De slokdarm van het Rijksmuseum Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Januari 14, 2013    
3239   0   0   0   0   0

Dossiers

Thema
Het Rijksmuseum dankt zijn onderdoorgang aan een nooit gebouwde wijk op de plek waar nu het Museumplein modern ligt te zijn. Menige directeur van het museum wilde van de doorgang af, maar de Amsterdammers willen ‘de enige doorfietskerk van Nederland’ niet missen. Deze maand [juli 2000] bestaat het museum (als instelling) 200 jaar, wat onder meer gevierd wordt met het jubileumboek ‘Tweehonderd jaar Rijksmuseum’. Auteur Gijs van der Ham verhaalt daarin onder meer over de doorrit. Hier vast enkele bewerkte fragmenten daaruit. Het Rijksmuseum is een van de weinige tastbare restanten die Amsterdam heeft overgehouden aan het besluit om van de stad de hoofdstad van het land te maken. Toen koning Lodewijk Napoleon deze stap in 1808 zette, betekende dit niet alleen de verhuizing van het hof naar Amsterdam, maar ook van alle ministeries en tal van staatsinstellingen. De hoofdstad bleek echter maar kort een ambtenarenstad. Zodra de prins van Oranje eind 1813 in Nederland terugkeerde, kreeg Den Haag zijn oude, traditionele positie terug. Alles verhuisde opnieuw. Het nationale museum was één van de schaarse landelijke instellingen die in de hoofdstad achterbleven. Op 31 mei 2000 is het precies 200 jaar geleden dat het museum in Den Haag werd opgericht, destijds Nationale Kunstgalerij geheten. Als zijn ‘Koninklijk Museum’ haalde Napoleon het vervolgens acht jaar later naar Amsterdam, waar het werd ondergebracht in een aantal zalen van het koninklijk paleis, het geconfisqueerde Amsterdamse stadhuis op de Dam. In 1817 verhuisde het al weer naar het Trippenhuis op de Kloveniersburgwal en kreeg het museum de naam die het nog steeds draagt – Rijksmuseum. Als museaal onderkomen was het Trippenhuis verre van ideaal, maar het bleek allerminst eenvoudig een gebouw te vinden dat aan de schilderijenverzameling recht kon doen, te meer omdat het rijk zich maar weinig om het museum bekommerde.

Prijsvraag
Buiten de oude stad vond men uiteindelijk een geschikte lokatie. Het terrein, dat de gemeente aan het rijk aanbood, lag op het punt waar de Boerenwetering in de Buitensingel (Singelgracht) uitkwam en waar voorheen het bolwerk Amstelveen had gelegen. In 1872 was de singel rechtgetrokken en was hier de Stadhouderskade aangelegd. Voor die omgeving had stadsingenieur J.G. van Niftrik in 1866 een plan ontwikkeld, inclusief museum, dat nooit is uitgevoerd. Een paar jaar later ontwierp hij voor het gebied een nieuw plan met een woonwijk voor de betere standen Hierin kon zonder al te veel problemen ook het nieuw te bouwen Rijksmuseum worden ingepast. Wel stelde de gemeente als voorwaarde dat het te ontwerpen gebouw een doorgang moest bieden naar de erachter te bouwen wijk. De weg die hier doorheen moet lopen bleef daarom gemeentegrond. Voor het nieuwe Rijksmuseum werd in 1875 een prijsvraag tussen drie architecten uitgeschreven. Hofarchitect L.H. Eberson bleek de poort achterwege te hebben gelaten. Zijn kansen waren hiermee meteen verkeken. Het ontwerp van H.P. Vogel kreeg één stem, P.J.H. Cuypers streek overtuigend met de overwinning. Ook hem zat de door Amsterdam geëiste doorrit echter dwars. Voor een majestueuze ingangspartij, een opvallend kenmerk van andere musea uit die tijd, was hierdoor bijvoorbeeld geen plaats. Twee entrees waren onvermijdelijk, maar het bleek moeilijk deze een plek te geven. Een “bezwaar voor de kommunikatie van ‘t gebouw”, zoals hij het zelf omschreef, was ook de doorsnijding van de begane grond. Door de diepte die Cuypers het gebouw gaf, was de doorrit bovendien betrekkelijk lang, al wist hij dit nadeel enigszins op te heffen door er vanuit twee hoge binnenplaatsen daglicht in te brengen. De wijk achter het museum kwam niet echt van de grond. Eigenlijk leidde de doorrit naar een leeg terrein, het latere Museumplein. Tevergeefs had Cuypers voorgesteld om in het verlengde van de doorrit een boulevard aan te leggen van maar liefst 45 meter breed, met aan de weerszijden de gewenste villawijk en aan het eind een belangrijk gebouw. Maar de uitgifte van bouwgrond voor woningen haperde. Een deel van het terrein kwam in gebruik voor tentoonstellingen, een ander deel voor sportdoeleinden. De doorrit, die een houten vloer had, was in de praktijk een stuk minder belangrijk dan de bedoeling was geweest. Nog jaren na de opening van het museum in 1885 werd de ruimte voor de opslag van grote beelden en bouwfragmenten gebruikt. Pas aan het eind van de jaren 1890 kon het verkeer er gebruik van maken. Een paar jaar later al ging de doorrit weer tijdelijk dicht, toen aan de zuidzijde van het museum voor Rembrandts ‘Nachtwacht’ een speciale zaal werd gebouwd.

Een onpopulaire daad
Met zijn dikke, hoge zuilen en zijn bakstenen gewelven was de doorrit een wat mysterieuze ruimte die menigeen fascineerde. Simon Vestdijk omschreef de poort in Avontuur met Titia als de “museumlijke slokdarm” en roemde dat “eigenaardige licht vooral, dat daar in (…) hangt, vaal licht, ja goed, vaal, vaal… maar toch ook een tikje gelig, een zweempje van kostbaars er doorheen, ja zeker, een tikkeltje goud, van de ‘Nachtwacht’ misschien wel”. Maar de in 1922 aangetreden hoofddirecteur F. Schmidt-Degener, die het hele museum op zijn kop zou zetten, wilde graag van de doorrit af. In maar 1925, en vele malen daarna, pleitte hij daarom voor het afsluiten ervan. Het gebouw had te lijden onder het toenemende autoverkeer, waaronder zwaar vrachtverkeer. “Het museum trilt” kopte eens een krant. Geregeld ontstond er schade aan de muren en bovendien vormde het verkeer een gevaar voor de fundamenten, die nog stamden uit een tijd dat auto’s niet bestonden. Het verkeer zorgde tevens voor ergerlijke geluidsoverlast, want de muren en het plafond van de doorrit waren betrekkelijk dun en niet geïsoleerd. Minstens zo belangrijk was echter dat Schmidt-Degener van de poort de centrale ingang van het museum wilde maken. Voor een totale afsluiting voelde het gemeentebestuur uitdrukkelijk niets. Het besefte hoezeer de Amsterdammers dit openbare deel van het museum in hun hart hadden gesloten. In 1928 kreeg de hoofddirecteur zelfs van het gemeentebestuur te horen dat een afsluiting “op groote tegenstand van het publiek (zou) stuiten en beschouwd (zou) worden als een onpopulaire daad”. Wel was de gemeente bereid het gemotoriseerde verkeer te weren, mits althans het rijk ervoor zorgde dat de wegen rond het museum een goed alternatief vormden. Daarvoor moesten de hoeken van de tuinen worden afgerond, anders werden de bochten te scherp. Het duurde tot 1931 voor het zover was. Tot grote opluchting van Schmidt-Degener mochten vanaf 1 november van dat jaar alleen nog fietsers en voetgangers onder het museum door. Aan een “jarenlange misstand” was een eind gekomen, eindelijk kon het museum die “plaats van stilte” worden, zo essentieel om echt van de kunst te genieten. Zijn streven er de nieuwe ingang van te maken liet hij niet varen. Toen in de zomer 1936 in de oostelijke binnenplaats een tentoonstelling van de Vereniging van Handelaren in Oude Kunst werd gehouden, mocht hij de doorrit als receptieruimte gebruiken. Sindsdien was “de wensch om deze architectonisch buitengewoon fraaie ruimte duurzaam op te nemen in het museum-complex steeds levendiger (geworden). Hier toch zou al datgene te vinden zijn, wat onze instelling steeds noode ontbeert, namelijk een centrale ingang, een gehoorzaal, een receptie-gelegenheid” schreef hij in zijn jaarverslag. Het zou een kroon op zijn werk zijn geweest, maar Schmidt-Degener kreeg het niet voor elkaar. De doorgang bleef “een verzamelplaats van vuil, een stoei-gelegenheid voor schreeuwende jeugd en een renbaan voor wielrijders”.

Doorfietskerk

Na de Tweede Wereldoorlog kwam het opnieuw tot plannen de doorrit bij het museum te trekken, maar de prioriteiten lagen in de naoorlogse periode van wederopbouw elders. De doorrit bleef doorrit. Ook in de jaren hierna viel het begerig oog van de museumdirectie vanzelfsprekend al snel op de doorrit wanneer aan verbeteringen voor het museum werd gedacht. Dat gebeurde ook in het begin van de jaren zeventig, toen de bestaande ingangen naar het oordeel van de directie volstrekt ontoereikend waren om het snel toenemende publiek – ruim een miljoen per jaar – op een goede manier te ontvangen. De bestaande situatie was treurigstemmend: “Het is weinig verheffend om te zien hoe de mensenmenigten in en uit de draaideuren worden geperst, in de rij staan voor de snel vervuilende toiletten en in het restaurant lijden onder de onvoldoende luchtverversing. Het is niet verwonderlijk dat er hoe langer hoe meer klachten binnenkomen en men vraagt zich af of het nog wel verantwoord is reclame te maken voor een instelling waar het zo toegaat,” aldus hoofddirecteur A.F.E. van Schendel. Maar onder aanvoering van wethouder Han Lammers maakte de gemeente Amsterdam duidelijk niet van de doorrit af te willen, onder meer omdat recent een beleid was aangezwengeld om het fietsverkeer te stimuleren. De populariteit van de poort bleek bij de fietsende Amsterdammer trouwens zonder weerga te zijn, al had de ruimte in de jaren zestig door het volbouwen van de binnenplaatsen veel van zijn aantrekkelijkheid en allure verloren. Het was sindsdien niet meer mogelijk het museum in te kijken en het schaarse, vale daglicht dat in de doorrit scheen was door lampen vervangen. Toch wilden de Amsterdammers “de enige doorfietskerk van Nederland”, zoals Ben Kroon de doorrit in 1974 in De Tijd treffend karakteriseerde, niet kwijt. Ondanks verschillende pogingen om het dilemma doorgang of entree te omzeilen, lukte het niet een uitweg te vinden. Een fietstunnel of een viaduct in combinatie met een entreehal waren als oplossing onbevredigend. Het bleven omslachtige en geforceerde compromissen waardoor het gebouw bovendien dreigde te worden verminkt. De discussie is echter nog steeds niet gesloten. Van 2003 tot 2005 zal het museum sluiten vanwege een grote verbouwing, mogelijk gemaakt door een schenking van één miljoen gulden van de staat. Hoofddirecteur Ronald de Leeuw wil onder meer de binnenplaatsen in hun oude glorie herstellen. Het heeft er alle schijn van dat ook de functie van doorrit weer ter sprake komt. Het blijft immers dé ideale ingang voor het museum. Over de reactie van de Amsterdammer hoeft niet te worden getwijfeld. Zij willen hun poort houden.

Tekst: Dr. G. van der Ham

Dr. G. van der Ham is historicus en stafmedewerker van het Prins Bernhard Cultuurfonds.
Powered by JReviews