Nummer 1: Januari 2003

Sociëteitsleven op de Dam

De Industrieele Groote Club toen en nu

Tekst: Carlijne Vos

012003_ClubHet Amsterdamse sociëteitsleven beleeft een comeback. Jonge ambitieuze ondernemers laten zich weer zien in de Industrieele Groote Club (IGC) op de Dam. De verschillende culturen van de in 1975 gefuseerde Groote Club en Industrieele Club zijn geleidelijk samengesmolten en de sociëteit wil nadrukkelijk geen elitaire club meer zijn. Netwerken en ‘effectentalk’ zijn niet langer taboe tijdens het borrelen.

Het leek het definitieve einde voor de Amsterdamse herenclubs; de fusie in 1975 tussen de voormalige elitaire herensociëteit de Groote Club ‘Doctrina en Amicitia’ en de Industrieele Club, de zakenclub van de nouveaux riches. IGC-lid Frits Planten (87) herinnert zich nog goed hoe hij die winterse namiddag in 1975 met een aantal andere Groote Club-leden de oversteek maakte over de Dam van het voormalige clubgebouw in de Paleisstraat (hoek Kalverstraat) naar gebouw Industria op de hoek met het Rokin. Elk clublid hield in beide handen een zilveren kandelaar, de schamele overblijfselen uit de eens zo weelderige inboedel van de Groote Club.

Pijnlijk was het samengaan van de twee clubs wel. Frits Planten en medelid en tafelgenoot Frans Habbema (85) denken met weemoed terug aan het gebouw van de Groote Club: de “schitterende” bibliotheek die verkocht moest worden na de sluiting en dan die prachtige biljartzaal. “Daar hadden die zakenlui aan de overkant geen tijd voor,” sneert Habbema grappend.

De ondergang van De Groote Club is echter onafwendbaar gebleken. Het elitaire en besloten karakter van de in 1872 opgerichte club paste niet langer in de tijdgeest van de jaren zeventig van de vorige eeuw. De instroom van jongeren stagneerde en het werd steeds lastiger om het horecagedeelte van de club te exploiteren. “Het clubleven was in die tijd not done,” vertelt pr-manager Anneke de Jong. “De toekomstige elite lag met lange haren in het Vondelpark.”

Een huurverhoging werd De Groote Club begin jaren zeventig fataal. Het huurcontract was een erfenis van de Duitse bezetting. De Duitsers hadden de club in 1942 in beslaggenomen en verkochten het gebouw later voor f 1,2 miljoen aan een verzekeringsmaatschappij, nu de Nationale Nederlanden. Er bestond een stilzwijgende toezegging dat de sociëteit het gebouw na de bevrijding voor het zelfde bedrag kon terugkopen, maar die werd nooit verzilverd. Na de oorlog bleken de Duitsers, en later de Canadese bevrijders, zoveel schade aan het gebouw te hebben toegebracht dat vrijwel het gehele interieur moest worden vervangen. Dat lukte ternauwernood met behulp van sponsors, maar voor de terugkoop werd nooit meer financiering gevonden. Het contract werd daarom omgezet in een huurcontract. En toen de Groote Club in de jaren zeventig de sterk gestegen huurprijzen niet langer kon opbrengen, moest een besluit genomen worden: stoppen óf… fuseren met de Industrieele Club.

Een ironische speling van het lot gelet op de ontstaansgeschiedenis van De Industrieele Club. Deze club werd in 1916 opgericht door een aantal fabrikanten die het niet kon verdragen dat zij stelselmatig werd buitengesloten door de gevestigde elite van De Groote Club. De ‘heren’ haalden hun neus op voor de ‘self-made’ welvaart van de ‘nouveaux riches’ en hielden de deuren gesloten waarmee ze onbewust het doodvonnis tekenden voor de besloten herensociëteit.

Aan het begin van de 20ste eeuw was de puur op gezelligheid gerichte sociëteit namelijk al achterhaald. De ledenaantallen van alle verenigingen liepen terug, hetgeen in 1919 al leidde tot de fusie van De Groote Club en het patriottische genootschap Doctrina en Amicitia (1788). Er waren in Amsterdam inmiddels genoeg andere mogelijkheden voor ontspanning en vermaak en bovendien was de bevolkingssamenstelling drastisch veranderd door de cityvorming die eind 19de eeuw was ingezet. De Amsterdamse haven was tot bloei gekomen door de zeeverbinding via het Noordzeekanaal, hoofdkantoren van fabrieken splitsten zich af en vestigden zich in de binnenstad en er ontstonden nieuwe bedrijfstakken zoals het bank- en verzekeringswezen. Kortom, er was een nieuwe elite van zakenlui en fabrikanten ontstaan die met hun kantoren en activiteiten de oude elite langzaam uit het centrum verdrong. Uit onderzoek van Michiel Wagenaar blijkt dat in 1850 de maatschappelijke bovenlaag uitsluitend in het centrum woonde en dan met name in de grachtengordel. In 1900 was het woonhuizenbestand in de binnenstad al met 30 procent afgenomen, op de grachtengordel met 16 procent. Uit de adressenbestanden van De Groote Club blijkt dat in de jaren twintig van de vorige eeuw nog maar de helft van de clubleden in Amsterdam woonde. Veel leden waren vertrokken naar de voormalige koloniën of verhuisd naar nieuwe elitewijken zoals Amsterdam-Zuid en het Gooi.

Ondanks al deze ontwikkelingen hield de inmiddels gefuseerde Groote Club ‘Doctrina et Amicitia’ zich aan haar strenge ballotage-eisen en bleef de nieuwe industriële elite buiten de deur houden. De club hield hardnekkig vast aan het verenigingskarakter dat vooral gestoeld was op gezelligheid en een intellectueel en cultureel geïnspireerd samenzijn. Zakendoen was beslist not done. Een jaarverslag dat door een bezoeker werd achtergelaten zou volgens de overlevering direct in de prullenbak zijn beland en de portier zou niet hebben geaarzeld om bezoekers te vragen hun koffers met stukken af te geven alvorens de club te betreden.

“De ambiance aan de overkant was heel anders”

In 1913 besloot een groep ondernemers een nieuwe club op te richten die op een geheel ander principe was gestoeld. Een die minder gericht zou zijn op gezelligheid en exclusiviteit maar meer pragmatisch was ingesteld en bedoeld als gelegenheid om in een prettige ambiance zaken te doen. Onder leiding van zakenmannen D. Goedkoop Dzn. en H.L. Geveke werd de Vereniging Industrieele Club opgericht en er werd een bestuur gevormd bestaande uit grootindustriëlen, handelaren en ondernemers uit heel Nederland. Als clubhuis had men twee verdiepingen op het oog in gebouw Industria, dat gebouwd zou worden op de hoek van het Rokin en de Dam. Architect Foeke Kuipers had het gebouw al in 1912 ontworpen, maar tijdens de bouw het jaar daarop ging er van alles mis. Bij de funderingswerkzaamheden stuitte men op 14de-eeuwse sluismuren die tijdens de bouw steeds verder de grond in zakten. De bouw kwam vervolgens vanwege de noodzakelijke graafwerkzaamheden en de dreigende Eerste Wereldoorlog maandenlang stil te liggen. In 1914 besloot het bestuur toch een lening aan te gaan van f 100.000 en de bouw voort te zetten. Een jaar later leverde Kuipers het gebouw op en op 8 januari 1916 vond de feestelijke opening plaats.

De Industrieele Club bleek een succes. Van directeur C.W. Freese van de Bombay Trading NV is bijvoorbeeld bekend dat hij veel waarde hechtte aan de contacten die zijn werknemers hier konden opdoen en sommeerde hen min of meer de club te bezoeken. Een van hen was J.H.F. Grönloh, alias de schrijver Nescio, die er in 1926 lid werd. En ook de jaardiners trokken steeds meer belangrijke sprekers aan zoals Anthony Fokker, minister M.W.F. Treub en oud-generaal J.B. van Heutsz. De club doorstond de Tweede Wereldoorlog en tijdens de wederopbouw bloeide de club helemaal op. In 1974 waren zo’n 400 bedrijven lid. Toch bleek toen dat ook hier de keukenexploitatie niet sluitend was te krijgen. Juist in die periode liep ook de Groote Club stuk op de financiering en die situatie noopte tot samenwerking. De leden van de Industrieele Club besloten om de Groote Club als bedrijfslid te aanvaarden. In 1975 werd in de statuten de naam van de Industrieele Club aangepast en tegelijkertijd werd de Groote Club geliquideerd.

De beide sociëteiten gingen verder onder de naam de Industrieele Groote Club (IGC). Op dat moment waren er door de vele fusies in het bedrijfsleven en het vertrek van veel bedrijven uit de binnenstad nog maar 200 bedrijven lid, zodat circa 600 mensen de club konden bezoeken. Daarnaast waren er 300 individuele leden, voornamelijk afkomstig van de Groote Club.

De fusie was voor beide clubs wennen, want de culturen verschilden hemelsbreed. “De ambiance aan de overkant was heel anders,” vertelt Frans Habbema. “De sfeer was meer regentesk en zakelijk. Men praat hier bijvoorbeeld vrijuit over effectenhandel. Dat was aan de andere kant ondenkbaar geweest. Er zijn ook andere dingen in het leven zoals toneel, kunst, muziek en politiek. Wij zijn niet opgevoed om aan tafel over geld te spreken.”

Voor Frans Habbema en Ftits Planten is de overgang evenwel goed verlopen. “We hadden een hele hechte ‘tafel’ die nu nog steeds elke dinsdag bijeenkomt.”

De clubtraditie van de zogeheten ‘ronde tafels’ stamt uit de jaren dertig van de vorige eeuw. De tafel bestaat uit een voorzitter en een kring van mensen die er lid van worden op basis van gemeenschappelijke interesses of achtergronden. Het zijn besloten tafels. Frits Planten herinnert zich nog goed hoe hij begin jaren vijftig aansluiting probeerde te vinden bij een tafel. “Het heeft bijna een halfjaar geduurd voordat we met een clubje jonge leden een groepje hadden gevormd. Mensen kwamen niet opdagen of het klikte gewoon niet.”

De vaste ‘dinsdagtafel’ van Planten en Habbema is uiteindelijk de kern van de club gebleken. Na de fusie leidde de club tot begin jaren negentig een zieltogend bestaan. De dinsdagtafel hield als een van de weinige vast aan een wekelijkse bijeenkomst. “Als je maar een keer per maand bijeenkomt kan je nooit zo’n vriendschapsrelatie opbouwen als wij hebben gedaan,” zegt Planten. “Nu nog steeds, na al die jaren, komen we nooit gespreksonderwerpen tekort.”

“De buitenwereld werd bewust buitengesloten”

De eerste nieuwe impuls kwam pas weer in 1993 toen 400 leden van de Sociëteit Oud-studenten van Nijenrode zich bij de IGC aansloten. De bestaande leden reageerden aanvankelijk sceptisch: “We hadden liever gezien dat deze jonge mensen zich al op enige manier in de maatschappij hadden bewezen in plaats van dat ze alleen een studie hadden afgerond,” verwoordt Habbema de aarzeling van destijds. Een overweging die overigens nu weer meeweegt bij de ballotageprocedure.

Die verandering stond niet op zichzelf. In 1991 is het restaurantbedrijf uitbesteed aan Eurest Nederland en in datzelfde jaar trad Henny Klinkhamer aan als directeur, die snel een analyse maakte van de problemen bij de club. “Ik trof een zieltogend geheel aan met een onduidelijke mores. De cultuur van de Groote Club was dominant aanwezig, mede door de fysieke aanwezigheid van veel ouderen. Het bedrijfsleven was niet zo geïnteresseerd. Men was de laatste twee decennia ook altijd zeer naar binnen gekeerd gebleven. De buitenwereld werd bewust buitengesloten; er werden nauwelijks nieuwe leden geïntroduceerd,” vertelt Klinkhamer.

De nieuwe directeur heeft het ledental in de tussentijd weten te verdubbelen tot 1800. Inmiddels biedt de club weer een scala aan activiteiten. Public relations-manager Anneke de Jong: “We hebben circa acht open tafels opgetuigd waar alle leden welkom zijn. De tafels komen meestal maandelijks bijeen. Er is dan een thema of een spreker georganiseerd. Zo is er een communicatietafel, een financiële tafel, een ICT-tafel en een vastgoedtafel. Maar ook een golftafel en een table d’hôte voor de fijnproevers. Het jongste initiatief is de pyjamatafel. Jonge clubleden hebben deze oude tafel vorig jaar weer opgericht om bij elkaar aansluiting te vinden. Het trekt veel nieuwe jonge ondernemers aan.”

Volgens Klinkhamer is er nog wel degelijk belangstelling voor het sociëteitsleven. “Mensen willen nu eenmaal graag met gelijkgestemden communiceren en hebben zelf weinig tijd om dergelijke bijeenkomsten te organiseren. Wij moeten ervoor zorgen dat we iets bijzonders te bieden hebben; een goed programma en een goed publiek. We zorgen dat we prettige faciliteiten bieden en dat we beschaafd met elkaar omgaan. Dat wordt door buitenstaanders vaak verward met elitair.”

Het elitaire karakter waar het sociëteitsleven van oudsher mee wordt geassocieerd, fungeert ook nu nog steeds als splijtzwam. Vooral de jonge garde beschouwt dit stigma als ballast, anderen koesteren het. Clubveteraan Habbema bijvoorbeeld memoreert met heimwee in zijn stem hoe men vroeger tijdens het jaarlijkse herendiner in rokkostuum met decoraties verscheen. “Dan kwamen ook de dames mee. Nu komt men gewoon in smoking en zijn vrouwen ook gewoon lid.” De club is volgens de twee oudere heren verzakelijkt. “Het gaat meer om de getallen en er is minder belangstelling voor culturele zaken. Vroeger was het een must om naast je loopbaan andere bezigheden te hebben; een commissariaat of een bestuursfunctie in een culturele of sociale organisatie. Nu wordt het nog wel gewaardeerd als je een zijdelingse belangstelling toont, maar een eliteclub is de IGC niet meer.”

Elitair of exclusief; Klinkhamer gaat de begrippen bij voorkeur uit de weg. “Ik spreek liever over kwaliteit van omgangsvormen. Maar dat is door het ballotagesysteem natuurlijk een uiterst subjectief begrip. Oud geld is bij de zittende leden nog steeds favoriet. Dat toont de dubbele moraal die hier nog heerst.” En wie wil groeien, moet ook nieuwe leden aannemen. Daarom zijn er momenteel plannen voor een lunchclub voor zakenrelaties, een netwerkclub voor jongeren en een sociëteit voor ouderen. Klinkhamer ziet vooral in dit laatste plan kansen omdat er tussen de jaren zeventig en negentig nauwelijks instroom is geweest van de nu vergrijzende babyboomgeneratie. “Die mensen gaan straks met pensioen en zullen het werkende leven missen. Deze doelgroep heeft behoefte aan een bepaalde collectiviteit die wij kunnen bieden.” Beschaafde omgangsvormen, daarover blijft de club angstvallig waken, maar zonder vernieuwing kan de sociëteit niet. Klinkhamer ziet het geenszins somber in: “Het is een uitdaging om zo’n oud instituut een nieuw elan te geven dat aansluit op de dynamiek van deze tijd.”


De Dam, maandagmiddag 7 mei 1945

Op een koperen gedenkplaat op de Groote Club valt te lezen: “Ter herdenking van de burgers die 7 mei 1945 op de Dam gevallen zijn”. Die burgers waren die dag met vele andere Amsterdammers naar de Dam gekomen om hun bevrijders te verwelkomen, terwijl op het plein overigens nog steeds Duitse soldaten marcheerden en twee open vrachtwagens langzaam wegreden, beide vol soldaten. De Duitsers zagen vlak achter zich hoe Engelse tanks en jeeps door een juichende menigte de Dam op kwamen rijden. Op het dak van de Groote Club stonden leden van de Duitse Kriegsmarine toe te kijken hoe de bevrijders werden binnengehaald.

Waarschijnlijk waren enkele schermutselingen tussen leden van de Binnenlandse Strijdkrachten en Duitse soldaten in de Paleisstraat en achter het Paleis op de Dam, de aanleiding tot een volslagen onzinnige schietpartij door een bezetter die wist dat ie verslagen was. Tussen drie uur en halfvier openden soldaten vanuit de Grote Club het vuur op de feestende menigte op de Dam. In paniek probeerde mensen een goed heenkomen te zoeken, maar dekking was er op het open plein nauwelijks: draaiorgel het Snotje, een enkele lantaarnpaal, de gebouwtjes bij het plantsoen… Er vielen dan ook veel slachtoffers. Zeker 22 mensen werden gedood, zo’n 120 raakten gewond.

W.F. Leijns, die bovenstaande foto maakte, werkte als procuratiehouder op de bovenste verdieping van gebouw Industria en had als amateurfotograaf de intocht van de bevrijders willen vastleggen.

C. Vos is freelance journaliste.