Een does...? Wat is dat? Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Mei 23, 2016    
1522   0   0   0   0   0

"In Rotterdam ben ik geboren, in de Amsterdamse Van Ostadestraat getogen." Als negenjarige verhuisde de latere journalist en schrijver Piet Bakker (1897-1960) naar de hoofdstad. De jongens noemden hem het 'boertje'. "Want ik kon nog niet zo vloeiend zeggen: 'Jén, kraag de keleire'." Hij groeide op in de Pijp en vertrouwde zijn herinneringen aan het papier toe onder de titel Jeugd in de Pijp. De Amsterdamse tongval kreeg hij snel onder de knie en op straat deed hij de nodige levenswijsheid op. Zonder die leerschool had hij misschien nooit zijn veelgelezen boeken over het Amsterdamse straatschoffie 'Ciske de Rat' geschreven. Eén van zijn avonturen beleefde de kleine Piet in het badhuis in de Govert Flinckstraat.

"Toen we in iets betere doen kwamen – het gezinsinkomen zal tot zestien gulden zijn gestegen – mocht ik op Zaterdagavond voor zeven en een halve cent naar de Govert Flinck om mij te douchen. Waar baadde Cleopatra zich ook al weer in? Ik meen melk van witte ezelinnen met een paar gesmolten parels. Zij kan zich niet rijker gevoeld hebben dan ik in de Govert Flinck. Ik schepte er tegen vriendjes zo nonchalantweg over op. Een tikje geraffineerd: 'Zeg, durf jij onder de kouwe does te staan?' Dan keken ze je schaapachtig aan. 'Een does...? Wat is dat?' 'Hèè!' Weet je nog niet eens wat een does is? Man, zo'n vergiet waar allemaal straaltjes water uitkomen. In het badhuis in de Govert Flinck! Ben je daar nog nooit geweest? Kost maar zeven en een halve spie!' (Vooral dat 'maar' was goed!) Ze keken je dan nóg gekker aan en hun schaapachtigheid mengde zich met een schuwheid. Want om drie vierduitstukken uit te geven alleen maar om je te wassen – daar moest je óf gek óf schatrijk voor wezen.
En dan moet u weten, wat voor een bain de luxe die badinrichting in de Govert Flinck was! Als 't een beetje druk liep, stond je eerst met je schone goed in een krant buiten een uurtje te wachten. Ook als 't regende. Dan kon je eindelijk aan het loketje je tol aan de zindelijkheid offeren en werd dan met een ruwe handdoek en een flintertje witte cocos-zeep in de wachtkamer toegelaten, welke, vermoedelijk ter wille der contrastwerking, zeer vies werd gehouden. Een pruimende man-op-klompen riep je nummer eindelijk af en wees je het hokje, waar je op de tast heenstruikelde, want je kon geen hand voor ogen zien door de wasem, die je de borst benauwde en heel de ruimte klam en klef maakte. Een bankje, drie kapstokken, een schotje, een vlondertje en een douche, dat was de outillage van iedere cel. O ja, er was ook nog een plas op de vloer, zodat je nooit je goed straffeloos liet vallen en de grootste moeite had om je kousen droog aan te krijgen. U ziet toch niet de marmeren zuilen, klaterende watervallen en sproedelende fonteinen van een Romeins bad voor u, nietwaar? Want anders zou ik in mijn beschrijving niet duidelijk zijn geweest.
Wat grappig toch, dat de mensen, wanneer zij tot hun natuurstaat terugkeren, vrolijk en tierelierderig worden. Er werd in dat badhuis altijd gezongen en gefloten. Thans vergeten schlagers uit de Dollarprinses of I have got rings on my fingers, bells on my toes of Jerusalem open your gates. Dat 'of' is eigenlijk fout. 'En' moet het zijn. Want alles werd door elkaar gekwinkeleerd, zó blij zijn de mensen met hun eigen naaktheid. En het hielp niet, of een cholerische man al brulde: 'Houwe jullie toch je smoele met je geblèr!' Ik ben zelfs eens de dupe geworden van zo'n heer. Ondanks zijn protest bleef ik een schoolliedje zingen. 'Het is gewis, dat een lief kindje aan 't lachen is, trala, trala'. Verder trala-de ik niet, want plotseling verscheen een harig bovenlichaam over het half-hoge celmuurtje en een getatoueerde arm gaf mij met een natte handdoek een paar kletsende meppen over mijn mager karkas. Als een wrekende demon was de man. In het uiterste hoekje, waar de vent lekker niet bij mij kon komen, ben ik het liedje heel hard verder gaan zingen."

PIET BAKKER, JEUGD IN DE PIJP, VRIJMOEDIGE JEUGDHERINNERINGEN, AMSTERDAM, 1946

Powered by JReviews