Nummer 4: April 2015

 04-2015 Vondelingen-1-compleet 1

Café Theo Ruiter op de Rozengracht trok 50 jaar lang een bont publiek. Dichtersvorst J.C. Bloem was er kind aan huis, net als aanstormend talent Remco Campert. Maar ook de ‘lage’ cultuur was goed vertegenwoordigd, bijvoorbeeld door schlagerkoning Ferry van Delden. 

Nu is het café Struik, maar tientallen jaren heette de drankgelegenheid op Rozengracht 160 Café Theo Ruiter. Struik is volgens de eigen website a hip hang-out for a young stylish crowd. De bakstenen binnenmuren zijn behangen met affiches. Maar om de voorganger a fairly anonymous Dutch brown cafe, traditional and unexciting te noemen, is toch wel een gotspe. Het café was een bruisend trefpunt van oud-verzetsmensen, schrijvers, dichters, schilders, tekenaars, fotografen, kleinkunstenaars, klerken, studenten en ongeschoolde Jordanezen. Driekwart eeuw geleden ging het open.

Theo Ruiter (1911-1965) was een atletische lefgozer. Hij groeide op in een katholiek gezin in de Kinkerbuurt. Na de lagere school werd hij stukadoor. In zijn vrije tijd was hij een talentvol bokser, maar zijn verloofde Loeki (confectienaaister) was bezorgd: hij was een mooie jongen en dat liet zij graag zo. Dus hield Theo op met boksen, richtte voetbalclub De Stucadoors op, en drong daarmee door tot de top van de Amsterdamsche Voetbalbond (AVB). Ze trouwden en in 1934 kwam zoon Karel ter wereld, in 1943 dochter Doortje.
Politiek werd Theo in die crisistijd steeds linkser, zonder zich aan te sluiten bij een partij. ’s Avonds was hij barkeeper in het nog steeds bestaande café Helmers, destijds van biljartkampioen Karel Koopman. “Daar ben je goed in!”, zei een man van brouwerij Grolsch. “Je zou een eigen zaak moeten beginnen; wij kunnen je wel een lening geven!” Zo kwam het dat Theo Ruiter op 25 oktober 1939 een kroegje kocht op de hoek van de Rozengracht en de Akoleienstraat. “Je dacht toch niet dat ik dat ik daar in die gribus ga staan?!”, riep Loeki, toen Theo haar de aankoop meldde. Maar op 1 april 1940 ging het café open onder de naam Loeki’s Bodega. Sindsdien stond zij vele avonden in het keukentje in het souterrain om de heerlijkste borrelhappen te bereiden.

Duitser gered
Op de openingsdag kwam ook een muizige jongeman met regenjas en gleufhoed binnen. Ruiter had hem al een paar keer in Helmers gezien. Een ‘stille’ of een belastingadviseur, dacht hij en zei vrijmoedig: “Zo, kom je ook hier de boel begluren?” Het bleek een brave, aankomende jurist (werkstudent dossiersjouwer in het Paleis van Justitie) en lid van het VU-dispuut Areopagus. De volgende week zat er een hele ploeg Areopagieten in het café. Nog altijd ontvangt Theo’s zoon en opvolger Karel jaarlijks de nieuwe eerstejaars van het dispuut, maar nu thuis in de Rivierenbuurt.
Een maand later vielen de Duitse legers Nederland binnen. De kroegbazen hadden zo hun eigen probleem met de bezetting: nu alles op de bon was, werd het lastig de klanten jenever te blijven schenken. Ze waren aangewezen op de zwarte handel, waarvoor ze de verre omgeving afstruinden. Zo belandde Theo Ruiter op een avond in april 1942 in Haarlem. Langs het Spaarne hoorde hij hulpgeroep uit het water. Hij sprong en wist de drenkeling te redden, een jonge Duitse onderofficier, zo bleek. Een week later kreeg Ruiter, die juist zijn huisarts langs had, onverwacht bezoek van twee Duitse ‘hoge omes’. Ze brachten hem hulde en zeiden dat hij een wens mocht doen. “Zeg dat je er even over wilt denken!”, siste de huisarts. Toen ze weer alleen waren, vertelde de arts dat twee van zijn patiënten – studenten – op verdenking van verzetswerk ter dood waren veroordeeld. De volgende dag vroeg Ruiter hun vrijlating. Die werd prompt beloofd, maar waarschijnlijk door een misverstand werden de jongens toch diezelfde middag nog gefusilleerd. Verbolgen wist Ruiter (“Ich bin Rauter.”) nu zelfs tot rijkscommissaris Seyss-Inquart door te dringen. “Ik dacht dat u een man van eer was! Gaan Duitsers zó met hun beloften om?” In verlegenheid gebracht, verontschuldigde de rijkscommissaris zich en gaf de boze kroegbaas een briefje met de mededeling dat aan de heer Ruiter alle mogelijke medewerking gegeven moest worden.

Machtig briefje
Het briefje bleek in Ruiters hand een machtig wapen, zeker in combinatie met flessen schnaps. Steeds weer voor een ander geval vervoegde hij zich bij de Sicherheitsdienst in de Euterpestraat. Soms kreeg hij een dossier ter inzage, waarvan hij dan de meest belastende pagina’s opat. Zeker is dat hij heel wat mensen heeft gered. Al is ongetwijfeld het heldenverhaal in de loop der jaren uitvergroot. Trouw sprak in juni 1945 nog van vijftien geredden, in 1965 waren het er meer dan 80 geworden. Vast staat dat Ruiter na de oorlog door verzetsmannen als Geert Lubberhuizen, Wim Schouten (De Bezige Bij) en Peter Tazelaar (‘soldaat van Oranje’) als een hunner werd gezien. Wel fronsten tijdens de bezetting sommige klanten hun wenkbrauwen als Theo Ruiter in zijn kroeg Duitse officieren vriendelijk ontving en strategisch volgoot met jenever. Een Joodse klant vroeg hem ooit verontwaardigd waarom hij destijds die rotmof uit het Spaarne had gered. Theo Ruiter legde zijn grote hand op diens schouder en zei droogjes: “Ach gabber, als ’t een Jood was geweest, had ik ’m óók gered.” Zoon Karel (zes jaar in 1940) beleefde intussen eenzame en bange jaren. “Als ik wakker werd, lagen er weer drie vreemde mannen te slapen in de achterkamer. Je hoorde alles, je wist alles, en voelde dat je het niet mocht weten.”

Trefpunt kunstenaars
Na de oorlog werd het café naar de inmiddels populaire eigenaar genoemd. Het pand en dus ook het bier waren van Grolsch, maar met die schraperige Achterhoekers werd de band nooit hartelijk. Bevriend raakte Ruiter wel met Herman Jansen van de jeneverfabriek Kabouter te Schiedam. De door Marten Toonder als beeldmerk getekende kabouterfiguur verwerkte hij zelfs tot een groot uithangbord.  
De naoorlogse culturele voorhoede wist Café Theo Ruiter snel te vinden. Mensen zoals dichter/journalist Ed Hoornik (die Dachau overleefd had) en zijn tweede vrouw, dichteres en jeugdboekenschrijfster Mies Bouhuys, dichter Koos Schuur. En niet te vergeten de altijd armlastige, alcoholistische poëet Gerard den Brabander, die als vergoeding voor een rekening geregeld een gedicht achterliet. Hij was niet de enige, ook heel wat beeldende kunstenaars betaalden hun verteringen met eigen werk.
Het aardige van Café Theo Ruiter was dat het een trefpunt was van gevestigd en aankomend talent en dat ‘hogere’ en ‘lagere’ cultuur er samenkwamen. ‘Literatuurpaus’ Victor van Vriesland en ‘dichtervorst’ Jacques Bloem waren er kind aan huis, maar ook de jonge garde met Remco Campert, Han G. Hoekstra en Simon Vinkenoog. Henvo (Henk Voogd), tekstschrijver voor Johnny Jordaan, en Ferry van Delden, schrijver van schlagers als Rats, kuch en bonen en We gaan naar Rome. Zangers waren er ook geregeld. Schilders (Jan van Herwijnen, Carl Carvalho) en tekenaars als Eppo Doeve,  Charles Boost, Wim Boost (Wibo), Harry Lammertink (Yrrah), Wim Bijmoer, Cees Bantzinger en Guus Boissevain. En vele journalisten, zoals Jacques Gans, Pierre Huyskens, Herman Hofhuizen en Han Lammers.

Geval apart
Wie na sluitingstijd echt niet meer op z’n benen kon staan, werd door de baas per auto naar huis gebracht. Dat gold meer dan eens voor acteur Rijk de Gooijer. “Vanwege zijn kwade dronk mocht hij een reeks van kroegen niet meer in.” Karel Ruiter: “Maar wij hebben eigenlijk nooit echt last met hem gehad. Wel veel gelachen!”
Een geval apart was stamgast Chris de la Mar, oom van actrice Fien. Die was redelijk aan lager wal geraakt, “met altijd zo’n snottebel”, vertelt Karel Ruiter. Op een koude najaarsdag kwam hij kleumend binnen, zonder overjas. “Ik zeg: ‘Chris, ik heb boven een suède jas hangen die me niet meer past. Iets voor jou? Hij dankbaar weg, met jas. Belt even later Harry Mustert van café Hoppe: “Zeg Karel, is Chris bij jou geweest? Die loopt nu hier rond en probeert een winterjas te verkopen!”
Opmerkelijk was ook romancier (Liefde en goudvissen) en journalist Jacques Gans, die voorheen als communist, trotskist en anarchist afficheerde, maar in 1955 columnist werd van De Telegraaf. Parool-journalisten scholden hem kort daarop weg: “Eruit, jij Telegraaf-fascist.” Theo Ruiter keek glimlachend toe. De eerstvolgende keer was de kleurrijke gast weer gewoon welkom – ondanks zijn bietsgedrag, dat hem de bijnaam ‘het tientje’ opleverde.

Artisten Reünisten Club
Om zijn zaak vol te krijgen organiseerde Theo Ruiter de ene tentoonstelling na de andere van schilders, karikaturisten en cartoonisten uit de klantenkring. In 1963 kreeg hij een nieuw idee. Hij merkte dat heel wat zangers en acteurs die vroeger populair waren thuis zaten te verkommeren. Dus richtte hij de Artisten Reünisten Club (ARC) op. Voor zover slecht ter been werden de artiesten op dinsdagmiddag opgehaald. Ze kregen gratis borrels en leverworst, gesponsord door ‘dumpkoning’ Loe Lap en een buurtslager. Nap de la Mar – altijd in voor een gratis borrel – kwam, zangers als Herman Tholen, Bob Scholte en Willy Walden en hun tekstschrijvers. Alleen Henriëtte (Heintje) Davids (de volumineuze zus van chansonnier Louis) werd aanvankelijk geen lid: zij paste niet bij die ‘tweederangsfiguren’. Heintje draaide bij toen Ruiter voor de ARC ook uitstapjes ging regelen. Karel Ruiter herinnert zich een tochtje in november 1964 naar Nijmegen, waar de artiesten in open auto’s door een enthousiaste menigte werden ingehaald. “Heintje maar wuiven, alsof ze de koningin was. Ze wist gelukkig niet dat de mensen geen idee hadden wie dat dikke mens was en juichten voor Lou Geels, die als veldwachter Bromsnor voorop reed.”
Cabarethistoricus Wim Ibo kreeg lucht van de club en een seizoen lang (1963-1964) presenteerde hij zijn veelbekeken tv-programma Cabaretkroniek vanuit het café. Vele grootheden van weleer traden er op, maar ook aanstormend talent. Een gedenkwaardige opname was die van 2 oktober 1964, toen de jonge Boudewijn de Groot zijn tv-debuut maakte, naast de wereldberoemde chansonnière Lucienne Boyer en de 81-jarige Paul Collin. De laatste had nog opgetreden met de in 1927 vermoorde cabaretlegende Jean-Louis Pisuisse. De Groot: “Ik heb voor de deur staan overgeven van de zenuwen, omdat ik live een liedje moest zingen dat ik nog niet echt uit mijn hoofd kende.”

Gastenboeken
Op 4 april 1965 zou het 25-jarig bestaan van het café luisterrijk gevierd worden. Maar op 1 april overleed Theo Ruiter aan een hartaanval, pas 54 jaar oud. Veel stamgasten wilden het niet geloven: “Typisch weer zo’n grap van Theo!” Hij werd op Zorgvlied begraven. Zoon Karel – die er intussen al heel wat jaren achter de tap stond – volgde hem op. “Dat vond ik heel moeilijk de eerste tijd. Ja, dat ze mijn vader een leuke man vonden, wist ik. Maar vonden ze mij óók leuk? Ik heb veel steun gehad van die gehaaide Loe Lap, een geweldige man. Maar ook van Bet van Beeren, die bekende, lesbische kroegbazin van de Zeedijk. En gelukkig, op den duur begon het weer druk te worden.”
Karel ging door op de oude voet, inclusief tentoonstellingen en andere stunts. Zijn eigen, nieuwe inbreng was de liefde voor cocktails: hij werd een prominent lid van de Bar Tenders Club. Maar halverwege de jaren tachtig zag hij er geen gat meer in. “De buurt ging zo achteruit. Kantoren met goede klanten gingen weg van de grachten. Net als veel confectiebedrijven.” In 1987 verkocht hij de kroeg aan het Jordanese echtpaar Krabshuis, dat het nog een paar jaar onder de oude naam volhield, maar met een ander publiek. In 1993 viel het doek definitief.  
Wat is er nog van dit alles over? Karel Ruiter heeft thuis behalve negen fotoalbums, ook twee gastenboeken, geschonken in 1946 en 1957 door De Bezige Bij. Het is eerste is dik, het tweede ronduit monumentaal, met een bladspiegel van bijna een vierkante meter. Ze staan vol met handtekeningen, tekeningen, gedichten en andere ontboezemingen. “Waar moeten die heen, als ik er niet meer ben? En die foto’s, wie weet dan nog wie daar op staat?” Een goede vraag.