De Koestraat: sjiek en sjofel Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Januari 18, 2014    
4376   0   0   0   0   0

Koestraat WijnkopersgildehuisIn de Bethaniënbuurt, van noord naar zuid bezien het middendeel van het Wallengebied,  ligt de Koestraat. Tussen de evenwijdige Barndessteeg aan de noordkant en de Bethaniënstraat aan de zuidkant.  Ze verbindt (van oost naar west en huisnummersgewijs bezien) de Oudezijds Voorburgwal met de Kloveniersburgwal (met op de hoek ijssalon Tofani).  Een straatje vol historie!

 

 

 

Het buurtje ontleent zijn naam aan het middeleeuwse klooster gewijd aan Sint Maria Magdalena van Bethaniën. Maria Magdalena was volgens de Bijbel een vrouw van zedelijk niet onbesproken gedrag, met wie ene Jezus van Nazareth zich (gewaagd) best wilde inlaten, omdat hij wist dat ze per saldo best deugde. Even na 1450 werd dit klooster gesticht  voor ‘gevallen vrouwen’ die hier een boetvaardig leven wilden leiden.  Het werd al snel zo populair dat het steeds meer vrouwen uit de elite aantrok. In 1462 woonden er zo’n  220 vrouwen! Met alleen bidden en zingen was natuurlijk niks te verdienen. Een belangrijke inkomstenbron was bijvoorbeeld  het fokken van koeien ten behoeve van schuttersmaaltijden.  In de 16e eeuw ging de populariteit van het klooster achteruit en kwam het in geldnood. Daarom werd een deel van het kloosterterrein verkocht en bebouwd. In 1506 werd de Bethaniënstraat aan de zuidkant het kloosterterrein verbreed en door de stad bebouwd. En in  in 1525 werd een doodlopend pad dat van de Oudezijds Voorburgwal naar de kloosterkapel leidde,  doorgetrokken en deels bebouwd. Dat werd de (sindsdien openbare) Koestraat, die haar naam ontleende aan de koeienstallen van de zusters.

 

Uitvinder Van der Heijden woonde in oude kloosterkapel

Na de Alteratie (protestantse machtovername Amsterdam) in 1578 werd het kloosterterrein door de stad onteigend. Het klooster werd in gebruik genomen als woonruimte. Een laatste deel van de kloostergebouwen is overigens nog te vinden in de Barndesteeg en wordt (nog steeds onder de naam Bethaniënklooster) verhuurd voor bruiloften en partijen.

Aan de Koestraat is van de oorspronkelijke kloosterbebouwing helaas niet meer over. Hier stond ter hoogte van nummer 3-13 de kloosterkapel. In 1594 werd het schip daarvan (3-5) in gebruik genomen als Latijnse School, voorloper van het Stedelijk Gymnasium (nu het Barlaeus). Het koor (halfronde uitbouw) van de kapel, aan de oostkant (nu  Koestraat 7-13), werd verbouwd tot een zeer brede rectorswoning. Tijdens het grootste deel van de Gouden Eeuw kreeg de Koestraat zo de status van gymnasiumstraat.  Maar in 1678 werd besloten dat deze Latijnse School van de Oude Zijde moest fuseren met die van de Nieuwe Zijde, en daarbij inhuizen op het Singel bij de Kalverstraat.  

In de linker helft van de Latijnse School (ooit kapel), nu Koestraat 3, kwam in 1679 de  schilder Johan van der Capelle te wonen, ernaast (nr. 5) zijn vakbroeder Jan van der Heijden (1637-1712). Maar deze geniale duizendpoot was veel méér dan kunstschilder; hij zou vooral bekend worden als uitvinder en van de straatlantaarn. (Nog altijd zijn twee brandblusboten naar hem vernoemd. Ruim na Van der Heijdens dood is zijn huis nog een tijd (tot 1819) in gebruik geweest als Luthers jongensweeshuis, Helaas is dit pand, in oorsprong dus kloosterkapel, in 1868 gesloopt en vervangen door een karakterloos schoolgebouwtje, maar daarmee lopen we op het verhaal vooruit. 

Ook van de rectorswoning rechts naast de voormalige kapel is niets meer over. Begin 18de eeuw deed het linker deel daarvan dienst als herberg. In 1732 werd die gesloopt en vervangen door drie woonhuizen (nu Koestraat 7, 9 en 11) die de bijnamen Geloof, Hoop en Liefde, met halsgevels en mooi versierde deuren. Het rechter deel daarvan werd eveneens vervangen door woonhuizen, maar van veel mindere kwaliteit. Het huidige nummer 15 (in 1989 vervangen door nieuwbouw) werd van 1590 tot zijn dood in 1621 bewoond door de beroemde componist Jan Pieterszoon Sweelinck, in die jaren organist van de Oude Kerk.

Hoog tijd ook even naar de overkant van de straat (de zuidzijde) te kijken.  Op nummer 10-12 zien we nu nog steeds de monumentale poort van het Wijnkopersgildehuis. Van 1611 tot 1633 stond hier herberg De Toelast, In 1633 nam het wijnkopersgilde het in gebruik als gildehuis. Pieter de Keiyser, die zijn nog beroemdere vader Hendrick was opgevolgd als stadsbeeldhouwer, tekende voor de verbouwing, inclusief die fraaie poort. Daarover straks meer. De meeste andere huizen aan deze kant dateren uit de 18de eeuw.

 

Neergang in 19de eeuw

In de 19de eeuw  ging de Koestraat duidelijk achteruit.  In 1820 verlieten de wijnkopers het pand, en werd het (volgende de Historische Gids van Amsterdam, editie 1971) een “tienderangslogement”, Het Anker. Grote ellende heerste ook in de inpandige krotten in de Oude (tussen nummer 20 en 30) en Nieuwe Hoefijzergang (tussen 36 en 40).We zaten nog wel een paar ‘zeer fatsoenlijke’ kleine neringdoenden, zoals papier- en kartonhandelaar C. Cladder, al vermeld in 1857, die in 1882 per advertentie een bediende “van de P.G.” (Protestantse Godsdienst) vroeg en verfkwastenverkoper S. de Vries (in 1898 op nummer 20.). En zelfs een goud- en zilversmid. In 1882 meldde het Algemeen Handelsblad dat op maandag 5 septemberin de voormalige Bijouterieënfabriek van den Heer N. H. VAN VEEN, Koestraat No. 3 te Amsterdam” diens goud- en zilversmeedgereedschappen geveild gaan worden. Een veeg teken.

En spraakmakende straatbewoner was halverwege de eeuw de drukker/uitgever N.W. van Nifterick (op het huidige nummer 5). Bij hem verscheen vanaf 1847 het ‘schendblad’ De Hydra van de gevreesde linkse polemist Jan de Vries (http://www.onsamsterdam.nl/tijdschrift/jaargang-2012/32-tijdschrift/tijdschrift-jaargang-2012/1805-nummer-10-oktober-2012?showall=&start=4) En in 1851 kwam het tweetal alweer met een nieuw blaadje: De Ware Volksstem! . Wegens belediging van premier Floris Adriaan van Hall werden schrijver en drukker zelfs tot drie jaar cel veroordeeld, maar wegens een vormfout sprak de Hoge Raad ze uiteindelijk vrij.

Aan de noordkant werd (zoals gezegd) Jan van der Heijdens huis vervangen door een schoolgebouw: een Openbare Armenschool ofwel kostelooze school (zonder schoolgeld). Officieel heette ze de Openbare Lagere School No.20, met eind 19de eeuw als hoofd J.H. Eggelte Pzn. Die keerde zich in 1876 fel tegen de ‘laster’ dat een van zijn onderwijzers had beweerd dat Mozes helemaal niet het water van de Roze Zee van water in bloed had veranderd,  maar dat hij er tersluiks vanuit zijn mouw rood poeder in had gestrooid.

In 1920 (toen formeel het systeem van standenschool werd opgeheven) ging ze Koestraatschool heten. Eind 19de eeuw was in dit schoolgebouw ook de Avondschool voor Volwassenen gevestigd, een veelgeprezen project.

Het werd steeds meer een straatje voor ‘wanboffers’. Een beetje typerend voor de sfeer is wel dit krantebericht van 20 mei 1884: “Een bewoner der Koestraat, die hedenmorgen  zou verhuizen, had den porder besteld, om hem vroeg te wekken. Toen hij door diens komst ontwaakte, wilde hij hem uit het raam toeroepen. In het oogenblik dat hij zijn hoofd naar buiten stak. viel het raam plotseling neer  en kwam op zijn achterhoofd terecht Hij werd zoo gekneusd, dat hij naar het Gasthuis vervoerd moest worden.”

 

Een beetje sjiek tegenover veel sjofel

De chiquere wijnsfeer kwam hier een beetje terug  weer terug toen wijnkoper Jacobus Boelen, oprichter van de monumentlievende Verreeniging Hendrick de Keyser, het in 1917 kocht. Hij liet het in 1923 restaureren door architect A.A. Kok en richtte er een wijnmuseum in onder de oude naam Wijnkoopersgildehuis. 

Een jaar later werd aan de overkant  de latere burgemeester Wim Polak geboren. In september 1993 vertelde hij aan Ons Amsterdam-verslaggeefster Jojanneke Claassen: “Van mijn geboortehuis in de Koestraat herinner ik me natuurlijk niets. Toen ik een jaar of negen was verlieten mijn ouders dat kleine rotwoninkje en verhuisden naar de Gerard Doustraat. Mijn vader was toen magazijnbediende bij Flesseman Textiel op de Nieuwmarkt en mijn moeder had op een atelier gewerkt. Ze waren dus arm, maar met hun eerste – en laatste – kind wilden ze naar een grotere woning. Toch herinner ik me de Koestraat vaag, omdat mijn grootouders [http://www.onsamsterdam.nl/tijdschrift/jaargang-2003/21-tijdschrift/tijdschrift-jaargang-2003/801-nummer-2-februari-2003?showall=&start=3] die op nummer 9 naast ons woonden pas later naar de Geldersekade verhuisden. Jaren later, toen ik bij Alexander Pola [cabaretier; eigenlijk Abraham Polak, geboren 1914 – red.], en daar uit het raam keek, kreeg ik zo’n visioen van ‘ja, zo was het’. Bram en Katja woonden in hetzelfde huis als mijn grootmoeder, tegenover het Wijnkopergildehuis, en dat poortje herinnerde ik me.” Uit de Woningkaarten in het Stadsarchief blijkt overigens dat Wim Polak (als zoon van Philip Polak, 1898-1943, en Claartje Jacobs, 1900-1942) werd geboren op nummer 13 eenhoog links.Niet lang daarna werd de ‘kostelooze’ Koestraatschool opgeheven en kwam hier  boekbinderij Schoenmaker.

 

‘Meest vieze straat van de oude stad’  

Aan de overkant  op nummer 10 organiseerde wijnkoper Jacobus Boelen in 1933 ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van de eigen firma, een grote tentoonstelling over de geschiedenis van de Amsterdamse wijnhandel, met als een van de eregasten de gevierde oud-wethouder F.M. Wibaut. Het rechter deel van het Wijnkopersgildehuis (Koestraat 12) was in de jaren dertig  het clublokaal van de speeltuinvereniging De Waag.

De Duitse bezetting trof ook de Koestraat zwaar. De joodse famlies Reimer (nr. 11'), Schlevis (11''), De Hond (13''), Pentei (16''') en Duits (18') werden gedeporteerd en vermoord. Diverse huizen werden tijdens de Hongerwinter van 1944-1945 uitgesloopt.

In 1953 werd het wijnmuseum (Koestraat 10) een soort partycentrum, terwijl  tegelijk nummer 12  het nieuwe onderkomen van het  Geschiedkundig Medisch-Pharmaceurisch Museum, zeg maar het apothekerijmuseum, verbannen door de modernistische directeur van het Stedelijk Museum, Willem Sandberg. 

Maar allure kreeg de Koestraat daarmee nog niet. Want vooral aan de overkant was de ellende groot.  In 1961 schreef monumentenzorger ir. Ruud Meischke: “Iedere bezoeker zal beseffen dat het dieptepunt thans bereikt is. De voddenhandel, die enkele kelders en onderstukken gebruikt, heeft de openbare weg geheel in beslag genomen, zodat de straat een groot deel van de dag voor alle verkeer (zelfs voor voetganger) gesloten is. het is thans de meest vieze straat van de oude stad geworden.”  In 1989 voegde een andere prominente monumentenbeschermer, Geurt Brinkgreve, hier aan toe: “De souterrains [van Koestraat 7-9] lagen vol met vodden en oud metaal, voor het sorteren van deze koopwaar werd inderdaad de gehele straat vóór de huizen in beslag genomen. Verder woonden er eer prostituée, in de buurt bekend als ‘vieze Betje’, een bejaarde ‘ome’, die herhaaldelijk zo beschonken was dat hij het sleutelgat niet meer kon vinden en op de stoep bleef slapen, en ook een Chinese familie die het woord ‘huur’ niet groet begreep.”

 

Eerste herleving

Maar al in 1961 koesterde Meischke ook enige hoop. De vereniging Hendrick de Keyser had na een nieuwe restauratie beide musea laten heropenen door niemand minder dan Prins Bernhard; in het nederige straatje had diens bezoek opzien gebaard. En de actieve kunstenaar  en plaatselijk politicus Geurt Brinkgreve had met anderen op 26 mei 1960 de Stichting Diogenes opgericht, met als doel: “het tot stand brengen van woon- en werkruimte voor kunstenaars, bij voorkeur in panden die waardevol zijn voor het stadsbeeld”. In de praktijk betekende dat het redden van verkrotte mooi pandjes.  Dat die vooral werden toebedeeld aan liefst kunstenaars en schrijvers had een praktisch voordeel: die vinden een min of meer romantische omgeving en bescheiden huur belangrijker dan het ongerief van kleine kamers en stijle trappen, en zijn (vooral voor musici van belang) onderling zeer tolerant. Meestal, tenminste…) Tot de straatbewoners van de jaren zestig en zeventig behoorden schrijver/dichter Bernlef (Henk Marsman; nr. 36), beeldhouwer/restaurator Hans ’t Mannetje (leerling/medewerker van stadsbeeldhouwer Hildo Krop; gespecialiseerd in gevelstenen; nr. 7 hs) en cabaretier Alexander Pola (Bram Polak), vooral bekend van het satirische tv-programma Farce Majeure – en nu postuum als vader van journaliste Clairy Polak.  Nummer 5 (het oude adres van Jan van der Heijden en drukker Van Nifterick) werd in 1965 van de gemeente gehuurd door kunstenaarsvereniging De Onafhankelijken, die er ‘open inloopateliers’ bood; niet veel latet kwam hier ook de dansstudio van Pauline de Groot,  In het keldertje van ’t Mannetje op nummer 7  werd in 1968 Woningburo De Kraker (‘Doet het steeds vaker”) opgericht.  Oud-Provo Rob Stolk drukte er in 1968-1969 het Geïllustreerd Bethaniënnieuws.

Genoemde Stichting Diogenes wist ook samen de  Maatschappij tot Stadsherstel, het Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg en andere de gemeente ervan te overtuigen dat dit buurtje gered moest worden. Tot dan toe was ‘licht, lucht en ruimte’ het op zich prijzenswaardig gemeentelijk ideaal, zoals gepraktizeerd in de Westelijke Tuinsteden. Maar toegepast op de oude binnenstad, barstensvol monumenten, zou dat grootscheepse sloop betekenen – zoals op de Oostelijke Eilanden gebeurde en in de Jordaan in 1971 op het nippertje werd voorkomen. 

 

Strijd tegen te bot bestemmingsplan

In het Bestemmingsplan Bethaniënbuurt van 1968 (waarvan de ‘publieksversie’ verscheen onder de titel Nieuw leven voor een oude buurt) werd het oude stratenpatroon gerespecteerd, maar met achtererven en achterhuizen hadden de plannenmakers geen enkele genade. Geurt Brinkgreve van Diogenes in 1989: “Van de bebouwing, ook van de monumenten, was aan de achterzijde zo veel afgeknipt dat woningen in de resterende schil nog maar één kamer dicht konden zijn. (..)  Van de bewoners zouden slechts enkelen in hun huis kunne blijven en de gemeente zou het grootste deel van de panden moeten aankopen of onteigenen. Het plan was kortom onuitvoerbaar en onbetaalbaar, het hield geen rekening met de sociale structuur van de buurt en evenmin met de kwaliteit van de te slopen achterhuizen.”

Dus kwam er krachtig verzet, dat er na vele jaren in 1985 toe leidde dat de Raad van State in het Bestemmingsplan 1968 nietig verklaarde. Prettig anarchistisch had Brinkgreves Diogenes (nu: Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad) daarop al een voorschot genomen door Koestraat 7-11 inclusief de achterhuizen te restaureren! Zo werden de Koestraat in 1988-1989 de krotten Koestraat 3 en 15 vervangen door nieuwbouw. Wat betreft nummer 15 was dat eigenlijk een beetje jammer, want het was Sweelincks sterfhuis. Maar bouwkundig was het niet meer te redden.  

Niet meer volgens een groot masterplan, maar deel na deel, werd daarna in goed overleg tussen de gemeente, Diogenes en Stadsherstel de verbetering van de Bethaniënbuurt aangepakt, met als grootste gloriemoment de heropening van het laatste stukje Bethaniënklooster in de Barndesteeg als cultureel buurtcentrum (1990).  Om de bijzonderste panden voor de toekomst te beschermen, werd door de mooiste panden de monumentenstatus aangevraagd. Alleen al de Koestraat telt inmiddels 15 rijksmonumenten!

 

Junks en hoertjes

Vervelende samenloop van omstandigheid was wel dat juist in die jaren tachtig de drugs- en seksoverlast in het hele Wallengebied een hoogtepunt bereikte. En dat was ook in dit straatje merkbaar, al kwam dat veel minder dan vroeger door bewoners, nu vooral door passanten.  Onder de hoede van burgemeester Ed van Thijn begon in de jaren tachtig een grootscheeps tegenoffensief.  Met behoorlijk succes.  Tegenwoordig is de Koestraat weer een redelijk rustig, knus straatje. De laatste vechtpartij waarbij de politie te hulp werd geroepen dateert van juli 2012. De prostitutie is nog niet helemaal weg uit de straat. Op nummer 21 is een Thaise Massagesalon, die desgewenst ook seksuelediensten biedt. En op 44 zit (of zat?) een ‘gewoon’ bordeel.. Want tja, het blijven de Wallen. Maar het lijkt er toch aangenaam wonen. Tot de wat bekendere Koestraters van nu behoren de journalisten Heikelien Verrijn Stuart en Stan van Houcke, filmproducente Clea de Koning en architectuurcriticus Ton Idsinga.

 

Peter-Paul de Baar

 

Geschreven januari 2014 in het kader van een abonneewervingsactie via Facebook, op verzoek van oud-Koestraatbewoner Eric Jan de Jong.

 

 Naschrift 2016: Door de explosie van het toerisme in de laatste jaren is de leefbaarheid in de Koestraat weer dramatisch gekelderd.

 

 

Literatuur:

Geurt Brinkgreve,  De Bethanienbuurt vroeger - nu – straks.  (Speciale uitgave van tijdschrift Binnenstad, 1989.)

Powered by JReviews