Honderdvijftig jaar Arti et Amicitiae Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     November 20, 2014    
2278   0   0   0   0   0

Honderdvijftig jaar Arti en Amicitiae.

Exposities met contemporaine kunst waren in de 19e eeuw een relatief onbekend verschijnsel. De oprichters van kunstenaarsvereniging Arti en Amicitiae werden niet gehinderd door conventies en streefden op alle mogelijke manieren de bevordering van beeldende kunsten na.
Na die eerste bloeiperiode veranderde het tentoonstellingsbeleid in ‘op veilig spelen’. Een beleid dat zich uitstrekte tot omstreeks 1965. Sindsdien wordt ook weer aan niet-coryfeeën expositieruimte geboden.

Drieëntwintig schilderijen sierden op 10 december 1840 de bovenzaal van Maatschappij Arti et Amicitiae, toen de leden van dit jonge gezelschap daar het eenjarig bestaan vierden. Een jaar eerder, op 3 december 1839, was deze maatschappij van kunstenars en kunstvrienden in cafe De Karseboom in de Kalverstraat opgericht door enkele vooraanstaande kunstenaars.

De doelstellingen waren vooral onderlinge verbroedering en het bevorderen van de beeldende kunsten. De kunstenaars onder de leden bepaalden het beleid. Ter verwezenlijking wilde de maatschappij tentoonstellingen organiseren, kunstbeschouwingen houden en een lokaal exploiteren waar de leden met elkaar van gedachten konden wisselen. In 1840 was daartoe het gebouw van de Grand Salon op het Rokin aangekocht, dat in december feestelijk werd ingewijd. De schilderijen die bij die gelegenheid werden opgehangen, werden bij wijze van proef nog enige dagen ter bezichtiging gesteld. Dit was echter geen succes, de voormalige schouwburgzaal was daarvoor veel te donker.
Onder leiding van architect Martin Gerard Tetar van Elven, een van de oprichters van Arti, werd een verbouwingsplan gemaakt, waarin ook kunstschilders inspraak hadden. Het resultaat van deze unieke samenwerkingwas volstrekt nieuw. In het dak dat gesteund werd door ijzeren consoles, kwamen schuin geplaatste ramen waardoor het licht op de tegenovergelegen wand viel. De opgehangen schilderijen kwamen zo optimaal tot hun recht. Deze constructie is later veel nagevolgd, onder andere bij de bouw van het Rijksmuseum.

De Arti-salons
Welke tentoonstellingen heeft Arti nu in de loop van haar honderdvijftig jarig bestaan in de kunstzaal gehouden en wat waren de uitgangspunten bij het inrichtingsbeleid? Openbare tentoonstellingen waar iedereen tegen betaling van entree (f 0,25) per persoon of echtpaar) werd toegelaten, werden in Amsterdam nog nauwelijks gehouden. Alleen werden er sinds 1808 beurtelings in Den Haag en Amsterdam exposities gehouden van eigentijdse kunst, waar werken te koop waren en prijzen werden toegekend aan de beste stukken.
Op 23 november 1840 werd de ‘Komissie over de Kunstzaal’ geïnstalleerd, die samen met het bestuur de tentoonstellingen organiseerde. De opbrengst kwam ten goede aan het weduwen- en wezenfonds. Hiermee steunde  Arti – in een tijd dat nog geen sociale voorzieningen bestonden – nabestaanden van overleden kunstenaarsleden. Een voorstel alleen werk van leden te exposeren had het daarom, op de ledenvergadering van 7 december 1840, niet gehaald. Dit zou niet genoeg geld opbrengen. Op de jaarlijks te houden overzichtstentoonstelling van eigentijdse kunst mocht iedere kunstenaar werk inzenden.. Daarmee leken de Arti-salons veel op de eerder genoemde tentoonstellingen in Den Haag en Amsterdam.
Na enige maanden uitstel – de verbouwing was niet op tijd klaar – ging op 1 november 1841 de eerste expositie open voor leden, een week later voor het publiek. ER waren 195 schilderijen en tekeningen te zien; niet het aantal waarop de organisatoren gehoopt hadden,. Door de vertraging in de oplevering waren al veel werken verkocht en daarom niet beschikbaar. De volgende jaren nam de belangstelling echter toe. Bestuur en commissie deden hun uiterste best zo aantrekkelijk mogelijke kunstwerken  te bemachtigen. Ze nodigden bekende kunstenaars expliciet uit om in te zenden. Ook probeerde de commissie buitenlandse kunst naar de zalen te krijgen. Al in 1847 bleek het aantal inzendingen zo groot, dat halverwege de tentoonstelling een nieuwe opstelling gemaakt moest worden, waardoor veel bezoekers twee keer kwamen kijken. Ook na de verbouwing in 1856, toen in het pand ernaast een tweede bijna identieke kunstzaal bij de oude werd gevoegd, bleef een tweede plaatsing noodzakelijk.

In dienst van volk en vaderland
Behalve de salons stond het de commissies verder vrij bezienswaardige kunst te laten zien en zo het weduwefonds aan inkomsten te helpen. Het tonen van individuele kunstwerken was een grote trekpleister, bijvoorbeeld in 1844 een model van het Rembrandt-standbeeld door Louis Royer, dat in 1852 op het Rembrandtplein geplaatst zou worden. De expositie van het schilderij ‘Johannes de Dooper predikende in de woestijn’ van Cornelis Kruseman, gemaakt in opdracht van koning Willen II, bracht begin 1848 f 1800 op. In de vergrote zalen werden ook wel tentoonstellingen gehouden van werk van één kunstenaar.
De commissieleden verloren het ‘hogere doel’ van de kunst, de verheffing van toeschouwer en kunstenaar niet uit het oog. Kunst stond ook in dienst van volk en vaderland, om die tot grotere ontwikkeling te brengen. Met name het uitbeelden van roemrijke episoden uit de vaderlandse geschiedenis moest dit doel dienen. Historieschilderkunst stond van alle kunstvormen het hoogst in aanzien. Daarmee nam de belangstelling van kunstenaars voor het verleden toe. Zo kwam Arti in 1854 met een presentatie van 792 oudheidkundige voorwerpen. Kunstenaars konden zo aanschouwen hoe gebruiksvoorwerpen van hun voorouders in de werkelijkheid uitzagen. Het kwam immers geregeld voor dat een 13de-eeuwse ridder in een 15de-eeuws harnas werd afgebeeld.
De oudheidkundige expositie was een overweldigend succes en direct na sluiting werd besloten haar te herhalen. Deze tentoonstellingen waren ‘(…) onontbeerlijk voor den kunstenaar. Hij die geroepen is den roem der voorouderen te verbreiden en hunne hoede voorbeelden door het penseel tot het nageslacht over te brengen, moet de zeden en gebruiken volkomen verstaan van hen die schilderen zal,’ aldus een verantwoording in het jaarverslag van 1853. De tweede tentoonstelling werd na de vergroting van de zalen gehouden in 1858. Om tenminste een gedeelte van de bijeengebrachte voorwerpen te behouden werd in dat jaar het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap opgericht.
Zelfs ging de commissie zo ver om een zeventigtal leden opdracht te geven historische schilderijen te vervaardigen. Die konden dan in de zalen worden geëxposeerd, wanneer er geen tijdelijke tentoonstelling was. Deze Historische Galerij, waarvan het eerste gedeelte open ging in 1862, leed tot haar einde in 1893 een nogal kwijnend bestaan.
Eveneens in het belang van de beeldende kunst waren innoverende technieken zoals fotografie. In 1855 konden belangstellende op de in samenwerking met de Vereeniging voor Volksvlijt georganiseerde  ‘Tentoonstelling van photographie en heliographie’ voor het eerst in Amsterdam publiekelijk kennis nemen van dit nieuwe medium. Latere tentoonstellingen werden echter een aangelegenheid van het Paleis voor Volksvlijt.

Stagnatie en concurrentie
Aan het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw trad een zekere moeheid op ten aanzien van de jaarlijkse salons. Het bezoekersaantal liep terug: bekende kunstenaars, die hun werken toch wel verkochten, zonden niet meer in. Anderen vonden het chiquer om met inzenden te wachten tot de tweede opstelling, waardoor de tentoonstelling bij de opening vaak een saaie indruk maakte. De commissie was genoodzaakt het beleid bij te stellen en nieuwe onderwerpen te vinden om het publiek te interesseren. Dat lukte ten dele met de sinds 1860 gehouden expositie van tekeningen en aquarellen. Deze mochten zich sinds het midden van de eeuw verheugen in een toenemende gunst van het publiek. Ze waren ook voor kleinere beurzen betaalbaar en vonden langzamerhand evenveel waarderen als schilderijen.
Sinds 1867 hield Arti exposities van oude meesters, vooral uit particulier bezit. Die van 1872, bezocht door 10.828 mensen, heeft een belangrijke bijdrage geleverd om de al jaren sluimerende bouwplannen voor het Rijksmuseum uit het slop te halen. Een wijziging in het reglement van 1874 haf kunstenaarsleden het recht de kunstzaal te huren voor eigen tentoonstellingen. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog hebben velen hiervan dankbaar gebruik gemaakt.
Het laatste kwart van de 19de eeuw werd gekenmerkt door stagnatie en introversie. Dit was ten dele een gevolg van het beleid dat Arti gaandeweg ging voeren, maar moet tevens gezien worden in relatie met de ontwikkelingen in de Nederlandse kunstwereld, waarbinnen de positie van Arti veranderde. Arti was altijd de belangrijkste kunstenaarsvereniging in Amsterdam geweest. In 1880 echter richtten een aantal academieleerlingen Sint Lucas op, uit onvrede met de mogelijkheden die Arti bood. Deze vereniging, waarvan onder anderen Jan Veth en Jan Toorop lid waren, was sindsdien de spreekbuis van de jongeren. Bovendien woonden en werkten de voornaamste Nederlandse kunstenaars, zoals Isaac Israëls, H Mesdag en Johannes Bosboom toen in Den Haag, niet in Amsterdam.

Het ‘koude en officieele’ Arti
Arti had niet snel een antwoord klaar op deze nieuwe concurrentie. De maatschappij bleef actief op de haar vertrouwde terreinen: de organisatie van grote oude kunst-tentoonstellingen, met als hoogtepunt de Rembrandt-tentoonstelling ter gelegenheid van de kroning van koningin Wilhelmina in 1898.
Deze expositie trok meer dan 50.000 bezoekers.
Betrokkenheid met het Amsterdamse kunstleven bleek uit de bemoeienis met de stichting en inricht van de grote Amsterdamse musea. Vanaf 1875 speelden Arti-leden een rol bij de bouw van het Rijksmuseum en later hadden ze een stem in de belichting van de Nachtwacht. Ook verzetten ze zich in 1891 tegen de aanvankelijk geplande bouwplaats van het Stedelijk Museum aan de Nassaukade.
In de jaren tachtig traden er slechts twee vernieuwingen op: bij de tekeningen tentoonstelling van 1885  kreeg een groep jonge kunstenaars, onder wie Jan Veth, Willem Witsen en Anton Derkinderen, de mogelijkheid zich te manifesteren. Zij vormden de zogeheten Nederlandse Etsclub. Deze kreeg later aparte tentoonstellingen binnen Arti. Daarnaast werden, vanaf 1889 officieus en vanaf 1894 officieel, de inzendingen voor de jaarlijkse tentoonstellingen beperkt tot werk van leden. Een maatregel die de introversie eerder versterkte dan tegenging.
Desondanks bleef de Arti-salon een belangrijke gebeurtenis: ‘Zo’n expositie in Arti is voor hem die belangstelt in onze kunst, een feit van betekenis. In eene eigenaardige spanning betreedt hij de zalen met nieuwsgierige belangstelling, het oog richtende op de met schilderijen dicht bezette wanden,’ schreef de NRC in 1894. De kritieken waren echter veelal mat of zelfs negatief en men vergeleek het ‘koude en officieele’ Arti met het ‘amicale en warme’ Sint Lucas. Maar of de tentoonstelling en nu geprezen of bekritiseerd werden, ze waren belangrijk steeds belangrijk genoeg om uitgebreid besproken te worden.

Fêteren van erkende leden
De installatie van een nieuwe en jonger bestuur zorgde rond 1893 voor een lichte opleving in het tentoonstellingsbeleid. De Amsterdamse impressionisten, die wel als Arti-leden individueel op de salons konden exposeren, kregen in 1892 de gelegenheid zich gezamenlijk te presenteren. De werken voor deze eenmalige  ‘keuze-tentoonstelling’ werden door jonge schilders en studenten uitgekozen ter gelegenheid van een jubileium van de Amsterdamse Universiteit. Er was werk te zien van jonge kunstenaars als Jan Toorop, Isaac Israëls, Johan Thorn Prikker en zelfs Vincent van Gogh.
Het nieuwe bestuur besloot in 1893 tevens de kunstzalen te laten verbeteren door H.P. Berlage en A.C. Bleijs. De verbouwing had vooral tot doel Arti opnieuw tot ‘artistiek centrum hier ten stede’ te maken. Tot grote woede van een aantal kunstvrienden werd toen ook de Historische Galerij verkocht ten bate van het weduwen- en wezenfonds. De doelstellingen van de galerij waren inmiddels achterhaald.
Deze kleine vernieuwingen kregen echter geen vervolg en in de jaren erna opereerde de commissie voor de kunstzaken veilig binnen de eigen gelederen. Er werden verschillende soorten ledenexposities georganiseerd, zoals groepstentoonstellingen (vanaf 1908), de ere tentoonstelling, meestal van overleden of zeer oude, grote meesters, zoals Jacob Maris in 1899 en Johannes Bosboom in 1900, en de eenmanstentoonstelling. De zeer succesvolle eenmansexposities werden gehouden met werk van contemporaine schilders als Jacob van Looy en George Breitner, beide in 1901, en Marius Bauer in 1902.
Opvallend is dat al deze tentoonstellingen gewijd zijn aan reeds erkende kunstenaars. Breitner en Bauer waren weliswaar van een jongere generatie dan de Haagse School-kunstenaars, maar in 1901/1902 konden ze toch niet meer als vernieuwd worden beschouwd. Waarschijnlijk vormden de eenmanstentoonstellingen een antwoord op de grote overzichtsexposities van de kunsthandel, die daarmee veel succes boekte.
Dit fêteren van erkende Arti-leden gebeurde ook op de zogenoemde retrospectieve tentoonstelling, waarin werk werd getoond van Arti’s grote meesters, onder anderen van hen die op het gedenkbord in de hal vermeld stonden. Dit soort tentoonstellingen werd gehouden ter gelegenheid van jubilea en dergelijke, zoals in jet Rembrandt-jaar 1906, in 1910 ter ere van de zeventigste verjaardag van Arti en in 1913 ter gelegenheid van het eeuwfeest van Nederlands onafhankelijkheid. In 1913 waren weer enkel van de Amsterdamse impressionisten van 1892 te zien, maar dat waren toen geen vernieuwende ‘jonge kunstenaars’ meer.

Franse impressionisten
Buitenlandse kunst was altijd mondjesmaat vertegenwoordig in Arti en meestal ging het om bevriende Belgische en Duitse kunstenaars. In 1899 werd deze traditie eigenlijk voor het eerst doorbroken door een grote Rodin tentoonstelling, van 65 beelden, tekeningen en foto’s. Ook hier kan gezegd worden dat Rodin op het toppunt van zijn roem was, en de organisatoren konden rekenen op veel bijval. Dit was minder het geval bij de expositie van moderne Franse kunst. Samen met een vergelijkbare tentoonstelling in Den Haag in het zelfde jaar was dit de eerste maal dat Franse impressionisten als Claude Monet, Camille Pisarro en Auguste Renoir, buiten de kunsthandel in ons land te zien waren. De kritieken waren weer positief.
Nog een tentoonstelling in datzelfde jaar 1899 mocht zich verheugen in een zeer gunstige pers. Het betrof ouder, meer bekend werk uit het buitenland, van onder anderen Gustave Courbet, Adolphe Monticelli en Charles Daubigny. Deze expositie was echter uitgegaan van de Amsterdamse en Haagse kunsthandels. Het initiatief om eigentijdse, relatief onbekende buitenlandse kunst naar de zalen van Arti te halen, werd voorlopig niet herhaald.
Het tentoonstellingsbeleid van Arti kenmerkte zich aldus, na de eerste periode van groei, door ‘op zeker te spelen’. In een tijd waarin het experiment in de kunst een steeds grotere rol ging spelen en zelfs tot norm werd verheven werd dit traditionele expositiebeleid steeds conservatiever. Deze situatie heeft zich eigenlijk tot en met de retrospectieve jubileumtentoonstelling in 1964 gehandhaafd. De laatste jaren echter wordt de traditionele lijn hoe langer hoe meer omgebogen. Naast de jaarlijkse ‘salons’ exposeren belangrijke binnen- en buitenlandse kunstenaars bij Arti en onlangs werden op de jubileumtentoonstelling Beyond Performance voor het eerst geen coryfeeën getoond, maar sloot men aan bij de actualiteit en de toekomst van de beeldende kunst.

Tekst: Margriet de Roever en Jenny Reynaerts

Ons Amsterdam 1989, decembernummer

Powered by JReviews