Nummer 9: September 2003

Liefde voor de Lloyd

Maritieme geschiedenis behouden op de Oostelijke Handelskade

Tekst: Annegriet Wietsma

092003_LloydDe Oostelijke Handelskade is een eeuw lang een uithoek van Amsterdam geweest, met een paar verdwaalde rijtjes huizen waar kraandrijvers en scheepskapiteins woonden temidden van het havengewoel. Het had weinig gescheeld of de nieuwbouwgolf in het gebied had alle maritieme historie in dit deel van de stad weggespoeld. Dankzij oude én nieuwe bewoners zijn enkele markante gebouwen toch behouden gebleven: zo ook een drietal panden van de Koninklijke Hollandsche Lloyd.

De Koninklijke Hollandsche Lloyd, die lijndiensten voor personen, vee en pakketten naar Zuid-Amerika onderhield, kon aan het begin van de 20ste eeuw met haar steeds groter wordende zeeschepen niet meer uit de voeten aan de krappe en ondiepe kades van de Rietlanden. Men besloot te verhuizen naar de in 1879 aangelegde Oostelijke Handelskade, waar een diepgang bereikt kon worden van tien meter. Bovendien was daar meer ruimte voor de aanvoer en de opslag van goederen én de aankomst en het verblijf van passagiers. Tussen 1915 en 1921 liet de Lloyd aan de Handelskade een havenkantoor, de opslagloodsen Argentinië en Brazilië, een Koffiehuis en een bescheiden rijtje woningen voor personeel bouwen. Een deel van de woningen werd bestemd voor hoger kader, in de overige kwamen kraandrijvers en andere havenwerkers te wonen, zodat in geval van calamiteiten, zoals brand aan boord, de kraandrijvers zelfs midden in de nacht snel genoeg ter plaatse konden zijn om een kostbare lading te lossen. Maar het meest in het oog springende gebouw dat op instigatie van de scheepvaartmaatschappij verrees, was het imposante Lloyd Hote uit 1921l.

Het Lloyd Hotel – een ontwerp van de architect Evert Breman (1859-1926) – is een misleidende naam: het is eigenlijk nooit echt een hotel geweest, meer een doorgangshuis of een tijdelijke opvang. Het is gebouwd voor de enorme stroom landverhuizers die in het begin van de 20ste eeuw vooral uit het verarmde en door pogroms geteisterde Oost-Europa met de Lloyd naar Zuid-Amerika emigreerden. Zij verbleven hier noodgedwongen enkele dagen in afwachting van hun afvaart. Vóór de opening van het hotel was hun verblijf in de stad doorgaans een ramp voor de eenvoudige landverhuizers met hun vaak omvangrijke families. Zij spraken de taal niet, konden nauwelijks goedkope logies vinden, werden afgezet, raakten de weg kwijt. De schepen konden wel zo’n 1200 tot 1800 passagiers per vaart vervoeren, dus het ging bepaald niet om kleine aantallen gasten. Ook de stad Amsterdam was niet echt blij met de toestroom van ongenode, haveloze gasten. Het idee om een landverhuizershotel te bouwen op de kade waar de schepen aan- en afmeerden én waar de treinstellen met landverhuizers stopten, was dan ook in ieders voordeel. Door de enigszins afgelegen ligging werd het risico verkleind dat de mensen in de stad gingen rondzwerven en in het ergste geval bleven hangen.

Voor de arme landverhuizers moet het een enorm imposant gebouw geweest zijn. Er was logiesruimte voor zo’n 900 mensen: mannen en vrouwen gescheiden op grote slaapzalen, de gezinnen met kleine kinderen in aparte zaaltjes. Een restauratie met 300 zitplaatsen, een aparte ruimte voor joodse reizigers die koosjer wilden eten, een waslokaal, een hospitaal en een doktersruimte completeerden het geheel. Naast het hotel werd een ontsmettingsgebouw neergezet, eveneens ontworpen door Evert Breman. Een bezoek aan de ontsmettingsruimten was verplicht, want als de immigranten bij aankomst in Zuid-Amerika ziek of vervuild bleken te zijn, werden zij door de autoriteiten aldaar zonder pardon geweigerd en was de scheepvaartmaatschappij gedwongen hen weer naar Nederland te vervoeren, met alle rompslomp van dien. Mannen, vrouwen en kinderen werden daarom door doktoren en verpleegsters op lichaamsreinheid gecontroleerd en in bad gedaan. Hun kleren werden in grote ovens ontsmet.

Herrie, stank en vuiligheid

De landverhuizers én de luxe-passagiers lieten zich in de jaren dertig als gevolg van de crisis niet meer zo snel inschepen. Daarmee viel een belangrijke bron van inkomsten weg en in 1935 ging de Koninklijke Hollandsche Lloyd failliet. Ook al krabbelde de maatschappij later weer op, de passagiersvaart werd niet meer hervat: de Lloyd ging door als vrachtmaatschappij. Het Lloyd Hotel was overbodig geworden en werd verkocht aan de gemeente Amsterdam.

De gemeente wist niet goed raad met dit enorme passagiersgebouw in het kwijnende havengebied. Na een aantal jaren leegstand werd het in oktober 1941 ten slotte maar verhuurd aan het rijk. Het illustere Lloyd Hotel werd een Huis van Bewaring: tijdens de bezetting nam de criminaliteit zozeer toe dat men verlegen zat om extra gevangenissen. Het afgelegen gebouw had toen al een afgrijselijk stukje terreur binnen zijn muren gekend. Want na de Februaristaking op 25 februari 1941 werden hier zo’n 130 gearresteerde ambtenaren van Maatschappelijke Steun en vele februaristakers vastgehouden voor verhoor. De arrestanten werden getrapt en geslagen, gekoeioneerd en vernederd. De joden onder hen werden afgescheiden. Boven in het gebouw onderwierpen Willy Lages en zijn makkers hen nog eens extra aan martelingen tijdens hun verhoor. Ze moesten na afloop hun eigen bloed oplikken. Op 17 maart mochten de arrestanten opeens vertrekken. Met uitzondering van de joden. Die werden gedeporteerd.

Na dit wrede optreden door de Sicherheitspolizei, ging het Lloyd Hotel vanaf eind 1941 fungeren als regulier Huis van Bewaring. Na de bezetting werden er nog collaborateurs en NSB’ers vastgezet, later gewone arrestanten.

De rijtjes havenwoningen van de Lloyd rondom het Lloyd Hotel kenden veel verloop. Er was tenslotte geen enkele voorziening in de buurt: geen school, geen winkels, geen openbaar vervoer. Wie er niets te zoeken had, bleef er weg. Mevrouw Hillegers, nu al weer 48 jaar bewoonster van de Oostelijke Handelskade, vond het dan ook verschrikkelijk toen haar man, kraandrijver bij de naoorlogse Lloyd, er in 1955 een woning aangeboden kreeg. Ze vond de woningen armoedig: alles groen geverfd vanbinnen maar niet netjes. Geen enkele voorziening, behalve het kruidenierswinkeltje van mevrouw Grootes. En altijd last van de omringende bedrijvigheid. Ze kon soms wel twee keer op een dag dezelfde was doen, als deze wapperend in de wind besmeurd werd met de uitstoot van de stoomlocomotieven van het achterliggende rangeerterrein. En waren het niet de zware locs, dan was het wel de rook van de grote zeeschepen, die pal voor het huis afmeerden. Ook aan de herrie moest ze wennen. Op het rangeerterrein van de NS achter hun huizen gleden de treinwagons vanaf de rangeerheuvels met een vaart naar beneden en stootten dan met een enorme bonk tegen elkaar aan. Dat kon de hele nacht doorgaan. Het fluiten van de stoomlocs, en later de zware dreun van de diesels, en dan aan de voorkant ook nog het geratel van het bedrijfsspoorlijntje tussen straat en kade. Daar zaten de bewoners precies tussenin. En altijd maar die stank, van de koeienhuiden die in de loods Brazilië lagen opgestapeld, of de ongebrande cacaobonen in de opslag.

Aan de andere kant waren ze hier toch ook heel vrij, ver van de benauwdheid van het centrum. Zeker voor de kinderen was het er leuk. Er was plek genoeg om te spelen, en ze plukten bramen langs het huis. Van de buren in de gevangenis hadden de omwonenden geen last. Mevrouw Hillegers werd van de gedetineerden niet warm of koud: “Ik merkte er niet veel van. En tenslotte, gerechtigheid moet er zijn. Ik zag ze aan de achterkant wel eens luchten op de waranda’s in van die gestreepte gevangenispakken, maar contact hadden we niet.”

Van isoleercel tot vijfsterrenverblijf

De gevangenen vertrokken uiteindelijk om in 1965 plaats te maken voor nieuwe bewoners die er eveneens tegen hun zin werden gehuisvest: in de volksmond bleef het gebouw Lloyd Hotel heten, maar in werkelijkheid was het voortaan een (tijdelijke) Rijksinrichting voor Jongens. Het was bedoeld als doorgangshuis voor minderjarigen in afwachting van plaatsing in een behandelingsinrichting of voor kortstondige vrijheidsstraffen. Omdat deze bestemming slechts ‘tijdelijk’ was in afwachting van een geschikter onderkomen, werd er weinig geld aan de herinrichting van de gevangenis besteed en het comfort was er dan ook niet al te best. De zwaar getraliede Rijksinrichting, waar men het gebruik van isolatiecellen en rigoureuze strafmaatregelen niet schuwde, was al snel in het hele land berucht en beroemd. Normaliter merkten de bewoners op de Oostelijke Handelskade niet veel van hun jonge buren, maar als opeens een drukte ontstond in de straat, wisten ze wel hoe laat het was: dan was er eentje ontsnapt!

De eerste bewoners die echt helemaal vrijwillig in het voormalige Lloyd Hotel trokken, kwamen er vanaf 1988, toen de Rijksinrichting voor Jongens verhuisde. Een nieuwe bestemming was er nog niet en zolang het leegstond, trokken kunstenaars op zoek naar atelierruimte in het voormalige cellencomplex.

In de nieuwe plannen voor de ontwikkeling van het Oostelijk Havengebied kreeg het gebouw weer zijn ‘oorspronkelijke’ bestemming toebedeeld: dat van hotel. De gemeente schreef een prijsvraag uit voor geïnteresseerden. Diverse projectontwikkelaars en hotelketens, en een paar kleinere initiatiefnemers tekenden daarop in met voorstellen hoe zij aan dat hotel vorm zouden geven. In 1997 werd besloten dat Suzanne Oxenaar en Otto Nan hun plan mochten uitvoeren. De verbouwing is op dit moment in volle gang en in 2004 zal het nieuwe Lloyd Hotel zijn oude deuren openen. Oxenaar en Nan, die zelf hun wortels hebben in het kunstcircuit van Amsterdam, willen het hotel een functie geven waar zowel internationale gasten als Amsterdammers van profiteren: kamers variërend in de prijsklassen van één tot vijf sterren, een culturele ambassade waar gasten wegwijs worden gemaakt in kunstzinnig Amsterdam, een thuishaven voor cultuurminnaars en kunstenaars. Oxenaar: “De geschiedenis dringt zich in dit gebouw aan je op, je kunt er domweg niet omheen. We renoveren het pand dan ook met respect voor het verleden en met behoud van markante interieurdetails. Toen het aan ons werd overgedragen, was het ondanks de tijdelijke huisvesting van kunstenaars nog in de staat van een gevangenis. Als we daar rondliepen, kregen we onwillekeurig een opgesloten gevoel. Je wilde er weg, je wilde ontsnappen! Dat bracht ons op het idee om de zolder met het pannendak te vervangen door een volledig glazen dakconstructie met rondom uitzicht over de hele stad. Dat glazen dak moest de ‘lucht’ geven die in het inwendige zolang ontbroken had. Helaas werd dit plan door de welstandscommissie getorpedeerd.”

Koffiehuis KHL, voorheen illegale buurtinloopruimte

Terwijl de transformatie van het Lloyd Hotel zich voltrekt, hebben twee andere Lloyd-gebouwen hun positie als trekpleister voor buurtbewoners en passanten al opgeëist. In februari dit jaar ging het Koffiehuis KHL open, nu geëxploiteerd door Trees Jong en Richard Mosterd, en in juni werd het opgeknapte Ontsmettingsgebouw in gebruik genomen door kunstenaars, met op de benedenverdieping een café annex expositieruimte. Het behoud van beide panden is te danken aan de jarenlange inzet door buurtbewoners.

Trees Jong en Richard Mosterd betrokken halverwege de jaren tachtig een van de kraandrijverswoningen aan de behoorlijk vervallen Oostelijke Handelskade. Ingeklemd tussen de rijtjes dienstwoningen stond daar het voormalige Koffiehuis van de Koninklijke Hollandsche Lloyd te verkommeren. In dit in 1917 gebouwde Koffiehuis konden havenwerkers, zowel het hogere als het lagere personeel van de Hollandsche Lloyd, terecht voor koffie en eenvoudige maaltijden: het betere personeel aan de voorkant, het werkvolk in de achterruimte. De familie Van der Meulen pachtte de boel. Vader stond achter het fornuis, moeder waste af, de twee dochters bedienden. Alleen het jongste knulletje hoefde nog niet mee te werken en lag ’s middags prinsheerlijk op de onderste plank van de keukentafel te slapen. De crisis nekte na zo’n vijftien jaar het toch al niet florissante bedrijfje en pas na de oorlog kreeg het pand weer een bestemming: de familie Grootes vestigde er een kruidenierszaakje. Meneer Grootes was parlevinker en voer met zijn koopwaar langs de schepen, mevrouw Grootes runde het winkeltje aan huis. Het was de enige nering in de verre omtrek, maar toch maakten niet alle bewoners van de aangrenzende woningen er gebruik van. Mevrouw Hillegers deed er liever geen boodschappen: “Daar lag de poes op de kaas. Ik was er een beetje vies van. Maar ja, verder was je voor je boodschappen aangewezen op de Czaar Peterstraat, waar je met een luchtbrug over het rangeerterrein naar toe moest lopen. Dus als ik iets vergeten was, kocht ik wel eens bij Grootes. Maar dan liever alleen dingen die verpakt waren.”

Met het definitieve verdwijnen van de havenfunctie en de leegloop van het gebied in de jaren zestig, verdween ook het winkeltje van de Grootes. Daarna was er nog enige tijd een groothandeltje in verpakkingsmaterialen en souvenirs gevestigd, maar toen dat werd opgedoekt, verruilden Trees Jong en Richard Mosterd hun kraandrijverswoning voor het uitgeleefde bedrijfsgebouwtje. In het vrijwel lege havengebied begonnen zij een illegale buurtinloopruimte met levende muziek en maaltijden als het zo uitkwam. En door het verval heen zagen zij een prachtig oud koffiehuis, met sierstucwerk verborgen achter de verlaagde plafonds en een verwaarloosd parket in plaats van een stoffige vloer. Zij wilden het Koffiehuis behouden, hoewel bij de planontwikkeling van het Oostelijk Havengebied geen plaats meer bleek voor het pandje. Het Woningbedrijf Amsterdam had intern het sloopbesluit al klaarliggen.

In hun wens een droom te realiseren, wisten Trees en Richard buurtbewoners te enthousiasmeren en gezamenlijk richtten ze de ‘Vereniging Vrienden van de KHL’ op (waar inmiddels zo’n 350 mensen lid van zijn). Met vereende krachten wisten ze de dreigende sloop op de politieke agenda van de gemeenteraad te zetten en uiteindelijk wonnen zij het pleit. De gemeentelijke plannenmakers zagen in dat tussen alle nieuwbouw een paar historische panden uit de glorieuze haventijd niet zouden misstaan. De gemeente verkocht het pand voor één gulden aan Zomers Buiten en deed er een bruidsschat bij voor een grondige renovatie, onder voorwaarde dat Trees Jong en Richard Mosterd het pand mochten exploiteren als horeca met een sociaal-maatschappelijke functie. Sinds februari serveert het Koffiehuis KHL overdag koffie en lunch, ’s avonds kun je er dineren en zijn er activiteiten, variërend van tangoles en klezmerconcerten tot buurtvergaderingen.

Weg met luizen en vlooien

Met evenveel werkdrift en grenzeloos optimisme begonnen de aanvankelijk eveneens illegale bewoners van het Ontsmettingsgebouw even verderop aan het bewoonbaar maken van dit voormalige KHL-gebouw.

Bob Fosko, musicus, schrijver, zanger van de Raggende Manne, trok er in 1980 in toen hij en zijn vriendin hun eerste kind verwachtten. Het leegstaande en onttakelde Quarantainegebouw was weliswaar via een luchtplaats verbonden met de jeugdgevangenis ‘Lloyd Hotel’, maar dat leek geen onoverkomelijk bezwaar: er waren geen directe doorgangen. Zo werden Fosko en zijn maten de eerste krakers aan de Handelskade, zo vrij als een vogel naast hun getraliede buren. De bewoners van de kraandrijverwoningen zagen de krakers liever gaan dan komen, maar tante Pop verklaarde zich solidair en leverde stroom via een lijntje achterom. Toen het kind van Fosko geboren werd, nodigde hij de buurtgenoten uit op kraamvisite. Dat deed de burgerharten smelten, en al gauw hoorden de krakers er gewoon bij. En ze maakten het gebouw bewoonbaar. Boven werden woonruimtes en ateliers ingericht, in het souterrain kwamen muziekstudio’s. Toen de krakers tijdens een flinke opknapbeurt het plankier weghaalden dat boven de toegangsdeur bevestigd zat, schrok Fosko zich rot: “Op dat houten bord stond ‘Cantine Koninklijke Hollandsche Lloyd’. Dat bord was helemaal verweerd, en ik wilde het wat opschilderen. Maar toen we het weghaalden, kwam een tegeltekst te voorschijn, met in van die ouderwetse letters: ‘Ontsmettingsgebouw’. Getver. Ik kreeg meteen een associatie met de oorlog, met vergassen en zo. Wij dachten altijd dat het een soort Quarantainegebouw was geweest. Dat voelt toch anders.” Toen zij in de archieven doken, bleek het verleden tot hun opluchting minder angstaanjagend dan zij vreesden: de ontsmettingsovens waren uitsluitend bedoeld voor luizen en vlooien die met de landverhuizers waren meegereisd.

Toen de scheepvaartmaatschappij het landverhuizershotel verkocht aan de gemeente Amsterdam, was ook de bestemming van het Ontsmettingsgebouw overbodig geworden. In de loop der jaren heeft het nog een tijdlang dienstgedaan als fietsenstalling en ‘Cantine’ voor de Koninklijke Hollandsche Lloyd, waarvan het bord getuigt dat Fosko (inmiddels verhuisd naar een van de kraandrijverwoningen) en zijn maten wilden opschilderen. Maar met de leegloop van de haven, kwam ook de Cantine leeg te staan. Evenals de andere KHL-gebouwen werd het Ontsmettingsgebouw door de stadsplanners van het Oostelijk Havengebied als sta-in-de-weg gezien. Het zou te zeer het zicht van automobilisten wegnemen bij de aan te leggen verbindingsweg. Het gebouw was toen al jaren gekraakt. De voorgenomen sloop werd na een lange strijd met succes tegengehouden door de opstandige gebruikers van het pand. Woningcorporatie Lieven de Key toonde zich bereid het pand onder haar vleugels te nemen. Na een grondige renovatie werd het in maart 2003 in gebruik genomen door kunstenaars. Wonen mag niet meer, het voormalige Quarantainegebouw heeft weer een exclusieve bedrijfsbestemming. Geluidsstudio’s, videokunstenaars en internetbedrijven bevolken nu het pand. De benedenverdieping is ingericht als expositieruimte en café. Sinds 7 juni 2003 kan de dorstige bezoeker van het Oostelijk Havengebied de nieuwe aanwinst van binnen bewonderen. En eventueel dromerig staren naar foto’s van hoe het vroeger was, toen de landverhuizers op de lange houten banken zaten te wachten tot zij aan de beurt waren voor een grondige ontsmetting, waarna zij konden inschepen voor een lange zeereis.

A. Wietsma is freelance filmmaakster en publiciste.

Bronnen

Ton Heijdra, Zeeburg. Geschiedenis van de Indische Buurt en het Oostelijk Havengebied, Rene de Milliano, 2000.

L.L. von Münching, Koninklijke Hollandsche Lloyd; wel en wee van een Amsterdamse rederij, De Alk b.v., 1990.

KHL 3000. Koffiehuis / Lokaal KHL; voorheen het koffiehuis van de Koninklijke Hollandse Lloyd; Uitgave in eigen beheer ter gelegenheid van de opening KHL, 2003.

‘Lloyd-hotel tijdens oorlog: De Hel van Amsterdam’in: Amsterdams Stadsblad, 1 mei 1996.