietsen naar de dichtstbijzijnde collegezaal en een bushalte was in geen velden of wegen te bekennen. Er mochten alleen mannen verblijven. De SSH vond het te gevaarlijk voor vrouwen om de lange, onverlichte weg naar het schip af te leggen. Later was dat wel eens argument om meisjes te overreden te blijven slapen. Wel kwam er vrij snel een bus naar de stad, maar die reed alleen 's ochtends vroeg, als de meeste studenten nog lagen te slapen.
Zo ver van het centrum raakten de hutten het eerste half jaar niet vol. Maar het drijvende studentenhuis zou de gemoederen al snel om heel andere redenen bezighouden. Verhalen over vervuiling, wilde feesten, drugsgebruik en hoeren op de boot vulden de krantenkolommen tot het eind in 1971. Toch staat ook vast dat velen er dé tijd van hun leven beleefden. De reportage in Intermediair van 27 december 1986 spreekt boekdelen, als Martin Bouwman met voormalige medebewoners terugblikt onder de kop 'De veteranen van de Caledonia'. Zijn verslag leest als een hekgolf van nostalgie én ellende.

Alles kan
Een van de geïnterviewden was Rien Verhoef. Zijn uitspraken van toen vult hij nu aan. Hij studeerde aanvankelijk in Delft. "Maar je wilde in die tijd natuurlijk naar Amsterdam." Via via wist hij een hut op de Caledonia te bemachtigen. "En dan kom je in een omgeving waarvan je het idee hebt: dit is misschien een kleine wereld, maar wel een waarin ik kan zijn wie ik ben. Dat was de Caledonia voor ontzettend veel mensen."
Eerste kocht hij een omvormer bij een elektriciteitswinkel op de Nieuwendijk, want de zware dieselmotoren diep onderin het schip wekten gelijkstroom op en die moest worden omgezet naar wisselstroom. De stroom- en watervoorziening werden geregeld door de vaderachtige hoofdmachinist Arie van Lint, die in het stuurhuis met zijn gezin woonde. Onder hem werkten vier machinisten in ploegendienst, met studenten als hulpjes.
Ook Bas Lubberhuizen was een regelmatige bezoeker van het schip. De latere eigenaar van café Welling woonde in Rotterdam en Utrecht, maar de Caledonia bood altijd een slaapplaats. "Vrienden lieten gewoon de sleutel van hun hut achter. Niemand vroeg wat. Het was chaotisch, leuk, vrij." Beiden roemen de inrichting. Verhoef: "Het schip zat vol Britse grandeur." Er waren lounges met fraaie lambrisering, leren fauteuils, een vleugel en ventilatoren zo groot als een propeller. En een zonnedek, waarvan sommige roekelozen een zweefduik in het IJ namen. Bouwman herinnert zich ook de volledig ingerichte kapsalon, een kinderkamer met hobbelpaarden en een tandartskamer met apparatuur. In de kasten lagen nog zilveren bestek en linnengoed. Voor 300 man was er één televisietoestel.
De kamerhuur was f 84,-, ongeacht de grootte, inclusief licht en verwarming. Uitstekend als slaapplaats tijdens een zeereis, te klein om in te wonen en te studeren. "Zeer gehorig bovendien", aldus Verhoef. Dunne houten wandjes scheidden de hutten van elkaar. "Als je buurman een lucifer aanstreek, hoorde je dat. Een keer zette hij om vijf uur 's morgens de nieuwste Stones op, was hij toevallig voor in de stemming. Het volume helemaal open. Hifi was toen net in opkomst. Maar de ongeschreven deal was: alles kan."

De boys
Het was een dorp waarin de verhoudingen vastlagen. Je had, wat Verhoef in Intermediair noemt, de 'boys', de 'mandarijnen'. De jongens met invloed, met baantjes, met een stuurmans- of kapiteinshut. De Caledonia was ook een 'apenrots'. Student Matti von Berg: "Ik geloof dat we niet zozeer anarchisten waren – dat is wel mooi uitgedrukt – als wel egoïsten. We gaven andere bewoners geen kans." Tot de mandarijnen behoorde ook politicologiestudent Jan in 't Hout. "De SSH had niets in te brengen. We deden echt wat we wilden. Ze durfden nauwelijks aan boord te komen."
Bas Lubberhuizen en In 't Hout organiseerden boekenveilingen met gratis drank. Lubberhuizen haalde lichtbeschadigde boeken uit de opslag van uitgeverij De Bezige Bij, waar vader Geert directeur was. In 't Hout zag nóg een gat in de markt. Binnen een straal van enkele kilometers was geen pak melk te krijgen."Dus begon hij een scheepswinkeltje, met melk, brood, spaghettisaus", zegt Lubberhuizen, die ook in het winkeltje werkte.
Na enkele maanden kreeg Verhoef een van de felst begeerde baantjes, dat van scheepsbarkeeper. Verhoef nu: "Er was een circuitje. Om erbij te horen was het goed een baantje te krijgen." Hij evolueerde al gauw van studentbarman tot barmanstudent. Met de maandelijkse beurzen kon de bar – die kwartaalkredieten gaf en dus ook als bank fungeerde – worden betaald. "We hadden de directeur van de SSH voorgerekend dat er een x-aantal glazen uit een vat ging. Wist hij veel. Er gingen er geloof ik driemaal zoveel uit. De bar bleef open zolang het lonend was." In zomerse nachten dook iedereen naakt in het zwembad. "Deuren open op het achterdek, mooie lichtjes aan de overkant van het IJ, in je blote kont aan de bar..."

Speelhol
Een economiestudent had een hut als speelhol ingericht. "Als je midden in de nacht aan een fruitautomaat wilde trekken, maakte je hem gewoon wakker." Verhoef leerde bridgen op de Caledonia. "Sommigen moesten daarvoor in de steigers worden gehesen. Een legendarisch figuur als de student 'Oude Piet' kreeg eerst zijn glaasje melk, als een patiënt. Zaten we daar in de lounge een doordeweekse middag te verkaarten. Dan denk je niet: hierna komt alles wel weer goed. Eerder: nu komt er nooit meer iets goed!" Het aantal studenten dat regelmatig college liep nam snel af. Bij het ontbijt verschenen velen in ochtendjas, om daarna in de lounge te blijven hangen. Toewijzing van kamers was vriendjespolitiek. SSH-voorzitter Heertje beloofde een onderzoek naar "het slechte moreel". Het is er niet van gekomen.
Ach, het moreel... In 't Hout: "Het moreel was uitstekend! Tja, of de moraal ook zo hoog was?" Bouwman beschrijft een feest met een animeermeisje, dat ze hadden aangesproken op de Zeedijk. Er was ook aan begeleidende acts gedacht: Oude Piet die glas kon eten en een student die veiligheidsspelden door zijn wang prikte. "Zij vormden de achtergrond voor deze dame, die zich totaal verbijsterd aan het uitkleden was. Bovendien begon het hele gezelschap zich van de kleren te ontdoen en er werden schoenen en sokken naar voren gegooid."
De klachten over de beroerde ligplaats werden gehoord. Onder het zingen van de Internationale werd de Caledonia in december 1967 naar het Stenen Hoofd versleept, de pier aan de Westerdoksdijk, enkele minuten fietsen van het Centraal Station. Meisjes konden zich nu ook laten inschepen. Dat leidde tot weer andere problemen. Gingen de bewoners eerst "regelmatig voor luizen en platjes naar de GGD op de Groenburgwal" (Bas Lubberhuizen), in de zomer van 1968 kregen ze te horen dat aan boord geslachtsziekte heerste.

Verloedering
Ook drugs overspoelden de gangboorden van het schip. De 'speedscene' veroverde de dekken. Werkende jongeren vonden op het schip een gedoogklimaat voor hun gebruik én een potentiële afzetmarkt. Student Emiel: "Studenten dachten: leuk, havenarbeiders, glazenwassers." Menigeen werd volgens hem te grazen genomen. De jongens van de straat waren gehaaid genoeg om gebruik te maken van een tolerante ambiance. De code van Emiel en andere dealende studenten was: eerst zaken doen, dan een pijpje roken. "Hún manier van onderhandelen was: iemand stoned maken en dan zeggen: 'Dit is 50 gram', vervolgens de beurs inpikken en links en rechts nog wat lp's." De komst van de harddrugsscene markeerde het begin van de verloedering op de Caledonia. Verhoef over de vrijhaven: "De grote narigheid kwam toen mensen gingen experimenteren met lsd en heroïne. Dealers en hun knechtjes verschenen. Ik heb meegemaakt dat iemand overboord sprong na lsd-gebruik."
In de hippiezomer van 1969 was het schip meer dan 100% overbezet. De lounges en de dekken lagen bezaaid met slaapzakken. Tientallen Damslapers trokken bij regen naar het Stenen Hoofd. Ook verschillende minderjarigen, die de politie van boord haalde. Van de vijf douches werkten er maar drie. Putjes raakten verstopt met gebruikte condooms en drollen. Voorstanders van een pasjescontrole werden in de bewonersvergadering onthaald op hoongelach.
Er kwam een portier. Maar de onttakeling zette door. Onder het oog van een twintigtal kijkers werd de gemeenschappelijke tv 'ter reparatie' meegenomen door twee figuren. Twee professionele slopers begonnen, in afwachting van het definitieve einde, alvast de bouten van de koperen patrijspoorten los te draaien. De Caledonia was een prooi van kakkerlakken. Besloten werd het schip af te stoten. Na vier jaar was het 'feest' voorbij.

Dancing years
Begin 1970, met het gereed komen van de studentenflat Kattenburg, begon de ontruiming en in 1971 kocht de Duitse sloper Eckhardt & Co het schip. Volgens de Algemene Rekenkamer had de huisvesting op het schip de universiteit per jaar per student f 4000,- meer gekost dan in studentenflats.
Sommigen leidden op de Caledonia louter een uitvretersbestaan, concludeert Bouwman. Maar er zijn ook vriendschappen voor het leven gesloten, zegt Verhoef, nu een gelauwerde vertaler. Bas Lubberhuizen en de inmiddels overleden Jan in 't Hout richtten na de Caledonia literair café De Engelbewaarder op, met ook Verhoef achter de tap.
De "dancing years", noemt Verhoef de tijd op de Caledonia. De wilde jaren. "Jongens waren we – maar aardige jongens", citeert hij de eerste regel van Nescio's Titaantjes."Wij hebben er geleefd, dingen meegemaakt die menige veertiger van nu met een keurig bestaan en dito huisvesting nooit heeft meegemaakt en nooit zal meemaken. De Caledonia is voor mij een soort snelkookpan geweest, al was het wel een rem op vlot afstuderen. En als er één conclusie getrokken kan worden in de persoonlijke levenssfeer: velen die er woonden zijn kinderloos gebleven."

HARRY HOSMAN IS JOURNALIST EN PROGRAMMAMAKER. HIJ WERKT AAN HET PROJECT 'AMSTERDAM IN FILM EN TV-SERIE'.


Voor alles de familie: steeds weer een Jan Six Six-1-Mak-in-kamer

"Ik moet nu wel even ont-Sixen", bekent Geert Mak in het tuinhuis van uitgever Atlas op de Prinsengracht. Dicht bij Amstel 218, het huis van de familie Six en het onderkomen van hun imposante kunstcollectie, met als topstuk Rembrandts schilderij van Jan Six I uit 1654. Hij bracht er talloze uren door, om greep te krijgen op het dagelijks leven van het aloude Amsterdams patriciërsgeslacht door de eeuwen heen. Wat kwam hij te weten?


Een week geleden, op 25 augustus, werd het boek feestelijk gepresenteerd: De levens van Jan Six. Een Amsterdamse familie. Het is veel meer dan een familiekroniek. Via de familie Six krijgen we een beeld van de ups en downs van de hele Amsterdamse elite gedurende de afgelopen ruim 400 jaar.
"De Sixen hebben me een beetje verleid...", zegt Mak. "Bij de opening van de Hermitage in 2009 maakte ik kennis met Jan Six X, de huidige pater familias en collectiebeheerder. Hij nodigde mij uit om eens langs te komen. Ik was overdonderd door alle schilderijen in dat huis en ook door de oude voorwerpen en archivalia die ik daar zag. De 'historische sensatie' (om met Johan Huizinga te spreken) giert daar door je ledematen! Wat me ook frappeerde was de continuïteit. We kennen de Jan Six die Rembrandt portretteerde. Maar in iedere generatie kende Amsterdam een Jan Six – want traditiegetrouw wordt in deze familie de oudste zoon zo genoemd. En ook de naasten van deze Jannen kwamen er voor mij tot leven, door alle portretten, bewaarde brieven, huisraad, kledingstukken en overgeleverde familieverhalen."

Maagschap
In zijn vorige Amsterdam-boeken, zoals De engel van Amsterdam (1992) en Een kleine geschiedenis van Amsterdam (1995), beschreef Mak met veel compassie het wedervaren van daklozen, hoeren, junks, verbrande wederdopers en andere geknakte of juist oproerige pechvogels uit het Amsterdamse verleden en heden. "Nu vond ik het wel eens nodig de samenleving door de ogen van de bovenlaag te bekijken. Over de lagere klassen is zo langzamerhand redelijk veel bekend, terwijl de geschiedschrijving van de elite pas in de laatste decennia goed op gang is gekomen.
"Wie mij enorm geholpen heeft is Bas Dudok van Heel, gepensioneerd medewerker van het Stadsarchief. Die weet krankzinnig veel over het Amsterdams patriciaat – ook over Rembrandt, trouwens. Hij wijdde mij in het standsdenken in. Om die tijd te begrijpen moet je je hedendaagse bril afzetten. Ongelijkheid was de norm, zeker tot midden 18de-eeuw. Gelijkheid en gelijkwaardigheid zijn uitvindingen van de Verlichting en het duurde lang voor die begrippen gemeengoed werden.
"Bas wees me ook op de grote betekenis van het begrip 'maagschap': de vanzelfsprekende, onvoorwaardelijke solidariteit met je familie. Alles was daaraan ondergeschikt, ook het liefdesleven. Financiële en politieke familiebelangen bepaalden goeddeels de partnerkeuze. Vandaar de geweldige commotie toen in 1817 Henriëtte Six, dochter van Jan IV, er vandoor ging met de substituut-schout van Hillegom, het dorp waarvan hij ook 'Heer' was. Een lage ambtenaar! Zij werd meteen onterfd en uitgestoten."

Familietrekjes
Hoe representatief waren de Sixen eigenlijk voor de Amsterdamse elite? "Nou, representatief waren ze zeker tot het begin van de 19de eeuw. Toen viel de elite nog samen met het patriciaat: de families die in wisselende machtsblokken het stadsbestuur domineerden. In de eerste helft van de 17de eeuw waren het vooral nijvere kooplieden en ondernemers, daarna (vaak behoorlijk corrupte) renteniers. Onder Napoleon hielden ze nog heel wat invloed, maar na 1815 moesten de steden hun meeste macht afstaan aan de koning. Adellijke titels waren de troostprijs. De Sixen trokken zich terug uit de politiek, waar na 1850 de niet-patricische welstandige burgers – ondernemers en bankiers – de meerderheid kregen. Maar het bijzondere van de Sixen is dat ze veel aanzien bleven houden dankzij hun culturele status, gebaseerd op hun kunstcollectie. Die verbond hen als het ware met de eeuwigheid. Anders dan bijvoorbeeld de familie Van Loon die omwille van het geld hun schitterende collectie kunstbezit goeddeels verpatste."
De diverse Jannen vertonen grote verschillen. "Toch zie je bepaalde eigenschappen telkens terug. Natuurlijk vooral hun liefde voor de kunst. Neem Jan XI, die is nu met z'n 39 jaar een gerenommeerd Rembrandtkenner. Ook hebben ze een vanzelfsprekend gemak van optreden, een gave die het gemiddelde bouwvakkerskind níet cadeau krijgt. Familietradities zijn er ook: Sixen eten, zo wordt beweerd, het liefst enkel met een vork."

Pandora
De bijzonderste stukken in het Six-archief zijn de kleine en grote Pandora van Jan Six I. De eerste (1641-1656) is een soort vriendenboek met pentekeningen van Rembrandt, architectuurtekeningen van Adriaan Dortsman en gedichten van onder meer Vondel en schouwburgdirecteur Jan Vos; de tweede (1665-1686) bestaat uit twee enorme mappen die fungeerden als dag- en kladboek van Jan Six zelf, vol wijsgerige gedachten, gedichten, vergadernotities, vunzige moppen, weerberichten en recepten. "Maar ook met godsdienstige en wijsgerige beschouwingen. Je ziet hem worstelen met de opvattingen van Descartes en Spinoza, met de beginnende Verlichting. Zelden krijg je zo'n intieme inkijk in de geest van een 17de-eeuwse Amsterdammer. Daar moet echt nog eens een grondig historisch onderzoek aan worden gewijd."
En aan welke onderwerpen nog meer? "Nou, denk aan andere prominente Amsterdamse families, zoals Bicker, Backer, Hooft en Valckenier, En de 18de-eeuwse Doelistenbeweging, die hier in de Lage Landen voor het eerst een soort democratie-ideaal formuleerde. Daarmee begon het, de gelijkwaardigheid, het einde van het elitedenken."


De familie Six
De familie Six verwierf al enig aanzien in Frans Vlaanderen (Saint-Omer) als lakenververs, voordat Charles Six in 1586 naar Amsterdam vluchtte. Wie waren zijn opvallendste nazaten? Allereerst Jan Six I (1618-1700), nog steeds firmant van de textielververij, maar steeds meer vooral dichter, kunstverzamelaar en vanaf 1691 een paar jaar een van de vier burgemeesters van Amsterdam, bevriend met Vondel en met Rembrandt, die in 1654 een beroemd portret van hem maakt. Dan de stinkrijke, ondernemende en corrupte Jan II (1668-1750), burgemeester van 1719 tot 1748, en als eerste Six ook Heer van Hillegom. Zijn gebochelde achterkleinzoon Jan V (1788-1863) stierf ongehuwd, zodat de grote kunstcollectie van de familie terechtkwam bij diens broer Hendrik Six, getrouwd met Lucretia van Winter, die zelf ook een grote kunstverzameling had geërfd. Sinds in 1841 koning Willem II de familie in de adelstand verhief, mocht Hendrik zich jonkheer noemen. Hun zoon Jan Pieter alias Jan VI (1824-1899) ontwikkelde zich tot gezaghebbend archeoloog en penningenexpert.Jan VII (1857-1926) trad in zijn voetspoor en werd hoogleraar kunstgeschiedenis. Gedwongen door de verbreding van de Vijzelstraat verhuisde deze in 1916 van Herengracht 511 naar Amstel 218, nu nog steeds het familiehuis en onderkomen van de Collectie Six. Zijn eerste zoon, Jan VIII (1891-1961), was directeur van de Amstelbrouwerij en medeoprichter van Stadsherstel; zijn tweede, Pieter Jacob (Piet) Six (1895-1986), leidde tijdens de Duitse bezetting de nogal rechtse verzetsgroep Ordedienst (OD). Jan Six X (geb. 1947) is de huidige voorzitter van de Six Stichting. Hij werkte in het uitgeefvak en in de (culturele) reclame, schreef diverse boeken en is bestuurder van nogal wat instellingen. Jan XI (geb. 1978) is kunsthistoricus en kunsthandelaar – en trotse vader van Jan XII (geb. 2013).


'Op de wegh nae Slooten': een fietstocht28-Sloten

Sloten hoort al bijna een eeuw bij Amsterdam, maar is een aparte, dorpse enclave gebleven, met een eigen landelijke sfeer en mentaliteit. Wie vanaf de Overtoomse Sluis de weg naar Sloten gaat, volgt een oude, legendarische pelgrimsroute. Een weg vol oude verhalen. Het heden wijkt voor het verleden, terwijl de drukte plaatsmaakt voor rust en stilte.


De Slotenaren zijn trots op hun dorp. Zij gaan er prat op dat Sloten twee eeuwen ouder is dan Amsterdam en dankzij de geïsoleerde ligging aan de uiterst zuidwestelijke rand van de stad ook een heel eigen niet-Amsterdams karakter heeft. Sloten is Sloten, zogezegd. Vanuit de binnenstad is het dorp te bereiken met tram 2: vanaf de eindhalte is het nog zo'n minuten lopen naar de kern. De tramrit is volgens National Geographic een van de tien beste ter wereld, een extraatje dus. Wij volgen echter op de fiets de route via de Sloterweg, die Sloten tot ver in de 20ste eeuw verbond met Amsterdam en in de Middeleeuwen deel was van de pelgrimsroute vanuit Haarlem en de rest van Holland richting het Mirakel van Amsterdam in de Kalverstraat.
Onze tocht start bij de Overtoomse Sluis (1), aan de westkant van de Schinkel. Tot ver in de 20ste eeuw begon hier het platteland. De Schinkel vormde tussen 1816 en 1921 de grens tussen Amsterdam en de gemeente Sloten, die bestond uit de dorpen Sloten en Sloterdijk en de buurtschappen Oud Osdorp, Vrije Geer, Overtoomse Buurt en De Baarsjes. Vóór die tijd behoorde het veengebied tot een ambachtsheerlijkheid die in 1529 in het bezit was gekomen van de stad Amsterdam. Volgens de overlevering had ambachtsheer Reinoud III van Brederode (1492-1556) haar met dobbelen verloren aan een van de burgemeesters. Hoe het ook zij, sindsdien viel Sloten en omgeving onder de invloedssfeer van Amsterdam. Een feit waar de bewoners van de oude dorpskern zich nog altijd niet zonder slag of stoot bij wensen neer te leggen.

Kaart
De weg naar de dorpskern van Sloten is lang maar aangenaam. Vrijwel direct passeren we op Sloterkade 21-22 het zorgvuldig geconserveerde Aalsmeerder Veerhuis (2) uit 1634, ook bekend als Herberg de Bonte Os. Het huis zit ingeklemd tussen moderne hoogbouw, maar katapulteert je direct ver het verleden in. Tot diep in de 20ste eeuw was het onderdeel van de levendige Overtoomse Buurt, vol herbergen en ambachtslieden. Oudbouw en nieuwbouw blijven elkaar afwisselen langs de Schinkel. Continu verspringend in hoogte en diepte geven ze de Sloterkade een aangenaam chaotisch aangezicht.
Aan het eind gaat de kade over in de Rijnsburgstraat. Een naam die pas sinds 1978 bestaat, voorheen was dit stukje het begin van de Sloterweg. We stappen er even af om Huis te Vraag (3) te bekijken (open na 11.00 uur), links verscholen in het groen, en misschien wel de meest romantische, verstilde plek van Amsterdam, met al die oude, scheefgezakte graven overwoekerd door klimop. En de kaart komt te voorschijn, want we kunnen opeens niet meer verder: de Sloterweg is pas te bereiken na het doorkruisen van knooppunt De Nieuwe Meer, waar auto's over de A10 en A4 razen. Een lieflijke fietsroute ligt langs de Nieuwe Meer en de Oeverlanden, maar wij nemen de kortere doorsteek over het Aalsmeerplein en de Vlaardingenlaan, onder de snelweg en de metro door en verderop linksaf de Johan Huizingalaan in.

Bijenteelt
Daar aan onze rechterhand ligt dan eindelijk de Sloterweg. Een tikje teleurstellend is hij in eerste instantie wel: waar is het verleden gebleven? Links staat hoogbouw in de vorm van functioneel uitziende kantoren en designhotel Artemis (4). Rechts ligt Park Haagseweg (5), vóór 1990 een sportpark, nu een keurig woonwijkje met straatnamen van jazzmuzikanten. De politieschool die sinds 1969 op Sloterweg 700 was, is in 2014 gesloopt om plaats te maken voor eilandjes met zelfbouwkavels. Wel is de asfaltweg opeens vernauwd, 30 kilometer per uur is het nieuwe maximum. De aparte fietsstrook is verdwenen en een stoep ontbreekt. Wandelaars, fietsers, scooters, auto's, bussen, vrachtwagens en tractoren moeten het smalle wegdek met elkaar zien te delen. Regelmatig dienen tegenliggers elkaar eerst te laten passeren om verder te kunnen gaan. De Sloterweg dwingt geduld en hoffelijkheid af.
Voor de dappere doorfietser ontvouwt zich nu eindelijk de landelijke rust die de polder tot aan de annexatie in 1921 door Amsterdam kenmerkte. Het begint met de paarden bij Manege de Ruif (6). Erachter ligt het Siegerpark (7), vernoemd naar dr. Wilhelm Sieger (1886-1958), directeur van de Amsterdamse Chininefabriek en lid van de Amsterdamse Vereniging tot Bevordering van de Bijenteelt. De fabriek gebruikte het gif van bijen om medicijnen te maken tegen reuma. Sieger vroeg tuinarchitect Jan Bosma een bijenvriendelijke tuin in te richten in Engelse landschapsstijl, met veel exotische bomen. Ernaast kwam nog het Bijenpark met siertuinen en imkertuinen.
Beide werden in 1936 geopend en later uitgebreid, om na de aanleg van de A4 weer in te krimpen. Het Siegerpark was daarna decennialang een kweek- en proeftuin van de Hortus Botanicus en is sinds 1996 een openbaar stadspark. Er staan beeldhouwwerken van onder meer Hildo Krop en André Volten, uitgeleend door het Stedelijk Museum. Het 'oude' Bijenpark (8) (sinds 1965 is er ook het 'nieuwe' bij de Osdorperweg) bestaat nog steeds, verstopt achter de panden van firma Van der Veldt, te herkennen aan de duikboot (op het droge). Ga tussen de twee loodsen door en volg het onverharde weggetje erachter.

Rust
Wij gaan verder. Voorbij volkstuinencomplex Lissabon (9), de rotonde met de brede Anderlechtlaan, het grote Sportpark Sloten (10) met wielercircuit en Velodrome, golfbaan, turnhal, voetbal-, honkbal- en American-footballvelden en dan langs vrijstaande boerderijen en klassiek vormgegeven huizen, van de weg en elkaar gescheiden door groene, boomrijke tuinen en slootjes vol kroos, alleen te bereiken over privébruggetjes. Het is rustig hier. Een belangrijke doorgangsweg is de Sloterweg al sinds begin 16de eeuw niet meer. In 1508 werd de landbrug tussen Haarlem en Sloten door de golven van het Haarlemmermeer weggeslagen. Voortaan ging het verkeer via Sloterdijk. Het gebied bleef voorbehouden aan boeren en andere buitenlui. De Sloterweg was lang een populaire zondagse wandelroute voor veel Amsterdammers, onder wie Rembrandt van Rijn. Weg, dorp en kerk heeft hij meermalen vereeuwigd.
Hoewel de lintbebouwing geen 17de-eeuwse resten meer toont, is de verstilde sfeer die Rembrandt en anderen schetsten nog altijd aanwezig. Dat geldt ook voor de oude dorpskern van Sloten: rechtdoor bij de kruising met de Ditlaar en hobbelend verder over de Sloterweg, die nu bestraat is met klinkers. Links passeren we het Tolhuis (11), waar tot 1923 weggebruikers een paar cent moesten betalen voor ze verder mochten. Rechts staat de Sint-Pancratiuskerk (12) (uit 1901) op de grond van een gelovige boer die zijn boerderij en land aan de Rooms-katholieke Kerk had geschonken. Erachter ligt een begraafplaats, ertegenover café-restaurant Kerkzicht (13) , waar een goed katholiek na de mis even een borreltje ging (gaat?) pakken.

Banpaal
Een scheefhangend bordje verklapt de locatie van de Banpaal (14), goed verborgen achterin een steegje rechts. De banpaal is er een van zes die er ooit rond Amsterdam stonden, de twee andere overgeblevenen staan langs de Amsteldijk en (in Amstelveen) de Amsterdamseweg. Ze gaven tot 1795 de grens aan tot waar het recht van Amsterdam gold – 7,4 kilometer rond de stad. Boeven en ander ongewenst volk die verbannen waren, mochten niet voorbij de paal komen. Die in Sloten heeft wel héél kort dienstgedaan: volgens het opschrift stamt hij uit 1794...
Het opvallend kleine dorp is stil, heel stil. Naar winkels zoek je tevergeefs. Op Sloterweg 1210 zijn nog wel de mooie gebogen etalageruiten van een voormalige kruidenierswinkel (15) te zien. Ook de etalage van de 'vleeschhouwer' op Sloterweg 1233 (16) is dankzij het opschrift nog goed herkenbaar. Het zijn de schamele resten van een ooit bruisende middenstand: rond 1900 waren in Sloten onder meer een bakkerij, loodgieters-/dakdekkersbedrijf, hoefsmederij, slagerij, groentewinkel, melkboer, kruidenier, tabakszaak, ijzerwarenhandel, smederij, kapper en timmermanswerkplaats te vinden. En natuurlijk diverse café's, mede dankzij de drooglegging van het nabijgelegen Haarlemmermeer: de vele polderwerkers hielden wel van een glaasje. Net als de dagjesmensen, die met de paardentram vanuit Amsterdam het eeuwenlang als onmogelijk beschouwde project kwamen bewonderen.
Één van die café's was op de plek van het huidige Dorpsplein (17). Dat ontstond in de 20ste eeuw door de sloop van twee 17e-eeuwse panden, waaronder het Rechthuis annex de herberg (Sloterweg 1030). Volgens het naambordje is het "gelegen boven een terp die omstreeks 1175 is gesticht". Er staat een huisje waarin tot in de jaren 1980 het kleinste politiebureau van Nederland zat, met een cel waar voornamelijk dronken dorpelingen hun roes uitsliepen. Ernaast valt een niet-werkende brandmelder op (Amsterdamse School, ontwerp 1927), waar ooit de wél werkende dorpspomp stond, die is verhuisd naar het midden van het pleintje.

Drukte
Achter het dorpsplein is een tweede kerk zichtbaar, de Sloterkerk (18), de opvolger van het alleroudste kerkje van 'Sloton', zoals het plaatsje ooit voor het eerst in een document uit 1063 vermeld staat. De locatie van dat eerste godshuis is zoek, pas rond 1200 kwam de Sloterkerk op de huidige plek te staan; in 1573 werd de kerk door de geuzen verwoest. De nieuwe versie is door Rembrandt vereeuwigd, maar wist de tand des tijds niet te doorstaan en is in 1860 weer vervangen door de huidige protestantse Sloterkerk. Je kunt er omheen en komt dan de voormalige pastorie uit 1909 tegen, met in de achtertuin verscholen de 'Rooie Reus', een knobbelige, monumentale beuk die door Het Parool is uitgeroepen tot de mooiste boom van Amsterdam.
Terug naar de voorkant van de kerk, de Osdorperweg oversteken en via de Nieuwe Akerweg naar de Akerpolderstraat met het voormalige Wees- en Armenhuis (19), nu een appartementencomplex voor jongeren. Aan het einde ligt weer de Sloterweg. Links is de Lies Bakhuyzenlaan met de ingang van het park van de Vereniging Amateur Tuinders (20), gesticht in 1919. Rechtsaf de Sloterweg op passeren we al snel de Speeltuin Sloten (21), in 1921 opgericht door bezorgde Slotense winkeliers en zakenlieden. Ze vonden het niet meer verantwoord om de kinderen op straat te laten spelen. Sloten werd in die tijd drukker en drukker, aangezien het toen dé doorgangsroute was voor de nieuwe Haarlemmermeerpolder, waarin Badhoevedorp en Schiphol een plekje hadden gevonden. De voortdurende expansiedrift van Amsterdam, dat in datzelfde jaar Sloten annexeerde, deed bovendien vrezen voor de toekomst.
Die vrees werd bewaarheid. Om het dorpse Sloten heen is de wereld ingrijpend veranderd. De A4 deed de verkeersdruk op de Sloterweg weliswaar afnemen, maar met de aanleg van de Westelijke Tuinsteden vanaf de jaren vijftig rukte de stad steeds verder op. In 1962 richtten dorpelingen de Dorpsraad Sloten-Oud Osdorp op om de belangen van de oude dorpen en het landelijke gebied te kunnen verdedigen. De Slotenaren strijden sindsdien onvermoeibaar voor behoud van het historische karakter van hun dorp.

De Vrije Geer
Soms creëren ze daarbij zelfs nieuw verleden. Zo verrees in 1991 bij het einde van de Sloterweg de Molen van Sloten (22), al snel een belangrijke publiekstrekker. Op een molenromp uit 1847 uit de Watergraafsmeer is een nieuwe bakstenen onderbouw geplaatst. Ook de kap en de wieken zijn nieuw. De molen is in 2005 uitgebreid met het Kuiperijmuseum, waarvan de houten gevel is geschilderd in traditioneel Zaans groen.
De dorpsraad wist ook authentiek Slotens verleden te redden uit de klauwen van de gemeente en de projectontwikkelaars: het 'Weilandje van Sloten', het laatste stukje van het veenweidegebied dat zich vroeger uitstrekte tussen Amsterdam en Sloten. In de jaren 1990 verrees ten westen van Sloten nieuwbouwwijk De Aker (23), te zien aan de overkant van de Slotervaart, die hier uitmondt in de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder, precies waar de Molen van Sloten ligt. De wijk is te bereiken over de Akersluis (24). Aan de noord- en oostkant dreigde de woonwijk Nieuw Sloten de oude dorpskern aan de noord- en oostzijde geheel te gaan omklemmen. Ook zou er een tramverbinding komen tussen Nieuw Sloten en De Aker. Het weilandje kwam daarmee in gevaar.
Dorpelingen onder leiding van ideeënman en filmproducent P. Hans Frankfurther wisten voldoende handtekeningen te verzamelen om een referendum af te dwingen. Op 17 mei 1995 koos de overgrote meerderheid van de stemmers tegen bebouwing, waarmee het weilandje was gered. Tegenwoordig heet het Natuurpark Vrije Geer (25); de naam verwijst naar de driehoekige heerlijkheid die hier tot 1795 lag en was vrijgesteld van bepaalde belastingen aan de graven van Holland. Het is te bereiken door vlak voor de Akersluis rechtsaf te slaan en de Plesmanlaan over te steken. Fiets door over het weggetje de Vrije Geer en loop links het onverharde pad op. Zo moet Sloten en omgeving er eeuwenlang uit hebben gezien. Alsof er dadelijk weer een middeleeuwse pelgrim aan komt lopen.


EMMA LOS IS HISTORICA.


Dandy tussen proletariërs: Frank van der Goes (1859-1939)38-Goes

De chic ogende Frank van der Goes was een wonderlijke verschijning in de opkomende arbeidersbeweging. Als jonge assuradeur raakte hij verzeild in de vernieuwende culturele stroming van de Tachtigers en de kring van hervormingsgezinde, linkse liberalen in Amsterdam. Niet veel later was hij in 1894 medeoprichter van de SDAP, voorloper van de PvdA. Tot ook die hem in de jaren dertig te 'burgerlijk' werd. Want hoe aimabel ook, hij was beginselvast.


De socialistische 'meneer' met 'voorname manieren' Frank van der Goes was veel, maar allesbehalve 'doorsnee'. Allereerst al niet met zijn afkomst. Hij stamt uit een oud regentengeslacht, zijn grootvader van moederskant pleitte al in 1848 voor algemeen kiesrecht en zijn vader was assuradeur. Op de Eerste HBS op de Keizersgracht was Frank klasgenoot en vriend van aankomend dichter Jacques Perk. In het voetspoor van zijn vader werd hij weliswaar verzekeraar, maar zijn belangstelling lag vooral bij de letteren en de politiek.
Hoewel geen universitair student, was hij in 1881 medeoprichter van het academische letterkundig genootschap Flanor, dat zich afzette tegen de ouderwetse rijmelarij van gevierde heren als Hendrik Tollens en Jan ten Kate. Leden waren later beroemde jongeren als Willem Kloos, Arnold Aletrino, Frederik van Eeden en Karel Alberdingk Thijm alias Lodewijk van Deyssel. Tijdens de voorleesavonden in een schemerige en doorrookte zaal van gebouw Eensgezindheid op het Spui (nu American Bookstore) heerste een wat baldadige, studentikoze sfeer. Sommigen leunden uit het raam en rookten dikke sigaren en zelfgedraaide sigaretten. Anderen discussieerden over alles wat zich aandiende en maakten zich daarbij soms zo nijdig dat de gordijnen aan flarden werden gescheurd. Veel gelachen werd er ook.
De grote Amsterdamse dichter van de Gouden Eeuw Gerbrand Adriaensz Bredero was een van hun helden. Zijn 300ste geboortedag werd in maart 1885 uitvoerig gevierd. Van der Goes was secretaris van de feestcommissie, net als Frederik van Eeden en Frans Erens, de gemeentearchivaris Nicolaas de Roever (getrouwd met Franks zus) en de links-liberale journalist Pieter Lodewijk Tak van het dagblad De Amsterdammer. Zo groeide Van der Goes' netwerk. Na de feesten gingen de twaalf commissieleden verder als de 'Breero-Club', om vanaf september 1885 iedere zaterdagavond bij elkaar te komen in een van de vele bierlokalen in de Warmoesstraat.

Madeliefje
De jurist en latere wethouder Wim Treub was er ook bij. Hij noemde deze tijd in zijn memoires de mooiste van zijn leven: "Wij waren allen jong, vol idealen, vol energie en scheppingsdrang; bijna geen onderwerp was er, dat niet nu en dan werd besproken en dat met de zekerheid van overtuiging, die aan de jeugd eigen is. In dit was wel de groote beteekenis van de Breêrooclub, dat zij haar getrouwen onwillekeurig aanzette om, ieder op het gebied dat het zijne was, en elk naar de mate zijner krachten en gaven, niet slechts te theoretiseeren en te philosofeeren, maar ook te doen."
Door zijn afkomst, beroep en plaats in de nieuwe culturele voorhoede was Van der Goes (lang en mager, met brede, gesoigneerde snor) als 26-jarige al een hele meneer, en dat droeg hij graag uit. Medeliterator Frans Erens roemde zijn 'voorname manieren'. Hij sprak behoorlijk bekakt en was steeds piekfijn gekleed – opstaande witte boord, hoge hoed, lange zwarte jas met een madeliefje in het knoopsgat, lorgnet en elegante rotan wandelstok. Die dandystijl gold als verzet tegen de middelmatigheid en werd door tijdgenoten zowel bewonderd als bespot.
Over zijn zorg voor kleding én medemens vertelde de jonge dichter Albert Verweij een anekdote. Op een avond in 1888 verliet Van der Goes met zijn vrienden Willem Witsen, Willem Kloos, Hein Boeken en George Breitner een bar op het Rokin, toen ze vanuit het water een man hoorden schreeuwen om hulp. Van der Goes sprak een heer aan: "'Och meneer, wilt U zoo goed zijn een beetje voor die kleeren te zorgen', en meteen kleedde hij zich uit en de meneer zei: 'Zeker Meneer'. Maar juist stond Goes op zijn kousen en in zijn hemd, toen in-éenen Hein, die tusschen twee haakjes vrij wat gedronken had, tusschen de menschen door kwam springen, hé! zei en zich hals over kop in 't Rokin liet vallen. Pakte den man bij zijn kraag, zwom met hem naar de wal, waar Goes in zijn hemd op 't kantje zat en de twee op 't droge haalde."

Bombarie
De jonge hemelbestormende schrijvers, dichters, kunstenaars en journalisten bespraken behalve culturele ook maatschappelijke vraagstukken. Het idee ontstond voor een eigen tijdschrift. Dat werd (oktober 1885) De Nieuwe Gids en de groep eromheen is als 'de Tachtigers' de geschiedenis ingegaan.
In deze jaren van de 'Tweede Gouden Eeuw' breidde Amsterdam zich explosief uit en bloeide economisch op, maar de nieuwe welvaart was dramatisch slecht verdeeld. Tegen die achtergrond was er onrust op straat (het Palingoproer van 1886!) en reuring in de gemeentepolitiek. Het rommelde in de ouderwets-liberale kiesvereniging Burgerpligt. Gezien de sociale ellende kon de overheid niet meer alles overlaten aan het 'vrije spel der maatschappelijke krachten', vonden Wim Treub en zijn medestanders. In 1888 richtten zij de kiesvereniging Amsterdam op. Ook Van der Goes werd lid.
Twee jaar eerder had hij al de aandacht getrokken met een felle protestbrochure tegen de celstraf voor socialistenvoorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis wegens majesteitsschennis. Op 7 juli 1886 werd hij daarom door medezakenmensen met veel bombarie de Beurs van Zocher op de Dam uitgeduwd. Hij raakte daarna bekend als ijveraar voor algemeen kiesrecht. Domela's in 1882 opgerichte Sociaal-Democratische Bond trok hem weinig: het domme geschreeuw en regelmatige straatgeweld stuitte hem tegen de borst en hij miste een doordachte strategie. Maar in 1891 bekende hij toch kleur en werd lid van de SDB.
Niet voor lang. Anders dan Domela zag hij het parlement als een onmisbaar strijdtoneel. En al heel snel kreeg hij ruzie met de charismatische partijleider, toen hij protesteerde tegen de brallerige en antisemitische bijdragen van de gedroste Duitse militair Hans von Barnekow, de rancuneuze zwager van bierbrouwer Gerard Heineken.* Domela waardeerde diens populistische tirades tegen de elite juist zeer. Van der Goes werd geroyeerd.

Prestige
De enigen die hem in de SDB hadden gesteund waren enkele jonge Joodse diamantbewerkers rond Henri Polak. Met onder meer Polak en de jonge advocaat Pieter Jelles Troelstra richtte hij in 1894 een eigen partij op: de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Economisch geschoold en vlot schrijvend kreeg Van der Goes de status van partijideoloog, mede doordat hij in hetzelfde jaar had gezorgd voor de eerste Nederlandse vertaling van Karl Marx' Das Kapital. Zijn prestige nam verder toe toen hij in 1900 na een heftige pennenstrjjd werd toegelaten als privaatdocent Socialistische Economie aan de Gemeente Universiteit, een onbetaalde functie.
Door zijn reputatie als socialist was zijn assurantiefirma inmiddels doodgebloed en moest hij met zijn vrouw Marie Koens en drie dochters moeizaam rond zien te komen van journalistieke bijdragen aan bladen als De Kroniek en De Nieuwe Tijd en soms bijstand van de rijke vriend en partijgenoot Floor Wibaut. Sinds 1894 woonde het gezin overigens niet meer in Amsterdam, maar in Den Haag en Hilversum. Twintig jaar later keerden ze terug naar Amsterdam (Amsteldijk 32-III), omdat hij buitenlandredacteur werd van de SDAP-krant Het Volk.
Intellectuele partijgenoten volgden bewonderend Van der Goes' doorwrochte betogen, maar als agitator te midden van een arbeidersmenigte was hij geen groot succes. Hij miste hij ieder redenaarstalent. Zijn monotone stemgeluid en chique uiterlijk schiepen afstand. "Met den rug geleund tegen een stoel, of tafel, of ook wel met de knie op een stoel, terwijl hij de leuning vasthoudt, kan men hem zien staan oreren op eentonig vervelenden dreun, nimmer den toon verheffende, en slechts bij hooge uitzondering, als 't ware toevalligerwijs, een geestigheid door zijn rede werpende, terwijl de gesticulatie, die 't effect van 't gesproken woord zoo machtig kan verhoogen, geheel en al ontbreekt", stelde het onafhankelijk-socialistische blad De Controleur in 1895 vast.

Buizenpost
Schrijven kon hij heel goed, al was hij eigenlijk toch minder journalist dan wetenschappelijk analyticus. Bij Het Volk zat Van der Goes achter een ouderwets bureau, omgeven door een groot aantal ladekasten, waarin hij talloze knipsels bewaarde: aan het knippen en opbergen besteedde hij een groot deel van zijn werktijd. Hij stond bekend om zijn onverstoorbaarheid. Collega Piet Bakker (later schrijver van Ciske de Rat) herinnerde zich de paniek toen op een keer Van der Goes' buitenlands overzicht bleef steken in de buizenpost tussen redactie en zetterij. "Wij waren er echt van in de war. Goes niet. Die knipte bedaard uit de N.R.C. een stuk van de Londense correspondent, zette erboven: 'Men schrijft uit Londen' en gaf het door. ''t Is een voortreffelijk stuk', zei Goes. 'Beter had ik het nooit kunnen schrijven.' En toen twee maanden later die buizenpost werd opgeruimd, kwam het verloren geraakte overzicht weer voor de dag. Goes las het door, en zei: 'Het heeft nog niets aan actualiteit ingeboet.' 's Avonds stond het in de krant."
Bijna 40 jaar bleef Van der Goes zijn partij trouw, ook in 1909, toen een paar van zijn radicaal-marxistische vrienden (onder wie Herman Gorter) onder leiding van David Wijnkoop uittraden. Zijn eigen Marie behoorde ook tot de uittreders. Daar kon gelukkig om gelachen worden. "Groet onze vijand", schreef in maart 1909 huisvriend Wibaut onderaan een briefje aan zijn partijgenoot. Maar in 1932 werd de verrechtsing van de SDAP hem te gortig. Met duizenden anderen stichtte hij de Onafhankelijk Socialistische Partij (OSP). Verslaggever Piet Bakker woonde het scheuringscongres in Haarlem als verslaggever bij. Jaren later beschreef hij hoe de schijnbaar onberoerde Van der Goes rustig zijn sigaartje rookte en wat met hem babbelde op het podium.

Afscheid
"Hij vertelde, dat hij tot zijn eerste liefde was teruggekeerd en weer literair werk deed. Hij was de epische gedichten van Schiller aan het vertalen. 'Moeilijk, maar mooi werk, amice...' Voorzitter Vliegen zei met nauwelijks beheerste emotie in zijn stem: 'Het woord is aan Van der Goes!' 'Ik stuur je die vertaling volgende week', zei Goes terwijl hij al naar het spreekgestoelte liep. Toen hield hij onder doodse stilte zijn bewogen indrukwekkende afscheidsrede van meer dan een uur. 'Laat dus nooit iemand zich doen ontmoedigen door de gedachte, dat hij minderheid is. Laat men gelooven in de kracht van beginselen. (...) Ik maak mij van de uitwerking dezer woorden op dit oogenblik niet veel illusie. Ik had geen reden ze ongezegd te laten.'"
De OSP fuseerde al snel met de Revolutionair Socialistische Partij (RSP) van het Amsterdamse gemeenteraadslid Henk Sneevliet. Van der Goes hield het niet uit in de nieuwe, strak geleide organisatie en vormde met enige honderden leden de Bond van Revolutionaire Socialisten (BRS). 'Bond van Rustende Schutters', spotte Sneevliet. Daarmee onderschatte hij ze toch. Een groot deel van de BRS-leden zou na 1940 actief worden in verschillende linkse verzetsorganisaties. Zonder Van der Goes: in 1939 overleed hij in Laren, 80 jaar oud.

RON BLOM SCHREEF DE BIOGRAFIE FRANK VAN DER GOES, 1859-1939. JOURNALIST, LITERATOR EN PIONIER VAN HET SOCIALISME, 2012. HIJ WERKT BIJ HET STADSARCHIEF AMSTERDAM


Tussen kroeg en academie: 50 jaar Athenaeum BoekhandelAthenaeum-1

Athenaeum op het Spui is veel meer dan een boekhandel. Het is tevens een ontmoetingsplek van literatuurliefhebbers, studiosi en nieuwsverslinders. Dat heeft de winkel niet alleen aan de idealen van de oprichters te danken, maar ook aan de strategische locatie.


Op de avond van 15 september 1966 ging Athenaeum open. De winkel was opgezet door classicus, bibliofiel en literatuurkenner Johan Polak (1928-1992), die in 1962 al met Rob van Gennep (1937-1994) uitgeverij Polak & Van Gennep had opgericht. Nadat zij in 1968 in vriendschap uiteengingen (Van Gennep begon een eigen, linkse politieke uitgeverij die zijn naam droeg) ging de firma onder Polaks leiding Athenaeum Polak & Van Gennep heten.
Zowel uitgeverij als boekhandel hadden in de eerste jaren baat bij de welstand van Polak, wiens vader directeur van de bekende essencefabriek Polak & Schwarz (Zaandam/Hilversum) was geweest. Maar in 1976 deed hij de zaak over aan een besloten vennootschap onder leiding van Guus Schut, waarvan het personeel in vaste dienst via een stichting medeaandeelhouder werd. En zo is het nog steeds.
Die medezeggenschap is één aspect van het idealistische tintje dat Athenaeum nog steeds enigszins kenmerkt. Al was Johan Polak, een estheet bij uitstek, anders dan Van Gennep allesbehalve dol op politiek rumoer. Wel zette hij zich in voor homo-emancipatie. "Maar voor hem was van begin af aan het leveren van een breed assortiment van goede boeken veel belangrijker dan het maken van winst", zegt Maarten Asscher, directeur sinds 2004. Hij heeft Polak nog goed gekend; tegen het eind van zijn rechtenstudie solliciteerde hij bij de uitgeverij en tot diens dood bleven zij bevriend. "Ja, Johans geest leeft hier nog steeds voort", zegt Asscher, met een knik naar zijn portret in de vensterbank.

Ééntjes
Zeker in de eerste jaren had de boekhandel een behoorlijk links imago, eenvoudigweg omdat het een van de weinige plekken in de stad was waar je 'alternatieve' boeken en tijdschriften kon kopen. Voorpost op dat vlak werd het in 1969 geopende Athenaeum Nieuwscentrum, links van de winkel. In de bakken buiten waren brochures te vinden van tal van socialistische, communistische, anarchistische en feministische groeperingen, maar ook Amerikaanse undergroundstrips en popbladen. En binnen vergaderde in 1970 regelmatig de Kabouterbeweging van Roel van Duijn. In de boekwinkel was de sfeer aanzienlijk bezadigder. "Eigenlijk is daar sinds 1966 heel weinig veranderd. Wel hebben we aanzienlijk meer ruimte gekregen."
De wilde haren van rond 1970 zijn er nu wel af. "Al vinden we nog steeds wel dat de wereld verbeterd moet worden", grijnst Asscher. "We doen in ieder geval niet aan partijpolitiek. De boeken van Femke Halsema van GroenLinks staan naast die van Wilders' Martin Bosma. We hebben ook Pim Fortuyn eens laten signeren. Het bleef bij die ene keer, want er kwam niemand opdagen. Dat hebben we wel anders meegemaakt. Bij signeersessies van Donna Tartt en Jan Wolkers stonden er lange rijen op het Spui."
Athenaeum hecht nog steeds aan een zeer breed assortiment boeken, dus bijvoorbeeld ook aan de literaire juweeltjes die het niet in zich hebben om kaskrakers te worden. "Hier geen grote stapels van één en dezelfde bestseller. We hebben vooral 'ééntjes', boeken die we slechts in één exemplaar op voorraad hebben." Bijna een derde van alle boeken wordt tegenwoordig overigens verkocht via de eigen webwinkel.

Spui25
In welk opzicht verschilt Athenaeum nog meer van veel andere boekwinkels? "Wij zijn internationaler, denk ik. Zo'n 40% van de titels is buitenlands: Engels, Frans, Duits, Italiaans, Spaans, Latijn en Grieks. Bovendien zijn we behalve een literaire ook een academische boekhandel. We leveren studieboeken aan de Universiteit en Hogeschool van Amsterdam en hebben kortingsafspraken met studieverenigingen. Sinds 2015 is er ook een winkel op de hoek Roetersstraat/Sarphatistraat, waar nu veel studies geconcentreerd zijn." In het vernieuwde Rijksmuseum heeft Athenaeum een filiaal gespecialiseerd in kunst en geschiedenis.
Er is nog een derde onderscheidend punt. "Wij doen veel rondom de winkel. Soms in de winkel zelf, tegenwoordig vooral hiertegenover in academisch cultureel centrum Spui25, een zaaltje met 100 stoelen tussen het Maagdenhuis en de Oude Lutherse Kerk. Dat runnen we samen met de UvA, de HvA, de KNAW, het NIOD, De Bezige Bij en De Groene Amsterdammer. Boekpresentaties, lezingen, debatten en prijsuitreikingen. Gratis toegankelijk!"
Met Spui25 is het culturele en sociale leven op het Spui nog bruisender geworden dan het al was. "Ja, de nabijheid van de universiteit heeft onmiskenbaar bij gedragen aan ons succes. Net als de kroegen met veel schrijvend volk: De Zwart, Hoppe en Luxembourg, de vrijdagse Boekenmarkt, The American Book Center aan de overkant van de Nieuwezijds en het Amsterdam Museum. En natuurlijk Het Lieverdje, nog steeds een symbool van roerig Amsterdam. Omgekeerd proberen wij ook bij te dragen aan de glorie van het Spui!"