Markante Amsterdammers: Cor Jaring Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 07, 2010    
7032   0   0   0   0   0

Cor Jaring: een zondagskind

JaringIedereen kent Cor Jaring als fotograaf, maar eigenlijk was dat niet zijn bedoeling. De jonge havenarbeider hoopte beroemd te worden als wielrenner en anders wel als kunstschilder. Dat het helemaal anders liep, is vooral te danken aan zijn vrouw Willy, een aardige legerofficier en ‘antirookmagiër’ Robert Jasper Grootveld.

Een gesprek met Cor Jaring onder vier ogen is vrijwel onmogelijk. In zijn volgestouwde studio in de Dapperbuurt heeft hij veel aanloop van vakbroeders en vrienden. Ook tijdens dit interview is de ‘publieke tribune’ – een luie stoel – bijna steeds bezet, tot gemak van Jaring, die de toehoorder geregeld vraagt effe een pilsje uit de koelkast te halen. Hij is net 72 geworden en minder actief dan vroeger, maar als hij begint te vertellen, komt er geen einde aan de rits van anekdotes. Dat spraakwater heeft hij ongetwijfeld van zijn vader. “M’n god, wat kon díe man lullen!”
Op 17 december 1936 werd Cornelis Jaring geboren op Witttenburg, de middelste van de drie Oostelijke Eilanden. Zijn vader Willem kwam ook van het eiland, uit een gezin met tien kinderen. Al die Jaringen woonden in de Eerste Wittenburgerdwarsstraat, alias het Jaring-stegie. “Mijn vader was aan zijn ene oog blind, aan het andere oog scheel. Eigenlijk wou hij bokser worden! Maar ja, als-ie van links kreeg, zag-ie dat niet ankomme. Dat hij Schele Willem werd genoemd, was geen belediging. Hij wás nu eenmaal scheel en iedereen op Wittenburg had een bijnaam.” Die handicap compenseerde Willem met een grote geldingsdrang, boerenslimheid en inventiviteit. Met allerlei handeltjes hield hij zich overeind.

Verwekt op doktersadvies
“Ik ben verwekt op doktersadvies!,” onthult Jaring. “Dat zat zo. Het waren de crisisjaren en mijn vader zat in de werkverschaffing, ergens in het zuiden. En die komt mijn moeder tegen. Bertha Akkerman, die werkte daar in de kloostertuin, in Venlo. Mijn vader deed niet aan geloof maar was smoorverliefd, dus hij trouwde met haar en ze kregen een kind: Nelissie! Net zo scheel als zijn vader! Maar iedereen híeld van dat rare, vrolijke kind! Hij werd afgelebberd door alle tantes, van die echte Amsterdamse volkswijven, met zo’n boezelaar en geweldige tieten, zich inrijgend in corsetten als ze naar de Snip-en-Snap-revue gingen.
Mijn vader had een vriend, Jan de Boer. Die had een winkeltje in de Grote Witttenburgerstraat. En die verkocht levensmiddelen, maar hij kon ook kleren voor je naaien, want hij had een naaimachine. Op een dag komt hij binnenvallen en roept: ‘Willem! Bertha! Kom mee! Ik heb een uitvinding gedaan!” Dus vader en moeder mee, Nelissie aan de hand. Die wordt op het binnenplaatsje aan het spelen gezet. Mijn ouders gaan in Jans keuken het wonder bekijken. Wat blijkt? Hij had een eenvoudige hand-naaimachine via drijfriemen aangesloten op een benzinemotor. Hij start die motor en ineens begint de naaimachine te snorrren!
M’n vader zegt plechtig: ‘Jan, dit is het ei van Columbus! We worden schathemelrijk!’ Van enthousiasme zwaait hij met zijn sigaar, de gloeiende askegel valt in de benzinetank en die vliegt in de fik! Pijlsnel pleuren de mannen die brandende tank door het keukenraam ’t plaatsie op – boven op me broertje die daar speelde. Drie dagen later was hij dood.
Twee jaar daarna roept dokter De Mooij mijn vader: ‘Willem, je moet dinsdag om 11 uur ’s op m’n spreekuur komme!’ Zegt me vader: ‘Waarom? Ik mankeer toch niks?’ Maar goed, vader gaat en de dokter zegt: ‘Willem, je vrouw is zielsziek. Het gemis van Nelissie maakt haar gek. Dus ik raad je één ding aan: niet meer voor ’t zingen de kerk uit! Neem snel een nieuw kind!’ Zo ben ik geboren. En o wonder: niet scheel!”

Huilen als bijbaan
“We woonden achter de Oosterkerk, maar omdat m’n moeder rooms was, werd ik gedoopt in de Sint Annakerk op Kattenburg. M’n peettante was juffrouw Heijkoop, het water-en-vuurvrouwtje uit de Kleine Wittenburgerstraat. Ja, die Oostelijke Eilanden, dat wás me een zootje triefel! Die Eilanders werkten bijna allemaal als zeeman, in de haven of in de scheepsbouw, maar meestal waren ze werkloos. Ze stemden massaal communistisch. Eigenlijk waren ze geen communisten, ze waren gewoon ontevreden arbeiders!”
Iedereen leefde in die tijd met elkaar mee. Jaring: “Als er een dooie was uitgedragen, kwamen al mijn tantes, die gingen die hele zooi uitsoppen, dan werd er gewit: de geest uitdrijven! Jonge, d’r waren begrafenissen. Honderden mensen brachten ‘t lijk op een kar naar de Nieuwe Ooster! Daarbij hoorde flink gehuild te worden. Tante Annie, de woekeraarster, deed het als bijbaan. Die verhuurde zich als huilvrouw, de hele nacht naast de kist zitten. Zo gauw er iemand binnenkwam, barstte ze weer los.”
Vader Jaring bouwde intussen een geweldige reputatie op als grafredenaar, maar ook voor feestredes werd hij graag ingehuurd, bij jubilea van de visclub of de klaverjasvereniging. Een zachtmoedig man wil Cor Jaring zijn vader niet noemen: “Hij was een overlever”. Nee, dan zijn mollige moeder, die was de liefheid zelve: “Zelfs de grootste tuchthuisboef vond zij een schat.” En ze vertroetelde haar nieuwe kind. “Ik zag er ook schattig uit, met blonde krullen, net een meissie.“

Uitslopen
De oorlog kwam de familie Jaring redelijk door. In de hongerwinter werden de huizen van weggevoerde joden door de buurtjeugd vakkundig uitgesloopt. “Het eerste molden we de trap naar eenhoog, voor als de bende van Kattenburg of Oostenburg kwam. Al het houtwerk ging de potkacheltjes in. Vlak na de oorlog zat de gemeente in de maag met al die krotten. Handige jongens als Maupie Caransa en mijn vader mochten ze voor een habbekrats opkopen, opknappen en verhuren. Caransa werd er groot mee; mijn vader niet. Die wou na een tijdje rust, want drie jaar na de oorlog overleed mijn moeder en ging hij nog meer drinken dan hij al deed. Een paar huisjes bleef hij verhuren, vaak aan arme kunstenaars. Prachtige mensen vond ik dat. Eigenlijk wou ik ook kunstenaar worden. Op de Parelschool merkte ik dat ik aardig kon tekenen. Die Rembrandt en die Van Gogh, die stak ik zo in mijn zak, dacht ik. Maar eerst moest ik mijn school afmaken, helaas.”
In een van zijn pandjes begon Willem Jaring op de Wittenburgergracht eerst een groentezaakje, dat tegen 1950 werd omgezet in een winkeltje in tweedehands spullen: ‘Schele Willem Koopt Alles’. Cor woonde met zijn vader achter de winkel en hielp in de zaak. Intussen kreeg hij ook zijn eigen baantjes: als veger in een magazijn en huidenklopper in de haven. Vooral dankzij de winkelinkomsten werd hij als puber een big spender: dure pakken, veel drank en sigaretten. Al bleef zijn vader hem in drankgebruik met gemak de baas. “Een chaotisch huishouden was het. Net Stiefbeen & Zoon!”
Nadat zijn vader een fietsframe had ingekocht, vond Cor – dertien jaar – een nieuwe passie: wielrennen. Dat deed hij goed. Tijdens ons gesprek leegt hij op tafel een plastic tas vol glanzende bekers, vaantjes en medailles. Twee keer werd hij begin jaren vijftig nationaal kampioen vlieggewicht. Bij de ronde van Zaandam ontmoette hij zijn Willy, veertien jaar jong. Dat wielrennen vond zde niks, maar bij hem op de stang reed ze terug naar Amsterdam en toen was het aan. Hij weet nog hoe heerlijk zij rook: naar Sunlight-zeep. Nu, na een halve eeuw huwelijk, klinkt hij nog steeds verliefd.

Kinderen en Provo’s
In militaire dienst liep Cor Jaring tegen de fotografie aan. Van een ‘slapie’ mocht hij soms een ‘boxje’ lenen; een aardige kapitein bezorgde hem een baantje als beheerder van de doka in legerplaats De Harskamp. En hij won een fotowedstrijd voor militairen. “Mijn foto’s waren spontaan, maar ook hartstikke onscherp. Maar dat was net mode, dus ze dachten dat het Kunst was!”
Eenmaal uit dienst ontmoette Jaring een jongeman die langs de huizen ging om kinderfoto’s te maken. Ze werden compagnons. In het kinderrijke Slotermeer bood hij zijn diensten aan. “Ik maakte van iedere koter meteen tien foto’s, en als ze er één kochten, zei ik nonchalant dat de andere negen versnipperd werden. Dat vonden die moeders dan ook weer zonde, en kochten de rest ook, met korting.” Zo was Jaring ineens beroepsfotograaf, maar het geld raakte snel op en dat terwijl hij zelf net vader geworden was. Dus ging hij weer in de haven werken, als walmatroos en nachtwacht. Hij maakte er unieke portretten van de ruige havenarbeiders en ze lieten hem begaan, want hij hoorde erbij. In 2002 zijn zij gebundeld in een schitterend fotoboek, mét nieuwe foto’s (nu in kleur) die Jaring maakte van de moderne havenarbeid.
Jaring verdiende niet slecht en werd een gewaardeerd rondjesgever in kunstenaarscafés als Hans en Grietje op de Spiegelgracht en Reynders op het Leidseplein. Hij kiekte er de jonge Simon Vinkenoog en Ramses Shaffy, en maakte kennis met de bevlogen glazenwasser Robert Jasper Grootveld, die zich opwierp als ‘anti-rookmagiër’. Jaring fotografeerde diens ‘happenings’ in de Korte Leidsedwarsstraat en op het Spui en ontmoette er de jongens die de Provo-beweging in het leven riepen. Daar vermaakte hij zich prima, en werd zo de Provo-fotograaf bij uitstek.
Bij de roerige bruiloft van prinses Beatrix met haar Claus (een Duitser!) kreeg de ‘subversief’ geachte Jaring geen toegang tot de Westerkerk. Des te beter: hij maakte buiten de écht spannende foto’s van de rookbommen en vertwijfelde agenten. In café Scheltema sleet hij ze aan het gerenommeerde Paris Match. Het betekende het begin van zijn internationale roem. Die groeide alleen maar toen hij ook de eerste blote vrouw in een Nederlands tv-programma fotografeerde (Phil Bloom, 1967) en John Lennon en Yoko Ono in bed in het Amsterdamse Hilton Hotel (1969).
Maar die verhalen heeft hij al zó vaak verteld dat Jaring daar nu even geen zin meer in heeft.

Tekst: Peter-Paul de Baar

Februari 2009

Powered by JReviews