Meer over Bureau Meijerplein, afl. 4: rond 1960 - Oom agent als opvoeder

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Juni 05, 2017    
203   0   0   0   0   0

Dokwerker zwartwitRond 1960 (vlak voor de 'anti-autoritaire revolutie' voluit losbarstte) werd de politie naast misdaadbestrijding ook en ordehandhaving ook een taak toegedicht bij de opvoeding der jeugd. Op verzoek van verontruste ouders wilden ook politiemensen van het Jonas Daniël Meijerplein best eens voor boeman spelen.

Dat blijkt allereerst uit dit verhaal van abonnee Gonda van Binsbergen-Holster (nu te Geldermalsen).

"Ik zal een jaar of zeven zijn geweest toen ik met een vriendinnetje uit school (Dr. Boekmanschool, Plantage Muidergracht 26) mee naar haar huis ging. Zij woonde op het Jonas Daniël Meijerplein. Onschuldig en naïef als ik toen was, ben ik vergeten dit thuis te melden.
In die tijd zorgde mijn elf jaar oudere zus voor mij omdat mijn moeder moest werken om zeven monden te vullen. Toen mijn moeder thuis kwam (wij woonden op het Hortusplantsoen 13 driehoog) en mijn zus inmiddels al een zoekactie was begonnen, was mijn moeder in alle staten. Hoe ze er achter zijn gekomen dat ik bij dat vriendinnetje was is mij altijd onduidelijk gebleven.
Maar in mijn herinnering staat gegrift dat mijn moeder bij mijn vriendinnetje aanbelde om mij op te halen. Ze was furieus zoals een echte Jordanese betaamt. Ik werd aan mijn arm meegesleurd over het J.D.Meijerplein
naar het politiebureau.
Daar aanbeland, mijn geschreeuw trotserend, vertelde zij de dienstdoende agent wat er was gebeurd en zei dat hij mij maar eens de waarheid moest vertellen. In die tijd hadden we nog groot ontzag voor meneer agent.
Deze diender vertelde mij inderdaad dat "ik dat nooit meer mocht doen": mijn moeder zo in onzekerheid laten. Ik was zeer onder de indruk!
En elke keer als ik een bezoekje breng aan de buurt waar ik ben opgegroeid zie ik mezelf aan de voorttrekkende arm van mij moeder richting politiebureau gaan, en komt er een glimlach op mijn gezicht.
Inmiddels 68 jaar oud en zelf drie kinderen en zes kleinkinderen verder kan ik me de gevoelens
en de schrik van mijn moeder zó goed voorstellen...
Ja, het politiebureau aan het Jonas Daniél Meijerplein, ik zal het nooit vergeten!"

 

De misdragingen van abonnee Ron de Loos, rond 1960 baldadige buurjongen van het politiebureau en later zelf politieman, gingen net iets verder. Al werd daar destijds zwaarder aan getild dan nu.

"Ik ben geboren op 8 januari 1954 in de Jodenbreestraat 68 tweehoog, toen het tweede huis westwaarts vanaf de Lazarussteeg. Die Lazarussteeg liep van de Jodenbreestraat naar het Waterlooplein, langs de zijkant van het politiebureau Jonas Daniël Meijerplein.
De herinneringen dateren uit de periode van 1959 tot en met 1965, het jaar dat wij verhuisden naar Amsterdam Overtoomseveld, omdat ons huis, net zoals het politiebureau, moest wijken voor de toegangsweg naar de IJtunnel.
Ik heb daar rond het Waterlooplein een heel fijne jeugd gehad, al was ons gezin erg arm. Mijn vader was in 1959 overleden. En toen bestond er nog geen AWW; dat kwam pas later. Mijn moeder moest het gezin met vijf kinderen onderhouden met een bijstandsuitkering.
Ik zie het politiebureau nog precies voor me. Om het gebouw binnen te komen moest je een stuk of treden op en dan kwam je in een hal. Rechtdoor ging er een trap naar boven. Wat er boven was kan ik mij niet herinneren; waarschijnlijk de kamer van de commissaris of andere hogere dienders. Rechts in de hal was een deur die naar de balie van de wachtcommandant (met de rang van brigadier) leidde. Iedereen die het bureau binnen wilde moest altijd langs de wachtcommandant.
Ook aan de linkerkant van de hal was een deur en die leidde naar de wachtkamer van de agenten. Hier zaten de dienders hun kop koffie te drinken en hun boterham te eten. Er werd ook veel gekaart. Als je deze ruimte binnenkwam was er aan de achterzijde, precies in het midden, een grote kolenkachel. Rechts van de kachel stond de zitbank voor de aangehouden mensen. Links van de kachel stond een groot aquarium. Rechts naast de zitbank was een deur en die leidde naar de kelder, waar de cellen waren. Tevens leidde deze deur naar de achterzijde van het gebouw met een poortje in de Lazarussteeg.
In mijn jeugd voetbalden wij bijna dagelijks op het Jonas Daniel Meijerplein. Daar was De Dokwerker één doelpaal en een hoopje kleding de andere. Het plein was eigenlijk een van de weinige plekken waar je als jeugd kon voetballen. Ik heb hier heel wat uren doorgebracht, maar er waren ook agenten die vonden dat wij de Dokwerker niet als doelpaal hoorden te gebruiken en dan werd onze bal weer afgepakt. Soms waren snel genoeg om onze bal te redden, maar dan weer niet zo snel dat wij onze klerenstapeltje dat als doelpaal diende konden meenemen. Dan ging je op hangende pootjes naar het bureau om je kleiding op te halen. Deed je dat niet dan wist je zeker dat je thuis op je donder kreeg, want kleren waren duur.
Regelmatig werd ik in mijn kraag gevat en meegenomen naar het bureau. Daar kreeg ik dan een toespraak te horen van de wachtcommandant en werd ik tijdelijk gestald op de houten bank in de wachtkamer, tot mijn moeder me kwam halen en ook zij weer een toespraak kreeg.
Omdat ik nogal opviel met mijn fel rode haar (mijn naam was dan ook altijd Rooie Ronnie) en de dienders mij altijd overal tussenuit konden halen, heb ik heel wat uren doorgebracht op die beruchte bank. Mijn moeder was niet snel geneigd om mij weer op te halen, want ze vond het op een politiebureau zitten, meer straf dan wat ze thuis kon geven. Daarbij kwam nog dat mijn moeder het nogal gênant vond om haar kleine Ronnie weer eens van het bureau af te halen.
Aan de andere kant was het ook wel weer leuk, want van de dienders kreeg je vaak snoep, koekjes of een kop thee. Ze vonden blijkbar niet dat wij een halsmisdrijf hadden gepleegd.
In mijn zeer jonge jaren ging ik vaak met vriendjes naar de voetbalwedstrijden van DWS of Blauw Wit in het Olympisch stadion. Het was de sport om met één kaartje van het seizoen het hele jaar binnen te komen. Of proberen om binnen te glippen, zonder dat de supoosten je te pakken kreeg. Ik heb op deze wijze heel veel wedstrijden gezien zonder dat ik hiervoor heb betaald. Maar waren soms ook die suppoosten waren die hun taak wel erg serieus namen, je bij je kladden grepen en je dan uiteindelijk overleverden aan de politie. In eerste instantie werd je dan naar het politiebureau Overtoom 449 gebracht en daar werd je moeder dan gewaarschuwd dat ze je kon ophalen. Omdat we thuis met vijf kinderen waren weigerde mijn moeder mij af te halen en uiteindelijk werd ik dan met de tram onder begeleiding van een politieagent of met een auto (was heel bijzonder) overgebracht naar het bureau aan het Jonas Daniel Meijerplein; daar wilde mijn moeder mij wel afhalen. Ik kan mij herinneren dat ik wel eens thuis ben gebracht en hoorde dat de agent sussend tegen mijn moeder zei het gewoon kwajongensstreken: zo het stadion inglippen. Dien man kon de humor hier wel van inzien.
Na de kerst verzamelden we in de buurt altijd zo veel mogelijk kerstbomen verzamelen om die met Oud en Nieuw in de fik te steken. We bewaarden die bomen op het dak van een laag huis in de Lazarussteeg -- recht tegenover het politiebureau! Het was de sport om de bomen ongezien op het dakje te krijgen en er was een heel netwerk van uitkijkers bedacht om oom agent te misleiden. Maar als ze uit het raam van het bureau hadden gekeken, hadden ze waarschijnlijk de bomen zo kunnen zien liggen.
In die tijd stonden er vele huizen leeg en was het de bedoeling dat deze zouden worden afgebroken. Nu hadden wij op het Waterlooplein een paar grote dozen met ponskaarten gevonden. Wat kan je daar nu als kind mee doen? Zou 'sneeuw' leuk zijn? Zo gezegd zo gedaan. De dozen met kaarten meegenomen naar een van de sloophuizen en de dozen meegesleurd naar het dak. Vanaf het dak hebben we deze duizenden ponskaarten als sneeuw door de lucht gegooid. Het gevolg was dat de hele straat en omgeving bezaaid lag met deze kaarten. Oom agent was snel in de buurt en dan ging het erom uit zijn handen te blijven. In dit geval was het mij niet gelukt, hetgeen ook niet zo vreemd was mijn opvallende peentjesrode haar. Ditmaal werd ik overgedragen aan de kinderpolitie op de Overtoom 43-45 en werd gevonnist op een woensdagmiddag strafwerk te maken hoofdbureau van politie. Dat was een in soort collegezaal op de vierde etage aan de zijde van de Elandsgracht. Ik ben daar wel vaker geweest voor het uitzitten van mijn 'straf'.
Dat er vele dienders waren die mij en mijn familie kenden was niet zo vreemd. Arrestanten moeten ook eten en dat eten werd klaargemaakt door een vaste dame die naast ons woonde. Maar als zij (mevrouw Abels) eens verhinderd was, diende mijn moeder een soort achtervang. Dan werd er om zeven uur 's ochtends aangebeld en werd er geroepen dat ze bijvoorbeeld vier ontbijten moesten hebben. Mijn moeder maakte die dan klaar en dan werd een van de kinderen met het brood naar het politiebureau gestuurd. Dat gebeurde dan ook voor de lunch en voor het warm eten in de avond. Op deze wijze kenden vele dienders mij en mijn broers en zusters, mede omdat we alle vijf peentjesrood haar hadden.
Later toen ik zelf 17 jaar oud was heb ik gesolliciteerd bij de politie en ben in oktober 1971 naar de politieschool gegaan. Daar heb ik ook mijn vrouw leren kennen (we zijn nu al 43 jaar getrouwd) en de eerste keer dat ik haar halverwege de jaren zeventig ging ophalen van het politiebureau Overtoom, zat daar een oudere brigadier wachtcommandant en toen deze man mij zag, riep die gelijk: "Héé, daar heb je Rooie Ronnie!" Het bleek dat deze brigadier (wij noemden hem Pappie Blankman en hij was toen al zeker 50 jaar oud) een oud-diender van het Jonas Daniel Meijerplein was en hij mij herkende van al het kattenkwaad wat ik had uitgespookt.
Kort na 1980 werd ik rechercheur en kwam te werken bij de Jeugdpolitie (later Jeugd- en zedenpolitie). Op de zolder van het politiebureau aan de Overtoom 43-45 lagen honderden dozen met oude processen verbaal en met rapporten. Ik heb daar wel eens gezocht en kwam rapporten tegen die over mij of over mijn broers en zusters gingen. Ik heb deze toen met heel veel plezier gelezen en kwam erachter dat wat ik allemaal had uitgespookt naar hedendaagse begrippen eigenlijk helemaal niet zo erg was..., maar wel in de sfeer van rond 1960, toen de normen toch wel anders waren."

Powered by JReviews