Bureau J.D. Meijerplein, afl. 2: inspecteur Voordewind vertelt (1910-1911)

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Juni 02, 2017    
212   0   0   0   0   0

JDM Olie 1902Nóg een toegift op ons artikel (OA juni 2017) over een eeuw politiebureau Jonas Daniël Meijerplein, dat 50 jaar geleden werd gesloopt.
Dit keer een getuigenis van een dikke eeuw geleden, opgetekend door Hendrik Voordewind in zijn bestseller De commissaris vertelt uit 1949.

 

Op 16 mei 1910 begon de 22-jarige Hendrik Voordewind als kersvers inspecteur op dit bureau.

“ Zo werd ik dus, als inspecteur 3de klas, gestoken in de keurige uniform van destijds, wat men noemt ‘ losgelaten’ op het Joodse deel van de Amsterdamse bevolking, topzwaar van de ingestampte kennis van wetten, verordeningen en voorschriften. Wat ik in de practijk zou heben aan al die ballast, speciaal daar in de Jodenhoek, zou mij al gauw duidelijk worden: een bedroevend beetje. Met grote waardering denk ik dan ook terug aan de wijze lessen van brigadier Haak, ’n evenwichtig, klam en bezadigd politieman, die door zijn persoon en optreden groot gezag genoot bij de Joodse bevolking en die dan ook zelden zijn toevlucht tot geweld hoefde te nemen. Deze brigadier, die bij mijn entree op het bureau J.D. Meyerplein daar al jaren als wachtcommandant dienst had gedaan, onderwees mij hoe een politieman in de practijk, op straat zowel als voor de balie, moest omspringen met dit luidruchtige volsje van kleine broodvechters, dat zo lastig scheen, maar in werkelijkheid heel goedbereid was zich naar het stedelijk gezag te voegen, mits de dragers daarvan maar de juiste toon wisten te greffen. Met de politie `elf lagen de bewoners van ’t Meyerplein en omgeving trouwens maar zelden overhoop. Het waren in de regel de onderlinge geschillen die oorzak waren dat de politie zich met hen ging bemoeien. Want al kan ’t Joodse gezinsleven aan ieder tot voorbeeld worden gesteld (het ouderlijk gezag staat zeer hoog in aanzien, zoals ik heb ervaren), er bestonden felle familieveten. En wanneer de diverse partijen het weer eens met elkaar aan de stok hadden en slaags waren geraakt, dan was het brigadier Haak maar al te goed toevertrouwd de gemoederen weer tot kalmte te brengen en de orde te herstellen. (…)

Mijn nieuwe werkterrein verschilde dus wel hemelsbreed met dat waar ik tijdens mijn opleiding dienst had gedaan (bureau Leidseplein – red.). Niet alleen was het stadsbeeld heel anders, maar ook het publiek dat aan deze beide bureaus verscheen liep zeer uiteen, evenals de zaken die daar aanhangig werden gemaakt.

Aan het bureau Meyerplein bijv. konden de rechercheurs het werk in den regel wel af. In deze, voor het grootste deel armoedige wijk was weinig te halen en grote inbraken kwamen er zelden voor, terwijl in het ressort van mijn eerste bureau inbrekers geregeld hun slag sloegen, hetzij in de villawijk achter het Rijksmuseum of in de deftige, tot kantoor of magazijn ingerichte huizen op de grachten. Het ‘geloop aan de balie’ daarentegen was aan dit bureau heel wat minder druk dan aan het Meyerplein.
Maar het bureau was ook wel eens iets anders dan centrum voor dikwijls onontwarbare kwesties en familieveten. Om de haverklap moest bijv. de Gemeeskundige Dienst worden gerequireerd als (vooral op hete zomerdagen) bezoekers of vensters het in het drukke marktgewoel te kwaad hadden gekregen en dan half of helemaal bewusteloos het bureau werden binnen gesjouwd.” 

Powered by JReviews