Ondernemer Johanna Borski-Van de Velde Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 21, 2010    
6566   0   0   0   0   0

Weduwe met een neus voor geldzaken

Johanna Borski-Van de Velde (1764-1846) bleef na de dood van haar man in 1814 achter met acht kinderen en een aanzienlijk fortuin. Tot haar 80ste zette ze de firma van wijlen Willem Borski voort en al had ze geen toegang tot de beurs, de financiële wereld kende voor haar weinig geheimen.

We weten bitter weinig van ze. Van Hendrica van Nelle, Liesbeth Douwe Egberts, Sara Bols en Susanna en Cornelia van Eeghen – weduwen van grote zakenlui, die na het overlijden van hun echtgenoot diens zaken continueerden. De reden is dat er nauwelijks gegevens over hen beschikbaar zijn. Dat gaat ook op voor de weduwe Johanna Borski, een bankierster die na de dood van haar man Willem Borski zijn zaken overnam. Over haar schreef F.J.E. van Lennep het boek Een weduwe aan de Amsterdamse beurs; de Borski-saga 1765-1960 (gepubliceerd in 1973) en in 1998 verscheen een biografie onder de titel Johanna Borski, Financier van Nederland 1764-1846, maar uit dat boekje komt de lezer niet echt veel te weten over de gebiografeerde – ook hier bij gebrek aan bronnen.
We zullen het dus moeten doen met het schaarse materiaal dat er over mevrouw Borski (geboren Van de Velde) voorhanden is. Dat maakt haar als Amsterdams ondernemer overigens niet minder interessant. Johanna van de Velde kwam op 26 augustus 1764 in Amsterdam ter wereld als dochter van Bruyna Jacoba Schouten en Johannes van de Velde, een vlaskoopman. Ze groeide op in betrekkelijke welstand en trouwde eind 1790 in de Oude Kerk met Willem Borski. De Borski’s (geen Joden, hoewel dat wel eens per abuis verondersteld werd) waren afkomstig uit Westfalen en oorspronkelijk wellicht uit Rusland. Sinds het midden van de 17de eeuw hadden ze in Utrecht een bestaan opgebouwd als distillateurs en brouwers.
Willem, geboren en gedoopt in Amsterdam, had zich opgewerkt tot beursmakelaar en speculant. Zijn eerste fortuin vergaarde hij met de handel in graan, indigo, rijst en muskus. Later opereerde hij vooral als commissionair in de geld- en fondsenhandel. Hij werkte nauw samen met de meest vooraanstaande investeringsbank van die tijd, Hope & Co op de Keizersgracht. Hope was financier van onder anderen Napoleon, de Russische tsaar en Amerikaanse projectontwikkelaars. Borski speculeerde - zowel voor eigen rekening als voor die van Hope & Co en van andere vermogende cliënten aan de Amsterdamse beurs - in effecten, obligaties en andere waardepapieren. Vanwege de economische malaise als gevolg van de Franse tijd en de Napoleontische oorlogen, richtte hij in 1806 met Dirk Jan Voombergh en Jan Bondt de Associatie Cassa op, een samenwerkingsverband van kassiers, ook wel de ‘kassier der rijke lieden’ genoemd. De Associatie Cassa kreeg, toen de economie na de Franse tijd weer aantrok, de functie van centrale bank voor de Amsterdamse groothandel, vergelijkbaar met de in 1819 opgeheven Amsterdamse wisselbank.
Voor zijn adviezen en administratieve handelingen rekende Borski provisie en daarnaast bestonden zijn inkomsten uit rente, dividend én huur en pacht van beleggingen in huizen en landerijen. Zo kocht hij in 1805 voor ƒ 65.000 van Jacob Boreel het westelijk van Haarlem gelegen landgoed Elswout met daarop het omstreeks 1645 door Jacob van Campen gebouwde huis Elswout, de duinen van het Zwarte Veld, de uitspanning Kraantje Lek en het duin De Blinkert. En in 1809 verwierf hij het pand Keizersgracht 566. Daar woonde hij een gedeelte van het jaar en daar hield hij ook kantoor.
In februari 1814 overleed hij onverwacht, kort nadat hij was teruggekeerd van een verblijf van bijna een jaar in Londen. Daar had hij op verzoek van Hope & Co onderhandeld met de Russen die, omdat Holland nog steeds deel uitmaakte van Frankrijk, geen rente wensten te betalen op de door Hope verzorgde emissie van Russische staatsleningen. Willems missie werd een succes, maar de gevaarlijke en langdurige reis was een zware aanslag op zijn gezondheid en deed hem tenslotte de das om.
Zijn vrouw Johanna bleef achter met een miljoenenerfenis en acht kinderen, vijf dochters en drie zonen, waarvan de zes jongsten nog minderjarig waren en over wie wijlen haar mans zakenrelatie Dirk Jan Voombergh toeziend voogd werd. Van Willems handel en wandel was Johanna zeer goed op de hoogte. Al bij zijn leven had zij, als hij op reis was, geregeld zijn zaken waargenomen. Zij aarzelde in 1814 dan ook niet om het bedrijf voort te zetten, nu onder de firmanaam Wed. W. Borski. Haar oudste zoon David achtte zij ongeschikt voor deze taak en Willem junior was met zijn vijftien jaar nog te jong. Ongebruikelijk was het overigens niet dat weduwen hun man opvolgden in bedrijf of onderneming met het doel deze aan de volgende generatie door te geven. Dat gebeurde bijvoorbeeld ook in de koopmansfamilies Van Eeghen en Insinger (en bij Van Nelle, Douwe Egberts en Bols).
Daarnaast wist zij zich gesteund door de procuratiehouder en latere medefirmant (en speciaal voogd over Willem jr.) Johannes Bernardus Stoop (1781-1856), een uitstekend financier die al sinds 1790 bij de firma werkzaam was. Volgens de overlevering zou Stoop als kleine jongen in Bodegraven door Willem Borski en Dirk Jan Voombergh, toen zij daar een pleisterplaats aandeden om hun paarden te laten drinken, letterlijk van de straat zijn geplukt vanwege zijn opvallend intelligente oogjes. De heren hadden hem gevraagd mee te komen naar Amsterdam, waar hij naar school kon. Dat was gebeurd en vervolgens was hij als leerling op kantoor gekomen en had hij zich bij de firma Borski opgewerkt tot procuratiehouder.
Zonder de hulp van Stoop kon de weduwe geen zaken doen. Vrouwen waren immers niet welkom op de beurs, alleen als toeschouwer werden zij gedoogd. Niet dat dat in de reglementen stond, maar het was een ongeschreven regel. Ook in herensociëteiten als De Munt liet Johanna zich door Stoop (en later door haar zoons David en Willem junior) vertegenwoordigen, evenals bij de paardenrennen, in koffiehuizen en op andere plaatsen waar de zakenelite elkaar trof. Zelf handelde zij haar zaken af in haar kantoor annex woonhuis op de Keizersgracht en zomers op Elswout in de Kennemerduinen. Ook vertoefde zij graag in haar boomgaard in de Plantage.

Hulp aan de koning
Met ferme hand leidde Johanna tot haar 80ste de firma, die in samenwerking met Stoop de top van de Amsterdamse geldmarkt bereikte. Zij was de vaste partner van Hope & Co bij ondermeer het plaatsen van Russische leningen, die alleen al in de jaren 1820 ruim ƒ 120 miljoen beliepen. Ook nam zij nieuwe initiatieven, zoals het bijeenbrengen van Nederlands kapitaal voor de Citizens Bank of Louisiana en suikerplantages rond New Orleans. De kracht van de firma lag in de al door haar man georganiseerde kring van commissionairs en administratiekantoren, die plaatsing en ondersteuning van de emissies verzekerden. Daarnaast voerde de firma grootschalige transacties uit voor eigen rekening.
Een volgens haar biografe ‘heldhaftige rol’ speelde Johanna Borski in de eerste jaren van haar firma, toen zij koning Willem I te hulp schoot. Deze had in 1814 De Nederlandsche Bank opgericht, maar was er twee jaar later nog niet in geslaagd het aanvangskapitaal van ƒ 5 miljoen bijeen te brengen. Een fiasco dreigde, totdat de weduwe Borski in maart 1816 de resterende 40% overnam en de koning met bijna ƒ 40 miljoen uit de nood redde. Vervolgens ging zij met de verworven aandelen speculeren op de Amsterdamse beurs en dat legde haar geen windeieren. Zij bleek het spel heel goed te beheersen.
Ook in 1824 zette ze een belangrijke stap door ruim ƒ 1 miljoen te steken in de door koning Willem I in het leven geroepen Nederlandsche Handel-Maatschappij. Toen deze onderneming echter tien jaar later in de problemen raakte door onvrijwillige voorschotten aan diezelfde Willem I, verleende zij een krediet van ƒ 1,5 miljoen - het grootste deel voor haar persoonlijke rekening -, tegen de voor die tijd aantrekkelijke rente van 4,5%. Verder nam de weduwe deel in het oprichtingskapitaal van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij, had zij grote belangen bij de door haar man opgerichte Associatie Cassa en belegde zij kapitalen in huizen en landerijen, hoofdzakelijk in het duingebied rond Haarlem, maar ook in drooggemaakte polders in de omgeving van de Nieuwkoopse en Zevenhovense Plassen. Op deze gronden (zij kocht die van de dijkgraaf Robert Voûte) liet ze boerderijen bouwen, vernoemd naar Russische steden – daarmee verwijzend naar de fortuinen die haar firma met Hope & Co in Russische aandelen verdiende. Met een vermogen van ongeveer ƒ 4 miljoen - en bij dat bedrag kwamen dan nog haar huizen en landgoederen - moet zij in die jaren één van de rijkste mensen van het Koninkrijk zijn geweest.
Naarmate de jaren verstreken trok Johanna Borski zich meer en meer op Elswout terug. Haar zaken liet ze steeds vaker over aan haar zoon Willem die in 1832 Stoop had opgevolgd toen deze medefirmant geworden was van Hope & Co – een overstap waarmee Johanna slechts schoorvoetend had ingestemd. Toch was ze ook in die tijd nauw betrokken bij de firma en werden alle zakelijke beslissingen vooraf door haar goedgekeurd. Willem Borski II (1799-1881) zou in de loop van zijn leven uitgroeien tot een sleutelfiguur aan de beurs en de de facto leider van het samenwerkingsverband met Hope & Co - maar verdere expansie van de firma binnen de Amsterdamse verhoudingen was niet meer mogelijk.
Willem was leerling geweest van de Latijnse school in Leiden toen zijn vader in 1814 overleed. Zijn moeder had hem daarop naar Londen gestuurd om in de leer te gaan bij de bevriende geldhandelsfirma Baring Brothers. Hij ontwikkelde zich tot een goed financier die ondermeer grote kredieten verschafte voor de aanleg van spoorwegen, in Nederland en Amerika. Daarbij maakte hij dankbaar gebruik van de omstandigheid dat zijn oudste zuster Bartha Johanna Borski (1791-1857) getrouwd was met Jan van der Vliet, firmant van de firma Gebrs. Van der Vliet ‘De IJzerstaven’ op het Bickerseiland.
In 1844, ze was toen 80 jaar oud en waarschijnlijk al een tijd ziek, trad Johanna Borski terug. Ze deed afstand van haar bestuursrechten in haar firma en van haar aandelen in de Associatie Cassa. Op 12 april 1846 overleed ze in Amsterdam, waar ze in de Nieuwe Kerk begraven werd. In haar testament had ze laten opnemen dat de familieschilderijen mee gingen in het graf. Daardoor is de enig bekende afbeelding van haar een kopie naar een schilderij van Nicolaas Pieneman, dat zich in het Museum Van Loon bevindt. Het huis op de Keizersgracht werd verkocht. Later werd het afgebroken om plaats te maken voor een gereformeerde kerk.
Nog ruim 100 jaar behield de naam Borski bekendheid. Maar in 1884, toen Johanna’s kleinzoon Willem Borski III (1834-1884) kinderloos overleed, kreeg de firma bij gebrek aan een opvolger met de naam Borski een andere naam: Van Loon & Co. Die firma zou in 1937 opgaan in Hope & Co, waarna in 1966 de Bank Mees & Hope ontstond. Deze bank zou bijna een decennium later overgenomen worden door de Algemene Bank Nederland die op zijn beurt opging in de (op dit moment nog in Nederlandse handen zijnde) ABN Amro. Wel leefde de firmanaam Wed. W. Borski voort in de naam van een administratiekantoor (en de daar beheerde effecten), totdat dat in 1959 geliquideerd werd.

Tekst: Pauline Micheels
September 2007

Powered by JReviews