Het Amsterdam van Piet Bakker: geestelijk vader van Ciske de Rat Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     November 25, 2016    
1434   0   0   0   0   0

Dossiers

Ciske de Rat boekomslagTEKST: Oege van der Wal

Iedereen kent hem wel, Ciske Vrijmoeth, bijgenaamd ‘de Rat’. Is het niet uit het boek, dan toch zeker van een van de verfilmingen. Geestelijke vader Piet Bakker creëerde met Ciske een dierbaar Amsterdams schoffie. Daarbij maakte hij dankbaar gebruik van eigen jeugdherinneringen uit de Pijp en zijn ervaringen als onderwijzer en verslaggever.

 

 

 

 

Piet BakkerHet leven hangt van toevalligheden aan elkaar. De man die in de hongerwinter bij mijn ouders in Stompetoren aanklopte op zoek naar voedsel en toen ontdekte dat hij mijn moeder verschillende malen had ontmoet bij socialistische geestverwanten in Amsterdam-Noord, ontpopte zich na de bevrijding als personeelschef van NV De Arbeiderspers, uitgeefster van Het Vrije Volk. Dat dagblad had jonge, beginnende journalisten nodig, die – ver voor de Journalistiek – binnen het eigen bedrijf werden opgeleid. Ik behoorde, dankzij de bevriende personeelschef, tot de uitverkorenen.

De man die mij in het nu legendarische gebouw op het Hekelveld vaderlijk aan de tand voelde, heette Bakker. Pas later drong het tot me door dat deze grote, zware man met zijn karakteristieke kin Piet Bakker was, de sterverslaggever van het vooroorlogse dagblad Het Volk. Van het gesprek is me weinig bijgebleven. Wel herinner ik me dat hij, toen hij mijn naam hoorde, misprijzend zei: “Heet jij Oege? Wat een rotnaam.” Later ontdekte ik dat hij voluit Pieter Oege Bakker heette. Zijn moeder was een Friezin, hij hield van Friesland en ging er vaak zeilen. Maar onze gemeenschappelijke voornaam beviel hem niet en hij was geen man die een blad voor zijn mond nam.

Verslaggever pur sang

Mijn persoonlijke herinneringen aan Piet Bakker zijn schaars. Nadat ik begin juni 1945 in dienst trad bij het Vrije Volk, leidde hij korte tijd het clubje leerling-journalisten. Op een gegeven moment liep hij, niet zonder trots, in het uniform van marineofficier over de redactie. Hij reisde, aan boord van een oorlogsbodem, naar het toenmalige Nederlands-Indië om zijn boek De Slag (1951) over de slag in de Javazee voor te bereiden. Daarmee verdween hij uit mijn gezichtsveld, totdat ik hem om raad ging vragen. Hij werkte toen al op de redactie van Elseviers Weekblad, waarvoor hij met een aantal anderen in de oorlog de grondslag had gelegd. Mijn probleem werd snel opgelost. Een krant in Alkmaar had me gevraagd daar te komen werken en ik wist niet goed wat ik doen moest. “Natuurlijk moet je niet bij een provinciale krant gaan werken,” zei Bakker. “Een landelijke krant biedt veel meer mogelijkheden. Maar je moet je bazen op het Hekelveld wel laten weten dat je gevraagd bent, dat kan nooit kwaad.” Hij had gelijk.

Daarna kwam ik Piet Bakker alleen nog tegen in zijn werk: de artikelen in Elseviers Weekblad, die ik af en toe onder ogen kreeg, en de boeken die ik van hem las: Achter de mast (1936), Jeugd in de Pijp (1946) en Zo was het (1961). Vooral dat laatste boekje, vol journalistieke herinneringen, die hij kort voor zijn plotselinge dood in 1960 opschreef, was me aan het hart gebakken. In Zo was het overbrugt Bakker lichtvoetig en met veel gevoel voor humor de periode 1920-1960, waarin hij zich ontwikkelde van onderbetaald onderwijzertje in de Haarlemmermeer (door hem steevast Haarlemmerminder genoemd) via corrector bij De Telegraaf en later Het Volk tot een van de bekendste journalisten van Nederland. Een verslaggever pur sang, een gedegen journalist van de oude stempel met open ogen en een gevoelige pen. Hij reisde de wereld rond en kwam thuis met grote reportages, later gebundeld in De grote reportage, zoals zijn meeste boeken een uitgave van Elsevier.

Jeugd in de Pijp was een feest

Piet Bakker was een Amsterdammer in hart en nieren, die in Rotterdam werd geboren, zoals Simon Carmiggelt een ‘echte’ Amsterdammer was die in Den Haag het levenslicht zag. Bakker, geboren op 10 augustus 1897, verhuisde op negenjarige leeftijd naar de Van Ostadestraat in de Pijp. De eerste maanden woonden de Bakkers op nummer 171, in augustus 1906 verhuisden ze naar 154, driehoog achter. Daar trachtte het gezin Bakker onder armelijke omstandigheden het hoofd boven water te houden. Piet werd voor ‘boertje’ uitgescholden, “want ik kon niet vloeiend zeggen: Jen, kraag de keleire. Uit schaamte heb ik mij ijlings het onmisbare sjibbeloth verworven, hetgeen mij weinig moeite kostte, daar ik als kind gevoelig bleek voor de gulle dartelheid der hoofdstedelijke sprake. (…) Zo werd ik in prijzenswaardig korte tijd en Amsterdams schoffie honoris causa.” Elders noemt Bakker zich “een hevig levende rioolterriër”, die “in de modder van de Pijp gedijde gelijk een boterbloem op een mestvaalt”.

Al komt de Pijp volgens Bakker het “summa cum laude voor karakterloze volkswoningbouw” toe, zijn jeugd in de buurt was een feest. De knokpartijen met zijn vriendjes van de ‘luizenschool’ in de Van Ostadestraat tegen de ‘kale-netenscholen’ in de Ferdinand Bolstraat, de verkeerd gemikte voetballen, die speld in het achterwerk van poppenspeler Cabbalt en de vele gestookte fikkies compenseerde hij op zondagavond met vroom gezang bij de Christelijke knapenvereniging – tot hij daar werd afgetrapt. “In het voormalige lokaal van ‘Geloof, Hoop en Liefde’ op den hoek van de Dusartstraat en de Cornelis Trooststraat, is sinds jaar en dag een buurtkroegje gevestigd. Ik heb er nooit een biertje gepakt.”

Volksopvoeder op school en bij de krant

Piet kreeg, ondanks de moeilijke omstandigheden, de kans om naar de Normaalschool te gaan, “om mij te bekwamen voor het verantwoordelijke ambt van volksopvoeder”. Bakkers onderwijzersloopbaan was kort (1917-1919) en eindigde op een late zondagavond in de Amsterdamse binnenstad toen hij Henk Eikeboom tegenkwam, “corrector aan De Telegraaf en anarchist. Blonde beesten hebben hem in Dachau vermoord.” Bakker verdiende als onderwijzer nog geen 60 gulden per maand, bij de krant werd hem 130 geboden. De rol van volksopvoeder zat hem toch in zijn bloed, zoals bleek nadat hij in 1921 als verslaggever was aangenomen bij Het Volk. Aan die krant was hij verknocht. Maar in augustus 1940 keerde hij het gebouw op het Hekelveld voor de rest van de oorlog de rug toe; aanleiding was het ontslag van zijn joodse collega’s.

In de oorlog schreef Bakker zijn succesboeken Ciske de Rat, Ciske groeit op en Ciske de man. Het eerste deel verscheen in 1942 bij Elsevier, gedrukt op clandestien verkregen papier. “Van dit eerste deel heb ik goeddeels kunnen leven,” schrijft Bakker in Zo was het. Het werd onder de toonbank verkocht steeds herdrukt. Voor het tweede deel kreeg de uitgever geen toestemming, maar het verscheen wel in Denemarken. Het honorarium werd gedeeltelijk uitbetaald in knäckebröd en Deense kaas. Na de oorlog zetten de Ciske-boeken hun zegetocht voort. De boeken werden zelfs twee of eigenlijk drie keer verfilmd. In 1955 maakte Wolfgang Staudte zowel ‘Ciske de Rat’ (met Kees Brusse als onderwijzer en Dick van der Velde als Ciske) en ‘Ciske – Ein Kind braucht Liebe’, met een geheel Duitse cast. In 1984 regisseerde Guido Pieters de welbekende film met Danny de Munk in de titelrol.

Ruwe bolster, blanke pit

Ciske de Rat, officieel Franciscus Aloysius Gerardus Vrijmoeth, is al meer dan eens in aanraking geweest met politie en kinderrechter, als hij wordt overgeplaatst naar een andere school in zijn Amsterdamse buurt “met trieste, gelijkvormige huurkazernes”. Daar komt hij inde klas bij de ik-figuur, meester Bruis, die ontdekt dat Ciskes ‘wangedrag’ is uitgelokt door de treiterijen van zijn ontaarde moeder. In zijn ruwe bolster schuilt een blanke pit. Juist als hij zich in de klas populair heeft gemaakt, slaat het noodlot toe: tot het uiterste getergd, gooit Ciske zijn moeder een mes naar het hoofd… raak! In deel twee wordt Ciskes tuchtschoolleed beschreven, maar in deel drie komt alles weer goed: Cis toont in mei 1940 zijn heldenmoed op de Grebbeberg en trouwt eindelijk zijn oliedomme, maar o zo goedhartige schoolvriendin Betje van Gemert.

In de filmversie van 1955 staat het huis van Ciskes moeder in een Jordaanachtig decor; Pieters filmde in 1984 in de toen nog niet gerenoveerde Czaar Peterbuurt. In het boek zelf blijft vaag waar Ciske woont, al laat Bakker ‘de Rat’ halverwege het eerste boek een ruit ingooien bij een politieposthuis in de Davisstraat. Een straat van die naam ligt in Oud-West, bij de Postjesweg. Maar de sfeer lijkt sterker op die van Bakkers eigen Pijp. Hij zal er ook wel wat van zijn eigen ervaringen als onderwijzer in hebben verwerkt. Daarnaast heeft hij duidelijk leentjebuur gespeeld bij de ‘onderwijzersromans’ van de door hem bewonderde Theo Thijssen. Zijn kennis van de jeugdrechtspraak, kinderbescherming en voogdij deed hij waarschijnlijk als verslaggever op. Hij moest er niet veel van hebben, zoals ook blijkt uit Jeugd in de Pijp. Tegenwoordig, schreef hij daar, krijgen baldadige jongens wat al te snel de vereniging Pro Juventute of de psychiater zoniet de kinderrechter op hun dak, terwijl de zaak veel beter met een huiselijk pak rammel had kunnen worden afgerond. “Want bij een jongen knaagt het geweten vaak schrijnender aan de billen dan aan het hart.”

Geen literatuur

Piet Bakker werd niet ijdel door al zijn succes, vertelde zijn weduwe in 1984 aan Igor Cornelissen van Vrij Nederland. “Hij wist heel goed dat hij lectuur schreef en geen literatuur. Maar hij wist als onderwijzer en als journalist ook dat veel mensen met lectuur beginnen en daarna gaan lezen.” Zoon Look Bakker voegde daar aan toe dat zijn vader niet onder de indruk was van alle herdrukken en vertalingen. Hij moest verschrikkelijk lachen toen Look hem vertelde dat een leerling van zijn school de leraar had gevraagd of hij Ciske de rat op zijn literatuurlijst mocht zeggen. “Jawel,” had de leraar gezegd, “als de rest van je lijst dan maar goed is.” Bakkers overstap van Het Vrije Volk naar het conservatieve Elseviers Weekblad werd hem door zijn vroegere collega’s nooit vergeven. Maar politiek in ergere zin had Bakker nooit erg geboeid en de naoorlogse Partij van de Arbeid kon hem niet bekoren. Hij was een gevoelssocialist, schreef hij in zijn herinneringen. Er werd hem in zijn leven meer kwalijk genomen. In de oorlog, zo vertelt hij in Zo was het, lag Ciske de Rat in de etalage van de NSB-boekwinkel in de Kalverstraat. Max Blokzijl, die met zijn radiopraatjes propaganda maakte voor de nationaal-socialsten, preest het boek in alle toonaarden, al had Bakker geweigerd lid te worden van de Kulturkammer. Ten onrechte dachten mensen dat de gevierde auteur in de oorlog niet brandschoon was geweest. De naoorlogse reportages van Bakker over Nederlands-Indië werden hem vervolgens door progressieve kringen in Nederland niet in dank afgenomen. “Ik schreef wat ik zag in Indië, en kreeg dus de reputatie van een lelijke koloniale handlanger die de wijzers van de klok wilde terugdraaien.” De latere gebeurtenissen hadden hem gelijk gegeven, meende hij. “En dit schrijft niemand, die het koloniale stelsel altijd als in wezen onzedelijk heeft veroordeeld, en dit ook nu nog doet.” Maar, “erger dan gebreideld kolonialisme is een zelfbestuur in handen van corrupte dilletanten. Een leerling uit de vijfde klas, plotseling tot schoolhoofd gebombardeerd, moet brokken maken. Hetgeen in Indonesië wel bewezen is.” Mr. G.B.J. Hilterman, eens Bakkers baas bij Elseviers Weekblad, zei niet voor niets: “Hij vergeleek in feite alles met de Albert Cuyp en daarom sloeg het zo goed aan.”

Piet Bakker bleef schrijven tot het laatste ogenblik. In de inleiding van Zo was het schrijft collega H.A. Lunshof: “Vrijdagmiddag de eerste april 1960 om kwart over vijf, verliet Piet Bakker de vrienden op Elseviers Weekblad. Nog geen tien minuten trof de onverbiddelijke dood hem in zijn auto, temidden van de drukte van een stad en het schelle licht van een voorjaarsdag.” Tijdens de rit naar huis, gaf zijn hart het in de Scheldestraat op. De auto kwam tegen een boom tot stilstand.

Bakker redeneerde niet, hij vertelde

Pet Bakker was een 'bekende Nederlander' wiens leven, werk en dood in de dag- en weekbladen breed werd uitgemeten. Wie het stapeltje herdenkingsstukken doorleest, wordt vooral getroffen door het artikel van Godfried Bomans in de Volkskrant van 14 april 1960. Bomans behoorde, net als Bakker, "tot het kleine groepje mannen, dat midden in de bezetting de oprichting van Elseviers Weekblad heeft voorbereid". De bijdragen van de jonge onervaren Bomans waren gering, "maar dit werd ruimschoots vergoed door Bakker, die, als hij eenmaal op gang was, van de ene bewering onbekommerd doorsjouwde naar de afgrond van een nieuwe enormiteit," schrijft Bomans. "Hij redeneerde niet, hij vertelde. Zijn verhalen waren bijna altijd goed en bijna nooit terzake diendende."

De verhouding Bakker-Bomans was een eigenaardige. "Het leeftijdsverschil en de enigszins bedremmelde achting, die wij elkaar toedroegen, leidden tot een vader-zoon situatie, waarbij hij als raadgever optrad en ik verondersteld werd deze adviezen op te volgen. Het eerste lag hem goed, het tweede mij niet. Ik zie mij nu weer zitten in zijn schemerig werkhok, hoog in de nok van zijn huis, kijkend in dat grote, bedroefde clownsgezicht en luisterend naar die hartelijke, typisch Amsterdamse stem. Ik hoorde hem graag, want ik hield van die man, en was het met bijna alles wat hij zei oneens. Na een tijdje zag hij dit in. Hij gaf me een stomp, ontkurkte een fles en begon over iets anders. Bij het uitlaten, ver na middernacht, keek hij mij hoofdschuddend na. We wilden wel. Maar het water was veel te diep."

Een mooi, genuanceerd oordeel over een ongetwijfeld aardige, boeiende man die zijn vak beheerste, keihard werkte en veel roem oogstte. Een man die, toch niet gespeend van enige ijdelheid, in zijn herinneringen schreef: "Ik ben journalist geworden, omdat ik nergens anders voor deugde, en niet één vak kende. Vaak kijk ik met afgunst naar een metselaar, die een muurtje zo netjes en kantig opbouwt. Of naar een smid, als hij zo heerlijk een heet stuk staal in de door hem gewenste vorm ranselt, en ik bedenk, wel een voldoening het toch moet geven om te kunnen zeggen: 'Zie je die muur of die stoof of die kachelpijp... die heb ik gemaakt!' Nooit heb ik iets kunnen aanwijzen, iets tastbaars, dat uit mijn handen is gekomen. Eigenlijk ben ik een non-valeur."

Ons Amsterdam april 1992

Powered by JReviews