Nummer 10: Oktober 2005



Van vetkaars tot hogedruklamp

Vijf eeuwen straatverlichting

Tekst: Marius van Melle

102005_StraatverlichtingIn 1505 werd een ieder die na het luiden van de boevenklok om negen uur ’s avonds de straat opging verplicht een lantaarntje mee te dragen. Die beslissing van het gemeentebestuur – nu vijf eeuwen geleden – was vermoedelijk de eerste verordening omtrent verlichting van de openbare straat. Het ging ook niet eens om het licht, maar om handhaving van de openbare orde. Die twee zaken zijn beleidsmatig nog steeds met elkaar verbonden, maar sinds de kaarsverlichting en olielampen zijn de technieken en verschijningsvormen wel vele malen gewijzigd.

Over de verlichting van de stad in de 16de eeuw tasten we in het duister. Op sommige hoekpanden waren heiligenbeeldjes in nissen of uitbouwtjes geplaatst, waarin vetkaarsjes gebrand pleegden te worden. Op de vogelvluchtkaart van Cornelis Anthonisz uit 1544 is zo’n exemplaar te zien op de hoek van de Zeedijk en Molensteeg. De 18de-eeuwse stadshistoricus Jan Wagenaar zag daar de eerste stadslantaarn in, en misschien had hij wel gelijk. In 1579, een jaar na de Alteratie, verordonneerde de overheid dat de lantaarns bij de bruggen bij invallende duisternis ontstoken moesten worden en dat tappers tot tien uur ’s avonds het licht in hun voorhuizen aan moesten laten. Kennelijk gebeurde dat onvoldoende, want binnen tien jaar werd die keur herhaald. Sinds wanneer die bruglantaarns er stonden is niet bekend. Waarschijnlijk waren ze er neergezet om te voorkomen dat mensen te water raakten. Pas in 1597 werden er stadsdienaren aangesteld om deze lantarens te verzorgen. Die maatregel kwam nadat de bepaling dat elk twaalfde huis een lantaarn buiten moest hangen massaal was genegeerd.

Een groot deel van de 17de eeuw bleef de verlichting uiterst pover. Bij bruggen, grote gebouwen en herenhuizen werden ’s avonds kaarslantaarns ontstoken, maar als de maan niet meewerkte was het in het grootste gedeelte van de stad aardedonker. Daarin kwam op radicale wijze verandering toen in 1669 het plan van de ondernemende kunstschilder Jan van der Heijden omarmd werd om de hele stad met olielantaarns te verlichten. Of hij echt de uitvinder is van de moderne straatverlichting, zoals hij zichzelf later afficheerde, is evenwel niet zeker. Nadat de Vroedschap in november 1688 besloot straatverlichting te plaatsen, kwamen er 600 lantaarnpalen in de hoofdstraten, voorzien van in porselein uitgevoerde olielantaarns.

In juni 1669 kwam Jan van der Heijden met een nieuw voorstel, dat totaal afweek van het al aangenomen plan. Hij wilde in de gehele stad lantaarns plaatsen, op palen als dat kon en op aan gevels vastgemaakte jukken in nauwe straten. Hij berekende in dit plan dat als de lichtpunten zo’n 50 meter van elkaar kwamen, er 2556 lantaarns nodig waren. De lampen dienden van glas en blik te zijn en voorzien van een oliebrander die hij zelf had ontworpen. Op het stadhuis werd het plan enthousiast onthaald. Van der Heijden had geluk dat één van degenen die het plan moesten beoordelen de geniale werktuigkundige Johannes Hudde was. Door diens voorspraak zouden enkele jaren later ook Van der Heijdens brandspuitconstructies gepromoot worden. Jan zou aangesteld moeten worden als “generaale opsiender”, vond onder anderen Hudde, omdat “we gelooven datter niet ligt bequaamer man, al sogt men hem ook, gelijk men segt met lantaarnen, hier toe te vinden is”. De burgemeesters gingen hiermee op 18 september 1669 akkoord, zij het dat ze de verlichting in eigen hand wilden houden en niet wilden verpachten aan Van der Heijden, zoals deze had gewild. Eind november 1669 werden al de eerste lieden aangesteld voor het vullen van de lampen en begin december waren al zestien tijdelijke arbeidskrachten ingezet om palen en jukken te plaatsen. Die winter had Amsterdam de wereldprimeur van een goed georganiseerde straatverlichting. In 1682 waren er al 2380 straatlantaarns.

De stad was verdeeld in zeventien wijken, met elk een vuller die ook zorgde voor het bijvullen met olie, het bijknippen en/of vervangen van de katoenen lonten en het schoonhouden van het lampenglas. De zorg voor zo’n 120 lantaarns was voor hen een dagtaak. Onder hen stonden de lantaarnopstekers, zes of zeven per wijk, die elk 20 tot 25 lampen moesten ontsteken en doven. Dat was een bijbaantje. Dezen werden gecontroleerd door zes ‘nagtronders’, die een paar uur voor zonsopgang hun ronde moesten doen om vervolgens de ‘opsiender’ te rapporteren over niet brandende lantaarns. Een heel scala aan boetes was voorhanden om de opstekers onder de duim te houden, zodat die ‘ronders’ niet erg populair zijn geweest bij de rest. Dit systeem is in wezen tot begin 19de eeuw ongewijzigd gebleven. Ook in het zuinig opgestelde verlichtingsschema werd al die tijd geen verandering gebracht. Bij (bijna) volle maan werd de straatverlichting onnodig gevonden, ongeacht of de hemel nu bewolkt was of niet.

Jan van der Heijden heeft tot zijn dood op 75-jarige leeftijd in 1712 de directie over de openbare straatverlichting gehad. De laatste 20 jaar van zijn leven werd hij daarin bijgestaan door zijn zoon Jan. In tal van steden stonden toen al Van der Heijden-palen, zoals in Den Haag, Utrecht, Berlijn en Leipzig. Op de plek waar Van der Heijdens brandspuitfabriekje had gestaan, in de Koestraat, werd 300 jaar na zijn dood op initiatief van het genootschap Amstelodamum een door Gerrit van Arkel ontworpen gevelsteen onthuld. Ook op enkele andere plekken in de binnenstad, zoals op het Amstelveld, wordt de herinnering aan de man levend gehouden, doordat er replica’s zijn geplaatst van zijn lantaarnpaal. Sommige orginele palen hebben overigens een lang leven gekend. Jacob Olie heeft er enkele nog aan het eind van de 19de eeuw gefotografeerd, onder meer op de Nieuwendammerdijk. Die werden toen niet meer met raapolie maar met de goedkopere brandstof petroleum gevoed, dat sinds 1867 op de markt was.

Vullers en gloeisters

In de loop van de 18de eeuw nam het aantal lantaarns toe, maar de grootste aanwas kwam voor rekening van particulieren die het chic vonden om lampen te hebben aan hun grachtenpanden. Stegen en sloppen bleven in duisternis gehuld, want die lagen meestal op grond die geen stadseigendom was en daar hadden bewoners geen geld voor een eigen lamp. Een nieuwtje in de tweede helft van die eeuw waren hangende lampen in het midden van de straat. En in de Bataafse Tijd kwamen grotere lampen in de mode met reflectoren, ‘réverbères’ genaamd, al bleef hun aantal beperkt. Toen bankier Johan Goll van Frankenstein in 1794 informeerde of zijn twee ‘réverberende lampen’ met elk drie lichten bij zijn koetshuis in de Langestraat van stadswege konden worden aangestoken, werd dat afgeslagen. Er was namelijk maar één vuller voor deze ‘Fransche lampen’ en die kon er onmogelijk meer bij hebben.

“Door de geheele stad en buiten deselve zijn in het geheel 4020 zoo[wel] stads, particuliere als kerklantaarns,” staat in een rapport uit 1791. Het aantal stadslantaarns bedroeg toen 2720, die door in totaal 141 man brandend werden gehouden. In 1780 waren dat er nog 180 geweest, dus er was flink bezuinigd. Het zouden er nog minder worden in 1798, toen ook veel ‘Oranjeschreeuwers’ aan de kant werden gezet. Die ontslagronde, waarbij zo’n 60 mensen werden heengestuurd, leidde nog tot veel arbeidsonrust. Een enkeling was nog op tijd ‘gegageerd’ (gepensioneerd). De 74-jarige vuller Roelof Kraeyenhorst, met 42 dienstjaren, was slechtziend geworden; zijn collega Abraham de Witt, 65 jaar oud en 35 dienstjaren, had bij een val van zijn laddertje zijn knieschijf gebroken. Ze kregen met behoud van hun traktement (ƒ 400) ƒ150, maar moesten zelf de hun vervangende ‘noodhulp’ bekostigen. Destijds lieten in allerlei branches mensen soms hun werk door een ander uitvoeren, uiteraard voor minder loon. Van de zeventien vullers lieten acht het werk door anderen doen; het schoonmaakwerk was aan vijf vrouwen uitbesteed, die met vossenstaarten de tuitjes moesten reinigen en de ramen moesten lappen.

De toch al niet denderende arbeidsvoorwaarden verslechterden in 1809 nog verder toen de stad besloot tot verpachting van de stadsverlichting aan de Maastrichtse ondernemer F.L. Behr. Onder zijn beheer kwamen er op de hoofdstraten geheel nieuwe lampen, die meer licht gaven, maar in de volksbuurten verslechterde de situatie als gevolg van bezuinigingen. Nieuwe technieken introduceerden later nieuwe beheerders die op hun beurt nieuwe modellen in de stad plaatsten.

Dat er op 23 september 1816 in het bijzijn van de koninklijke familie een proef werd gedaan met gasverlichting in de eetzaal van het ‘Besjeshuis’ (het huidige Amstelhof), was een signaal dat gas een alternatief voor (raap)olie kon zijn. Maar pas in 1840 zouden de eerste gaslantaarns branden. Er werden toen als proef op de Prinsengracht, Amstel en Kloveniersburgwal 125 olielantaarns vervangen door gaslantaarns, waarvan de vulling werd geleverd door de Amsterdamsche Pijp Gaz Compagnie. Vier jaar later kwamen er voor het Paleis op de Dam grote kandelabers (ontworpen door Tetar van Elven) die er – inmiddels geëlektrificeerd – nu nog staan. Vanwege het succes besloot het stadsbestuur in 1847 om de overgebleven 1673 olielantaarns in de stadskern te vervangen door 1700 gaslantaarns. De exploitatie kwam met die verandering in handen van de ‘Engelse gasfabriek’, die zo werd genoemd omdat er Engels kapitaal achter zat en om deze fabriek te onderscheiden van de Hollandse concurrent die tot 1885 op de Schans zat. ‘De Engelse’ (gevestigd aan het eind van de Elandsstraat ter plaatse van de huidige Europarking) zou tot de overname door de gemeente in 1898 voor de straatverlichting zorgen. Het gas kwam toen inmiddels van de Wester- en Oostergasfabriek, geopend respectievelijk in 1885 en 1887.

Van de eerste generatie gietijzeren lantaarnpalen die de nieuwe concessiehouder liet plaatsen, staan er nog vier op het voormalige Binnengasthuisterrein. Na vier jaar, in 1851, kreeg het model een wat sierlijker aanpassing. Op het Begijnhof en het Karthuizerhof zijn deze palen nog te vinden. Van de volgende generatie, uit 1867, staan er echter nog heel veel in de toenmalige nieuwbouwwijken, zoals ten westen van het Vondelpark en in Oud-West. En toen in 1883 de gasmaatschappij een nieuwe concessie in de wacht had weten te slepen, kwam er een geheel nieuw model. Nu niet meer achthoekig maar rond, versierd met hedera (klimop). Deze palen staan nog overal in de binnenstad.

Het aantal straatlantaarns was met de stad meegegroeid. In 1884 stonden of hingen er al 4455. Maar over de kwaliteit van het licht was men niet te spreken: de lichtsterkte nam in de loop van de nacht af omdat de maatschappij dan een buffer voor de volgende dag opbouwde. Het zou voor de gemeente een van de redenen zijn, naast de gasprijs, om de zaak in eigen beheer te nemen. Toen dat gebeurde waren er 126 lantaarnopstekers in dienst, die nu ambtenaar werden.

De gemeente had de gasverlichting weer in eigen beheer genomen, maar moest natuurlijk wel de snelle ontwikkelingen op verlichtingsgebied in het oog houden. Ten eerste was eind 19de eeuw het gasgloeikousje uitgevonden en dat gaf veel meer licht af. Dus werden er in de Oostergasfabriek ‘gloeisters’ aan het werk gezet om kousjes met collodium te prepareren. Die moesten een geweldige productie halen, aangezien die fraaie kousjes door hun kwetsbaarheid snel beschadigden. Een andere noviteit was echter nog van veel groter belang: de elektriciteit.

Maatschappij Electra

De stad had in 1879 al kennis gemaakt met elektrische verlichting, toen op de Dam en in en rond restaurant Die Port van Cleve een proef met booglampen met koolstofstaven werd uitgevoerd. Twee jaar eerder had de stad nog een voorstel van de Russisch-Franse uitvinder Jabochkoff afgewezen voor een proef in de Stadsschouwburg, zoals die in de Parijse Opera al brandden. Stadsingenieur Van Niftrik was enthousiast en zag Amsterdam al als eerste elektrisch verlichte stad. Elektriciteit was “verre overtreffende die van in onzen leeftijd eerste algemeen in toepassing gebrachte verlichting met steenkoolgas”. Zijn baas, wethouder Tromp, had er echter niets in gezien, maar twee jaar later brandden die lampen dan toch op de Dam. Daar zou het overigens voorlopig bij blijven. Krasnapolsky verlichtte weliswaar zijn Wintertuin vanaf 1883 elektrisch, maar de Engelse gasfabriek blokkeerde de toepassing ervan voor de straatverlichting. Om de ‘Engelse’ te omzeilen nam de gemeente de centrale van Maatschappij Electra op de Hoogte Kadijk over, en kon het nieuwe licht er toch komen. In 1904 werd het Stationsplein al verlicht door booglampen. In de jaren erna zouden de hoofdstraten en pleinen volgen. De meeste van die booglampen aan fraaie Jugendstil-armaturen werden echter wel uit zuinigheid om twaalf uur ’s nachts gedoofd. In het Museum Energetica, dat in die voormalige centrale is gehuisvest, is nog zo’n Jabochkoff-lamp te zien waarmee de elektrificatie van de stad begon. De primeur voor de eerste elektrisch verlichte straat had overigens Noord, waar van 1904 tot 1914 C.G. Mohrmann met een eigen kleine centrale de niet meer bestaande Laanweg en de door hem gebouwde huizen daaraan verlichtte.

De schaarste aan kolen tijdens de Eerste Wereldoorlog zou de nekslag betekenen voor het gaslicht. Op 4 september 1917 besloot de raad tot elektrificatie. Eind 1923 waren de laatste gaslampen gedoofd en waren de lantaarns voorzien van ‘half-watt-lampen’, een zuiniger versie van het door Edison uitgevonden peertje, dat zo heette omdat het voor de lichtsterkte van een kaars een half watt stroom verbruikte. Dat betekende overigens nog niet dat de lantaarnopstekers tot het verleden behoorden. De elektrische lampen moesten namelijk nog met de hand aan- en uitgedaan worden. Alleen in de nieuwe wijken van Noord kon dat al centraal geschieden. De lantaarnopstekers reden nu rond op fietsen, damesfietsen wel te verstaan, want met zo’n laddertje achterop was het wat moeilijk om het been over het zadel te zwaaien. Een paar jaar later reden de storingsmonteurs zo rond. In Amsterdam zooals het leeft en werkt (1933) schrijven P. Bakker en J.C.E. Sand nostalgisch over het verdwijnen van de lantaarnopsteker, “voor wien vooral de kinderen een bijna schuwen eerbied koesterden. Hij was vaak de stille aanzegger, dat de speeltijd voorbij was, want in menig gezin gold het parool: als de lantaarn-opsteker in de straat komt, moet je boven komen.”

Voor Publieke Werken was de elektrificatie het sein om met een moderne lantaarnpaal te komen. Dat werd ‘model 24’, een in 1924 door ir. P.L. Marnette conisch vormgegeven paal met een helmachtig dakje. Hij staat nu onder meer nog in het toen gebouwde Betondorp. Het publiek was verre van enthousiast over dit model en misschien bleven daarom in de oude stad overwegend oude palen staan en werden die hoogstens voorzien van andere armaturen. Het aantal lichtpunten nam in het nieuwe tijdperk snel toe. Bij het uitbreken van de oorlog waren er 32.000. Dat zou snel afnemen, eerst vanwege verduisteringsmaatregelen en later door gebrek aan elektriciteit. Pas in 1953 zou het vooroorlogse peil weer gehaald worden.

Inmiddels waren de natrium- en de kwiklamp op de markt gekomen, en daar werd in de jaren vijftig druk mee geëxperimenteerd. Voor de nieuwbouwwijken had Friso Kramer een conisch armatuur ontworpen en voor doorgaande wegen koos Publieke Werken voor cilindrische masten, al of niet met gekrulde armaturen van de Zweedse ontwerper Jarnkonst. Vanaf de jaren tachtig zijn daar cilindrische hoge masten voor verkeersaders bijgekomen naar ontwerp van NPK Industrial Design uit Leiden. De hogedruk- of tl-lamp zou het vervolgens gaan winnen van het inmiddels vertrouwde peertje, en zodoende werd in 1985 de laatste gloeilamplantaarn met peertje gedoofd.

Passende modellen

Op 1 januari van dit jaar omvatte de openbare verlichting in Amsterdam 116.000 lichtmasten en 133.500 armaturen (inclusief die aan overspanningskabels hangen). Sinds begin 2001 worden deze lampen van groene stroom voorzien van het Afval Energie Bedrijf Amsterdam. De stroomleverancier is overigens sinds 1998 niet meer feitelijk betrokken bij het beheren van de openbare verlichting. Het GEB speelde tot 1994 wel een hoofdrol, die werd voortgezet door het verzelfstandigde Energiebedrijf Amsterdam, maar daar kreeg de gemeente vier jaar later spijt van en kocht het hele areaal straatlantaarns terug.

Formeel hebben de stadsdelen nog steeds de zeggenschap over de openbare verlichting, maar onlangs is afgesproken dat de praktische uitvoering wordt overgelaten aan de dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer van de centrale stad. De gemeente wil orde scheppen in de 20ste-eeuwse wildgroei en het type lantaarns laten bepalen door de specifieke kenmerken van de verschillende buurten. Dus voornamelijk klassieke gietijzeren masten in de binnenstad, en ‘model 1924’ in Betondorp. Hiervoor heeft de gemeente het Beleidsplan openbare verlichting 2005-2015 opgesteld. In de toekomst zullen dus wellicht heel wat lantaarns vervangen gaan worden. Of daarmee ook de oorspronkelijke van een keizerskroon voorziene armaturen van de 1883-palen terugkomen, zoals monumentenzorgers graag zouden zien, is de vraag. Het beleidsplan staat vol met allerlei esthetische noties, die op financiële gronden worden verkocht. Straatverlichting is een groot goed, maar het moet niet te duur worden. Die opvatting is in 500 jaar hetzelfde gebleven.

M. van Melle is historicus.