Nummer 4: April 2001



PW omslagOp zoek naar Henkenhaf & Ebert

Het Amsterdam van Thomas Rosenboom

Peter-Paul de Baar

“Van oudsher woonde Vedder aan de Texelschekaai, daar waar Amsterdam zich heerlijk opende aan het Y.” Thomas Rosenboom woont al ruim twintig jaar in Amsterdam, maar in zijn hele oeuvre speelt de stad een bescheiden rol. Ze figureert alleen in zijn roman Publieke werken, maar dan ook meteen heel prominent. Het Amsterdam van 1890 is het waarheidsgetrouwe decor van een grotendeels verzonnen verhaal over hoogmoed vóór de val.

Eigenlijk kan Amsterdam de schrijver bar weinig schelen. Goed, hij woont niet onaardig in de Jordaan en drinkt graag eens een pilsje op het Spui. En natuurlijk is het prettig dat in deze stad de meeste uitgevers en schrijvers te vinden zijn. Maar veel dieper gaat het niet. Ook in zijn romans is de situering bijzaak, al is Rosenboom wél zo’n perfectionist dat het eenmaal gekozen decor tot in de puntjes moet kloppen, althans: geloofwaardig moet zijn. De drie verhalen in zijn debuut De mensen thuis (1983) spelen in een niet nader te duiden Nederlandse stad; zijn eerste roman Vriend van verdienste (1985) is geïnspireerd op de destijds geruchtmakende Baarnse moordzaak van 1961; zijn gelauwerde roman Gewassen vlees speelt in het Friesland en Zeeland van de 18de eeuw. En eigenlijk was het stom toeval dat hij zijn laatste roman construeerde rond een historisch gegeven in zijn eigen woonplaats. “Ik ben niet iemand met een abonnement op Ons Amsterdam en een grote historische belangstelling,” bekende hij eind 1999 aan Het Parool. “Ik heb ook nooit meer een letter over de 18de eeuw gelezen, nadat Gewassen vlees verschenen was.”

Elke dag hetzelfde rondje
Thomas Rosenboom beroept zich er regelmatig op dat hij een van de weinige Nederlandse schrijvers is die geen autobiografische romans schrijven. Hooguit hebben de figuren in zijn boeken wat karaktertrekjes met hem gemeen, maar dan uitvergroot. “Ik kies vaak personages die uit goede bedoelingen boven zichzelf willen uitstijgen en dan het slachtoffer worden van de misverstanden die ze hebben veroorzaakt. In hun ijver om alles te beheersen doen mijn helden altijd te veel,” zei hij in maart vorig jaar tegen NRC Handelsblad. “Dat te veel doen en daarmee een averechts effect behalen, is wel iets dat ik tot mezelf kan herleiden. De behoefte controle te hebben, alles te beheersen. Misschien heeft het wel iets dwangmatigs. Ik loop elke dag hetzelfde rondje, draag altijd dezelfde kleren, eet elke dag hetzelfde en doe dus ook steeds dezelfde boodschappen.” Zoals de romanheld Vedder uit Publieke werken elke dag vis haalt op de Dam.
Thomas Rosenboom, geboren in 1956 in Doetinchem, groeide op in een katholiek gezin in Arnhem. Zijn vader had daar een garagebedrijf. Gelovig is Rosenboom allang niet meer, maar hij maakt geen geheim van zijn waardering voor de relativerende katholieke mentaliteit: “Daarmee bedoel ik dat je de wet meer naar de geest dan naar de letter opvat. Dat je elkaars gevoelens ontziet.” De twaalfjarige hoofdpersoon Timon uit De mensen thuis, bang voor zijn leeftijdgenoten en tegelijk proberend de Grote Mensen van zijn genialiteit te doordringen, heeft zeker wat van de jonge Thomas, al zijn diens belevenissen fantasie. Hij creëerde Timon in 1982, toen hij Nederlands studeerde aan de Universiteit van Amsterdam, na kort psychologie gestudeerd te hebben in Nijmegen. Hij wilde hier aan de literatuur ruiken. Een studievriend verleidde hem ertoe ook zelf te gaan schrijven. Zijn tweede verhaal, ‘Bedenkingen’, vond hij geslaagd genoeg om op te sturen aan het toonaangevende literaire tijdschrift De Revisor, dat het prompt plaatste. Met twee andere verhalen over die Timon groeide het uit tot zijn eerste boek, dat een debuutprijs won.

Romanhelden in aanbouw
Van de romans die hij daarna schreef, werd het thema hem eigenlijk steeds door anderen aangereikt in de vorm van een bijzonder document of een anekdote, waar Rosenboom dan zijn hoogstpersoonlijke invulling aan gaf. Een bundel rechtbankverslagen uit 1961 leidde tot Vriend van verdienste, een dagboekje van een 18de-eeuwse Friese jonker tot Gewassen vlees, dat hem in 1995 zijn eerste Libris-literatuurprijs opleverde. En het basisidee voor Publieke werken ontstond toen Rosenboom een jaar of zeven geleden het Victoria Hotel op de Prins Hendrikkade wandelde. Zijn metgezel wees hem op de twee kleine huisjes die tegen dit in 1890 geopende hotel lijken te zijn aangeplakt. Wist Thomas wel dat het hotel om die pandjes was heengebouwd, omdat de eigenaren hun huis niet wilden verkopen? Nee, dus. Waarna het tweetal vrolijk begon te speculeren over het motief voor die halsstarrigheid. In een gesprek met Vrij Nederland herinnerde Rosenboom zich: “We verzonnen dat de eigenaren van die huisjes, toen ze hoorden dat op die plaats een hotel zou komen, begrepen dat ze een woekerprijs zouden kunnen bedingen, maar dat ze hun hand hadden overspeeld.” Maar geldwolverij was toch nét een te banaal motief om er een hele roman aan te wijden. Dus kreeg de Amsterdamse hoofdpersoon Walter Vedder, die de grootste van de twee huizen bewoont, ook een ideëel doel toebedeeld: hij wilde mensen helpen! Maar wie dan? Het antwoord vond Rosenboom in een boek dat hij ooit in New York cadeau kreeg van een plaatselijke vioolbouwer: het ging over arme Oost-Nederlanders die onder leiding van dominee Albertus van Raalte naar Amerika emigreerden. Dat was wel niet rond 1890, maar al in 1846, maar ach! Rosenboom maakte gemakshalve van de kolonisten Drentse veenwerkers, die naar het land van belofte werden geleid door een apotheker uit Hoogeveen: Christof Anijs, een neef van Vedder. Dat milieu kende hij: zijn ex-vriendin stamde af van Drentse apothekers – en een oom van haar was net zo breedsprakig en ijdel als Anijs. De naam van zijn Drentse hoofdpersoon verwijst mede naar de 19de-eeuwse Hoogeveense apotheker Hendrik Radijs, waarvan Rosenboom een biografietje in handen kreeg. De verkoop van een viool (een muziekinstrument dat wel vaker in Rosenbooms werk opduikt) leek de schrijver een mooie manier om de neven met elkaar in contact te laten komen: dus liet hij de Amsterdamse neef, wiens huisje in de knel komt, het vak van vioolbouwer uitoefenen – ook al is deze Vedder opgeleid tot kastenmaker, dus eigenlijk een beunhaas.

Gefrustreerde kleinburger
Van Publieke werken zijn inmiddels ruim 140.000 exemplaren verkocht, en de Ons Amsterdam-abonnees die het als welkomstpremie kregen, zijn daarbij niet eens meegeteld. De roman-intrige zal veel lezers dus al bekend zijn. Hier nog kort even de hoofdlijn. Als Vedder bemerkt dat architect/hotelier Johann Friedrich Henkenhaf een hotel wil bouwen op de hoek van het Damrak en de Prins Hendrikkade en daarvoor aast op de huisjes die daar staan, besluit hij hoog in te zetten: hij vraagt voor zijn huis ƒ 50.000, terwijl hem - een toch royale – ƒ 20.000 wordt geboden door Friedrich Ebert, de elegante associé van Henkenhaf. En passant werpt Vedder zich ook op als hoeder van de belangen van zijn oude buurman, kleermaker Carstens, en diens zieke vrouw. Vedder is een gefrustreerde kleinburger, die dolgraag door de Amsterdamse elite serieus genomen wil worden als professioneel vioolbouwer, muziekkenner, stedenbouwkundige en geslepen zakenman. Erkenning door Henkenhaf is wel het allermooiste wat hij zich kan denken. Die blijft echter bijna het hele verhaal door onzichtbaar, al probeert Vedder wanhopig met hem in contact te komen. In de roman heeft Henkenhaf verdacht veel trekjes van God-de-Vader in de katholieke traditie, met Ebert als zijn vertegenwoordiger op aarde. Vedder overspeelt zijn hand, en zakelijk gaat alles mis, maar toch: als uiteindelijk tijdens de opening van het hotel op 19 augustus 1890, Henkenhaf zelve hoog boven de Prins Hendrikkade Vedder tot zich neemt, is dat in feite voor die laatste een gelukzalig einde.
Walter Vedder en Christof Anijs zijn geheel ontsproten aan Rosenbooms fantasie, maar wel degelijk is goed te merken dat Rosenboom zijn research grondig ter hand pleegt te nemen. Aan Vrij Nederland lichtte hij toe: “Je begint geleidelijk, je gaat eerst maar wat lezen over het hotelwezen, de opkomst van het grand hotel in samenhang met de opkomst van het spoorwezen.” Inderdaad heeft hij zichtbaar profijt gehad van het prachtboek De Grand Hotels van Amsterdam door Bert Vreeken en Ester Wouthuysen, en ook van de Geschiedenis van het Amsterdamse Stationsplein (1982) door Lydia Lansink. Daarin stuitte Rosenboom onder meer op het verschijnsel van de parmantige ingezonden-stukkenschrijvers, die zich onder schuilnamen mengden in de gemeentepolitiek. ‘Pseudonimisten’ noemt hij mensen als Vedder, die zich onder de schuilnaam Veritas (= Waarheid) vooral opwerpt als een expert op het gebied van architectuur en stadsplanning.
Al met al ontleende Rosenboom heel wat details in zijn boek aan de historische werkelijkheid. Ongetwijfeld heeft hij de foto’s van rond 1890 goed bestudeerd. Zo beschrijft hij bijvoorbeeld de Prins Hendrikkade: “Getergd liet Vedder zijn blik omlaag zakken en dichterbij glijden, over het stationsplein naar het nieuwe plantsoen schuin onder hem, aan de overkant van de kade. Er stond een limonadeloket, en een paar jaar geleden, kort na de aanplemping had de Dienst Publieke Werken er een borstbeeld van prins Hendrik geplaatst, met het gezicht naar het Y.”
Vele prominenten van omstreeks 1890 worden met hun eigen naam genoemd: burgemeester Van Tienhoven, spoorwegdirecteur Munzebrock, Concertgebouwdirigent Kes en de musici Dopper, Houbraken en Freyer, en niet te vergeten de populaire ‘knijp- en wrijfdokter’ Mezger. Zelfs de sjah van Perzië komt op bladzijde 220 aan bij het Amstel Hotel: dat deed hij inderdaad op 16 juni 1889. Maar ook belangrijker romanpersonages zijn min of meer aan de werkelijkheid ontleend.

Henkenhaf & Ebert B.V., Damrak 3
De architecten Henkenhaf & Ebert bijvoorbeeld hebben werkelijk bestaan. Uit het Amsterdamse bevolkingsregister én een geheel aan Henkenhaf gewijde Duitse internetsite valt zijn leven in hoofdlijnen te reconstrueren. Johann Friedrich Henkenhaf werd op 2 april 1848 geboren in het Duitse Grünwettersbach bij Karlsruhe. Dertig jaar oud vestigde hij zich als architect in Heidelberg. Daar ontmoette hij Friedrich Ebert, die hij tot zijn compagnon maakte. In februari 1882 verhuisde Henkenhaf naar Amsterdam. Nieuwebrugsteeg was daar zijn eerste adres; in november 1883 verhuisde hij naar Damrak 3. Ook in 1883 verwierf Henkenhaf, met Ebert, de opdracht voor de uitbreiding van hotel Krasnapolsky met de panden Warmoesstraat 175-178. Het jaar daarop werden Henkenhaf & Ebert aangezocht door de Maatschappij Zeebad Scheveningen voor de bouw van het prestigieuze Kurhaus aldaar, dat in 1885 openging. Van november 1886 tot februari 1888 woonde hij in Den Haag; in die periode (oktober 1887) trouwde hij in het Schotse Rafford met de 22-jarige Helene Innes Smith. In februari 1888 betrok het echtpaar het kleine oude huis Damrak 2; op nummer 3 was volgens een adresboek uit 1888 het architectenbureau Henkenhaf & Ebert gevestigd. Het plan om voor eigen rekening een hotel te bouwen en exploiteren had Henkenhaf al kort na zijn vestiging in Amsterdam opgevat. Op 2 februari 1883 had hij de N.V. Hotelonderneming Victoria Hôtel opgericht, met een maatschappelijk kapitaal van ƒ 500.000. In september 1888 onthulden de kranten dat Henkenhaf vijf huizen op het Damrak (1-5)en vijf op de Prins Hendrikkade (44-48) wilde aankopen en slopen voor de bouw van zijn hotel. Daarbij hoorden dus ook Henkenhafs eigen woning en kantoor: als Rosenboom dat geweten had, zou hij dit ironische feit zeker verwerkt hebben. In juni 1889, kort voor de sloop begon, verhuisde Henkenhaf met zijn vrouw en hun bijna tweejarige dochter naar Herengracht 24, waar in januari 1890 en maart 1891 nog twee zonen geboren zouden worden. In juni 1892 vertrok de familie naar Diemen, maar in oktober al verlieten de Henkenhafs Nederland voorgoed. Waarschijnlijk speelde daarbij twee onaangename ervaringen mee. Op 27 oktober 1889 stortte tijdens de bouw een gemetselde boog waarop een ijzeren legger rustte, in. Drie werklieden kwamen onder het puin en raakten zwaar gewond. Tegen Henkenhaf werd wegens nalatigheid twee dagen cel geëist, maar in het volgende voorjaar werd hij vrijgesproken. In februari het jaar daarop volgde een nieuwe tegenslag: een boze crediteur had het Victoria Hotel failliet laten verklaren, evenwel zonder goede gronden; in mei werd de hotelmaatschappij weer geheel gerehabiliteerd. Maar voor Henkenhaf was de lol er kennelijk af. Emile Kaufmann volgde hem op als directeur en hij vestigde zich als bouwmeester in Berlijn. Vier jaar later verhuisde hij naar Danzig. Daar overleed Henkenhaf op 8 juli 1908 tijdens een blindedarmoperatie.
En Ebert? De romanfiguur is een “slanke, rijzige gestalte”, in de ogen van Vedder een “jongeheer, die niet ouder dan dertig kon zijn”. In werkelijkheid was Friedrich Ebert in 1888 (toen de onderhandelingen van de hotelmaatschappij met de bewoners begonnen) 36 jaar. Dat is overigens maar een van de zeer weinige zaken die over hem bekend zijn. In de historische literatuur komt zijn naam alleen voor als associé van J.F. Henkenhaf. Uit het Amsterdamse bevolkingsregister is slechts af te leiden dat Friedrich Ebert, architect, geboren op 30 augustus 1852 te Ruchsen, rond 1884 werd ingeschreven op het adres Damrak 5, met de vermelding ‘reispas’. Hij was getrouwd met Caroline Grimm en ze hadden twee dochters, geboren in respectievelijk 1876 en 1880 in Heidelberg. In december 1886 werd Ebert ‘ambtshalve’ uitgeschreven uit het bevolkingsregister, wat betekent dat hij zonder bericht aan de gemeente was vertrokken. Uit de Architectuurgids Den Haag (1988) blijkt dat hij in dat jaar terugkeerde naar Heidelberg, waar hij ging samenwerken met Jacob Henkenhaf, de broer van Johann Friedrich. De historische Ebert verbleef in de periode waarin Rosenbooms verhaal speelt (1888-1890) dus helemaal niet in Amsterdam. Juist zijn onbekendheid maakte het Rosenboom mogelijk hem zo’n prominente bijrol in de roman te laten spelen.

P.A. Carstens, kleerenmaker
Ook de mededwarsliggende buurman van Walter Vedder kreeg van de schrijver zijn echte naam mee: kleermaker Carstens. In de roman lijkt hij een oude man, maar dat viel in werkelijkheid wel mee: Pieter August Carstens was in 1888 58 jaar. In 1858 had hij het lage pandje Prins Hendrikkade 47 gekocht voor ƒ 3105. Net als in de roman was Carstens getrouwd, maar of zijn vrouw ziek was, vermelden de bronnen niet. Historisch juist is ook Carstens’ verhuizing in december 1889: “Al de derde heidag kwam Carstens met verwilderde ogen de zaak in om afscheid te nemen.” Het kleermakersechtpaar verhuisde in werkelijkheid echter niet naar “een bescheiden etagewoning in de YY-buurt” oftewel de Pijp, maar naar Haarlemmerweg 19. En het was een tijdelijke vlucht: in april 1990 keerden zij terug naar de Prins Hendrikkade, waar ze nog drie jaar bleven wonen. Pieter Carstens overleed in 1916 in de Eerste Hugo de Grootstraat, zijn vrouw in 1918. Die feiten werden in 1966 al minutieus uitgezocht door Isa van Eeghen, redactrice van het Maandblad Amstelodamum.
Walter Vedder, De Amsterdamse hoofdpersoon van Publieke werken, is echter een fantasiefiguur. Want Carstens’ buurman van nummer 46 heette in werkelijkheid Jan Frederik Verburgt en was geen vioolbouwer maar slijter. Verburgt kocht zijn hoge smalle huis in 1883 voor het hoge bedrag van ƒ 14.000. Dat hij zijn huis weigerde te verkopen, staat vast. Hij overleed er en zijn erfgenamen verkochten het in 1916 aan een andere tapper, Johannes van den Ende. Diens (aangetrouwde) nazaten zijn nog steeds eigenaar van 46 en 47; in de voormalige kleermakerij op 47 verkocht de familie Van den Ende sigaren, na 1945 ook souvenirs en sinds de jaren zestig niet anders meer dan dat; nu wordt de Victoria Giftshop gedreven door huurder Anton Molenaar. Nummer 46 was tot 1985 verhuurd aan een caféhouder, die vooral taxichauffeurs als klanten had. Nu is de begane grond van ‘Vedders huis’ bij de souvenirshop getrokken en dienen de bovenverdiepingen voor opslag en kantoorruimte. De toeristen kwamen tot eind 1999 nog allemaal uitsluitend voor de windmills en de wooden shoes. Sindsdien is volgens Molenaar een bescheiden stroom van binnenlands literair toerisme opgekomen; om die enigszins te bedienen brengt de uitbater binnenkort ook een prentbriefkaart uit met een foto van het hotel anno 1900 gezien vanaf de Prins Hendrikkade.

Secuur doch vrijmoedig
Geregeld duiken in Publieke werken citaten op die vrijwel letterlijk uit kranten van die tijd zijn ontleend. Op bladzijde 475 bijvoorbeeld laat Rosenboom een van Vedders concurrenten als pseudonimist, Vitruvius, een week of wat voor de opening van het hotel een stuk publiceren waarin hij de aspiraties van het hotel bespot: ”Victoria Hotel heet welkom Baron van Münchhausen met gevolg, Graaf van Monte Christo, prinses de Trébizonde en kamenier, Sir Gulliver, Generaal Boem met adjudant.” Dat lijstje van beroemde fictie-figuren stond (zonder ondertekening), onder het kopje “Aan bovengenoemd hotel zijn gisteren afgestapt: …”, vrij letterlijk in het satirische blad Asmodée van 18 september 1890.
Illustratief voor hoe secuur en tegelijk vrijmoedig Rosenboom met zijn historisch materiaal omgaat, is zijn beschrijving hoe blij Vedder is als zijn benauwende wachten op een nieuw bod van de wederpartij “op 10 juni plotseling verbroken [wordt] door een krantenbericht in de Amsterdamsche Courant: de hotelmaatschappij Victoria had vijf huizen aan het Damrak en drie aan de Prins Hendrikkade aangekocht: met twee eigenaren gingen de besprekingen nog door.” Opgetogen rent Vedder naar zijn buurman van 45, die erkent ƒ 20.000 te hebben gekregen. Vedder is er nu van overtuigd dat er voor hem en collega-dwarsligger Carstens zeker veel méér in het vat zit. Inderdaad stond op 10 juni 1889 zo’n bericht in de genoemde krant. Het luidde: “Aan de Damrakzijde werden door de maatschappij vijf en aan de Prins Hendrikkade drie huizen aangekocht. De perceelen van den kleermaker Karsten en den slijter Verburgt werden wegens te hooge eischen niet gekocht en zullen vermoedelijk worden ingebouwd.” Dat Rosenboom die laatste zin veranderde, is begrijpelijk. Kennelijk waren de onderhandelingen in juni 1889 al definitief stukgelopen, maar uit roman-technisch oogpunt was het véél aantrekkelijker Vedder nog een jaartje tussen hoop en vrees te laten bungelen. In de roman helpt Ebert Vedder pas na Pinksteren 1890 uit zijn droom: “In dat geval moet u onze besprekingen als beeïndigd beschouwen. Wij bouwen om u heen.”
Onopgelost blijft de vraag naar het motief van de dwarse huiseigenaren. Waren zij inderdaad op geld uit, zoals Rosenboom suggereert, al dan niet voor een nobel doel? Of vroegen zij zo’n absurd hoog bedrag, omdat zij gewoon op die plek hun oude dag wilden slijten, hotel of geen hotel? Dat laatste is even goed mogelijk, maar zou vast niet zo’n meeslepende roman hebben opgeleverd.