Nummer 10: Oktober 2010 - Een 'verrukkelijke aanwinst'

 

Een ‘verrukkelijke aanwinst’

28 november begint nieuw hoofdstuk voor het ‘De la Mar’

Tekst: Henk van Gelder

372-inhoud_theater_9Hoogtijdagen voor het Nieuwe de la Mar Theater. Uitverkocht staat er met koeienletters boven de lange rij wachtenden voor een voorstelling van Wim Sonneveld op 5 januari 1964. Met hem was ruim tien jaar eerder het succes gekomen dat de oprichters Fien de la Mar en Piet Grossouw hadden moeten ontberen. Het kleine theatertje kreeg grote faam.

 

Joop van den Ende realiseerde zich dat zijn woorden met enige achterdocht zouden worden beluisterd. Sterker nog: hier en daar heerste in de zaal zelfs enige vijandigheid.

Het is 3 oktober 2005. Voor het publiek is het Nieuwe de la Mar Theater op die maandagmiddag gesloten, maar in besloten kring wordt er een nieuwe cd-box met opnamen van Wim Sonneveld ten doop gehouden. Wat de aanwezigen echter minstens zo weemoedig stemt, is de gedachte dat dit wel eens hun laatste bezoek aan het sierlijke schouwburgje in de Marnixstraat zou kunnen zijn. Iedereen weet dat het vertrouwde, maar versleten geraakte theater binnen drie maanden voorgoed gesloten zal zijn. En iedereen weet ook dat Van den Ende hier een nieuw theater gaat bouwen. Wat moest dat worden?

“Ik heb vaak tegenstand gevoeld bij onze gesprekken over de overname”, begon de merkbaar gespannen producent. “En dat kan ik begrijpen, omdat dit nu een soort heilige plek is. Met weinig geld en veel liefde is hier iets bijzonders gecreëerd. Voor mij is het óók een heilige plek.” Vervolgens noemde hij een paar aspecten die in de nieuwbouw onveranderd moesten terugkeren – de sfeer en de intimiteit voorop, maar met de technische faciliteiten van tegenwoordig. Hij sloot zijn praatje af met de belofte: “De nieuwe zaal moet eer bewijzen aan wat hier in de loop der jaren tot stand is gebracht.” Het applaus dat volgde, was op zijn best afwachtend te noemen.

Pas vanaf 28 november aanstaande, ruim vijf jaar nadat Van den Ende deze woorden sprak, valt het resultaat te controleren. Nu deze regels worden geschreven, is achter de bouwsteigers al iets te zien van een grote glazen gevel die deels wordt afgedekt door de originele façade van het vroegere theater. En ook de nieuwe naam verwijst nadrukkelijk naar de traditie. Straks wordt niet de opening verricht van het Nieuwste de la Mar, zoals door sommige grappenmakers was voorspeld, maar van het DeLaMar Theater. Zonder het woord ‘nieuw’ dus – net als in 1947, toen het theater zijn deuren voor het eerst opende.

 

Veelbelovende plannen

De geschiedenis van het oude gebouw aan de Marnixstraat 404 gaat nog veel verder terug. Het is van 1887 en had in het begin van de vorige eeuw een geheel andere functie. Hier was de Spieghelschool gevestigd, een school voor lager onderwijs die in de jaren dertig wegens ruimtenood is verhuisd naar de Overtoom. Daarna leidde het pand jarenlang een verkommerd bestaan als opslagplaats voor decors en rekwisieten van de Stadsschouwburg. Tijdens de bezetting moest er bovendien ruimte worden gemaakt voor een aanmeldingsbureau van de Arbeitseinsatz die Nederlandse arbeiders naar de oorlogsindustrie in Duitsland stuurde. Dat maakte het adres tevens tot doelwit: op 5 januari 1945 deed een met springstoffen gewapende verzetsgroep van de LKP (Landelijke Knokploegen) een aanslag. Als represaille werden een dag later vijf als anti-Duits betitelde Arbeitseinsatz-ambtenaren voor de deur van het deels uitgebrande gebouw gefusilleerd.

Meteen na de bevrijding was Marnixstraat 404 zodoende een bouwval. Voor de gemeente Amsterdam moet het dan ook een hele opluchting zijn geweest dat er al op 11 juni 1945 een brief binnenkwam van het Fientje de la Mar Ensemble. Dat ensemble bestond weliswaar nog niet, maar de plannen klonken veelbelovend. De ondertekenaar, de gerenommeerde aannemer Piet Grossouw, verzocht de gemeente hem het beschadigde perceel en de grond te schenken, zodat hij er op eigen kosten een theater van kon maken. Het programma-aanbod zou bestaan uit cabaret en toneel. De artistieke leiding zou in handen komen van zijn echtgenote, de vooroorlogse vedette Fien de la Mar, die smetteloos uit de oorlog was gekomen omdat ze niet voor de Kultuurkamer had getekend en daarom niet had kunnen doorwerken. Het kon niet mooier. Al op 4 april 1946 publiceerde het Gemeenteblad het oordeel van het college: “Aangezien aan een dergelijke schouwburg behoefte bestaat en tevens op een punt, vrijwel in het centrum  der stad, een ruïne wordt opgeruimd, bestaat bij ons tegen inwilliging van het verzoek geen bezwaar.” Vervolgens stemde ook de gemeenteraad van harte in.

 

Publiek blijft weg
Het theater ging De la Mar heten. Niet naar Fien, maar naar haar vader Nap de la Mar, de in 1930 gestorven acteur en toneelleider die haar in het theatervak had ingewijd. Zijn portret kwam bovenaan de trap te hangen (en bleef daar tot de sloop). Er kwam nóg een gedenkteken. Toen het theater vrijwel klaar was, werd er een kleine gedenkplaat van Hildo Krop aan de gevel bevestigd, met de namen van de mannen die daar in de laatste fase van de bezetting waren doodgeschoten. Volgens het Algemeen Handelsblad vormde zo’n plaquette tegelijk een garantie voor verantwoorde voorstellingen: “Vooral in verband hiermede zal het Theater De la Mar geen huis van grof vermaak worden, doch een inrichting die uitsluitend kunst zal brengen.” De plaquette is altijd aan de gevel blijven hangen – en zal daar ook terugkeren zodra de deuren eind november weer opengaan.

De opening van het Theater De la Mar op 31 juli 1947 was een culturele gebeurtenis van de eerste orde. Iedereen die iets te betekenen had in de toneelwereld van die dagen, kwam kijken. Ook het Polygoon-bioscoopjournaal deed enthousiast verslag. Het zag er “hoogst aantrekkelijk” uit volgens Het Parool en daar was iedereen het mee eens. De voorstellingen vielen echter minder in de smaak. Toneel en cabaret, altijd met Fien de la Mar in de hoofdrol, wisselden elkaar in hoog tempo af; alles verdween alweer snel van het repertoire omdat er niet genoeg publiek kwam. Volgens de overlevering klaagde de vedette in die dagen tegen Wim Sonneveld, die toen het nabije Leidsepleintheater bespeelde: “Ze komen wel bij jou, in die drollenhoek, en in mijn bonbonniére blijven ze weg.” Maar ook als de zaal bij uitzondering wel was uitverkocht, maakte het echtpaar Grossouw verlies. Een zaal van 300 stoelen was eenvoudigweg te klein om quitte te spelen.

 

Avontuur met Wim Sonneveld

Fien de la Mar hield het tot eind 1949 vol. Daarna moest ze erkennen dat haar onderneming failliet was. “De tranen, de scènes, de woede om het verloren gaan van haar grote illusie moeten verschrikkelijk zijn geweest”, schreef Jenny Pisuisse in haar Fien-biografie. Ruim een jaar lang stond het theater leeg. B&W waren al van plan het gebouw aan een bioscoopexploitant te gunnen, maar de gemeenteraad hield vooralsnog vast aan een nieuwe theaterbestemming – mits dat de gemeente niets zou kosten. Diverse gegadigden die een gesubsidieerd gezelschap wilden beginnen, werden zo kansloos.

De enige echte kanshebbers waren Paul Kijzer en Piet Meerburg, die samen de directie vormden van de studentenbioscoop Kriterion. Zij becijferden dat een amusementstheater met 500 zitplaatsen zichzelf zou kunnen bedruipen. En ze vonden een medefirmant die als trekpleister zou kunnen dienen: de avontuurlijk ingestelde Wim Sonneveld. Die combinatie werd door het college “zeer geschikt” genoemd en de gemeenteraad gaf goedkeuring, al bestond er wel enige twijfel over de culturele ruggengraat van zo’n cabaretier. Als er met toneel en cabaret niet snel genoeg succes werd geboekt, opperden de raadsleden van VVD en CPN, zou de neiging groot zijn om toch nog films te gaan draaien.

Het drietal ging aan de slag. De extra 200 zitplaatsen kwamen tot stand door de bouw van een balkon. Verder werd de foyer feestelijker gemaakt met Franse theateraffiches, Thonet-meubeltjes en kroonluchters, bij elkaar gezocht door Friso Wiegersma, de kunstzinnig ingestelde vriend van Sonneveld. Zelf bepleitte de cabaratier dat het schouwburgje de naam De la Mar zou houden, bij wijze van continuïteit en als eerbewijs aan de oprichtster. Meerburg en Kijzer zagen liever een geheel nieuwe naam; aan de oude zou de smet van de mislukking blijven kleven, vreesden zij. De uitkomst was een compromis: het Nieuwe de la Mar Theater. Het gerucht ging dat de actrice in razernij ontstak toen ze van dit voorvoegsel hoorde. Ze heeft er nooit meer één stap gezet, zo werd verteld.

 

Eindelijk veel applaus
De heropening, op 23 december 1952, oogstte veel applaus. “Waar ge ook zit”, schreef De Groene Amsterdammer, “zit ge goed in deze verrukkelijke aanwinst voor schouwburgarm Amsterdam.”

De openingsvoorstelling was een productie van Sonnevelds eigen cabaretensemble (Het meisje met de grote voeten), want de afspraak luidde dat de cabaretier voortaan de eerste keus had in de jaarlijkse programmering. Zodra hij had vastgesteld welke maanden hij hier wilde spelen, kon de rest worden verdeeld onder andere solisten en gezelschappen. Half kleinkunst, half toneel, luidde de vuistregel van Piet Meerburg, die de directeursfunctie op zich nam – en vervolgens maar liefst 35 jaar lang heeft vervuld. Bijna even lang in combinatie bovendien met de leiding van het naastgelegen bioscoopcomplex Bellevue/Cinerama.

Het cabaret kwam voornamelijk van Sonneveld en vanaf 1958, toen het Leidsepleintheater werd veranderd in een bioscoop, ook vier maanden per jaar van Wim Kan. Eind jaren zestig kwamen daar jongeren als Fons Jansen, Paul van Vliet en Seth Gaaikema bij. Het toneel was minstens zo gevarieerd: van gesubsidieerde gezelschappen als Puck, de Nederlandse Comedie en Toneelgroep Theater tot de talloze vrije producties die vanaf de jaren zestig op tournee gingen. In 1965 deed zelfs nog een derde genre zijn intrede met het kassucces Heerlijk duurt het langst, de eerste musical van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink. Voor de kassa stond toen een rij wachtenden die doorging tot om de hoek van Américain.

Zo ging het jarenlang goed. Toch werd de exploitatie allengs moeizamer. Sonneveld, die met zijn tweede onemanshow was overgestapt naar Carré, overleed in 1974. Wim Kan, wiens laatste conference een mislukking werd, stierf in 1983. De vrije producties, met sterren als Mary Dresselhuys en Ko van Dijk, trokken een steeds ouder publiek. Musicals werden dermate grootscheeps opgezet dat het Nieuwe de la Mar al gauw te klein was en jongere cabaretiers sloegen de Marnixstraat steeds vaker over om zo snel mogelijk in Carré te kunnen staan. Toen het exploitatietekort in 1984 was gestegen tot f 190.000,-, wist Meerburg nog een ‘waarderingssubsidie’ van een ton per jaar in de wacht te slepen. Maar ook daarmee was het theater niet gered.

 

Het plafond beweegt!
De redding had alles te maken met een misverstand. In 1987 werd het Nieuwe de la Mar overgenomen door de gemeente Amsterdam en organisatorisch samengebracht met het Bellevue-complex aan de Leidsekade. Dat leek de toenmalige cultuurwethouder Minnie Luimstra een ideale oplossing: de theaters stonden immers al met de ruggen tegen elkaar aan één binnentuin. Dat er in werkelijkheid woonhuizen in de weg stonden en er dus geen doorgang was, wist de wethouder niet. “Dat hebben we haar nooit verteld”, grijnsde de eerder dit jaar gestorven Meerburg vele jaren later. De gesubsidieerde Theatercombinatie Bellevue/Nieuwe de la Mar was toen allang een feit.

In de jaren negentig bracht de nieuwe directeur Hanneke Rudelsheim een nieuwe bloeiperiode teweeg. Met veel nieuw talent, van Paul de Leeuw tot Youp van ’t Hek, van Lenette van Dongen tot Karin Bloemen. En ook met de iets minder nieuwe Freek de Jonge, die het Nieuwe de la Mar tot vaste behuizing koos. Maar het feit dat er al decennia lang geen goed onderhoud meer was gepleegd, ging zich nu wreken. Een ijzeren balk moest het plafond van de foyer stutten nadat het tijdens een concert van Frank Boeyen vervaarlijk was gaan bewegen. Op straat was nauwelijks ruimte voor het in- en uitladen van decors en technische installaties. In de publieksruimten en achter het toneel werd het steeds krapper. Airconditioning ontbrak. Bij de kleedkamers was er slechts één douche. Zoals Het Parool kernachtig samenvatte: “Maxi moet wachten als Mini staat te douchen.”

 

Van den Ende hapt toe

Luimstra’s opvolgster Hannah Belliot hakte in 2004 de knoop door. Ze was met producent Joop van den Ende in gesprek geraakt over de overname van Bellevue Cinerama, dat eveneens aan een opknapbeurt toe was. Van den Ende zag mogelijkheden om daarin een nieuw theater te vestigen. De volgende stap lag voor de hand: zou hij niet óók het Nieuwe de la Mar willen overnemen?

Toen bekend werd dat Van den Ende die vraag bevestigend had beantwoord, stak er een storm van protest op. Menigeen vreesde dat de machtige musicalmagnaat alleen maar ruimte zou bieden aan voorstellingen van zijn eigen theaterbedrijf. Na veel vijven en zessen gaf de Amsterdamse Kunstraad toch een positief advies over de plannen. De nieuwbouw zou niet bij ’s mans theaterbedrijf worden ondergebracht, maar bij de VandenEnde Foundation die daar los van staat. En er zou een onafhankelijke directie komen die zaken wilde doen met alle theaterproducenten. De openingsproducties weerspiegelen dat beleid: de musical La Cage aux Folles is van Joop van den Ende Theaterproducties en het toneelstuk Ontrouw wordt geproduceerd door het veel kleinere theaterbureau Hummelinck Stuurman.

Twee zalen gaan er straks open: een grote (900 plaatsen) en een iets kleinere (600). De herbouw heeft uiteindelijk € 65 miljoen gekost, waarmee Joop van den Ende als initiator van een particulier kunstgebouw in de voetsporen treedt van Oscar Carré en Abraham Tuschinski. En, op veel kleinere schaal, van de aannemer Piet Grossouw die zijn vrouw wilde eren met een eigen theater.