De Hollandsche Schouwburg

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Mei 05, 2017    
890   0   0   0   0   0

Een jubileum met een wrange smaak

AUTEUR: Henk van Gelder

[Ons Amsterdam mei 1992]Holl Schouwb affiche

Normaliter is een 100ste verjaardag reden voor een feest. Maar voor de Hollandsche Schouwburg in de Plantage Middenlaan gaat dit niet op. Na een 50-jarig bestaan als theater werd het gebouw in 1942 van de ene op de andere dag een doorgangshuis voor joden op weg naar de vernietiging.

Het was enkele ondernemende Amsterdammers al lang een doorn in het oog hoe de Hollandsche Schouwburg er de laatste jaren bijstond. Troosteloos en verveloos, een herdenkingsplaats die nog vaak werd bezocht, maar waar al jarenlang niets meer aan gedaan was. Voor jongeren die de geschiedenis van deze plek niet of nauwelijks kennen, is het onduidelijk wat zich hier heeft afgespeeld. Het werd tijd voor een ingrijpende opknapbeurt en een permanente expositie over de bewogen historie van het gebouw. Niemand stond er aanvankelijk bij stil dat de plannen hun verwezenlijking zouden vinden in een bijzonder jaar: 100 jaar geleden werd de Hollandsche Schouwburg geopend, 50 jaar geleden begonnen er de jodendeportaties. Maar nu het allemaal blijkt samen te vallen, is het alsof het zo heeft moeten zijn.

Er zullen in Amsterdam weinig gebouwen zijn die zulke schril contrasterende functies hebben gehad als deze schouwburg, waarvan behalve het voorgebouw alleen nog de muren van de zaal overeind staan. Het is, in het licht van de latere geschiedenis, lastig onbekommerd over de eerste helft van zijn bestaan te schrijven. Zelfs de openingsdatum, 100 jaar geleden willekeurig gekozen, heeft een omineuze bijklank: 5 mei 1892. Toch was dat uiteraard een feestelijk moment. De erfgenamen van dr. G.F. Westerman, oprichter en eerste directeur van Artis, hadden het gebouw geschonken aan de Amsterdamse toneelwereld in de legendarische persoon van Louis Bouwmeester. Bouwmeester zag er echter vanaf en deed de zaak over aan de operette-artiesten A.C. Kreeft en J.M.J. Buderman. Onder de oorspronkelijke naam Artis Schouwburg schaarde die zich in de rij van populaire operette- en variététheaters die de 19de-eeuwste Plantage tot een zwierige lustwarande voor uitgaand Amsterdam maakte.

Hechte band tussen bevolking en theater
Pas na enkele jaren kreeg het theater, in 1894 omgedoopt tot Hollandsche Schouwburg, de specifieke functie die door Abel Herzberg later met zoveel warmte is beschreven: "Een trekpleister, een stuk opvoeding, een beetje huiselijk discussiemateriaal, meer en vooral intiemer dan bijvoorbeeld de Stadsschouwburg aan het Leidseplein. Dat was meer een tempel. Je trok je beste plunje aan, als je erheen ging. Je zag er Kunst met een grote K en je trok het passende of passend geachte gezicht. Jij, Hollandsche Schouwburg, pretendeerde dat ook wel, maar in ons gevoelen bleef je toch meer het verlengde, het prettig verlengde, van onze dagelijkse dag." Even teer en gevoelig waren de herinneringen van Mary Dorna aan haar moeder, opgedoft om naar de schouwburg te gaan "in een knisterende zijden japon met witte jabot, het glanzende haar joyeus in een kuif boven haar stralend gezicht (...)".
Die hechte band tussen bevolking en theater was vooral te danken een Herman Heijermans, die er vanaf de eeuwwisseling met zijn Toneelvereeniging (en met sterren als Eshter de Boer-van Rijk en Louis de Vries) zijn intrek nam. Bijna alle grote Heijermans-successen gingen in de Hollandsche Schouwburg in première: ' Ghetto' (1899), 'Op Hoop van zegen' (1900), 'Schakels' (1903) en 'Uitkomst' (1907). Enfin, het werd een gewoonte dat de geliefde schrijver elke avond voor kerst met een nieuw stuk kwam. En als de loop er gedurende het jaar een beetje uit raakte, werd 'Op hoop van Zegen' weer in het repertoire gezet. Heijermans en de Hollansche Schouwburg, ze vormden in die eerste decennia van deze eeuw een onlosmakelijk geheel. Ook toen de onzakelijke schrijver niet langer in staat was er zelf een toneelgezelschap op na te houden – het gezelschap en de schouwburg werden overgenomen door acteur Louis de Vries, die zijn goede vriend Heijermans graag alle ruimte bleef bieden.
Na de dood van Heijermans, in 1924, was het alsof de schouwburg meetreurde. Gaandeweg verplaatste uit uitgaansleven zich naar Rembrandt- en Leidseplein, de Plantage achterlatend als een minder courant deel van de stad. Er was nog wel van alles te doen, maar de gloriejaren waren voorbij. Het kostte De Vries steeds meer moeite succesvolle voorstellingen te vinden voor zijn toneeltje aan de Plantage Middenlaan. Hij stief in 1939, valk voor het grote onheil. De exploitatie werd overgenomen door zijn eveneens acterende zoon Sam. Die kreeg niet meer de kans de langzame verpietering te stoppen.

"Wij stommelingen zijn daarin getrapt"
Toen kwam de oorlog en stond de Hollandsche Schouwburg plotseling midden in het 'Judenviertel'. Alles wat in Duitse ogen 'arisch' was moest eruit worden verwijderd. Alles wat het brandmerk 'joodsch' kreeg, werd erin samengepropt: de emigrantencabarets van Willy Rosen en Rudolf Nelson, en de nieuwe ensembles van joodse acteurs en musici, die elders niet meer mochten werken. Op kosten van de joodse vatenfabrikant B. van Leer, die bij zijn vertrek naar een veilig buitenland enkele tonnen achterliet voor joods-culturele activiteiten, werden er concerten gehouden, toneelstukken opgevoerd, operette geënsceneerd, revues en cabaretvoorstellingen opgevoerd.
Met de moed der wanhoop en de illusie dat het artistieke leven gewoon kon doorgaan, dromden honderden kunstenaars en duizenden bezoekers samen in het gebouw dat nu Joodsche Schouwburg moest heten. Ongeduldig keken te telkens uit naar de recensie in Het Joodsche Weekblak, het enige blad dat er over mocht schrijven. Voor de buitenwereld waren ze al lang 'ausradiert', maar binnen de eigen kring leek het allemaal nog net echt. "En wij, wij stommelingen, zijn daarin getrapt!" schreef Heintje Davids, verantwoordelijk voor de kleinkunstafdeling, nadien. "Op 't laatst waren wij op die isolatie helemaal ingesteld."
Het duurde al met al slechts een jaar. Abrupt, op zondagmiddag 19 juli 1942, kwamen de heren van de Zentralausstelle Auswanderung tijdens een toneelvoorstelling meedelen dat het afgelopen was. De schouwburg zou vanaf de volgende dag in beslag genomen worden als doorgangshuis voor joden die op transport werden gesteld. Al na een paar dagen kwam de eerste groep vernederden, bepakt en bezakt voor de onzekere reis. "Zij keken wat verwezen wanneer zij de nog lege zaal betraden met op de achtergrond het geheel leeg geruimde toneel," aldus Heintje Davids. "En dan zetten zij zich gelaten neer op de aangewezen plaatsen, in de stalles, in het parket, de parterre of op het balcon."

Cabaret in het voorportaal van de hel
Mary Dorna, Jacques Presser en Abel Herzberg hebben over de schouwburg als voorportaal van de hel datgene geschreven wat erover geschreven moest worden. Leo van der Kar publiceerde gedetailleerd zijn herinneringen aan het joodse verzet binnen de schouwburg en de joodse kinderen in de crèche aan de overkant, die heimelijk en met levensgevaar in veilige handen werden overgebracht. Ik zou hun werk onrecht doen als ik trachtte het hier samen te vatten. Tot de gedeporteerden hoorde ook Sam de Vries; hij kwam, zoals zovelen met hem, in 1943 in Sobibor om het leven. Een platvloers gevolg daarvan was dat de bank geen hypotheekaflossingen meet ontving en omkeek naar een koper. In 1944 werd het gebouw als onroerend goed door de Nationale Hypotheekbank verkocht aan een worstfabrikant te Deventer.
Onmiddellijk na de bevrijding liet die man de naam Piccadilly-theater aan de gevel spijkeren en het verloederde interieur herstellen. "Wanneer wij de hall betreden," rapporteerde een verslaggever van het Algemeen Handelsblad op 11 december 1945, "treffen vroolijke wandschilderingen ons oog. Een foyer is ingericht met een bar; aan den een kant is een clown geschilderd; van rechts grijnst een negerinnen-kop u toe."
De eerste krantenberichten over operettes en cabaretvoorstellingen in de voormalige Hollandsche Schouwburg brachten hartstochtelijke protesten teweeg. De gemeente keurde terugkeer van amusement op deze verdrietige plek van harte af, maar kon niets doen – hooguit konden sommige voorstellingen, uit vrees voor ongeregeldheden, worden verboden. Er moest een erecomité, met prins Bernard in zijn gelederen, aan te pas komen om de deuren van het Piccadilly-theater te sluiten. Men zamelde drie ton in, kocht het gebouw van de worstfabrikant en schonk het aan de gemeente.

Ter herinnering
De overdracht vond plaats in 1947. Wat daarop volgde was een lijdensweg die vijftien jaar heeft geduurd. De gemeente wist geen bestemming te bedenken, de politiek bleef redetwisten. En intussen viel het leegstaande gebouw ten prooi aan jeugdige vernielzuchtigen. 'straatjeugd sloopt de Hollandsche Schouwburg," meldde een krant in 1952. Pas in 1962 kreeg het wegrottende pand, na periodiek oplaaiende meningsverschillen, verhitte debatten en een beschamende besluiteloosheid, een bestemming als herdenkingsplaats. Om affaires als die uit de Picadilly-periode onmogelijk te maken werd het dak gesloopt en de resten van het zaalinterieur verwijderd. Op de plaats van het vroegere toneel verrees een obelisk, op een voet in de vorm van een Davidster. "Ter herinnering aan hen die van deze plaats werden weggevoerd," staat er. Aanvankelijk sprak de tekst over "gevallen joodse landgenoten", een eufemisme dat de woede van Parool-chroniqueur Henri Knap opriep en dat uiteindelijk – onderschreven door 1000 adhesiebetuigingen – plaats moest maken voor de huidige tekst. Die is de afgelopen 30 jaar gelezen door duizenden bezoekers uit binnen- en buitenland.
Binnen het gemeentelijk apparaat was de positie van het voormalige theater veel minder duidelijk. Jarenlang werd het beheerd door de Dienst Begraafplaatsen. Een paar jaar geleden kwam het gebouw in beheer bij het Amsterdams Historisch Museum, waar de toenmalige interim-directeur Norbert van de Berg een discussie op gang bracht over de toekomst van "de meest reële joodse herdenkingsplaats van Nederland". Onder zijn voorzitterschap is de Hollandsche Schouwburg ingebracht in een nieuwe stichting.
De eerste concrete maatregelen is een drastische opknapbeurt, uitgevoerd door het Grondbedrijf, waaraan dezer dagen de laatste hand is gelegd. Dit najaar moet op de eerste verdieping het voorgebouw, in samenwerking met het Joods Historisch Museum, een permanente expositie over de historie van het gebouw worden ingericht. Op tweehoog zijn educatieve functies voorzien.
Er moet een verhaal vol schrijnende tegenstellingen worden verteld, beaamt Van den Berg. "Het is een typisch Amsterdamse plek, een plek waar eerst is gelachen en daarna heel veel geleden. Dat is tot dusver niet voldoende duidelijk gemaakt."

Powered by JReviews