Nummer 10: oktober 2014

10-2014 cover1 870px

Prijs € 6,00 Bestel:

Op de omslag: De plek van de moord op Theo van Gogh in de Linnaeusstraat veranderde in een bloemenzee. Mensen legden kaartjes, brieven en tekeningen neer - en natuurlijk Het Parool van die dag, 2 november 2004.

-Tien jaar na de moord op Theo van Gogh

-Breitner schetst Amsterdam

-Theaterkoningin Theo Mann-Bouwmeester

-Centraal Station: 1899-2014

-Indische sporen in Amsterdam

En verder:

De vaste route met Chris Keulemans

Stemmen uit het verleden: Emmy Huf


                                                                                       10-2014 theo van goghTien jaar na de moord op Theo van Gogh
Het was op de vroege ochtend van 2 november 2004 dat Theo van Gogh werd vermoord. De dag staat in ons geheugen gegrift. Amsterdam trok wit weg, maar beet van zich af met een lawaaidemonstratie op de Dam. Toenmalig burgemeester Job Cohen blikt terug.

 

Bijna tien jaar geleden (2 november 2004) werd Theo van Gogh in de Linnaeusstraat op beestachtige manier vermoord. De daad schokte Amsterdam, Nederland en de wereld, en dreigde al bestaande spanningen fataal te versterken. Burgemeester Job Cohen moest dat voorkomen en de basis leggen voor nieuwe saamhorigheid. Tien jaar later blikt hij terug.

“Ja, het was dinsdagochtend en dan is altijd om half tien de wekelijkse B&W-vergadering. Voor negenen had ik nog een klein overlegje, ik weet niet meer precies met wie, in het vergaderzaaltje naast mijn werkkamer. Om tien voor negen ging mijn mobiele telefoon: plaatsvervangend hoofdcommissaris Cor Gorissen. Hij vertelde dat tien minuten geleden Theo van Gogh in de Linnaeusstraat werd neergeschoten en -gestoken. Of hij dood was, wist Gorissen nog niet. Al bellend liep ik de kamer uit, naar de wachtruimte voor bezoekers van de burgemeester. Ik zie me daar nog staan. Het bloed trok weg uit mijn gezicht.”
Korpschef Bernard Welten (het was pas zijn tweede werkdag) was intussen naar de plek des onheils gesneld. Daarvandaan belde hij de burgemeester en de hoofdofficier van Justitie, Leo de Wit. Theo van Gogh was zonder twijfel dood. Met doorgesneden keel, en op zijn buik geprikt een briefje met bedreigingen aan het adres van onder meer de liberaalfeministische politica Ayaan Hirsi Ali en de Marokkaanse PvdA-wethouder Ahmed Aboutaleb.

‘Zalvende hopman’
De moord veroorzaakte een geweldige schok. Maar dat er spanningen waren tussen verschillende bevolkingsgroepen, was de voorgaande jaren al wel duidelijk geworden. Op verschillende niveaus.
In de klaslokalen van sommige ‘zwarte’ Amsterdamse scholen waren de aanslagen op de Twin Towers in New York op 11 september 2001 luid toegejuicht, net zoals de bomaanslagen op vier ochtendtreinen in Madrid precies tweeënhalf jaar later (11 maart 2014). Met deze gewelddaden was het internationale conflict tussen de radicale islam en ‘het Westen’ dichtbij gekomen. Al langer sluimerende spanningen in de stad werden erdoor blootgelegd. De gemengde bevolkingssamenstelling in sommige buurten leidde bij een deel van de stadsbewoners tot onderhuids wantrouwen, angst en vermijding, terwijl het stadsbestuur juist pal stond voor de multiculturele samenleving.
Theo van Gogh behoorde tot de felste criticasters op dat punt. In zijn ogen trad de gemeente veel te slap op tegen moslims. Er was in de voorgaande weken veel te doen geweest over een echtpaar dat hun huis in de Diamantbuurt was ontvlucht wegens aanhoudende pesterijen door een groepje Marokkaanse ‘hangjongeren’. Drie dagen voor zijn dood lanceerde Van Gogh in zijn column in het gratis dagblad Metro een felle aanval op Job Cohen: “De Amsterdamse politie heeft geen interesse om autochtonen, die bedreigd worden door een steeds agressiever wordende minderheid, te hulp te komen. En Cohen al helemaal niet.... Cohen kroop na 11 september voor de gelovigen en betoogde: ‘Jullie horen bij ons!’, in plaats van te vragen: ‘Wat doen jullie eigenlijk hier?’ Cohen gedraagt zich als een burgemeester in oorlogstijd en dat bedoel ik niet als compliment. En ik vraag me af hoe lang autochtonen nog welkom zijn in Amsterdam.”
Hun enige persoonlijke ontmoeting had plaats gevonden op 8 november 2001, toen Cohen nog geen jaar burgemeester was. Op uitnodiging van het Parool Theater interviewde hij in dat intieme zaaltje in de Sint Pieterspoortsteeg de rondborstige filmer en columnist. Konden die columns niet wat minder respectloos?, vroeg Cohen. Van Gogh: “Respect is de stoplap van de multiculturele samenleving, waarvan u de zalvende hopman bent.”

Geen slapjanus
“Toen ik hier in 2001 burgemeester werd, kwam ik betrekkelijk blanco aan”, zegt Cohen. “Ik kende de stad nog nauwelijks. Maar ik wist dat er in Amsterdam enorm veel verschillende groepen waren, dus ik had wel het gevoel dat daar een opgave lag. Vandaar dat ik in mijn eerste persconferentie op de dag van mijn benoeming zei dat een van mijn ambities was om ‘de boel een beetje bij elkaar te houden’. Achteraf wordt dat als geweldig visionair gezien, maar zo was het helemaal niet bedoeld. Eerder een relativerende, kleine hommage aan Joop den Uyl. Op de vraag wat nou zijn belangrijkste taak was als premier, zei hij: ‘Och, ’t is toch vooral ook de boel een beetje bij elkaar houden, hè.’”
Wat vond Cohen eigenlijk van Theo van Gogh? “Tja, ik kende hem niet persoonlijk. We hadden elkaar maar één keer ontmoet. Ik heb wel begrepen dat hij in het persoonlijke leven een ongelofelijk aardige kerel kon zijn. En daarnaast was het natuurlijk een ongelofelijke zak; iemand die mensen rücksichtslos kon aanvallen. Maar tegelijkertijd iemand met heel grote talenten.”
Kwam zijn kritiek hard aan? “Och, ik was het daar niet mee eens, maar het deed me niet zo veel. Kritiek raakt je vooral als je je erin herkent. Kijk, Van Gogh had een hang naar weerspannigheid, maar zijn analyse van gevaarlijke tendensen in die Marokkaanse gemeenschap was zo slecht nog niet. Hij had natuurlijk ook een enorm hart voor de samenleving. Zijn aanpak was de mijne niet, maar ik denk dat we het op een aantal punten niet zo oneens waren. Maar ja, dat zag hij liever niet.”
Geen slapjanus dus? “Dat is me vaak verweten, maar mijn aanpak was niet zo soft. Ik vind dat mensen zich hier moeten houden aan de rechtsstaat en dus aan de wetten die we hebben. En als Marokkaanse jongens daarop aangesproken worden, moeten ze niet roepen dat ze worden gediscrimineerd! Ik wilde geen onnodige polarisatie, maar dat is iets anders dan pappen en nathouden. Iedereen moet tot zijn recht kunnen komen, maar wél binnen de kaders van onze democratische rechtsstaat.”
Was dan alle kritiek onterecht? Bijvoorbeeld ten aanzien van de pesterijen in de Diamantbuurt? “Nee… Dáár ben ik niet tevreden over. Maar bedenk wel, als je burentreiteraars weg wilt krijgen, heb je dikke dossiers nodig. Die waren er niet en daarmee zijn wij wel begonnen.”  

Lawaaidemonstratie
Terug naar  dinsdagochtend 2 november. Job Cohen: “Al heel snel meldde mijn directeur Openbare Orde en Veiligheid Maureen Sarucco zich. Zij zette van alles in werking. Gelukkig lag er al een draaiboek voor dreigende maatschappelijke crises: het Draaiboek Vrede. Dus werden stadsdeelvoorzitters en wijkagenten gealarmeerd. De politie was enorm bezig. En om half tien zaten we met het college bij elkaar, in totale verslagenheid.” Cohen vertelde heet van de naald dat de dader – zoals gevreesd – een fundamentalistische 26-jarige Marokkaanse moslim was, ene Mohammed Bouyeri. Hoe zou de stad daarop reageren? Het nog vage idee kwam op om ’s avonds een grote bijeenkomst te organiseren om samen als Amsterdammers emoties te delen.
Na een eerste overleg van ‘de driehoek’ (de burgemeester, hoofdcommissaris Bernard Welten en hoofdofficier van justitie Leo de Wit) belde Cohen tegen elven Paroolcolumnist Theodor Holman. Cohen: “Toevallig hadden we elkaar nog de vorige avond ontmoet in De Rode Hoed, waar gevierd werd dat Bart Tromp 25 jaar columnist was van Het Parool. In dat telefoongesprek riep Holman: ‘In godsnaam geen stille tocht! Er moet een hoop lawaai gemaakt worden.’ Dus besloot B&W dat er ’s avonds een lawaaidemonstratie op de Dam moest komen.”
Om één uur gaf ‘de driehoek’ een eerste persconferentie, waar voorzichtig werd verteld dat de dader een 26-jarige Amsterdammer was met zowel de Nederlandse als Marokkaanse nationaliteit en waar de lawaaidemonstratie werd aangekondigd. Daarna verkasten Cohen, Welten en De Wit naar het Hoofdbureau van Politie. “We zochten vooral koortsachtig naar meer informatie over de dader en zijn omgeving. En we kregen steeds meer aanwijzingen dat de landelijke inlichtingendienst, de AIVD, allang dingen wist die onze politie niet wist. Onder andere over zijn rol in die radicale ‘Hofstadgroep’. Daar was de politie natuurlijk razend over. We hebben er nog een beetje gedoe over gehad met Den Haag. Maar ik koos er toen voor dat niet naar buiten te brengen, want er was al onrust genoeg.”
Laat in de ochtend kwam het bericht door dat Rita Verdonk, de omstreden VVD-minister van Vreemdelingenzaken, ’s avonds óók wilde spreken op de Dam. Mede als ‘vriendin van Theo’.  Cohen was niet enthousiast. “Waarom speciaal zij? Maar toen bleek dat zij erg graag wilde en premier Balkenende dat prima vond, heb ik tegen mijn mensen gezegd: ‘hier gaan we geen ruzie over maken’.”

 ‘Dat mág in dit land!’
’s Avonds sprak een verbeten burgemeester op de afgeladen Dam. “Er is vandaag een Amsterdammer vermoord. Hij maakte veel ruzie, ook met mij. En dat mág in dit land! Theo van Gogh handelde in de geest van Voltaire van wie de volgende uitspraak vaak wordt aangehaald: ‘Ik ben het in alles wat u zegt met u oneens, maar ik zal blijven strijden voor uw recht het te mogen zeggen.’”
Was hij nerveus? “Nee, die hele dag moest er zo veel gebeuren; aan zenuwen kwam ik niet toe.” Wel voelde hij dat een deel van het publiek niet dol op hem was, “alsof ik Van Gogh vermoord had.” “Maar ik dacht: ik heb een goed verhaal, en dat zal ik vertellen. En toen ik sprak, werd het ook stil. Die tekst maakte ik overigens niet alleen. Ik had er ’s middags heel even over gepraat met mijn medewerker Geert Jan ter Linden en hij mailde een concept naar het politiebureau, waaraan ik nog geschaafd heb. Dat over het ruziemaken kwam van mij, het Voltaire-citaat van hem.” Na Cohen sprak Verdonk. Zij waarschuwde tegen ‘wraak om de wraak’, maar vertelde toch vooral graag dat Van Gogh het helemaal eens was met haar keiharde vreemdelingenbeleid: “Rita, hou je rug recht!”
De volgende dag uitte de burgemeester in de gemeenteraad zijn bezorgdheid over de groeiende spanningen, de “haat en angst” tussen bevolkingsgroepen in de stad. “Ik kan u vertellen wat ik ga doen en wat ik aan het doen ben. Ja, de boel bij elkaar houden. Daar kan men cynisch over doen, maar dat kan me niet schelen. Wat is het alternatief? Niet meer met moslims praten?... Ik pas daarvoor. Ik ben burgemeester van alle Amsterdammers.”
Dezelfde middag richtte wethouder Ahmed Aboutaleb zich op eigen initiatief in de Al-Kabir moskee op de Weesperzijde buitengewoon helder tot de Marokkaanse gemeenschap: “Wie niet met de Nederlandse samenleving en haar verworvenheden mee wil doen, kan beter zijn koffers pakken. Het kan niet zo zijn dat iemand van ons allen eist dat we zijn opvattingen respecteren en tegelijkertijd niet bereid is de opvattingen van anderen te respecteren. Laat als moslims uw geloof niet jatten, laat uw geloof niet jatten door fanatici.”
Cohen: “Dat vond ik geweldig! Inderdaad: je hoeft je niet volledig aan te passen, maar je hebt je wel te houden aan onze wetten. Maar als ík dit in de moskee gezegd had, was het niet zo overtuigend aangekomen. Zo kregen we een mooie rolverdeling. Er was een diep vertrouwen tussen ons.” Beiden deelden ook maandenlang een stevig ongemak: permanente persoonlijke beveiliging.

Balans
De balans opmakend, ziet Cohen zijn eigen beleid niet in de laatste plaats als een verzet tegen de oorlogstaal van ook de toenmalige regering tegen ‘andere culturen’. Cohen: “Hele bevolkingsgroepen aanspreken op wat individuen hebben gedaan, dat schiet niet op.” Zou een meer confronterende aanpak beter hebben gewerkt? “Dat weet je nooit. Maar ik kan niet anders, ’t zit in mijn DNA. Ik koester de gedachte dat grotere ongelukken uitbleven. De Theodor Holmannen vonden het natuurlijk helemaal niks. Maar je kunt ook zeggen: zeker 80% voelde zich er prettig bij. Dat is geen slechte score.”

SERGE MARKX IS HISTORICUS EN COMMUNICATIEADVISEUR.

 

 

 


10-2014 Inhoud-2-Breitner

'Wat, hondenweer?' 

De schetsboeken van George Breitner

Schilder George Breitner is bijna even beroemd om zijn foto’s, die hij maakte om te kunnen schilderen. Zijn schetsboeken zijn veel minder bekend. Nu zijn 117 schetsboeken bladzijde voor bladzijde beschreven en gedigitaliseerd. Een karwei van twee jaar in het Rijksmuseum. Veel onbekende gegevens over de kunstenaar kwamen aan het licht. Over zijn werkzaamheden in de binnenstad, rond zijn atelier op het Prinseneiland en op de bouwlocaties in de nieuwbouwwijken omstreeks 1900.

Op de meeste kaftjes van zijn 117 schetsboeken noteerde George Hendrik Breitner (1857-1923) nauwkeurig waarop de tekeningen betrekking hebben. Bijvoorbeeld: “Damrak gezien uit no. 56 Warmoesstraat”. Hij was niet toevallig op dat adres. Daar woonde journalist en historicus Jan de Balbian Verster, met wie hij nauw bevriend was. Die schreef voor Het Nieuws van den Dag het ene na het andere stuk over Amsterdam en omgeving. Vanuit zijn kamer, waar hij tot februari 1906 als vrijgezel woonde, had ‘Verster’ een mooi uitzicht over de drukke westzijde van het Damrak “in den tijd dat er nog zulke aardige oude huisjes aan de overkant stonden.” Aan dat mooie uitzicht dankte hij geregeld schildersbezoek, niet alleen van Breitner, ook van Isaac Israels, Willem Witsen en Oswald Wenckebach.
Breitner maakte verschillende schetsen vanuit de wijd geopende studeerkamerramen van zijn gastheer. Op een winterse dag, toen Verster ‘naar de krant’ was, zat Breitner te werken voor het geopende raam. “Hij had de kraag van zijn jas opgezet, want het regende en sneeuwde tegelijk, maar daar stoorde hij zich niet aan”, schreef Verster later. “Mijn hospita kwam binnen en begon te klagen over dat hondenweer. Toen werd Breitner werkelijk kwaad. ‘Wat hondenweer?! Maar het is prachtig, prachtig!’ De juffrouw ging hoofdschuddend heen en toen ik thuis kwam beklaagde zij zich over een bezoeker die wel mal leek en die geweigerd had om de ramen te sluiten en het had laten inregenen.”

Paarden
Breitner was een paardenschilder en -tekenaar bij uitstek. In Amsterdam hadden paardentrams en wagens volgeladen met vracht getrokken door een of meer paarden zijn warme belangstelling. Verster vergezelde hem vaak op zijn tochten door de stad. Hij herinnerde zich: “Op de Dam stonden we soms lang te wachten tot de paarden die hij hebben moest, vier schimmels, weer van den Haarlemmerdijk kwamen aanrijden. Dan maakte hij krabbels en ik hielp hem om de nieuwsgierigen af te leiden. Soms had ik wel bezwaar in zoo’n tocht, als het hard woei of regende, maar dan was hij in zijn element. ‘Maar kerel, zie je dan niet hoe mooi of het is?”’ Het was – zoals men later zou zeggen – Breitnerweer. Van veel trampaarden maakte hij schetsjes en soms noteerde hij zelfs hun namen erbij, zoals Kist en Wida. Bij een andere studie schreef hij: “paarden zijn melkwit”. Van Trampaarden op de Dam bestaan tenminste één geschilderde en twee geaquarelleerde versies en een tiental schetsen.
De hier afgebeelde aquarel is niet zonder slag of stoot tot stand gekomen. Op enkele plaatsen (vooral links bij de twee vrouwenfiguren op de voorgrond en bij de manen van de twee voorste paarden) zijn de effecten van het afsponzen van de aquarelverf zichtbaar. De kritiek was dan ook niet van de lucht toen Albert Plasschaert het blad op een tentoonstelling in 1911 zag hangen. Hij beschreef de paarden als “drie witte en een bruin” en karakteriseerde de figuur in de linker benedenhoek onder het dienstmeisje met het tulen mutsje als “het schriklijk hoofd van een gebrekkig? kind.” Hij doelde op het hoofd van de volksvrouw, dat op de andere twee versies niet voorkomt. Op de achtergrond is de wand bij de doorgang Dam/Rokin te zien, waar grote reclames op werden aangebracht. Deze blinde muur stond tegenover de monumentale sigarenwinkel van Hajenius, een zaak die later zou verhuizen naar Rokin 96. Voor de reclamewand is nog juist een paardentram met een deel van het reclameopschrift ‘Van Houten’ te zien.

Bouwputten stadsrand
Breitner heeft op veel plekken in de stad gewoond en een atelier gehad. Toen hij op de Lauriergracht woonde, leerde hij de jonge schilder Kees Maks kennen. Samen bezochten zij de bouwplaatsen waar Maks’ vader verantwoordelijk was voor het bouwrijp maken van de grond. In het voorjaar van 1897 werd aan de Barentszkade (nu Van Diemenstraat) een groot havenpakhuis gebouwd voor Het Nederlandsch Veem (nu werkgebouw Het Veem). De reusachtige bouwput aan de Oude Houthaven bood een fascinerende aanblik. Breitner maakte er het schilderij Heiwerk aan de Van Diemenstraat over. Vanuit zijn standpunt bij de IJ-oever kon hij de diepe put overzien, waarin met meerdere heistellingen tegelijk gewerkt werd aan de zware pakhuisfundering.
Die heistellingen had hij goed bestudeerd. De verticale palen – de ‘leiders’ waartussen het heiblok bewoog – kleurde hij geel. De wijd uiteen staande benen maakte hij donkerbruin. Een daarvan is het ‘klossenbeen’, met houten uitsteeksels zodat een heiwerker naar boven kon klimmen, bijvoorbeeld om de katrol op te hangen waarover het touw liep waarmee het blok omhooggetrokken werd. Het heien gebeurde in deze tijd niet meer met handkracht. Elke heistelling werd aangedreven door een eigen stoommachine. Op het diepste niveau staan er twee, een derde staat iets hoger, in het midden van het schilderij. Ze stoten grote rookwolken uit.
Breitner bezocht de bouwplaats meer malen in april-mei 1897. Hij maakte er schetsen en tientallen foto’s, zowel overzichten als detailopnamen van de werkende arbeiders, waarvoor hij ook in de put afdaalde. De man die aan de rechterzijde licht voorovergebogen op een heipaal zit, is precies zo op een van zijn foto’s aan te wijzen, net als de losjes in een paal geslagen bijl. Dat Breitner een goed waarnemer was blijkt wel uit een detail als de metalen ring in de rechter onderhoek. Dat is een ‘slagring’, die om de kop van de heipaal werd gelegd om te voorkomen dat het heiblok de kop zou stukslaan. Ze waren op elke bouwplaats te vinden.

Atelier Prinseneiland
Aannemer Cornelis Johannes Maks (1845-1911) had een werfje op een van de Westelijke Eilanden en bouwde in 1898 op het Prinseneiland naar ontwerpschetsen van Breitner tegenover het spoorviaduct een dubbel atelier, waarvan het kleinste van de twee (nr. 24A) bedoeld was voor zijn zoon Kees Maks en het grote (nr. 24B) voor diens leermeester Breitner. De twee ateliers, met hun classicistische houten ingangspoorten, keken aan de zuidkant uit op het water van de Eilandsgracht. De Balbian Verster, die als een van de weinigen binnen mocht, beschreef het zo: “Het was ruim als een kerk, zoodat hij er zelfs zijn eerste oefeningen kon houden in het fietsen.” Die fiets had Breitner volgens de overlevering geruild met uitgever Paul Nijhoff voor zijn schilderij Oosterpark in aanleg. “Maar op den duur kwam er ruimte te kort door al die studies en schetsen en de groote doeken die er naast elkaar op ezels stonden.” Breitner huurde zijn atelier van ruim 70 m2 en 5,70 meter hoogte tegen een vriendenprijs in ruil voor het begeleiden van de jonge Kees Maks. In het midden stond een reusachtige kachel. Hij werkte er overdag tot ongeveer half vijf. Rond etenstijd en ’s avonds ging hij de stad in of verbleef hij bij zijn vrouw Marie in hun woning aan de Overtoom.
Schuin aan de overkant van de gracht, ten westen van het Prinseneiland, lagen de Nieuwe Teertuinen. Vanwege brandgevaar waren de teerkokerijen in 1644 van de Oude Teertuinen – het stukje van de Prins Hendrikkade waar nu de Sint Nicolaaskerk staat – verplaatst naar de Sloterdijkgracht, die al gauw de Nieuwe Teertuinen heette. Aan de walkant lagen grote hoeveelheden vaten met teer die met walwindassen aan boord konden worden gehesen. Vroeger stonden er honderden van die apparaten in Amsterdam, nu is er nog maar één over: die van de voormalige teerwerf Ouwerkerk op het Prinseneiland. Ook de zeldzaam geworden dubbele houten wipbrug tussen de Galgenstraat met de Sloterdijkstraat schetste Breitner veelvuldig. Nu eens in grote lijnen, dan weer gedetailleerd bracht hij de bebouwing en de bedrijvigheid in beeld.

De Zandhoek    
Een paar honderd meter verderop lag de Zandhoek: de kade aan de noordoostkant van het Realeneiland die de Bokkinghangen (waar de haring werd opgehangen om te drogen) en de Grote Bickersstraat met elkaar verbindt. Daar woonde een andere bekende fotopionier, Jacob Olie. Breitner kwam er graag. Van deze schilderachtige kade maakte hij twee afbeeldingen. Één versie schilderde hij op basis van een uitvergrote foto die hij voorzag van een met potlood aangebrachte kwadratuur. Ook maakte hij een omtrektekening van de belangrijkste contouren.
Op de voorgrond liggen de besneeuwde houtvlotten in het water van het Westerdok, bestemd voor de houtzagerijen aan de Zaan. Rechts de Petemayenbrug, de verbinding tussen Bokkinghangen en Zandhoek. De gevelrij aan de kade wordt onderbroken door de Taanstraat en gaat na de Realengracht over in de Grote Bickersstraat. De Zandhoek dankt zijn naam aan de zandmarkt die er werd gehouden. Aan het water staan ‘zandhuisjes’ voor de marktmeester. In de verte is nog juist het koepeltorentje van de Eilandskerk te zien, dat in 1910 van het dak werd verwijderd.
Op de omtrektekening staan uiterst links de drie torens van de katholieke kerk De Posthoorn. Achter de ophaalbrug (rechts) is op de foto de schoorsteen te zien van de voormalige Maatschappij De Atlas, fabriek van Stoom- en andere Werktuigen aan de Zoutkeetsgracht, sinds 1890 de fabriek van de Nederlandsche Plantenboter Maatschappij. Die is op het schilderij en de omtrektekening weggelaten. Een detail als de man die in het Westerdok midden tussen de houtvlotten zit, heeft Breitner weer wel van de foto overgenomen.
Hij heeft veel bedrijvigheid in beeld gebracht op de Westelijke Eilanden en in de omgeving van het nabijgelegen Haarlemmerplein. Met een boot is dit gebied goed te doorkruisen en zijn de plekken die hij geschilderd heeft vaak nog duidelijk te herkennen. In 1914 vertrok Breitner uit zijn grote atelier op Prinseneiland, omdat hij het er zomers te warm en ’s winters te koud vond. Zijn werkkracht nam daarna met het jaar af. Hij sukkelde met zijn gezondheid en na een hartaanval is hij op 5 juni 1923 thuis gestorven. Hij werd begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats naast zijn vriend de schilder Willem Witsen, die enkele weken eerder overleed.

TEKST: FREEK HEIJBROEK & ERIK SCHMITZ

TENTOONSTELLING, BOEK
Tentoonstelling Breitner schetst Amsterdam. 10 oktober 2014–1 februari 2015 in het Stadsarchief Amsterdam (Vijzelstraat).
Een beeld van Breitners Amsterdam aan de hand van de recent gedigitaliseerde schetsboekjes, schilderijen, aquarellen en foto’s. Er is werk te zien uit de collecties van het Rijksmuseum en het Stadsarchief, aangevuld met soms weinig bekende schilderijen en aquarellen uit onder meer het Teylers Museum, het Gemeentemuseum Den Haag, Kröller-Müller Museum, Museum Boijmans van Beuningen en bruiklenen van particulieren.

Publicatie George Hendrik Breitner in Amsterdam, Freek Heijbroek en Erik Schmitz, Uitgeverij THOTH, 176 pagina’s van 23 x 28 cm, 250 illustraties in kleur (gebonden €32,50, paperback €24,95).
Rijk geïllustreerd boek waarin aan de hand van nieuw onderzoek veel schetsen, tekeningen, foto’s, aquarellen en schilderijen van Breitner uit zijn Amsterdamse periode worden gepresenteerd.

Rondleidingen over de tentoonstelling en stadswandelingen langs de locaties die Breitner geschilderd heeft of waar hij één van zijn vele ateliers had.

 

 


 10-2014 Inhoud-3-actrice

Het toneel was haar thuis en bracht haar roem en succes, terwijl ze thuis maar al te vaak meer misère dan geluk kende. Haar grootse theatercarrière kreeg Theo Mann-Bouwmeester bepaald niet op een presenteerblaadje aangereikt. Maar ze speelde de sterren van de hemel. En het publiek droeg haar op handen.

Vijfendertig jaar speelde ze in de Stadsschouwburg, als leading lady van de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel. Ze was Nederlands grootste tragédienne of ‘onze Sarah Bernhardt’, haar liefste compliment. Theo Bouwmeester was de vertolkster bij uitstek van hartstochtelijk beminnende en lijdende vrouwen in romantische Franse toneelstukken. Haar eigen leven was er een van veel verdriet en hard werken, gedreven door een grote passie voor haar vak.

Theodora Antonia Louisa Cornelia (Doortje) Bouwmeester werd op 19 april 1850 in Zutphen geboren. In een toneelfamilie, zoals de meeste acteurs in haar tijd. Ze was het vierde en jongste kind van Louis Rosenveldt en Louisa Bouwmeester. Die waren niet getrouwd en hun vier kinderen kregen Louisa’s achternaam. De Bouwmeesters zijn een indrukwekkende toneeldynastie. Theo en haar oudere broer Louis zijn de grootste namen, maar het Bouwmeestergeslacht heeft een tiental bekende acteurs voortgebracht.
Dynastie klinkt adellijk en zo had Theo het later graag gezien. In haar memoires noemt ze zich een nakomelinge uit een oud-Gelders geslacht dat afstamt van de zeeheld Maarten Tromp. Daar blijkt niets van waar. Haar ouders hadden een reizend toneelgezelschap, waar alle kinderen – ook die uit Rosenveldts wettige huwelijk – deel van uitmaakten zodra ze konden acteren. Theo groeide de eerste jaren op in Rotterdam, verzorgd door haar grootmoeder. Ze was zeven toen ze haar eerste rolletje speelde en niet lang daarna mocht ze mee met het familiegezelschap, van stad naar stad en van school naar school. Het was een armoedig bestaan en van ontwikkeling kwam niet veel. “Ze zegt: ‘Vrauwen’ en ‘trauwen’”, schreef een recensent later.
De heel vroege dood van haar beminde moeder in 1865, was een grote slag voor de vijftienjarige Theo. De familie woonde op dat moment in Amsterdam, op het Rokin vlakbij de Langebrugsteeg. Louis Bouwmeester, de oudste zoon, nam de leiding van de familie over van zijn zwaar aangeslagen vader. Theo kreeg haar eerste engagement bij het gezelschap Louis Bouwmeester & Co, dat aanvankelijk optrad in een houten zomertent in de Plantage en later in het theatertje Diligentia in de Kalverstraat 122. Ze was zestien, maar als ze door de Kalverstraat liep, voelde ze de mensen denken: Daar loopt een actrice! Tijdens de Amsterdamse kermisweken in september stonden ze in een tent op het Amstelveld, net als andere theatergezelschappen.

Komedie en drama
Doortje was amper zeventien toen ze in 1867 trouwde met de ‘orkestmeester’ van haar gezelschap, de negen jaar oudere Maurits Frenkel. Ze was niet verliefd, liever was ze naar het gezelschap van haar tante Hector Bouwmeester in Parijs gegaan. Op haar 23ste had ze al drie kinderen gekregen, van wie de oudste snel was gestorven. Maar ze bleef spelen, als Doortje Frenkel-Bouwmeester, altijd in gezelschappen van haar broer. Toen Louis in 1873 de directie kreeg van de Salon des Variétés in de Amstelstraat met de acteurs Nathan Judels en Pierre Boas, zocht ze een huis in Amsterdam voor haar gezin. Ze was zwanger van een vierde kind. “Een huis zoeken in Amsterdam was een afmattende bezigheid”, schrijft ze in haar memoires. Er bestonden nog geen woningbureaus, geen huurrijtuigen aan de stations, geen trams door de stad. Je moest naar de wijken lopen die geschikt leken. Amsterdam, voor haar een wereldstad, was “niet veel anders dan een vrij stille plaats, met hobbelige keien en gootplanken in alle straten, vrouwen in jakken, mannen in boezeroenen, veel dronken mensen. Stijf en ouderwets geklede burgerij, met maar een paar cafés. Een chic gekleed mens liep de kans om uitgejouwd te worden.”
Een paar dagen na hun aankomst in Amsterdam overleed Maurits (32) aan tyfus. Theo, nu kostwinner, speelde in de kleine rokerige Salon in melodrama’s en komedies terwijl haar inwonende schoonmoeder oppaste. Ze woonden op de Heiligeweg, later in de Engelsesteeg, zijsteeg van de Nieuwendijk. Het kort na de dood van zijn vader geboren zoontje Maurits werd, een paar weken oud, ernstig ziek. In de pauze van een komedie in het theatertje, rent ze naar huis waar het jongetje blijkt gestorven. Ze heeft het stuk daarna nog uitgespeeld. “Het werk stuwde mij voort, door alles heen”, verklaart ze in haar memoires haar onvoorstelbare overlevingskracht. De zes jaar bij de Salon met ‘toneelmonsters’ als Marmeren beelden, ijskoude harten, noemde ze later heel leerzaam.

Huiveringen van bewondering
De grote omslag kwam in 1880. Voor het eerst zag ze de Franse diva Sarah Bernhardt optreden, in het Grand Theâtre van Abraham van Lier, ook in de Amstelstraat. Het was een openbaring. Bernhardts spel en repertoire werden haar voorbeeld: Franse salonstukken met in de hoofdrol de elegante en verleidelijke vrouw, ‘la grande amoureuse’, die haar liefdesavonturen meestal met de dood moest bekopen. Ze behaalde geweldige successen bij het Grand Theâtre, onder andere als Marguerite Gautier in La dame aux camélias van Alexandre Dumas fils. Het stuk dat Verdi tot La Traviata inspireerde, gaat over een courtisane die bijna ‘gered’ wordt door een smoorverliefde, nette provinciaalse jongen. Maar als zijn vader haar dwingt zijn familie deze schande te besparen, verlaat ze hem, om ten slotte in haar minnaars armen te sterven. Het romantische repertoire werd hét genre van Doortje Frenkel-Bouwmeester, die zich rond 1883 Théo ging noemen. (Het Franse accentje verdween later weer.) Ze had spraaklessen genomen. “Het ruwe dialectmatige dat dikwijls haar taal ontsierde, heeft plaats gemaakt voor goed en zuiver Nederlands”, schreef het Algemeen Handelsblad.
In 1885 werd ze eerste actrice bij de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Toneel in de Stadsschouwburg aan het ‘Plein’. Fedora van Victorien Sardou – voor Sarah Bernhardt geschreven – maakte haar in een keer dé toneelspeelster van het moment. “Huiveringen van bewondering gingen door de zaal”, aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Behalve in Franse stukken stond Theo elk Nieuwjaar als Badeloch in de Gijsbrecht van Vondel. En ze werd vermaard om haar chique kostuums. Ze maakte ze zelf. In tegenstelling tot acteurs moesten alle actrices voor hun eigen kostuums en accessoires zorgen. In de deftige modezaak Hirsch op het Leidseplein keek ze net zo lang naar een jurk totdat ze het model in haar hoofd had.

Liefde en ongeluk
Op het toneel bewoog ze zich in een wereld van weelde, in haar eigen leven zat ze “met dat eeuwige potloodje altijd te rekenen”. Na vele verhuizingen in het begin van haar carrière woonde ze nu wat meer op stand, op de Leidsekade. Ze had een korte affaire met de veel jongere schrijver Karel Alberdingk Thijm alias Lodewijk van Deyssel, die haar openlijk adoreerde in De Amsterdammer, maar ze hertrouwde in 1891 met de vijftien jaar jongere acteur Henri Brondgeest. Na zeven jaar scheidden de twee; hij was te “bohemien en verkwistend”, schrijft Theo, die haar financiële zorgen alleen maar zag groeien. Niet veel later ontmoette ze in 1899 de componist en dirigent Gottfried Mann. Het lijkt de meest gelukkige match in haar leven te zijn geweest, maar na vier jaar sloeg het ongeluk toe toen Gottfried psychisch instortte en moest worden opgenomen in een inrichting, waar hij in 1904 overleed. Voor altijd bleef ze mevrouw Mann-Bouwmeester. Gelukkig in mijn spel, ongelukkig in de liefde, zegt ze zelf.
In februari 1890 werd de Stadsschouwburg door brand verwoest. Mede dankzij de steun van bankier en mecenas Abraham Wertheim kon de Koninklijke Vereeniging doorgaan met haar voorstellingen, meestal in het Grand Theâtre in de Amstelstraat. Na de heropening van de schouwburg in 1894 hield de directie van de Koninklijke vast aan het inmiddels verouderde romantisch repertoire, dat met Theo overigens nog altijd veel toeschouwers trok. Zijzelf kreeg langzamerhand ook behoefte aan het spelen van moderne, meer levensechte stukken, zoals van Henrik Ibsen. Ze bewees haar veelzijdige talent als de vrouw van Voerman Henschel in het gelijknamige stuk van Gerhart Hauptmann. Maar de Koninklijke Vereeniging hield de naam van een ingeslapen, deftig oud gezelschap. Theo kreeg steeds minder belangrijke rollen; de voorkeur ging uit naar jongere actrices. Haar fans stuurden boze brieven naar het bestuur, maar dat veranderde niets. Het tekent Theo’s loyaliteit dat ze desondanks trouw bleef aan de Stadsschouwburg.

Theo Mann-Bouwmeesterring
Bij haar 40-jarig jubileum in 1911 kreeg ze van een comité van Amsterdamse bewonderaars de Theo Mann-Bouwmeesterring, gemaakt door de edelsmid Jan Eisenloeffel. Het was de eerste Nederlandse toneelprijs. Theo beloofde die te zijner tijd door te geven aan een actrice die ze “beschouwde als de beste in haar kunst”. In 1934 gaf ze de ring aan de actrice Else Mauhs.
De betrekkingen tussen mevrouw Mann en de directie van haar gezelschap verslechterden drastisch toen zij in januari 1920 meedeed aan de toneelspelersstaking tegen de willekeur van de toneeldirecteuren. De belangrijkste eis was: acteurspensioenen. De spelers van de Koninklijke Vereeniging hadden als enige in het land een pensioenregeling, maar Theo wilde haar solidariteit tonen met haar collega’s elders. Toen zij in 1925 recht kreeg op haar uitkering – ze was nu 75 – weigerde de directie die te geven. ‘Financiële problemen’, was de verklaring, maar iedereen begreep dat zij gestraft werd voor haar deelname aan de staking. De algemene verontwaardiging was zo groot dat de gemeente Amsterdam besloot haar een erepensioen te geven van f3000,-.
In 1926 hield Theo een afscheidstournee: “Ik moest mijn publiek vaarwel zeggen, nog eenmaal het middelpunt zijn, nog eenmaal die stampvolle zalen zien. En dan, eerst dan, rust.”  Dat publiek bleef haar op handen dragen; als zij verscheen bij premières of jubilea in de Stadsschouwburg volgde altijd een ovatie.
Theo Mann-Bouwmeester overleed op 18 april 1939 thuis in de Roemer Visscherstraat. De toneelwereld eerde haar in 1955 met een tweede toneelprijs: de Theo d’Or, de prijs voor de beste vrouwelijke hoofdrol van het seizoen, die jaarlijks wordt uitgereikt, op 4 september j.l. als laatste aan Abke Haring/Marlies Heuer/Alejandra Theus.
Tenslotte: in de Stadsschouwburg staat een bronzen buste en hangen drie portretten van Mann-Bouwmeester. Het levensgrote schilderij uit 1900 van Pieter de Josselin de Jong is in slechte staat. Dat geldt ook voor het doek van Esther de Boer-van Rijk als Kniertje en voor andere portretten. Waarom zorgt de Stadsschouwburg zo slecht voor dit cultureel erfgoed?

Tekst: Joosje Lakmaker is journalist.

 

 

 

 

 

 

 


10-2014 Inhoud-4-CS-aanlegIs er na 125 jaar nog veel over van het Centraal Station dat in oktober 1889 open ging? De vraag stellen is haar beantwoorden. Een 19de-eeuwse reiziger zou het station aan de buitenkant wel herkennen, maar binnen verdwaasd om zich heen kijken. Het kruispunt van treinen is volledig veranderd.

Het Centraal Station bestaat 125 jaar. Onder grote publieke belangstelling ging Nederlands belangrijkste kruispunt van treinen open op 19 oktober 1889. Wat is er na al die jaren nog over van het station van toen? Veel aan de buitenkant, maar achter die fraaie gevels slechts weinig. Dat kan ook niet anders. Want de stijging van het aantal reizigers is enorm en onze manier van reizen sterk veranderd.

Vertrekhal
De centrale hal is een van de weinige ruimtes die min of meer dezelfde functie hield. Min of meer, want stationsarchitect Pierre Cuypers had de hal alleen bedoeld om te vertrekken: de aankomende reizigers werden via de oostelijke en westelijke tunnel afgevoerd. De sfeer is er radicaal veranderd. Op foto’s uit de begintijd lijkt de hal wel een kathedraal: als vanzelf gaat je oog langs de pilaren omhoog naar het plafond ver boven de reizigers. Die ruimtelijke ervaring verdween goeddeels in de jaren vijftig door inbouw van balkons op perronhoogte, als uitbreiding van de wachtkamers die toen horecagelegenheden werden.
Oorspronkelijk was in de hal het enige ‘meubilair’ een hoog halfrond bouwsel van donker hout, direct achter de hoofdingang, waarin destijds de kaartverkoop plaatsvond. Bijnaam was ‘het orgel’. Door het groeiende aantal reizigers werd het gedrang hier onaanvaardbaar. In 1954 verving een reeks loketten tegen de lange achterwand van de hal, aan weerszijden van de tunnel, het orgel. De invoering van kaartautomaten en recent de chipkaarten heeft de loketverkoop drastisch verminderd (die is nu verplaatst naar de oostelijke en westelijke zijvleugels).

De koning en de stationschef
Het belang van de centrale ingang benadrukte Cuypers met twee 45 meter hoge torens, aan weerszijden geflankeerd door lagere zijvleugels en afgesloten door asymmetrische hoekpaviljoens. Die hoekpaviljoens waren het domein van twee zeer verschillende belangrijke autoriteiten. De hoogste baas van het station was de stationschef. Hij woonde in het westelijk paviljoen. De allerhoogste onder de reizigers was natuurlijk koning Willem III. Hij kreeg zijn exclusieve ingang en wachtruimte in het Koningspaviljoen alias Koninklijke Wachtkamer aan de oostkant. Hij kon er met koets en al naar binnen rijden.
Natuurlijk moest het immense hiërarchisch verschil tussen koning en stationschef wel goed zichtbaar zijn. Daarom steekt het Koningspaviljoen veel verder naar voren uit en heeft het een imposante, hoge kap. Dat het westelijke paviljoen een comfortabele woning bevatte, was zichtbaar door de erker op een- en tweehoog. Een vorst heeft Nederland nog steeds en ook die gebruikt nog weleens de Koninklijke Wachtkamer. Maar de functie ‘stationschef’ bestaat op het CS niet meer. De laatste verliet in de jaren zestig zijn dienstwoning. Nu zetelt daar de spoorwegpolitie.

Groote Vergaderzaal
Als zo’n station er al zo lang staat, lijkt de vorm steeds vanzelfsprekender. Maar waarom is het centrale deel – tussen de twee traptorens – zo hoog? De centrale hal was en is imposant, maar neemt slechts een derde van de hoogte van het middendeel in beslag. Dat is het resultaat van gekibbel tussen de architect en zijn opdrachtgevers. Cuypers ontwierp in eerste instantie een gevel waarbij er boven de sporen twee kappen naast elkaar zouden komen. Nieuwe technieken maakten echter één weidse kap van 45 meter breed mogelijk. Deze ‘grootsche kap’ zou boven gebouw uit torenen. Dat zinde Cuypers niet en tekende protest aan. Tevergeefs. Hij loste het op door het middenstuk van de gevel veel hoger te maken. Zo vormde het ook een nóg monumentalere visuele afsluiting van het Damrak.
Boven de centrale hal ontwierp hij een Groote Vergaderzaal alias Burgerzaal. In Cuypers fantasie een ontmoetingsplek voor tout Amsterdam. Boven de deuren prijkten de gezichten van Oranjevorsten in medaillons en langs de wanden zouden fresco’s komen met taferelen uit de Amsterdamse geschiedenis. De zaal kwam er, maar diende nooit als vergaderzaal omdat de spoorwegmaatschappij al elders vergaderde. Een burgerzaal werd het al helemaal niet. Van de fresco’s is er één voltooid: van Floris V die Amsterdam in 1275 tolvrijheid geeft. En zelfs die bestaat niet meer. Sinds jaar en dag is deze hoge zaal met adembenemend uitzicht op het Damrak de personeelskantine.


Tunnels en wachtkamers
De tunnels onder de sporen dienen nu grotendeels voor het verwerken van de reizigerstromen. Ze zijn meermalen verbreed en de roltrappen kwamen er in 1984. Maar in de begintijd werd door de tunnels vooral bagage vervoerd. De reiziger droeg zijn koffers niet zelf, maar gaf die af in de vertrekhal, waarna ze over smalspoor naar de bagagewagons werden gebracht. Intussen liep hij via trappen meteen achter de vertrekhal naar een van de wachtkamers (linksaf Derde Klas, rechtsaf Eerste en Tweede Klas). De wachttijden waren stevig, want er reden nog niet veel treinen per dag.
De verschillende sociale klassen reisden destijds apart van elkaar in eigen wagons en maakten gebruik van gescheiden wachtkamers. Deze scherpe sociale hiërarchie liet Cuypers terugkomen in de decoratie van de wachtkamers. In de westelijke vleugel wijdde hij de wachtkamer Derde Klasse voor het ‘gewone volk’ aan de ambachtsman. Boven het buffet liet hij een moralistische spreuk – geschreven door zijn zwager Joseph Alberdingk Thijm –  aanbrengen tegen drankmisbruik: “Denk dus om aan te vullen, maar neem uw lafenis bij glazen, niet bij pullen”. In de wachtkamers Eerste en Tweede Klasse voor de elite (in de oostvleugel), werden de reizigers aangespoord tot daadkracht: “Gebruik den Tijd eer hij ontvliedt: Hij is uw Vriend verdrijf hem niet”. De Derde Klasse is in 1956 afgeschaft. De wachtkamers kregen geleidelijk een horecafunctie. In de Derde Klasse zit nu de Burger King, in de andere twee (met bijbehorende ‘stationsrestauraties’) vindt men nu Starbucks en Pub 1ste Klas en Brasserie 1ste Klas. 


Stationsjuffrouwen en speelkamer
Typerend voor hun tijd zijn twee nu geheel verdwenen voorzieningen: het kantoor van de Stationsjuffrouwen en de Speelkamer. Alleen reizende jonge meisjes uit de provincie of uit Duitsland die wat verdwaasd op het Centraal Station uitstapten (doorgaans om hier een baan als dienstbode te vinden), maakten sinds 1902 goede kans moederlijk te worden aangesproken door een redelijk deftige dame van middelbare leeftijd, die om haar arm een band met de tekst ‘Stationswerk’ droeg en op haar borst een broche met ‘Bescherming van meisjes’. Zij stond er om te voorkomen dat naïeve meisjes door schijnbaar galante jongemannen of louche kostjuffrouwen de prostitutie ingelokt zouden worden – toen een reëel gevaar. De stationsjuffrouwen begeleidden de meisjes naar hun bestemming of hielpen ze aan werk en betrouwbaar onderdak. De juffrouwen waren in dienst van de protestantse Union Internationale. Later kwam hieruit het Maatschappelijk Advies- en Informatiecentrum voort, met een bredere doelgroep. Dit MAI kreeg in 1933 een kantoortje in de centrale hal, om in 1971 naar de Zeedijk en later de Hartenstraat te verhuizen, alvorens in 1988 te worden opgeheven.  
Vooral gericht op schoolgaande jongens (en ook wel wat meisjes) was de speelkamer, die op 11 juli 1941 de deuren opende op een bovenverdieping langs station 2b (dus in de oostvleugel), bereikbaar vanaf het perron én de straat. In deze zaal stonden drie grote tafels met modelspoorbanen. De NS wilde de schoolgaande jeugd hier leren wat er allemaal te pas kwam aan de exploitatie van een spoorwegstelsel. De jonge bezoekers werden verdeeld in groepjes, waarvan ieder lid een eigen taak kreeg: de een bediende de seinen, de ander de wissels, enzovoorts. Voor de vrolijke aankleding zorgde de jonge kunstenaar/ontwerper Joop Geesink, later bekend door zijn poppenfilms (en Loekie de Leeuw van de STER-reclame). Nadat de Duitsers de zaal tijdens de bezetting hadden leeggeroofd, werd in 1948 de speelkamer heropend. Hoe lang hij bestaan heeft, is onduidelijk. 


Winkeltjes
Sinds de vorige grote verbouwing in de jaren tachtig veranderde het Centraal Station steeds meer in een klein winkelcentrum. Tegenwoordig is er zelfs een HEMA-filiaal in de oostvleugel. Een vroege aanzet tot deze ontwikkeling was de bouw van enkele miniwinkeltjes vlak achter de ingangscontrole naast de ingang van de middentunnel. Die werden onder meer verhuurd aan de Amsterdamsche Kiosk-Onderneming (AKO). Dat bedrijf is vaak genoeg verhuisd, maar nog steeds een continue factor in het CS.

Tekst: Durkje van der Wal is kunsthistorica

 

 


10-2014 Indos-1-menigteBijna 65 jaar geleden dromden op de Dam honderden Amsterdammers met Indische wortels samen om getuige te zijn van een historisch moment: de soevereiniteitsoverdracht aan de  onafhankelijke staat Indonesië. Nog altijd zijn overal in de stad sporen van het koloniale verleden zichtbaar. Peter Schumacher stippelde een route uit.

De statistieken leren dat Amsterdam in vergelijking met Den Haag heel wat meer bewoners heeft met hun wortels in Nederlands-Indië. De meesten vestigden zich in de jaren vijftig in de nieuwe wijk Slotermeer. De bekende Indische schrijver en journalist Tjalie Robinson heeft er met zijn gezin acht jaar gewoond. Van die Indische ‘kampong’ zijn weinig sporen terug te vinden. Maar elders in de stad nog wel. Op stap met Peter Schumacher.

Laten we beginnen bij Gebouw Batavia (1), bijna naast de Sint-Nicolaaskerk schuin tegenover het Centraal Station. In 1920 gebouwd in Amsterdamse Schoolstijl door Jan Slot voor de NV Batavia Arak Maatschappij, importeur van onder meer de sterkedrank arak. Tot ver na de oorlog zat er vervolgens de Insulaire Handelmaatschappij, die voornamelijk gericht was op de West. Op de begane grond is nu Café Batavia 1920. Met wat moeite herkennen we boven de pui bijna onzichtbaar geworden ornamenten: links en rechts twee groepen van drie aapjes, ieder ‘bewaakt’ door een olifant. Restauratie is hoognodig!
De achterkant kijkt uit op de Oudezijds Kolk en de Schreierstoren (2), waar volgens de overlevering zeemansvrouwen stonden te huilen als hun mannen met de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) naar Indië voeren. (Dat zal best, maar verklaart overigens niet de naam van de toren.) En deel van die uitvarende mannen legde daarginds de basis voor wat uitgroeide tot de Indo-Europese gemeenschap, waarvan het grootste deel zich inmiddels weer in Nederland heeft gevestigd. Hun aanwezigheid in Amsterdam heeft ervoor gezorgd dat er een aantrekkelijke Chinese wijk is ontstaan rond de Nieuwmarkt. Er kwamen steeds meer Chinees-Indische restaurants. Maar ook Indonesische toko’s en afhaalcentra, zoals op de Nieuwmarkt Toko Joyce (3). Hier zit de toko sinds 1998, maar de vader van Joyce begon de zaak in 1970 als rondrijdend afhaalcentrum in Nieuw-West.
Even verder, in de Nieuwe Hoogstraat, staat het Oost-Indisch Huis (4) uit 1606, nu onderdeel van de UvA, maar ooit het administratieve centrum van de VOC. Een paar huizen verder zit  boekenantiquariaat Kok (5), met de grootste verzameling tweedehands boeken over Indische zaken. Nu rechtdoor en aan de overkant van de brug rechtsaf de Oudezijds Voorburgwal op tot voorbij de Oude Kerk, linksaf de Lange Niezel in, de Warmoesstraat oversteken en het Damrak en door een steeg nog verder westwaarts tot aan de overkant van de Nieuwezijds Voorburgwal. Daar op het adres Korte Korsjespoortsteeg 8 trok van 1955 tot 1988 het boekenantiquariaat van anarchist, antimilitarist en seksueel hervormer Gé Nabrink (6) (1903-1993), gespecialiseerd in ‘oriëntalia’,  liefhebbers van over de hele wereld.

Soevereiniteitsoverdracht
Rechtdoor in de Korsjepoortsteeg op nummer 20 is het Multatuli Museum (7), sinds 1975 gevestigd in het huis waar Eduard Douwes Dekker in 1820 geboren werd. Onder zijn pseudoniem Multatuli schreef hij onder meer Max Havelaar (1860). Het beroemde boek is een felle aanklacht tegen het Nederlandse koloniale bewind, waar de schrijver als bestuursambtenaar deel van had uitgemaakt. Het is maar een klein museum van twee kamers, gerund door het Multatuli Genootschap, dat twee maal per jaar het tijdschrift Over Multatuli  uitgeeft. Terug naar het Singel ontwaren we daar rechtsaf in de verte het machtige borstbeeld (8) van Multatuli op de Torensluis. In 1987, een eeuw na Douwes Dekkers dood, werd het onthuld door de koningin Beatrix. Het is gemaakt door Hans Bayens (1924-2003).
Via de Torensteeg en de Molsteeg bereiken we weer de Nieuwezijds Voorburgwal, waar wij rechts afslaan langs de achterkant van het Paleis op de Dam (9). Ook voor mensen met een Indische achtergrond is dit een historische plek: op 27 december 1949 tekenden koningin Juliana en vice-president Mohammed Hatta van Indonesië hier het verdrag waarbij Nederland de soevereiniteit overdroeg aan de nieuwe onafhankelijke staat Indonesië.
Op weg naar de Vijzelstraat passeren we op de Nieuwezijds vlak voor het Spui het grootste Indonesische restaurant in het centrum: Kantjil & de Tijger (10). Via het Koningsplein en een stukje Leidsestraat slaan we links de oneven kant van de Keizersgracht in. Op nummer 493 is een galerie in en hoog en breed pand met in grote letters INDIË (11) op de gevel: een voormalig pakhuis (1859) van de toenmalige Nederlandse Handel Maatschappij (NHM). Die zat destijds nog op de Herengracht, maar verhuisde in 1926 naar het enorme gebouw De Bazel (12) in de Vijzelstraat waar sinds 2007 het Stadsarchief is ondergebracht. De huidige naam ontleent de kolos aan zijn ontwerper Karel de Bazel.

Geldtempel
Als theosoof en vrijmetselaar heeft hij tal van theosofische, Indische en maçonnieke ideeën in zijn ontwerp verwerkt. Hij zou vooral gedacht hebben aan de beroemde Boroboedoer op Java. “Alle elementen bij elkaar genomen wijzen erop dat De Bazel het gebouw van de NHM heeft vormgegeven als een ‘geldtempel’. Het belangrijkste cultuursymbool van Indië is de boeddhistische tempel Boroboedoer. Wanneer men de bouwstructuur van deze tempel analyseert, ziet men die weerspiegeld in het NHM-Gebouw”, schrijft kunsthistoricus Marty Bax over hem. Een vergelijking met Indische spekkoek vol licht- en donkerbruine laagjes wordt ook vaak gemaakt.
Aan weerszijden van de ingang waken mystieke, oosterse vrouwenfiguren en als eerbetoon aan de bedwingers en uitbaters van ons Indië staan hoog boven de straat drie martiale figuren: de voormalige gouverneurs-generaal Jan Pietersz. Coen, Herman Willem Daendels en Joannes Benedictus van Heutsz. Voor wie meer over de historie van De Bazel wil weten, is een rondleiding op zondag (tevoren aanmelden) aan te bevelen.
De Vijzelstraat vervolgend gaan we aan de overkant van de Prinsengracht rechtsaf en bij de volgende brug linksaf de Spiegelgracht op. Tribal Design (13) op nummer 8 is een grote galerie met indrukwekkende etnische kunst uit Nieuw-Guinea. Aan het eind van het grachtje zien we al het Rijksmuseum. Binnen is een bezoek aan de kamer met de geschilderde Javaanse vorsten zeer de moeite waard. Ook hangt hier werk van de 19de-eeuwse Indonesische schilder Raden Saleh.
We gaan door de Jan Luijkenstraat naar Van Eeghenlaan 11. Daar hield de Molukse ‘tante’ Marie Reawaruw (14) een pension, van waaruit tijdens de oorlog Indonesische studenten verzetsdaden pleegden, zoals het vervoeren van Joodse kinderen naar onderduikadressen. Afgelopen 4 mei was hier nog een door schrijver Herman Keppy georganiseerde herdenkingsbijeenkomst om alle Indonesische, Molukse en Indische verzetsmensen te eren.

Strijd om Van Heutsz
Het voormalige Indonesisch consulaat (15) is onze volgende bestemming. Eerst naar de Koninginneweg en dan zo’n 200 meter na het politiebureau links de Brachthuijzerstraat in, waar het consulaat (op nummer 4) in december 1975 werd bezet door gewapende Molukkers, gelijk met de kaping van een trein bij Wijster. Een Indonesische medewerker sprong uit angst uit het raam en vond daarbij de dood. Nog steeds zit hier een Indonesisch handelskantoor, dagelijks wappert er de nationale rood-witte vlag. De Valeriusstraat leidt ons naar het Valeriusplein. Links aan de andere kant van de De Lairessestraat zien we het Amsterdams Lyceum. Als we daar de poort onderdoor gaan, staan we voor het Monument Indië-Nederland (16), voorheen het Van Heutsz Monument uit 1935.
Al toen koningin Wilhelmina het onthulde, was Van Heutsz een omstreden figuur. Vooral socialisten en communisten vonden het schandalig dat deze man, die zo wreed was opgetreden bij de pacificatie van Aceh (vroeger Atjeh) op Sumatra, een dergelijk eerbetoon kreeg. In 1967 pleegden provo’s een bomaanslag op het beeld, maar pas in de jaren negentig ontbrandde een serieuze discussie over een mogelijke afbraak of verbouwing met een andere naam. Het werd het laatste, uitgevoerd door de kunstenaar Jan Kleingeld. Sinds een kleine tien jaar heet het monument: Monument Indië-Nederland 1596-1945-1949.
Op een tekstbord schrijft de stadsdeelraad Oud-Zuid dat het monument ons moet herinneren aan de Nederlandse aanwezigheid in de Indische Archipel. “Een tijdvak dat begon met de aankomst van Cornelis Houtman in 1596 en eindigde met de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië aan de Verenigde Staten van Indonesië in 1949. Met het vermelden van het jaartal 1945 wordt de Proklamasi van Soekarno in 1945 erkend.”
De prachtige Indische reliëfs van beeldhouder Frits van Hall zijn gebleven. Toegevoegd is een aantal gele bakstenen zuilen met jaartallen en afbeeldingen van ondermeer een vulkaan, een haven en een koffieplukster. Het opvallendst is een tekening die verwijst naar de vrijheidsstrijd en de leus: AWAS Moeslihat Moesoeh, wat zo veel betekend als ‘Pas op voor vijandelijke misleiding’. Scholieren van het Amsterdams Lyceum zitten graag aan de vijver met klaterende fontein. Officiële herdenkingen worden hier niet gehouden.
Nu zin in Indonesisch eten? Het is nog maar een kwartiertje lopen naar Toko Kok Kita (afhaal), Amstelveenseweg 166 en even verder op nummer 158-160 restaurant Blauw.

Tekst: Peter Schumacher. Is schrijver en journalist.