Nummer 4: April 2011 - 100 jaar Chinatown





042011_chinezenHonderd jaar Chinezen in Amsterdam
TEKST: Karina Meeuwse

Amsterdam heeft sinds jaar en dag haar eigen bescheiden Chinatown in de smalle straatjes rond de Zeedijk en de Gelderse kade. De eerste Chinezen vestigden zich hier een eeuw geleden. Met vallen en opstaan is een hechte gemeenschap gegroeid. Uit de binnenstad zijn ze niet meer weg te denken.
Chinese straatnamen sieren de gevels. Er staat een Chinese tempel. Overal zijn Chinese toko’s, eethuisjes, kruidendokters, massagesalons en kappers. En Chinezen, natuurlijk. Ik sta op de hoek van de Zeedijk en de Stormsteeg en er kan geen twijfel over bestaan: dit is het hart van Amsterdams eigen Chinatown. Wel is het de laatste jaren wat minder geworden door de eeuwige parkeerproblemen in het centrum. Er komt minder winkelend publiek en enkele ondernemers verkasten gedwongen naar de rand van de stad. Ook de belofte van de gemeente om een Chinees zakencentrum en luxe winkels op het voormalige PTT-eiland mogelijk te maken, is in rook opgegaan. Alles blijft zoals het is. En de Chinezen, ze zíjn er gewoon. Al 100 jaar lang. Toch is hun verhaal minder bekend. Hoe en waarom hebben zij zich zo’n vanzelfsprekende plaats in onze maatschappij verworven? Om dat te weten te komen moeten we terug naar het begin van de 20ste eeuw.
Op een ochtend in februari 1916 deed een journalist van het Algemeen Handelsblad tijdens een wandeling door de Amsterdamse binnenstad een verrassende ontdekking: voor de ramen van panden in de Buiten Bantammerstraat, een smalle steeg naast het Scheepvaarthuis, hingen papieren met Chinese karakters. Onbekende, maar heerlijke etensgeuren ontsnapten uit openstaande deuren. Daardoor aangetrokken stapte hij een huis binnen en trof er een tiental Chinezen aan de maaltijd. Het bleek een ‘boarding house’ te zijn, een logement voor Chinese zeelieden die tijdelijk aan wal verbleven. De maaltijd bestond uit thee en zoetigheden, gebakken vis, haaienvinnensoep en honderdjarige vismaag. Verrukt schreef de journalist er een artikel over, hij prees de tongstrelende gerechten van de zonen van het Hemelse Rijk. Het was het eerste positieve bericht over de aanwezigheid van Chinezen in Nederland. Want de reden van die aanwezigheid was allesbehalve positief te noemen.

Goedkope werkkrachten
Vijf jaar eerder, in de zomer van 1911, speelde zich voor de ogen van de verbaasde toeschouwers op de Rotterdamse Boompjeskade het volgende schouwspel af. Langs de kade lag het Nederlandse stoomschip Batavier, dat een veerdienst onderhield met Londen. Een sleepboot kwam langszij en 26 kleine, tengere mannen lieten zich met een touwladder vanaf de Batavier haastig op het dek van de sleepboot zakken. Zodra iedereen aan boord was, wendde het bootje de steven en verdween richting de Kop van Zuid.
De mensen op de wal konden niet weten dat ze getuige waren geweest van een voorval dat ingrijpende gevolgen zou hebben voor de Nederlandse scheepvaart. De mannen op de sleepboot die werden afgevoerd naar logementen op Katendrecht, waren Chinese zeelieden afkomstig uit de provincie Kanton. Op zoek naar werk waren ze met westerse schepen in Engeland beland. De Engelse rederijen maakten al snel gebruik van de Chinese werkkrachten. China bezat niet alleen een onuitputtelijk arbeidersreservoir, de mannen waren goedkoop, sterk en taai, en ze werkten hard.
Toen in juni 1911 zeelieden in Nederland het werk neerlegden met als eis betere werkomstandigheden en hoger loon, was de oplossing om de staking te breken snel gevonden: de inzet van Chinezen. De vakbonden waren woedend, maar zagen geen reden tot paniek. “Een 60-tal langstaarten zal de Nederlandse vloot niet redden”, merkte een vakbondsleider cynisch op. Maar hun aantal nam razendsnel toe tot enkele honderden en ook Amsterdam zag haar opslagloodsen in het oostelijk havengebied vol raken met Chinese zeelieden. De vakbonden trokken hun eisen in.
De rederijen peinsden er echter niet over de Chinezen van hun schepen te halen. Ze bevielen veel te goed, de vuurvaste stoker en kolentremmer uit het Verre Oosten, die voor een stuiver hun dagen sleten voor het gloeiende kolenrooster in het binnenste van het schip. De Chinezen waren er nu eenmaal en ze zouden blijven. Al snel werkten er 3000 Chinezen voor Amsterdamse en Rotterdamse rederijen.

De Tongoorlog
Die eerste jaren merkte de bevolking van Amsterdam nauwelijks iets van hun aanwezigheid. Eerst leefden de zeelieden geïsoleerd in het havengebied, later betrokken ze de stegen rond het Scheepvaarthuis op de Prins Hendrikkade. Met name in de Binnen Bantammerstraat – door de Chinezen Tong Yan Kai (唐人街) genoemd, ‘straat van de Chinezen’ – schoten de boarding houses als paddenstoelen uit de grond. De verslaggever die bij toeval de eerste boarding houses ontdekte waar ze tijdens hun verblijf aan wal bij een landgenoot tegen betaling kost en inwoning konden krijgen, sprak zijn waardering uit voor het feit dat Nederlanders en Chinezen zo vreedzaam samenleefden in de nauwe straatjes.
In de zomer van 1922 veranderde dat vreedzame karakter plotseling. Een aantal revolverschoten op klaarlichte dag luidde het begin van de Tongoorlog in. Groepjes Chinezen renden gewapend met revolvers en messen over de Prins Hendrikkade. Er viel slechts één dode en de politie kon de situatie snel meester worden. Maar toch, de Amsterdamse bevolking was geschrokken en eiste maatregelen.
In Amsterdam waren twee ‘tongs’ – geheime genootschappen of triades – actief: de Bo On en de Sam Tin. De eerste was de machtigste en bepaalde welke zeelieden aan het werk konden op de schepen. Zeelieden die tot concurrent Sam Tin behoorden, werden achtergesteld. Op het moment dat de naoorlogse opleving van de scheepvaart terugzakte en er minder werk te verdelen was, kwam het tot een gewelddadig treffen tussen de twee triades.
De Nederlandse regering trok haar conclusie: als de Chinezen tijd hadden om oorlogje te spelen, dan waren er teveel die niets beters te doen hadden. Alle ‘overtollige’ Chinezen moesten op transport naar het land van herkomst. Een enkeltje Hongkong, dus. Er werd een klopjacht georganiseerd, want de kans dat ze zich vrijwillig kwamen melden voor de overtocht was klein. En zo mocht Amsterdam zich verheugen op haar eerste razzia tegen een etnische bevolkingsgroep. Ruim 200 Chinezen keerden gedwongen terug naar China en niet toevallig waren het allemaal leden van Sam Tin. De macht van deze tong was gebroken, de rust weergekeerd.

Trommels pindakoekjes
Halverwege de jaren twintig begonnen geleidelijk aan de problemen voor de Chinese zeelieden. Dat had alles te maken met de overgang van kolengestookte schepen naar schepen die voeren op olie. Maar de echte klap kwam met de crisis in 1929. Het aantal arbeidsplaatsen in de zwaar getroffen scheepvaart daalde met sprongen en de handel werd geminimaliseerd. Massale werkloosheid was het gevolg. De Chinese zeelieden werden afgemonsterd, aan boord was geen werk meer voor ze.
De boarding houses raakten in snel tempo overvol; 40 tot 50 man hokte samen in kleine kamers. Zij staken zich diep in de schulden, want werk of geen werk, het verblijf moest worden betaald. De zeelieden waren op geen enkele manier verzekerd, konden geen aanspraak maken op armenzorg en moesten zichzelf maar zien te redden. Een enkele Chinese zeeman begon uit wanhoop een uit Zuid-China afkomstige lekkernij te maken, gemaakt van pinda’s, suiker en een scheut azijn. Het werd bekend onder de naam ‘pindakoekje’. De productie was niet duur en het koekje ging grif van de hand in de havenkroegen. Korte tijd later was het verkrijgbaar op elke denkbare plek in de stad en ver daarbuiten.
Voor de meeste Nederlanders was ‘de pindaman’ de eerste kennismaking met Chinezen. De aanblik van de verlegen mannetjes met een trommel koekjes voor hun buik deed de burgers vertederd in de beurs grijpen. De verbaasde pindamannen gingen in die eerste maanden van hun handel met enorme winsten naar huis. Het nieuws greep om zich heen en bereikte ook Chinezen in de omliggende landen, waar venten verboden was. Anders dan in Nederland was daar een vergunning nodig.
Zo kwam het dat al spoedig Chinezen uit Duitsland, België en Frankrijk de gelederen kwamen versterken. Overal waren pindamannetjes, van Groningen tot Maastricht, alleen Amsterdam telde er al 200. De inkomsten liepen dramatisch terug, ook omdat de crisis zich verdiepte en de beurzen van het publiek leeg raakten. Bovendien werd de aanwezigheid van zoveel paupers gezien als een gevaar voor de volksgezondheid.

Dezelfde gezichten
Opnieuw greep de overheid in. Pindatrommels werden in beslag genomen, venten mocht niet meer. En aan het eind van de jaren dertig, in een periode dat China in oorlog was met Japan, deporteerde Nederland 1200 armlastige Chinezen naar hun vaderland. Met name de Chinese populatie in Katendrecht werd hiermee geminimaliseerd. Vanaf dat moment was Amsterdam de stad met de grootste concentratie Chinezen.
Voor de overgebleven Chinezen in Nederland keerde het tij met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Wie op zee zat, kwam niet terug maar bleef doorvaren in dienst van de geallieerden. Wie aan wal verbleef, vertrok niet meer naar zee. Er arriveerden geen nieuwe Chinezen, er ging er geen weg, vijf jaar lang zag men rond de Nieuwmarkt dezelfde gezichten. De groep die later de Chinese gemeenschap zou gaan heten, consolideerde zich. In de oorlogsjaren vonden er 40 huwelijken plaats tussen Chinese mannen en Nederlandse vrouwen. De Chinezen waren niet langer het doelwit van sancties van de Nederlandse overheid: de Duitsers hadden geen speciale instructies om hen te vervolgen.
Dat alles gaf de Chinezen een enorme impuls van energie en zelfredzaamheid. Degenen die niet langer hun beroep van zeeman konden uitoefenen, vonden hun levensonderhoud in kleine handeltjes. In textiel, vodden, ruilhandel. Voormalige boarding housemasters openden restaurants in de stad en breidden daarmee het bestaande aanbod uit de jaren dertig uit. Bekende namen waren Peking en Taiton in de Vijzelstraat, China op het Rokin, Kong Hing in de Binnen Bantammerstraat en Shanghai op de Weteringschans.
Ondanks de voedselschaarste bleven de Chinese restaurants open, ook toen de ‘gewone’ restaurants hun deuren allang gesloten hadden. Rijst was geruime tijd niet op de bon en met een paar ingrediënten kon de kok al een maaltijd samenstellen. Tot aan de Hongerwinter bleven de klanten komen. Sommige Chinezen zeiden later zelfs dat de kiem voor de naoorlogse populariteit van Chinees eten in de oorlogsjaren is gelegd.

Hechte gemeenschap
Tot de klanten van de restaurants behoorden ook Duitse militairen. De Chinese restauranthouders genoten een zekere bescherming en een aantal voorrechten, in ruil voor hun gastvrijheid. Dat had niets te maken met collaboratie, maar alles met bescherming van de eigen gemeenschap. De Chinezen waren 30 jaar als paria’s behandeld en hadden geen last van patriottische gevoelens voor Nederland. Wat telde was hun eigen veiligheid. Onder welk gezag ze moesten overleven, Duits of Nederlands, maakte weinig verschil.
Behalve de Duitsers, genoot ook het verzet de Chinese gastvrijheid. In restaurant Shanghai kwam het voor dat verzetsgroepen in de kelder een bord rijst aten, terwijl boven hun hoofden op de begane grond de laarzen van Duitsers stampten. De rijst van de Chinezen sleepte ook de gezinnen van hun buren de Hongerwinter door. Rijst gemengd met gort ging in pannetjes van deur tot deur.
Eind 1945 was de situatie van de Chinezen in Nederland in geen enkel opzicht meer te vergelijken met die van vijf jaar eerder. Er was een hechte Chinese gemeenschap ontstaan. Ook onder de Chinees-Nederlandse gezinnen deed zich de naoorlogse babyboom voor. Toen Nederland haar Indië kwijtraakte, keerde een stroom van militairen en burgers met hun gezinnen terug naar het vaderland. Deze mensen waren gewend aan de Aziatische keuken en de Chinezen speelden hier handig op in. Voortaan noemden ze hun restaurants ‘Chinees-Indisch’ in plaats van ‘Chinees’. De populariteit van deze restaurants verbreidde zich door het hele land, met het Amsterdamse Tong Yan Kai, dat al snel negen eethuisjes telde, als middelpunt. “Nederland bekeert zich massaal tot de bami”, kopten de kranten in 1953. Voor de Chinese gemeenschap brak een gouden tijdperk aan.
Tien jaar later was Binnen Bantammerstraat nog steeds het uitgaansdomein van chineesetend publiek. Maar de meeste Chinezen die de straat ooit de hadden bevolkt, waren inmiddels uitgewaaierd over stad en land. Gezinnen waren weggetrokken naar betere buurten, over het algemeen gezinnen van Kantonese Chinezen. Er vestigde zich nu een tweede groep Chinese mannen, afkomstig uit de provincie Zhejiang, rondom de Oudezijds Achterburgwal. Ook zij trouwden met Nederlandse vrouwen en kregen kinderen die tussen twee werelden opgroeiden.

De smaak van China
Zhejiangers waren van oudsher handelaars, die aanvankelijk met spullen langs de deuren gingen, maar steeds meer werk vonden in de restaurants. De scheepvaart speelde nauwelijks nog een rol. Na de oorlog werkten Nederlandse Chinezen op passagiersschepen en die werden steeds zeldzamer door de opkomst van de luchtvaart. De overgebleven zeelieden waren inmiddels te oud om te werken, bleven achter en bewoonden de laatste logementen. Overdag doodden ze de tijd in een opiumkit of met een loterijspel. Zo braken de jaren zeventig aan.
In deze tijd bestond de Chinese gemeenschap in Amsterdam uit ongeveer 4000 leden. Slechts een kleine 500 waren legaal, de overige 3500 bestonden officieel niet. Zij waren ‘nieuwe’ Chinezen, afkomstig uit Singapore en Hongkong, die per vliegtuig naar Parijs waren gekomen en vandaar per Mercedes over de grens werden gebracht. Tallozen gingen op in de vele restaurants in het hele land. Voor deze mensen bestond na verloop van tijd de mogelijkheid tot gezinshereniging, legaal of (in sommige gevallen) illegaal.
Deze ontwikkeling viel samen met de introductie van heroïne. Er was ook een kleine groep Singapore Chinezen die zich bezighield met criminaliteit. De Tong Yan Kai verloederde; de laatste eigenaar van het oude Kong Hing deelde zijn woning met junks en krakers. En de Nederlander raakte uitgekeken op het Chinese menu; de italiaan en de griek deden hun intrede. Begin jaren tachtig belandden veel Chinese restaurants in het slop. Er waren er teveel en de formule was achterhaald. Tot overmaat van ramp richtte de fiscus zijn pijlen op de Chinese horeca. De Nederlandse overheid was in Chinese ogen een instelling waar weinig goeds van te verwachten viel. Chinezen dopten hun eigen boontjes wel en maakten nergens aanspraak op. Dus: hoezo belastingplicht?
Na de klap klommen de overlevenden van de ‘horecacrisis’ uit het dal. Het roer ging om. De term ‘Chinees-Indisch’ had afgedaan en uiteindelijk zou de authentieke Chinese keuken het winnen van alle smaakconcessies. De smaak van China werd de norm. Steeds meer Chinezen gingen in ‘business’ met het moederland en rond de Zeedijk en de Geldersekade ontstonden allerlei Chinese ondernemingen.

Bescheiden Chinatown
Wat omvang betreft is het gebied niet te vergelijken met de Chinese wijken in Amerika. Het Amsterdamse Chinatown is geen bruisend middelpunt van Chinees politiek, sociaal en economisch leven, geen centrum van ontspanning waar Chinezen van heinde en verre op afkomen. Behalve misschien op die ene dag in het jaar wanneer het Chinese Nieuwjaar wordt gevierd. Dan verzamelen zich op de Nieuwmarkt elk jaar weer méér mensen. Chinezen uit het hele land, buurtbewoners met bakfietsen vol blonde kinderen en nieuwsgierige toeristen verdringen zich rond de Leeuwendans en het knetterende vuurwerk.
Van de ongeveer 80.000 tot 100.000 chinezen in Nederland wonen er nu 10.000 in Amsterdam. Niemand weet precies hoeveel, want niet iedereen is geregistreerd. Daarin is al die jaren weinig veranderd: in Amsterdam woont een onbekend aantal illegale en genaturaliseerde Chinezen. Wat vaststaat is dat Chinezen de oudste etnische minderheid in Nederland vormen, al hebben ‘onze eerste gastarbeiders’ daar zelf nooit veel ophef over gemaakt. Het exotische voedsel is onderdeel van onze nationale keuken geworden. De Chinezen zijn niet meer weg te denken uit de Amsterdamse binnenstad.

K. Meeuwse is historicus, filmmaker en auteur. Schreef o.a. Oostenwind. Honderd jaar Chinezen in Nederland, Karakter Uitgevers, Uithoorn 2010.