De dood in kaart Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Juni 17, 2011    
4630   0   0   0   0   0

De geboorte van de themaplattegrond

10112002_ThemakaartDe cholera-epidemie van 1866 kostte 1100 mensen het leven, maar ze had ook een paar gunstige bijeffecten: de Jordaan en andere volksbuurten werden aangesloten op de Duinwaterleiding én de ramp werd in kaart gebracht op een van de eerste themaplattegronden die in ons land verschenen.

In de 19de eeuw werd de statistiek een wetenschap en de beoefenaren ervan ontdekten al snel de voordelen van een illustratieve weergave van de informatie die ze wilden presenteren. Een mogelijkheid was de themaplattegrond. Dat zijn kaarten waarop één of enkele onderwerpen centraal staan, terwijl zo veel mogelijk andere informatie wordt weggelaten. Neem bijvoorbeeld metroplattegronden: het lijnennet is helder weergegeven, maar de rest van de stad wordt slechts schematisch aangeduid. Die metrolijnen zijn (vanaf het perron tenminste) ook in het echt te zien, maar andere onderwerpen van themakaarten zijn niet zomaar waarneembaar in de stad: de frequentie van straatroof in diverse stadsdelen bijvoorbeeld, of de spreiding van welvaart, of van bepaalde ziekten. Themakaarten tonen het verband tussen plekken en verschijnselen, maar dat verband is niet altijd eenvoudig verklaarbaar. De cholerakaart van 1866 is daarvan een treffend voorbeeld. De cholera bleek vooral toe te slaan in stinkende volksbuurten. Maar waarom?

Diarree en braken

In 1830 werd Europa in korte tijd getroffen door een tot dan toe onbekende ziekte van epidemische omvang. Het ziektebeeld had een dramatisch verloop. Besmetting leidde tot hevige diarree en braken, waarvan slechts een beperkt aantal patiënten genas. Soms trad al na enkele uren de dood in; meestal duurde dat enkele dagen. De ziekte verspreidde zich zó snel dat medici al spoedig spraken van een pandemie. De oorsprong daarvan werd getraceerd in Bengalen, en dan vooral in Calcutta. In 1830 dook de ziekte op in Moskou. Talloze inwoners ontvluchtten in paniek de stad, waardoor de ziekte zich weer verder verspreidde, allereerst over Oost-Europa. Alleen al in Rusland sleepte deze ‘nieuwe pest’ meer dan 197.000 inwoners het graf in, en maakte kort daarna in Hongarije meer dan 100.000 slachtoffers. Al snel werd ook West-Europa getroffen. In 1832-1833 openbaarde de geheimzinnige nieuwe epidemie zich in Amsterdam, waar in korte tijd 1200 slachtoffers vielen.

De medici stonden met lege handen. Effectieve geneesmiddelen bestonden er niet, en het zou nog lang duren voor die werden uitgevonden. Over de verspreiding van en besmetting met cholera hadden artsen de meest bizarre opvattingen - althans, gezien vanuit onze moderne inzichten. De meeste experts waren ervan overtuigd dat de ziekte in ons polderland werd overgedragen door kwade dampen, die uit de door en door verrotte en besmette bodem opstegen. Die opvatting was geheel onjuist, maar wel begrijpelijk. Veel van de ooit zo welvarende Hollandse steden, waar het aantal slachtoffers aanzienlijk was, verkeerden in diep verval. In Amsterdam werd het stadsbeeld ontsierd door half ingestorte bruggen en kadewanden en wegrottende walbeschoeiingen. De grachten, de belangrijkste riolen van de stad, raakten dichtgeslibd door huisvuil en slachtafval. De stank van het ontbindende afval en uitwerpselen was vooral in de zomermaanden niet te harden.

In 1848-1849 werd West-Europa door een tweede nog veel grotere golf van cholera asiatica getroffen. In Londen werden in drie maanden 33.000 doden geteld, in Parijs 19.000. In Amsterdam kwam het dodental ten slotte uit op 2273. Overigens bleef de ziekte ook na het wegebben van de epidemie incidenteel vele slachtoffers maken. Het zou nog geruime tijd duren voordat de medische wetenschap de ware oorzaak, en daarmee ook de juiste preventie van de aandoening ontdekte. Toch werd er intussen vooruitgang geboekt in de strijd tegen deze ziekte.

De opmars van de medische statistiek

Terwijl van de gevestigde medische wetenschap voorlopig weinig heil te verwachten was, werd er op een ander terrein wél aanzienlijke vooruitgang geboekt. De 19de eeuw is niet voor niets de ‘eeuw van de statistiek’ genoemd. Wiskundigen, geografen en artsen raakten gefascineerd door de onderlinge samenhang die bepaalde verschijnselen in de samenleving vertoonden. De basis voor het onderzoek daarnaar was gelegd met de eerste grootschalige volkstellingen, die het revolutionaire Frankrijk voor het eerst rond 1800 organiseerde, allereerst natuurlijk in eigen land, maar spoedig daarna ook in de andere landen die door Napoleon veroverd waren. Samen met een plaatselijke bevolkingsboekhouding, uitgevoerd door de burgerlijke stand en het bevolkingsregister (eveneens van Franse origine), beschikten onderzoekers en geïnteresseerde burgers nu voor het eerst over een betrouwbaar bestand van bevolkingsgegevens.

Al spoedig verscheen in ons land het eerste voorbeeld van een ‘geneeskundige plaatsbeschrijving’, een statistische exercitie die in de loop van de 19de eeuw furore zou maken. Wat medici daarbij opviel waren de grote verschillen in sterfte tussen de onderzochte plaatsen. Zo bleek bijvoorbeeld dat de cholera in ons land buitengewoon selectief te keer ging. Terwijl iedere epidemie in Amsterdam, Rotterdam of Dordrecht vooral slachtoffers maakte in de verpauperde volksbuurten, bleek diezelfde cholera in een doodarm industriedorp als Hilversum veel minder fataal te zijn. Waar lag dat aan? Opnieuw werd die vraag beantwoord met een verwijzing naar de ‘kwade dampen’, die de lucht in het Gooi immers veel minder verpestten dan in Amsterdam. Mede daarom werd in Hilversum het ene na het andere sanatorium geopend. Maar de werkelijke doorbraak kwam in 1854, toen de Britse arts John Snow in een epidemiologisch onderzoek naar de verspreiding van de cholera in Londen onomstotelijk vaststelde dat het drinkwater de belangrijkste besmettingshaard voor deze ziekte vormde.

Londen beschikte evenmin als Amsterdam over een drinkwaterleiding. In beide steden werd drinkwater gewonnen uit regentonnen, ernstig vervuilde rivieren, of uit vergaarbakken. Vooral die laatste twee bronnen stonden in contact met de open riolen en beerputten die in beide steden schering en inslag waren. In Amsterdam werd het meeste drinkwater uit de nog relatief schone Vecht gehaald en in waterschuiten over de Amstel naar Amsterdam gebracht, waar het werd opgeslagen in waterkelders met een pomp er bovenop; daar konden de burgers een emmertje water kopen. Maar als de Amstel was dichtgevroren, moesten er ijsbrekers worden ingezet om de waterschuiten vrij baan te geven en dan werd het water aan de pomp zó duur dat arme Amsterdammers toch maar weer vervuild regenwater of putwater gingen drinken.

Snows conclusie werd met hoongelach ontvangen. Zo meende de Utrechtse hoogleraar Mulder nog in 1860 dat het in Rotterdam volstrekt onnodig was “om bij de komst der cholera omzigtig te wezen met Maas- of Rottewater; géén medicus behoeft het gebruik van regenwater aan te bevelen”. Zijn opvatting kreeg grote bijval onder zijn collega’s.

Waaróm dat drinkwater zo’n grote rol speelde, bleef echter ook voor Snow voorlopig verborgen. Maar dát het van doorslaggevend belang was bleek al spoedig, toen Amsterdam, als een van de eerste steden van Nederland, dankzij de particuliere Duinwatermaatschappij in 1853 een ‘moderne’ waterleiding kreeg. In december van dat jaar tapte men, voor een cent per emmer, uit een pomp bij de Haarlemmerpoort het eerste door buizen aangevoerde duinwater. In de volgende jaren werd het buizenstelsel uitgebreid tot in de woningen van de welgestelde Amsterdammers. Het leidingwater viel zeer in de smaak, maar bovendien bleken - ongepland - de gevolgen voor de volksgezondheid bepaald spectaculair. De vierde cholera-epidemie van de 19de eeuw, die van 1866, maakte 1100 slachtoffers. Dat waren er weliswaar nog evenveel als in 1855, maar in die tien jaar was Amsterdam wél met ruim 10.000 inwoners gegroeid.

Jordaan en Eilanden zwaarst getroffen

Evenals bij de voorgaande epidemieën onderzocht een speciale commissie uit de gemeenteraad het verloop van de ziekte per buurt en voor de stad als geheel. Bovendien vergeleek men de uitkomsten met die van andere steden, bij voorkeur eveneens gelegen in een veenweidegebied zoals Amsterdam. En wat bleek? Dat Amsterdam “in weerwil van haar vervuilden en grootendeels drassigen bodem, in weerwil van de ongezonde behuizing van zoovelen, in weerwil van het toegenomen handelsverkeer (…) betrekkelijk minder te lijden had gehad dan vele andere voorname steden, zo binnen- als buitenlands”.

Die conclusie was, zeker binnen Nederland, niet overdreven. Want terwijl de epidemie van 1866 bijna elf slachtoffers maakte per 1000 ingezetenen in Rotterdam, en zelfs zestien per 1000 in Dordrecht, kwam de sterfte aan cholera op vier per 1000 in Amsterdam, dat toen naast Den Helder als enige stad in Nederland beschikte over een drinkwaterleiding.

Wie mocht denken dat de medici nu wel overtuigd waren van de preventieve hygiëne van gezuiverd drinkwater komt bedrogen uit. De geneeskunde moest wachten tot 1883, toen de Duitse onderzoeker Robert Koch de cholerabacil ontdekte als veroorzaker van de ziekte. De bacil werd aangetroffen in menselijke uitwerpselen. Kwamen die in contact met drinkwater, hetgeen veelvuldig voorkwam in het Amsterdam van vóór 1850, dan kon de besmetting zich razendsnel verspreiden. Dat zelfs ná de introductie van het duinwater nog zo veel slachtoffers vielen, had te maken onwetendheid en met de kosten van dat water, die vooral in de armoebuurten moeilijk waren op te brengen.

Het definitieve einde van de cholera in Amsterdam kwam met de aanleg van waterleiding en riolering tot in de armste krottenwijken, in combinatie met een betere voeding en hygiëne.

Maar voor het zover was, werd van alle cholera-epidemieën in Amsterdam nauwkeurig bijgehouden hoe de ziekte zich per week over straat, wijk en buurt verspreidde. Van de laatste grote epidemie (1866) werden deze gegevens weergegeven op een zogenaamde thematische kaart. Zo konden tijdgenoten in één oogopslag zien welke stadsdelen (onevenredig) zwaarder werden getroffen door de epidemie dan andere. In krottenwijken als de Jordaan (de wijken GG tot en met JJ) en de Oostelijke Eilanden (wijk T) werden aanzienlijk meer slachtoffers geteld dan in de chique grachtengordel, waarin wijk RR zelfs geheel van de epidemie gevrijwaard bleef.

De zogenaamde cholerakaart van 1866 is een mooi en bovendien nogal vroeg voorbeeld van een thematische kaart. Daarop wordt een bepaald verschijnsel afgebeeld op een sterk geabstraheerde topografische kaart. Op een thematische kaart zijn de gegevens die nodig zijn voor de ruimtelijke oriëntatie tot een minimum beperkt. Op de kaart van 1866 ontbreken de loop van de grachten en de Amstel, van straten en pleinen, laat staan van bouwblokken en percelen. Alleen de belangrijkste contouren van de stad en de eenheden van waarneming (de toen gangbare wijkindeling) zijn afgebeeld. De (voor vrijwel iedereen onzichtbare) gemeentegrens, waarbinnen de nog goeddeels onbewoonde stadsdelen WW tot en met ZZ liggen, is eveneens weergegeven. Wat zich daar buiten afspeelde viel letterlijk buiten het bestek van de choleracommissie, die de gegevens over het ziekteverloop bijhield.

Zoals gezegd, werden gegevens van het verloop van de cholera ook tijdens vorige epidemieën bijgehouden. Slechts in enkele gevallen leidde dat tot een ruimtelijke (cartografische) vertaling daarvan. Een vroeg voorbeeld is de cholerakaart van Scheveningen uit 1832. Hier werd de topografische onderlegger, de plattegrond, nog zonder noemenswaardige abstrahering gebruikt. Dat kon natuurlijk ook, omdat het hier om een piepklein dorp ging.

Eén oogopslag

Thematische kaarten zijn tegenwoordig niet meer weg te denken uit kranten, tijdschriften en van het internet. Anders dan de saaie en onoverzichtelijke tabellen waar ze vrijwel altijd op zijn gebaseerd, zijn kaarten veel krachtiger informatiedragers. De ruimtelijke spreiding van een verschijnsel - het aantal verkeersdoden per provincie of per type weg; de prijzen van koopwoningen per regio - heeft daarnaast een belangrijke attenderende waarde. De ‘lezer’ van zo’n kaart zal zich afvragen waarom dat ene verschijnsel zich in het ene gebied veel nadrukkelijker voordoet dan in het andere.

De Amsterdammers van 1866 zouden die laatste vraag waarschijnlijk anders beantwoorden dan wij dat nu doen. Er heerste in die tijd een wijd verbreid fysisch determinisme. Men was er, anders gezegd, van overtuigd dat de bodemgesteldheid, het klimaat en de aard van de bebouwing ter plekke zelf verantwoordelijk waren voor het zich meer of minder vaak voordoen van een verschijnsel. Dat het werk van Charles Darwin die overtuiging krachtig bevorderde zal niemand verbazen.

Tekst: Michiel Wagenaar

Oktober-November 2002

Dr. M.F. Wagenaar is historicus en sociaal-geograaf, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1984 tot 1988 was hij redacteur van Ons Amsterdam.

Literatuur:

J.A. Verdoorn, Het gezondheidswezen te Amsterdam in de 19e eeuw. Nijmegen 1981.

W.F. Heinemeijer en M. F. Wagenaar, Amsterdam in kaarten. Verandering van de stad in vier eeuwen kartografie. Ede/Wageningen, 1987.

E.L. Houwaart, De hygiënisten. Artsen, staat en volksgezondheid in Nederland 1840-1890. Groningen, 1991.

Powered by JReviews