Ons Amsterdam september 2012

09-2012_Stadhuis
Het mooie stadhuis op de Dam was hen ontstolen in 1808. Sindsdien maakten de stadsbestuurders grootse plannen voor een nieuw raadhuis. Ondertussen kreeg het Prinsenhof, het tijdelijk onderkomen, een fraaie Nieuwe Vleugel.

Lang was Amsterdam in de greep van de stadhuiskwestie: moest de stad blijven proberen het in 1808 tot koninklijk paleis gebombardeerde stadhuis op de Dam terug te krijgen? Of moest er een heel nieuw gebouw komen? Het werd het laatste. Maar bijna niemand weet dat er in de jaren twintig nog een ander plan lag: een gigantische uitbreiding van het ‘tijdelijke’ stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal, met een voorplein tot aan de Dam!

Tekenaar Bernard van Vlijmen maakte in 1926 een spotprent van de Amsterdamse wethouder Floor Wibaut. Die lag in de gemeenteraad onder vuur vanwege zijn financiële beleid. Op de tekening arriveert de wethouder bij het stadhuis op de Oudezijds Voorburgwal. Enigszins gebogen staat hij, getooid met zijn onafscheidelijke hoed en wandelstok, voor het poortgebouw van de kort daarvoor gereedgekomen Nieuwe Vleugel. Boven de entree valt te lezen: “Wie hier binnentreedt late alle hoop varen.”
Dat was niet zo aardig aan het adres van de makers van die Nieuwe Vleugel, want dat nieuwbouwproject was voor de dienst Publieke Werken nu juist een paradepaardje. In 1925 won de afdeling Gebouwen van deze dienst een Grand Prix voor architectuur in Parijs, met een inzending van zestien projecten. Een van die bouwplannen was het ontwerp voor de Nieuwe Vleugel.
Achteraf gezien is deze nieuwbouw te typeren als het laatste totaalproject van de Amsterdamse School – de bouwstijl die in de jaren 1920 toonaangevend was in Amsterdam, maar die aan het eind van dat decennium werd afgelost door de Nieuwe Zakelijkheid. De Nieuwe Vleugel was onderdeel van een grotere verbouwing van het Prinsenhof, het toenmalige ‘tijdelijke’ stadhuis (nu hotel The Grand). De uitbreiding moest soelaas bieden tot een geheel nieuw stadhuis zou zijn verrezen. Door verdeeldheid over de locatie zat daar echter weinig schot in.

Paleis terugveroveren
Het kostte alleen al moeite het stadhuis op de Dam los te laten, het ‘achtste wereldwonder’ in de ogen van Amsterdammers. De stadsbestuurders hadden het nakijken gehad, toen koning Lodewijk Napoleon in 1808 het stadhuis opeiste omdat hij Amsterdam tot hoofdstad van zijn koninkrijk wilde maken. Ze namen hun intrek in een 15de-eeuws kloostercomplex dat al in gebruik was als logement voor “prinsen en hoogere heeren” die bij het stadsbestuur te gast waren – vandaar de naam Prinsenhof.
Anders dan Jacob van Campens meesterwerk op de Dam was dit geen monumentaal, representatief stadhuis. Door talloze verbouwingen en annexaties van naastgelegen panden was het verworden tot een samenraapsel van bouwdelen. Vanaf eind 19de eeuw klonk vanuit de burgerij dan ook de roep om het paleis weer als stadhuis in gebruik te nemen. De opeenvolgende colleges wilden echter de Oranjes niet voor het hoofd stoten, die het paleis sinds het vertrek van de Fransen als pied-à-terre gebruikten.
Geleidelijk vormde zich binnen de gemeenteraad een groep raadsleden, die vond dat het paleis als symbool van de oude regentencultuur niet meer paste bij de huidige democratie. Deze politici pleitten voor de bouw van een nieuw stadhuis. De twee kampen bestonden jarenlang naast elkaar, want tot een snelle beslissing kwam het niet. Sterker nog, in 1910 introduceerden B&W zelfs nog een derde plan: uitbreiding van het Prinsenhof tot aan de Oude Doelenstraat. Dit ontwerp van de directeur Publieke Werken A.W. Bos kon van meet af aan op weinig steun van de gemeenteraad rekenen. Toch zou het niet meteen van tafel verdwijnen.

Nieuwe Vleugel
In 1922 leek een eind te komen aan al het gesteggel, toen de gemeenteraad instemde met de bouw van een nieuw stadhuis. Tegelijk echter ging de raad ook akkoord met een verbouwing van het Prinsenhof. Volgens B&W was dit een “tussenplan”, dat onvermijdelijk was omdat de economische omstandigheden het niet toelieten direct met de bouw van het nieuwe stadhuis te beginnen. Het zou nog zeker vijftien à twintig jaar duren voordat het gemeentelijk apparaat zou kunnen verhuizen.
Als eerste onderdeel van de verbouwing van het Prinsenhof kwam de Nieuwe Vleugel gereed tussen 1924 en 1926, aan de Oudezijds Voorburgwal en de Agnietenstraat. Het ontwerp van de gevels was van Nicolaas Lansdorp. Stadsarchitect Allard Hulshoff tekende de plattegronden en had de supervisie. Voor de aankleding van de interieurs was binnenhuisarchitect Ad Grimmon verantwoordelijk. “Zuinigheid is geboden, soberheid eisch”, kondigde burgemeester Willem de Vlugt als credo af – want het was maar tijdelijk.
Het resultaat was een sobere kantoorvleugel in de baksteenstijl van de Amsterdamse School. Het bijna zeventig meter lange bouwblok volgt in een flauwe bocht de curve van de gracht om te eindigen in een markante hoektoren. De buitenzijde is gedecoreerd met bouwaardewerk van stadsbeeldhouwer Hildo Krop, die ook een serie granieten pijlerbekroningen vervaardigde. Binnenin kregen alleen de representatieve ruimtes – de kamer van de burgemeester, de wethouderskamers, de trouwzaal en de raadszaal – een speciale afwerking. Maar die kosten werden op een slimme manier gedrukt. Enerzijds maakte men gebruik van geschenken en bruiklenen die de gemeente ontving. Anderzijds zette men opdrachten uit via de steunregeling voor noodlijdende beeldende kunstenaars, die kort daarvoor in het leven was geroepen. Het stadhuis was jarenlang een van de belangrijkste projecten waarvoor kunstenaars opdrachten kregen.

Plein tot aan de Dam
Toen de Nieuwe Vleugel er net stond, boog men zich weer over de locaties van een nieuw stadhuis. Publieke Werken had onderzoek gedaan en presenteerde zeven mogelijke plekken: Museumplein, Frederiksplein, Leidseplein, Weteringschans, Stadhouderskade, Damrak en Oude Turfmarkt.
Maar het rapport zinspeelde ook op verdere uitbreiding van het Prinsenhof. Publieke Werken presenteerde drie varianten met een uitbouw in noordelijke richting, net zoals dat in 1910 door Bos was getekend. Nieuw was dat men in twee van de drie varianten de uitbreiding niet liet stoppen bij de Oude Doelenstraat, maar daaroverheen wilde bouwen. Het verkeer zou dan onder het stadhuis door worden geleid. Dwars op het Prinsenhof wilde men tot aan het Paleis op de Dam een langgerekt plein, plantsoen of waterpartij realiseren –¬ voor extra allure, want zo kwam toch maar mooi een verbinding tot stand met dat achtste wereldwonder!
Wat betreft nieuwbouw kwamen Museumplein en Frederiksplein in de gemeenteraad als voorkeurslocaties uit de bus. Volgens burgemeester De Vlugt was het echter uitgesloten dat de plannen binnen enkele jaren te realiseren waren. Met beide alternatieven was minstens tien miljoen gulden gemoeid. Hoewel het economisch beter ging, vond De Vlugt het onverantwoord zulke bedragen aan een stadhuis te besteden. Die zuinige opstelling betekende de nekslag voor de plannenmakerij op nieuwe locaties. Slechts drie goedkopere voorstellen bleven over: de drie varianten voor uitbreiding van het Prinsenhof.
Bijzonder gecharmeerd toonde De Vlugt zich echter van een plan dat de architecten Hulshoff en Lansdorp (de ontwerpers van de Nieuwe Vleugel) nog op het laatste nippertje als vierde variant aan het rapport hadden toegevoegd. Ook in dit plan werd het Prinsenhof doorgetrokken tot de Oude Doelenstraat. Maar in plaats van een gesloten gevelwand aan de ingangszijde werd deze wand doorbroken, waardoor het complex een extra binnenplein kreeg. Qua bouwstijl zou de uitbreiding de stijl van de Nieuwe Vleugel voortzetten.

Langdurig tijdelijk
Deze koerswijziging van B&W leidde tot felle debatten in de raad. De leden keerden zich mordicus tegen dit idee. Het was immers geheel in strijd met het besluit uit 1922 om te streven naar een nieuw stadhuis. De Vlugt deed verwoede pogingen om de raad te overtuigen, maar slaagde daarin niet. Het college krabbelde nu terug en schoof de raadhuiskwestie officieel op de lange baan.
Daarmee brachten de debatten een omslag in het denken over de uitbreiding van het Prinsenhof. In september 1926, na de realisatie van de Nieuwe Vleugel, werd gestart met het tweede deel van de uitbreiding: de renovatie van het Admiraliteitsgebouw. Dit pand uit 1662 vormde het hart van het complex. Het onderging een complete metamorfose. Van het oorspronkelijke gebouw bleef alleen de fraaie façade van de hand van Daniël Stalpaert gespaard.
Vooral echter in de aankleding van de nieuwe raadszaal werkte het besef door dat het verblijf op het Prinsenhof wel eens ‘langdurig tijdelijk’ zou kunnen zijn. Aanvankelijk zou de zaal een sober karakter krijgen, maar na de jongste discussies in de raad werden de eisen opgeschroefd en werd er meer waarde gehecht aan stedelijke representativiteit. Het plan dat Publieke Werken voor de zaal had getekend, verdween van tafel. In het voorjaar van 1927 kreeg de gerenommeerde Amsterdamse interieurarchitect Willem Penaat de opdracht een monumentale zaal voor het stadhuis te ontwerpen waarin de “geest en grootheid van Amsterdam” tot uitdrukking zouden komen.
Penaat wilde geen imitatie van de Burgerzaal in het Paleis op de Dam. De tijd van overladen “bezittersweelde uit de 17de eeuw” was volgens hem voorbij. De huidige gemeenteraad was een democratisch instituut. Het mocht daarom beslist geen zaal vol klassieke verwijzingen worden.

Prestigeproject
Voor de uitvoering van Penaats plan trok men topkunstenaars aan die werkten in moderne stijlen. Hildo Krop, Joseph Mendes da Costa en John Rädecker ontwierpen eikenhouten beelden vol symboliek die de allure van Amsterdam onderstreepten. Johan Thorn Prikker vervaardigde zes wandschilderingen, direct achter de stoelen van de stadsbestuurders, die de deugden van een ideaal stadsbestuur symboliseerden: wijsheid, rechtvaardigheid, gezag, eensgezindheid, voortvarendheid en geloof/liefde. Het verbouwingsbudget ging met enkele tonnen omhoog. Zo werd de raadhuisuitbreiding die eenvoudig begon, uiteindelijk toch een prestigeproject.
Maar niet met overdonderend succes. De architect A. Ingwersen wond zich in de krant op over de beeldengroep van John Rädecker (die later ook de ontwerper zou worden van het Nationaal Monument op de Dam). De beeldhouwer was na het tonen van zijn ontwerp gevraagd dit te kuisen: het toonde te veel vrouwelijk bloot. In reactie daarop maakte Rädecker zijn stedenmaagd nog bloter. Kennelijk besloot men dit maar door de vingers te zien. Ingwersen kon het resultaat niet bekoren, het werk was er “niet één waar een mannenhart in moeilijke tijden kracht uit putten” kon. Als alternatief voor de “dikvleezige vrouwen” had hij liever portretten van geestkrachtige mannen gezien.
Voor de architectuur van de Nieuwe Vleugel was van het begin af aan niets dan lof. Maar de interieurs en kunstwerken werden nogal wisselend ontvangen door de pers. In de gemeenteraad was er evenmin veel enthousiasme. De kamer van de burgemeester werd door de raadsleden smalend omschreven als een boudoir. Ook de trouwkamer en de raadszaal riepen bedenkingen op. Toch waren het juist deze ruimtes die de tand des tijds zouden doorstaan: mede op basis van deze drie vertrekken is het Prinsenhof in de periode nadat hotel The Grand er zijn intrek had genomen (1992) tot rijksmonument verklaard.

Locatie Frederiksplein
De uitbreiding bleek niet afdoende voor oplossing van de ruimtenood. En dus stelde het college maar weer eens een commissie in, die het plan voor uitbreiding van het Prinsenhof richting Oude Doelenstraat nieuw leven moest inblazen. Toeval of niet, een dag voordat deze commissie geïnstalleerd zou worden, brandde in april 1929 het Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein af. Laat dit plein nu net, samen met het Museumplein, eerder te zijn aangemerkt als ideale locatie voor de bouw van een nieuw stadhuis!
Men bedacht zich geen moment. Met goedkeuring van de raad werd de locatie in december 1929 aangekocht. Toen het rijk ook nog eens vijftien miljoen wilde doneren voor een nieuw Amsterdams stadhuis, nam bij B&W de belangstelling voor verdere uitbreiding van het Prinsenhofcomplex snel af. In 1931 werd officieel afscheid genomen van dit idee.
Maar alweer had men niet het ideale recept gevonden voor de snelle realisatie van een nieuw gemeentelijk onderkomen. “Als we nu gaan verbouwen”, had raadslid Johannes Spier in 1922 gewaarschuwd, “dan wordt de bouw van een nieuw stadhuis voor meer dan een menschenleeftijd naar voren geschoven.” B&W spraken hem met klem tegen, maar Spier beschikte over een vooruitziende blik.
Aan een prijsvraag voor een nieuw stadhuis op het Frederiksplein in 1936 deden tal van gerenommeerde architecten mee. Na een jarenlang duel in meerdere rondes wonnen de architecten Berghoef en Vegter. Als dank voor hun inspanningen verdween hun plan in een la. In 1954 besloot de gemeenteraad dat het nieuwe stadhuis op het Waterlooplein moest komen. Maar het zou nog tot 1988 duren voor het bestuursapparaat definitief overging naar het door Wilhelm Holzbauer en Cees Dam ontworpen nieuwe stadhuis annex operagebouw op het Waterlooplein – beter bekend als de Stopera.

Tekst: Petra Grooteman
P. Grooteman studeerde kunstgeschiedenis en algemene cultuurwetenschappen aan de UvA. Met haar masterscriptie De uitbreiding van het Amsterdamse stadhuis, 1922-1932 won ze de tweede prijs in de Ons Amsterdam Scriptieprijsvraag 2012.